id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.600 Rolnummer: A. 153570/XIV-20086 Zaak: Arrest 164600 - - 09/11/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-11-27 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-01 08:22 Fiche Arrest nr 164.600 van 9 november 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 164.600 van 9 november 2006 in de zaak A. 153.570/XIV-20.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat N. DIRICKX, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Italiëlei 213, bus 15 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Liberiaanse nationaliteit, op 8 juli 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 10 juni 2004 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 1 maart 2004 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 27 juli 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 28 juli 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 4 oktober 2006; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-20.086-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaat N. DIRICKX, die verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché F. VEREEKEN, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur R. VERCRUYSSEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij in België binnenkomt op 8 februari 2004 en zich op 9 februari 2004 vluchteling verklaart; dat op 1 maart 2004 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied te verlaten; dat op 10 juni 2004 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken tot weigering van verblijf bevestigt; dat dit de bestreden beslissing is die luidt als volgt : “A. Vluchtrelaas U verklaarde de Liberiaanse nationaliteit te bezitten en afkomstig te zijn van Monrovia. Uw vader, F. P., verliet uw moeder, E. J., toen u nog jong was. Uw moeder overleed aan kanker toen u tien jaar was. Uw enige broer, B., overleed aan een ziekte op zeer jonge leeftijd. Sinds het verlies van uw moeder woonde u alleen in Monrovia, meer bepaald in de Old Road- gemeenschap. U bent ongeschoold en diende dagelijks op zoek te gaan naar voedsel om te kunnen overleven. Op een dag hielden zes rebellen u staande. Ze vroegen tot welke partij u behoorde. U repliceerde tot geen enkele partij te behoren waarop de rebellen zegden dat u zich bij hen moest aansluiten. De schijnbare leider stapte op u toe en zei dat ze u zouden doden indien ze uw ogen nog eens zouden zien. Daarop werd u door een andere rebel geschopt waarna de rebellen vertrokken in hun wagen. U kreeg schrik en liep een Liberiaan tegen het lijf aan wie u het hele gebeuren vertelde. Hij nam u mee naar het dorp waar hij aan landbouw deed. U bleef bij hem gedurende drie dagen. Intussen praatte hij met een blanke man die u hielp met de verdere reis. U kon zich niet meteen herinneren in welke maand u Liberia verliet maar vanuit Monrovia reisde u in een klein bootje naar het midden van de oceaan waar u aan boord ging van een groot schip dat koers zette richting België. Dezelfde blanke man die u aan boord had geholpen in Monrovia hielp u afstappen in een voor u onbekende haven. U sprak verschillende personen aan maar deze bleken de Engelse taal niet machtig te zijn. Uiteindelijk raakte u toch in gesprek met een vrouw die een beetje Engels sprak. Ze nam u mee naar haar woning, gaf u te eten en bracht u uiteindelijk naar de gebouwen van de Belgische asielinstanties waar u op 9 februari 2004 uw asielprocedure startte. B. Motivering Er dient te worden vastgesteld dat er geen geloof kan worden gehecht aan uw bewering voor het Commissariaat-generaal (hierna Cg) als zou u de Liberiaanse nationaliteit bezitten. Zo bleek uw kennis van de hoofdstad Monrovia, waar u uw hele leven stelt te hebben gewoond (pp. Cg 2-3) bijzonder summier te zijn. De enige namen van grotere gebieden in de stad die u bleek te kennen waren 'Old Road', zijnde de gemeenschap waar u woonachtig was en 'Broad Street' (Cg p.2). De volgende gebieden in de hoofdstad waren u onbekend: 'Barclay Ville', 'Capitol Hill', 'Sinkor', 'Clara Town', 'Mamba Point', 'Brewerville', 'Camp Johnson Road', en 'Via Town' (Cg pp.4-5). Het is in het geheel niet aannemelijk te noemen dat iemand die stelt zijn ganse leven in Monrovia te hebben gewoond, geen enkele van voornoemde plaatsen in de stad kent (zie informatie in administratief dossier). De enige naam van een markt die u bleek te kennen was de 'Old Road Market' en dit terwijl u tegelijk stelde dat er veel markten zijn (Cg p.3). De 'K-Wood school' in Old Road was de enige naam van een school in Monrovia die u kon geven (Cg p.3). Op de vraag van een interviewer van het Commissariaat-generaal naar namen van hotels in de hoofdstad kon u er slechts één situeren maar niet bij naam noemen (Cg p.4). U wist niet te zeggen waar de Amerikaanse ambassade zich bevindt, noch kon u enige andere ambassade in de stad situeren (Cg p.5). U slaagde er evenmin in te specificeren waar de 'Executive Mansion' zich bevindt (Cg p.5). U verklaarde dat er veel bruggen zijn in XIV-20.086-2/6 Monrovia die de ene kant van het water met de andere kant verbinden maar u wist geen namen te geven van de bruggen (Cg p.5). U kon zich niet herinneren wanneer er voor het eerst gevochten werd in Monrovia tijdens het recente conflict (Cg p.6). Ook uw kennis van de algemene geopolitieke situatie in Liberia liet duidelijk te wensen over. De enige andere stad in Liberia buiten Monrovia die u bleek te kennen was ‘Comgo Town’, waar Charles Taylor vroeger zou hebben gewoond (Cg p.3). Congo Town maakt echter deel uit van Monrovia. Dit bevestigt nogmaals dat er geen geloof kan worden gehecht aan uw bewering als zou u in Monrovia hebben gewoond. U wist geen enkele rivier of berg in Liberia op te noemen (Cg p.4). U verklaarde dat er ongeveer 16 etnieën zijn in Liberia maar met uitzondering van de etnie van uw vader -Mano- kon u er geen enkele benoemen (Cg p.4). De vaststelling dat u de etnische groep van uw vader wel wist te benoemen, en deze van uw moeder niet is des te merkwaardig, omdat uit uw verklaringen kan worden afgeleid dat u uw vader minder lang heeft gekend dan uw moeder (Cg p.2-3). Bovendien is het opmerkelijk dat u slechts 1 in Liberia voorkomende etnische groep bij naam kon noemen, gezien het belang van de etnische component in (de conflicten binnen) de Liberiaanse samenleving (zie informatie in administratief dossier). U verklaarde dat uw problemen dit jaar een aanvang hebben genomen (Cg p.6). U bleek niet te weten wie Charles Taylor heeft opgevolgd als voorlopige president (Cg p.5), evenmin bleek u ervan op de hoogte dat vredestroepen in Monrovia en andere delen van het land zijn gestationeerd sinds vorig jaar. Het is dan ook niet aannemelijk dat u tot 2004 in Liberia zou hebben gewoond aangezien bezwaarlijk kan worden voorbijgegaan aan de huidige overgangspresident en de ontplooiing van vredestroepen in Monrovia en andere delen van het land (zie informatie in administratief dossier). U wist de naam niet van het nationale Liberiaanse voetbalteam (Cg p.4). U vermelde 'Liba County' als zijnde een plaats in Liberia, vergelijkbaar met Brussel of Antwerpen. Zo zouden er een 13-tal counties zijn, doch u bleek er niet meer te kunnen geven (Cg p.5). In werkelijkheid zijn de counties grotere administratieve eenheden en geen steden zoals Brussel of Antwerpen (zie informatie in administratief dossier). Bovendien blijkt de door u aangehaalde ‘Liba County’ niet voor te komen in Liberia (zie informatie in administratief dossier). Van de aan u voorgelegde foto's met vooraanstaande politici bleek u enkel Charles Taylor te herkennen (Cg p.5). De volgende personaliteiten die een belangrijke rol hebben gespeelde in de (recente) Liberiaanse geschiedenis kon u niet plaatsen: Sekou Conneh, Roosevelt Johnson, Gyude Bryant (Cg p.6). De LURD, de rebellenbeweging die sinds 1999 een gewapende strijd voerde tegen het regime van Taylor in Liberia kende u evenmin (Cg p.6). Ook de ATU was u onbekend (Cg p.6). U kon geen nadere uitleg verschaffen over de verschillende strijdende partijen die betrokken waren bij het recente Liberiaanse conflict (Cg p.6). Bovenstaande opmerkingen tonen in voldoende mate aan dat u bewust getracht hebt de Belgische autoriteiten te misleiden door u voor te doen als Liberiaan. Er kan dan ook niet langer geloof worden gehecht aan de door u ingeroepen asielmotieven. De door u aangehaalde argumenten ter verantwoording voor uw onwetendheid, met name dat u ongeschoold bent en niet kan lezen (Cg pp.3, 4, 5) zijn geenszins afdoende. Het is immers niet omdat u ongeschoold bent en niet kan lezen dat u geen namen zou kennen van plaatsen in Monrovia, zijnde de stad waar u beweerde uw hele leven te hebben gewoond. Bovendien blijkt uw onwetendheid selectief te zijn. Zo is het onder andere opmerkelijk dat u wél beweert te weten dat er ongeveer 16 tribes in Liberia zijn (Cg p.4) en 13 counties (Cg p.5), maar slechts in staat was om 1 tribe (Cg p.4) en 1 (overigens onbestaande) county (Cg p.5) bij naam te noemen. Van iemand die werkelijk ongeschoold is zou men toch eerder verwachten dat hij blijk zou geven van dagdagelijkse kennis (zoals de concrete etnische afkomst of woonplaats/county van buren en vrienden) dan wel van abstracte kennis (zoals het globale aantal etnische groepen of counties in Liberia). In het licht hiervan kan de opportuniteit van uw beweerde ongeschooldheid dan ook in vraag worden gesteld als verklaring voor uw onwetendheid. Ook de door u voor het Commissariaat-generaal afgelegde verklaringen omtrent (de organisatie van) uw reisweg zijn niet overtuigend te noemen. Zo bleek u de naam niet te weten van de Liberiaanse en blanke mannen die u kosteloos naar België brachten (Cg p.2). De naam van het dorp waar de Liberiaanse man aan landbouw deed en waar u drie dagen verbleef, was u evenmin bekend (Cg p.2). U wist verder de namen niet van de twee boten waarop u verbleef (Cg p.1), noch wist u de naam te geven van de haven waar u aan wal ging (Cg p.2). Nog een aanduiding voor het feit dat u bedrieglijke verklaringen hebt afgelegd omtrent uw nationaliteit is dat de enige naam die u bleek te kennen voor de haven van Monrovia, 'port authority' is (Cg p.1), terwijl de haven algemeen bekend staat als de 'free port of Monrovia' (zie informatie in administratief dossier). U bleek niet in het bezit te zijn van enig document waardoor het niet mogelijk is uw ware nationaliteit, identiteit en reisweg na te gaan. Tenslotte brengt uw verzoekschrift tot instelling van een dringend beroep en het schrijven van uw raadsvrouw Nathalie Leten (dd. 12 maart 2004) om dit dringend beroep nader te motiveren geen enkel ander element naar voor dat vermag de weigeringsbeslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken te wijzigen. C. Conclusie XIV-20.086-3/6 Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert dat als volgt luidt: “Schending van artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en schending van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. In de beslissing stelt men dat de asielaanvraag van verzoeker bedrieglijk is. De commissaris-generaal is van oordeel dat verzoeker niet van Liberiaanse nationaliteit is. De commissaris-generaal (CG) baseert zijn beslissing op basis van het feit dat verzoeker niet voldoende kon antwoorden op vragen die betrekking hebben over Monrovia. Verzoeker is formeel dat hij uit Monrovia komt en dus de nationaliteit van Liberia draagt. Hij heeft uiteengezet waar hij woonde, wat hij dagelijks deed, waar hij vertoefde, dat hij nooit naar school is geweest, hoe hij zijn ouders is verloren, dat hij geen familie meer heeft enz. De CG heeft niet voldoende rekening gehouden met het analfabetisme van verzoeker. Nog minder heeft de CG rekening gehouden met het feit dat verzoeker door zijn vader verlaten werd op zeer jonge leeftijd en zijn moeder aan kanker verloor op 10-jarige leeftijd. Zijn enige broer is ook reeds geruime tijd overleden. Verzoeker is omwille van zijn familiale omstandigheden verplicht geworden zich zelf op te voeden en op straat te leven. Verzoeker stond er helemaal alleen voor en het enige wat hem interesseerde was knusjes opknappen om zo te overleven. Daarvoor ging hij naar de omgeving van Broadstreet en Kallestreet. Verzoeker sprak over deze straten op zijn interview doch werd er niet verder over ondervraagd, wat zeer eigenaardig is omdat hij juist daar zijn hele dag en dus ook zijn hele leven doorbracht. De straat is verzoekers leven. Verzoeker is dan ook van oordeel dat een interview dient afgenomen te worden rekening houdende met de ontwikkelingsgraad en de leefomstandigheden van verzoeker. Er werd absoluut geen rekening gehouden met deze elementen. Waarom vroeg de CG niet naar de eenvoudige dingen van het leven ? Wat eet men ? Welke vruchten groeien er aan de bomen ? Wat ging je doen in Kallestreet ? Hoeveel geld kreeg je voor de knusjes ? Wat is de munteenheid in Liberia ? Welk klimaat kent Monrovia ? enz. Verzoeker slaagt erin de rebellen te beschrijven qua kleding, maar weet niet juist hoe ze worden genoemd. Komt hij daarom niet van Liberia ? zie p 2 - 6 interview CGVS. De problematiek van verzoeker is zeer ernstig en zijn aanvraag kan niet zomaar verder onderzoek worden afgewezen. De bestreden beslissing schendt de artikelen 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.”; 2.
- Overwegende dat artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) betrekking heeft op de formele motiveringsplicht; dat uit het middel blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kent en die motieven inhoudelijk aanvecht; dat de verzoekende partij aldus enkel de schending van de materiële en niet van de formele motiveringsplicht opwerpt; dat het bij XIV-20.086-4/6 de beoordeling van de materiële motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die concreet heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is gekomen; Overwegende dat de Conventie van Genève aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever gebruik werd gemaakt in artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat deze bepaling aan de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag niet-ontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat één van de gronden van niet-ontvankelijkheid de “bedrieglijkheid”is; dat de commissaris- generaal op grond van zijn in artikel 52 van de Vreemdelingenwet vervatte appreciatiebevoegdheid tot de bedrieglijkheid van de asielaanvraag heeft besloten omdat geen geloof kan worden gehecht aan de voorgehouden Liberiaanse afkomst van de verzoekende partij aangezien haar geopolitieke kennis over Liberia en de hoofdstad Monrovia, waar de verzoekende partij stelt steeds te hebben gewoond, bijzonder summier is; dat, aangezien de verzoekende partij geen enkel valabel document voorlegt dat de controle van haar ware identiteit, nationaliteit of reisweg mogelijk maakt, de commissaris- generaal in het kader van zijn onderzoek naar de ontvankelijkheid van de asielaanvraag een aantal elementaire vragen heeft gesteld om de waarachtigheid van de verklaringen van de verzoekende partij omtrent haar afkomst en land van herkomst te achterhalen; dat die vragen betrekking hadden op elementaire kennis omtrent de hoofdstad van Liberia en de beweerde woonplaats van de verzoekende partij en omtrent de geopolitieke situatie in Liberia; dat het hierbij gaat om eenvoudige kennisvragen waarvan mag worden verwacht dat een kandidaat-vluchteling, zelfs wanneer die een lage scholingsgraad heeft, ze kan beantwoorden; dat ook de familiale omstandigheden van de verzoekende partij geen afdoende verklaring kunnen bieden voor haar gebrekkige kennis; dat de verzoekende partij zich in wezen beperkt tot de herhaling van haar eigen standpunt doch de vaststellingen in de bestreden beslissing niet ontkracht; dat de verzoekende partij met haar betoog niet aannemelijk maakt dat de commissaris-generaal de bestreden beslissing op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke of onzorgvuldige wijze of met overschrijding van de ruime appreciatiebevoegdheid, die hem door de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet is gegeven, heeft genomen; dat het enige middel ongegrond is; XIV-20.086-5/6
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen november tweeduizend en zes, door: de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-20.086-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.600 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.