id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.603 Rolnummer: A. 155298/XIV-20528 Zaak: Arrest 164603 - - 09/11/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-11-27 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-01 08:22 Fiche Arrest nr 164.603 van 9 november 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 164.603 van 9 november 2006 in de zaak A. 155.298/XIV-20.
- In zake : XXX, die woont te 4800 VERVIERS, tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Angolese nationaliteit, op 2 september 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 2 augustus 2004 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 2 juni 2004 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 9 september 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 4 augustus 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 oktober 2006; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-20.528-1/8 Gehoord de opmerkingen van advocaat E. CHAYA-MOGHRABI, die loco advocaat J. P. VIDICK verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché B. DIERICKX, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. Gehoord het eensluidend advies van auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij in België binnenkomt op 17 mei 2004 en zich dezelfde dag vluchteling verklaart; dat op 2 juni 2004 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied te verlaten; dat op 2 augustus 2004 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken tot weigering van verblijf bevestigt; dat dit de bestreden beslissing is die luidt als volgt : “A. Vluchtrelaas U verklaarde de Angolese nationaliteit te bezitten en op 30 mei 1972 in Damba (Uige) geboren te zijn. U werd op 8 juli op het Commissariaat-generaal gehoord in het bijzijn van uw raadsvrouw C. Heeren. U beweerde uw land verlaten te hebben op 16 mei 2004 in het bezit van een vals paspoort op naam van een zekere J.. U kwam de volgende dag in België aan en dezelfde dag nog vroeg u asiel aan. U verklaarde uw land verlaten te hebben om de volgende redenen. Ongeveer twee jaar na uw geboorte keerde uw familie naar Malembo (Cabinda) terug. U beweerde soldaat (sectiehoofd in het 1e bataljon) geweest te zijn in het FLEC-FAC (gewapende vleugel van een Cabindese afscheidingsbeweging) van 1980 tot
- Uw vader was zelfs luitenant-kolonel in voornoemde rebellenbeweging. U nam deel aan verschillende gewapende acties. Eind 1989 werd u samen met ongeveer vijftien anderen opgepakt door het Angolese regeringsleger (FAA). U werd overgebracht naar Luanda waar u opgesloten werd in de "Estrado do Catete"-gevangenis. U kwam in december 1990 vrij. Na uw vrijlating kon u als hulpmetser in Luanda aan de slag. In 1992 bouwde u een huis in de wijk Soba Kapassa. Nog in 1992 ging u een kerkelijk huwelijk aan met M. A., bij wie u drie kinderen kreeg. In 1993 liet u uw moeder uit Malembo (Cabinda) overkomen. Sinds uw verblijf in Luanda werd u op regelmatige basis lastig gevallen en bedreigd door de politie die telkens naar uw vader vroeg, die u sinds 1989 niet meer gezien had. Soms werd u zelfs voorgeleid voor de gouverneur. Op 20 maart 2004 vielen de autoriteiten met groot materieel de wijk binnen waar u woonde (Soba Kapassa). Ze begonnen de wijk te ontruimen en te slopen. Omwille van uw verleden viel de politie onmiddellijk bij u binnen. Ze sloegen u en uw kinderen Uw vrouw en uw moeder werden verkracht. U kon dit niet langer aanzien, u viel een politieman aan, nam hem zijn wapen af en schoot vervolgens drie politiemannen neer. Al schietend kon u vluchten naar de wijk Golf II. Daar verstopte u zich in de Evangelische Kerk. De volgende dag vertelde u de gebeurtenissen aan pastor M. K.. Nog op 21 maart 2004 maakte "Radio Angola" melding van de gebeurtenissen. Er was toen toevallig een congres aan de gang en na beraad besloot men u te helpen. Met de hulp van de zoon van pastor M. K., generaal Sami van het FAA, kon u uw land verlaten. Aldus verliet u uw land op 16 mei
- B. Motivering Vooreerst kunnen een aantal fundamentele ongerijmdheden worden vastgesteld die ten zeerste afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van uw vluchtrelaas. Ten eerste maakt u niet aannemelijk afkomstig te zijn uit de streek waarvan u beweert afkomstig te zijn (Malembo), ondanks het feit dat u daar ongeveer vijftien jaar (1974-1989) beweert te hebben gewoond: zo is het bijvoorbeeld zeer merkwaardig dat u beweert dat Malembo niet aan de Atlantische Oceaan ligt (gehoorverslag blz. 2 en 3). Bovendien beweert u totaal verkeerdelijk dat om van Malembo naar de kust te gaan, men eerst via Tchiowa dient te passeren (blz. 2). U bent ook niet in staat om de municipios van Cabinda op een correcte XIV-20.528-2/8 manier op te sommen (gehoorverslag rugzijde blz. 1). U bent ook helemaal niet vertrouwd met de lokale dagbladen (gehoorverslag blz. 2, voor- en rugzijde). U bent niet vertrouwd met de begrippen Cacongo, Malongo, Caio Calliado en Tshizu (gehoorverslag blz. 2, voor- en rugzijde). Op de door uzelf gemaakte schets van Cabinda situeert u Tchiowa (Cabinda-stad) helemaal verkeerd. U bent niet vertrouwd met de namen van de hoofdstraten van Cabinda en dit ondanks uw eigen verklaringen dat u verschillende keren in Tchiowa bent geweest (gehoorverslag blz. 3). De informatie waar het Commissariaat-generaal zich op baseert, bevindt zich in het administratief dossier. Voorts kan ook ernstig getwijfeld worden aan uw lidmaatschap bij het FAC: zoals reeds vastgesteld in bijlage 26bis dient ook nu te worden opgemerkt dat u zeer vaag en summier bent omtrent uw activiteiten voor het FAC. U geraakt niet verder dan het opsommen van wat algemene militaire feiten, en dit ondanks herhaald aandringen vanwege het Commissariaat (gehoorverslag blz. 4, 7, 8 en 14) en ondanks het feit dat u beweert toch negen jaar deel te hebben uitgemaakt van het FAC. Deze vaststelling wordt nog versterkt door het feit dat u zeer vaag bent over de commando-structuur van het FAC (blz. 6) en dat u een aantal essentiële zaken omtrent het FAC niet kent -bijvoorbeeld weet u niet precies waar het hoofdkwartier van het FAC ligt (blz. 4), bent u er niet van op hoogte dat het FAC wel degelijk een radiozender had (blz. 5) en bent u evenmin vertrouwd met de organen (blz. 5 en 7) van het FLEC-FAC. U kunt evenmin de namen J. L. en A. C.o correct situeren (blz. 6 en 7). Ook kunnen ernstige vragen gesteld worden bij uw vermeende gevangenschap. Uit het gehoorverslag van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat u enerzijds beweerde dat u voor het regeringstribunaal (krijgsraad) veroordeeld werd als soldaat van FLEC-FAC tot één jaar gevangenisstraf (blz. 14), en dat terwijl u tijdens het gehoor bij het Commissariaat verklaarde dat u enkel bij uw vrijlating een papiertje diende te ondertekenen waarin u werd opgelegd om Luanda niet te verlaten (gehoorverslag CGVS blz. 19). Dit in tegenstelling tot uw verklaringen bij de DVZ waaruit blijkt dat u zonder meer werd vrijgelaten (gehoorverslag DVZ blz. 13). Daarnaast legt u geen enkel document voor dat uw beweringen en uw afkomst zou kunnen staven. Ten slotte bevat het verzoekschrift tot instelling van een dringend beroep van Mr. Heeren geen enkel ander element dat vermag de weigeringsbeslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken te wijzigen. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert dat als volgt luidt: “Genomen in verduistering en machtsmisbruik van de artikels 52,62,63 en 63/2 van de Wet van 15.12.1980, van de schending van de artikels 52 en 62 van de Wet van 15.12.1980, het manifést uitblijven van waardering, het ontbreken van waardering, het ontbreken van adequate motivatie relatief aan de administratieve aktes (Wet van 29 juli 1991, art 1/, 2 en 3) en de schending van de Europese conventie van de mensenrechten en de fundamentele vrijheden (art. 3) en de schending van art. 51,4 van de wet van 15.12.
- Overwegende dat men niet van de verzoeker moet eisen dat hij de Atlantische oceaan kan betitelen. Dat het niet is omdat hij van afkomst uit Malembo is dat hij noodzakelijk het water die er stroomt moet kunnen betitelen. Dat het CGVS dus manifest aan waardering ontbreekt wanneer ze dit argument weerhoudt om te beweren dat de verzoeker niet in Malembo gewoond heeft. Dat dezelfde kritiek geldt voor het feit dat de verzoeker via Tchiowa gaat om zich naar de kust in zijn land te begeven. Overwegende dat de verzoeker onder vraagt over de gemeenten van Cabinda geantwoord heeft (zie pagina 2 van de auditie van het CGVS)Gemeenten van Cabinda: Buro-Zou, Malembo, Dinge, Massabi, Uncca. XIV-20.528-3/8 Dat de spelling en het schoonschrijven gebruikt door de agent van het CGVS twijfelachtig zijn maar dat in eik geval men kan vaststellen dat de verzoeker op de vragen geantwoord heeft en dat dit het tegengestelde is van wat de inhoud van de motivatie van de aangevochten beslissing beweerd. Dat daaruit voortvloeit dat de gezegde motivatie niet adequaat is op dit punt tegenover de inhoud van het administratieve dossier. Overwegende dat de verzoeker geantwoord heeft op de vraag of hij de kranten van Cabinda kent. Dat hij gezegd heeft de Krant van Angola. Dat de aangevochten beslissing niet aantoont waarom dit antwoord niet voldoende is. Dat de beslissing dus niet op een adequate wijze ook op dit punt niet gemotiveerd is. Overwegende dat hetzelfde geld voor de termen cacongo en malongo. Overwegende dat de nota's door de agent genomen betreffende de situatie van Tchiowa onleesbaar zijn en dat daaruit voortvloeit dat niets negatief kan afgeleid worden tegenover de verzoeker. Overwegende dat de aangevochten beslissing in gebreke blijft nauwkeurig te omschrijven dat de verzoeker de verschillende steden en rivieren van het land genoemd heeft (pagina 1 op de keerzijde). Dat hij eveneens verschillende straten van de stad Cabinda genoemd heeft (pagina 2 op de voorzijde). Dat de aangevochten beslissing geen rekening houdt met het beslissende feit in zijn voordeel dat hij de dialect naam kent gebruikt in Cabinda ‘Fioti’. En geen rekening houdt met het feit dat de verzoeker dit dialect spreekt. Dat ze eveneens geen rekening houdt met het feit dat de verzoeker schotels kent die in Cabinda opgediend worden.(pagina 3 op de voorzijde) Dat de aangevochten beslissing geen rekening houdt dat de verzoeker geantwoord heeft op de vraag relatief aan de lste februari. (zie pagina 3 op de voorzijde) Overwegende dat de verzoeker eveneens geantwoord heeft op een voldoende wijze op een reeks andere vragen relatief onder andere aan de vlag van het land, de biskop. (zie pagina 4 op de voorzijde) Overwegende dat de verzoeker geantwoord heeft op de vraag relatief aan de hoofdzetel van FLEC-FAC en dit het tegengestelde van wat de aangevochten beslissing aangeeft die dus ook niet naar deze aanleiding adequaat is. Overwegende dat de aangevochten beslissing geen rekening houdt met het feit dat de verzoeker verklaart heeft dat hij een simpel soldaat was en dat het zijn vader was die een gegradeerd luitenant-kolonel was. Dat het dus volledig normaal is dat de verzoeker vaag gebleven is over noties zoals de structuren van de FLEC-FAC. Dat dit zich rechtvaardigt door het feit dat hij een simpele uitvoerder was en geen intellectueel zoals zijn vader wegens dewelke hij immers de meest erge problemen gekend heeft die hem geforceerd hebben, na een opsluiting gekend te hebben, het land te verlaten zodanig dat de politie niet ophield hem te bedriegen en hem het slachtoffer te maken door zijn vader. Dat het CGVS manifest aan waardering op dit punt in de aangevochten beslissing ontbreekt. Overwegende dat de verzoeker verklaart heeft aan de Dienst Vreen-delingenzaken na één jaar vrij zijn te gekomen. Dat geen enkele vraag aan hem gesteld werd betreffende eventuele condities aan deze vrijlating. Dat daaruit voortvloeit dat hij dus geen melding relatief aan de condities van zijn vrijlating heeft toegevoegd. Dat dit helemaal normaal is als men weet dat op de Dienst Vreemdelingenzaken de agent als de tolk aan de verzoeker uitgelegd hebben dat hij kort op de vragen moest antwoorden omdat ‘het aan het CGVS is dat hij de details moet uitleggen’ Dat het CGVS zich dus niet mag verwonderen dat de verzoeker inderdaad op zijn niveau meer inlichtingen heeft gegeven dan deze die hij aan de Dienst Vreemdelingenzaken heeft gegeven. Overwegende tenslotte dat aan de verzoeker niet verweten kan worden dat hij geen enkel documenten aangebracht heeft om zijn asielaanvraag te ondersteunen. Dat inderdaad het de reden is die de vlucht uit zijn land gerechtvaardigd heeft en de stilzwijgendheid die deze vlucht betrok die rechtvaardigen dat hij geen documenten met zich kon meenemen. Dat het duidelijk is als hij een frauduleuze aanvraag had voorbereid hij bewijzen zou aangebracht hebben. Dat het ontbreken van documenten alleen credit aan de verzoeker bijbrengt in tegenstelling van wat uitgelegd werd in de aangevochten beslissing. Dat deze inadequaat is eveneens op dit punt, het CGVS ontbreekt nogmaals manifest aan waardering in de evaluatie van de asielaanvraag van de verzoeker. Dat de aangevochten beslissing om deze redenen nietig moet verklaard worden.”; XIV-20.528-4/8 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij nalaat de aangevoerde schending van de artikelen 51/4, 63 en 63/2 van de Vreemdelingenwet en van artikel 3 van het E.V.R.M. verder uit te werken; dat de verzoekende partij evenmin aangeeft op welke wijze er sprake zou kunnen zijn van machtsmisbruik; dat deze onderdelen van het middel dan ook niet op ontvankelijke wijze worden aangevoerd; Overwegende dat artikel 62 van de Vreemdelingenwet en de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen betrekking hebben op de formele motiveringsplicht; dat deze tot doel heeft de bestuurde in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid een beslissing heeft genomen, zodat de bestuurde kan beoordelen of er aanleiding toe bestaat om de beroepen in te stellen waarover hij beschikt; dat uit de uiteenzetting in het middel blijkt dat de verzoekende partij deze redenen kent, doch betwist dat de gegeven motieven de beslissing kunnen dragen; dat de verzoekende partij in wezen de schending van de materiële motiveringsplicht opwerpt en dat het middel vanuit dit standpunt wordt onderzocht; Overwegende dat de verzoekende partij kritiek heeft op de overweging van de commissaris-generaal dat zij “niet aannemelijk (maakt) afkomstig te zijn uit de streek waarvan (zij) beweert afkomstig te zijn (Malembo), ondanks het feit dat (zij) daar ongeveer vijftien jaar (1974-1989) beweert te hebben gewoond”; dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de verzoekende partij niet weet of Malembo al dan niet aan de Atlantische Oceaan is gelegen; dat het betoog van de verzoekende partij dat zij wel weet dat Malembo aan zee ligt, doch dat zij de naam van deze zee niet kent, niet kan worden aangenomen aangezien ze geenszins strookt met hetgeen uit de stukken van het administratief dossier blijkt; dat de verzoekende partij “totaal verkeerdelijk (verklaarde) dat om van Malembo naar de kust te gaan, men eerst via Tchiowa dient te passeren”; dat de verzoekende partij zich ertoe beperkt deze vaststelling van de commissaris-generaal te minimaliseren, doch daarmee niet aantoont dat ze onjuist of kennelijk onredelijk zou zijn, aangezien de vaststelling van de commissaris-generaal is gebaseerd op een bij het administratief dossier gevoegde landkaart van Cabinda; dat de verzoekende partij betoogt dat zij correct heeft geantwoord op de vraag naar de ‘municipios’ van Cabinda, doch dat uit een vergelijking van haar antwoord met de informatie waarover de commissaris- generaal beschikt, blijkt dat deze bewering feitelijke grondslag mist; dat de verzoekende partij aanvoert dat zij wel degelijk correct heeft geantwoord op de vraag naar dagbladen in Cabinda; dat dient te worden opgemerkt dat zij verklaarde dat de ‘Jornal de Angola’ de enige krant is in Cabinda, hetgeen geenszins overeenkomt met de informatie waarover de commissaris-generaal beschikt; Overwegende dat de verzoekende partij vervolgens nog aanvoert dat de notities van haar verklaringen betreffende Tchiowa “onleesbaar” zijn; dat deze XIV-20.528-5/8 opmerking echter feitelijke grondslag mist aangezien op pagina drie van het verhoorverslag van het Commissariaat-generaal valt te lezen dat de verzoekende partij ten onrechte heeft verklaard dat de straten in Tchiowa geen naam hebben; Overwegende dat de verzoekende partij voor het overige benadrukt dat zij op een aantal andere door de commissaris-generaal gestelde vragen wel degelijk correct heeft geantwoord; dat de verzoekende partij hiermee niet aantoont dat de reeds besproken vaststellingen van de commissaris-generaal onjuist zouden zijn; dat van een kandidaat- vluchteling, die beweert ongeveer vijftien jaar in een bepaalde streek te hebben gewoond, immers in alle redelijkheid mag worden verwacht dat hij op de hierboven besproken, alsmede op een aantal andere in de bestreden beslissing weergegeven elementaire aardrijkskundige vragen betreffende deze streek, correct weet te antwoorden; dat de verzoekende partij er niet slaagt de kennelijke onredelijkheid aan te tonen van de overweging van de commissaris-generaal waarbij deze stelt dat zij “niet aannemelijk (maakt) afkomstig te zijn uit de streek waarvan (zij) beweert afkomstig te zijn (Malembo)”; Overwegende dat de verzoekende partij vervolgens ingaat op haar vage en summiere verklaringen betreffende het ‘FAC’; dat de verzoekende partij deze wijt aan het feit dat zij slechts “een simpel(e) soldaat” was en benadrukt “dat het (haar) vader was die een gegradeerd luitenant-kolonel was”; dat van een kandidaat-vluchteling, die beweert gedurende negen jaar soldaat te zijn geweest bij het ‘FLEC-FAC’, en die zijn asielaanvraag baseert op de problemen die hij in zijn land van herkomst ondervond omwille van zijn activiteiten voor deze rebellenbeweging, in alle redelijkheid mag worden verwacht dat hij correct en gedetailleerd weet te antwoorden op een aantal vragen betreffende de activiteiten, de structuur en de infrastructuur van deze organisatie, alsmede betreffende een aantal gekende personen binnen het Angolese conflict; dat de verzoekende partij voorts beweert correct te hebben geantwoord op de vraag naar het hoofdkwartier van het ‘FLEC- FAC’; dat dient te worden vastgesteld dat de verzoekende partij heeft verklaard dat dit is gelegen in ‘Buco Zau’, terwijl uit de informatie waarover de commissaris-generaal beschikt, blijkt dat het hoofdkwartier zich bevindt in ‘Kungo Shonzo’, nabij ‘Necutto’; Overwegende dat de verzoekende partij betoogt dat zij voor de dienst Vreemdelingenzaken niet heeft verklaard dat zij bij haar vrijlating een document diende te ondertekenen met de belofte Luanda niet te verlaten; dat de verzoekende partij dit wijt aan het feit dat haar hierover voor de dienst Vreemdelingenzaken geen vragen werden gesteld; dat de verzoekende partij benadrukt dat men haar voor de dienst Vreemdelingenzaken had gevraagd kort op de vragen te antwoorden; dat uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat zij zelf, uit eigen beweging, voor de dienst Vreemdelingenzaken heeft verklaard dat zij na één jaar gevangenschap “zonder meer” werd vrijgelaten; dat deze vastgestelde tegenstrijdigheid derhalve steun vindt in het administratief dossier; XIV-20.528-6/8 Overwegende dat de verzoekende partij ten slotte kritiek heeft bij de overweging van de commissaris-generaal dat zij “geen enkel document voor(legt) dat (haar) beweringen en afkomst zou kunnen staven”; dat hieromtrent kan worden volstaan met de vaststelling dat zulks een afrondende opmerking betreft vanwege de commissaris- generaal, doch zeker geen doorslaggevend motief van de bestreden beslissing is; Overwegende dat de verzoekende partij met haar betoog derhalve niet aannemelijk maakt dat de commissaris-generaal de bestreden beslissing op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke of onzorgvuldige wijze of met overschrijding van de ruime appreciatiebevoegdheid, die hem door de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet is gegeven, heeft genomen; dat het enige middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen november tweeduizend en zes, door: de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, XIV-20.528-7/8 staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-20.528-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.603 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.