← België

Arrest 164646 - - 13/11/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.646 Rolnummer: A. 76433/IX-818 Zaak: Arrest 164646 - - 13/11/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-11-27 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-01 08:27 Fiche Arrest nr 164.646 van 13 november 2006 - Beslissing : Vernietiging Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 164.646 van 13 november 2006 in de zaak A. 76.433/IX-

  1. In zake : Dirk MOENS, wonende te OOSTENDE, Begonialaan 20 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Financiën. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Dirk MOENS op 22 november 1997 heeft ingediend, enerzijds om de nietigverklaring te vorderen van de impliciete afwijzing van zijn bezwaarschrift van 21 februari 1997 tegen het niet in aanmerking nemen van zijn kandidatuur voor een geassimileerde betrekking van hoofdcontroleur bij de administratie van de bijzondere belastingsinspectie, en anderzijds om “het bezwaarschrift ontvankelijk en gegrond te (horen) verklaren, de bestreden kandidatuur voor een geassimileerde betrekking van hoofdcontroleur (sedert 1/7/97 eerstaanwezend inspecteur genoemd) alsnog in aanmerking te nemen vanaf 1/3/97 (hiërarchische en geldelijke gelijkstelling met alle administratieve en financiële gevolgen van dien waaronder anciënniteit, verhoging in wedde en hogere reiskosten- vergoeding) en de Staat te veroordelen tot een schadevergoeding voor rechts- plegingskosten (voorlopig geraamd op
  2. 0000 fr.) en een morele schadevergoeding (te verkrijgen) wegens het niet kunnen postuleren naar een betrekking van eerstaanwezend inspecteur-diensthoofd (schaal 10 S3; dienstorder 13/1997), alsook tot het betalen van nalatigheidsintresten wegens laattijdige betaling”; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur H. COLIN; Gelet op de beschikking van 25 juli 2000 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; IX-818-1/14 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van verzoekende partij, die tevens het verzoek tot voortzetting van de procedure bevat; Gelet op de beschikking van 13 september 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 30 oktober 2006; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, en van inspecteur J. DE VLEESCHOUWER die verschijnt voor verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  4. Met een dienstorder van 23 december 1996 worden bij de administratie der directe belastingen verscheidene betrekkingen van hoofdcontroleur vacant verklaard. Luidens het dienstorder moeten de ambtenaren die reeds ter beschikking gesteld zijn van de buitendiensten van de bijzondere belastingsinspectie (hierna: BBI) op hun sollicitatie één van de drie volgende vermeldingen aan-brengen : “- Ik solliciteer maar wens bij de BBI tewerkgesteld te blijven en er geassimileerd te worden; - Ik solliciteer en wens de betrekking effectief in te nemen in het geval ik niet geassimileerd kan worden; - Ik solliciteer en wens de betrekking effectief in te nemen”. 1.
  5. Op 3 januari 1997 dient verzoeker, die sedert 1 oktober 1996 als controleur werkzaam is bij de BBI te Brugge, zijn kandidatuur in voor in totaal IX-818-2/14 25 betrekkingen, met de vermelding : “wens bij de BBI tewerkgesteld te blijven en er geassimileerd te worden”. 1.
  6. Op 6 januari 1997 brengt de inspecteur bij de BBI-Brugge, het volgend advies uit bij de kandidatuurstelling van verzoeker : “Betrokkene is bij de B.B.I. in dienst getreden op 1/10/96 in de graad van controleur. Bij zijn eerste sollicitatie voor een betrekking bij de BBI, werd hij zowel door zijn hiërarchische meerderen van de administratie van oorsprong als bij een interview door het College van ambtenaren-generaal gunstig beoordeeld. Hij beschikt over een ruime administratieve kennis en is boekhoudkundig goed onderlegd. Sedert 1/6/90 verricht hij verificaties in de vennootschapsbelastingen, zodat hij als een ervaren taxatie-agent mag beschouwd worden. Op gebied van procedure heeft hij ervaring opgedaan in de directie Brugge- afdeling bezwaarschriften. Zijn prestaties bij de B.B.I. te Brugge zijn bevredigend en geven blijk van inzet en motivatie. Betrokkene werkt zeer zelfstandig waardoor hij onbewust het noodzakelijk teamwerk voor een Inspectie van de BBI achterwege laat. Hij wordt stilaan betrokken in de organisatie en het teamwerk, zodat in dit opzicht mag verwacht worden dat hij binnen het jaar zal geïntegreerd zijn. Algemeen kan gesteld worden dat de sollicitant over de vereiste kwaliteiten beschikt voor het uitoefenen van de functie waarvoor hij een aanvraag tot gelijkstelling heeft ingediend”. 1.
  7. Op 17 januari 1997 brengt de gewestelijk directeur van de BBI te Gent, het volgende advies uit bij de kandidatuurstelling van verzoeker : “Niettegenstaande de korte periode van tewerkstelling op de BBI en de (momenteel?) onvo1doende integratie in de teamwerking (communicatiegebrek) wordt door dhr. Inspecteur te Brugge 1 gunstig geadviseerd ivm een assimilatie (ruime administratieve kennis). Hierbij rijst echter de vraag in hoever, na ‘assimilatie’, nog eventuele ongunstige integratieverslagen kunnen worden opgesteld (nota CA dd. 31.1.1996). Bijaldien de CA oordeelt dat zich terzake geen enkel probleem stelt, kan m.i. het advies van dhr. Inspecteur gevolgd worden”. 1.
  8. Op 20 februari 1997 zendt de Directie V/2 van de administratie der directe belastingen het voorstel tot toekenning van vierentwintig betrekkingen van hoofdcontroleur aan alle kandidaten. Negen kandidaten worden voorgesteld voor mutatie, veertien voor bevordering en één voor assimilatie. IX-818-3/14 Verzoeker komt op de lijst van voorgestelde kandidaten niet voor. 1.
  9. Op 21 februari 1997 tekent hij bezwaar aan tegen de voornoemde voorstellen. Hij argumenteert dat er ten onrechte geen rekening werd gehouden met zijn kandidatuur voor de betrekkingen Hasselt 1, Kapellen, Antwerpen - Vennootschappen 1 en 4, Antwerpen 21, Kalmthout en C.B.O. Brussel, en dat ambtenaren van de BBI niet mogen benadeeld worden enkel en alleen omdat zij voor de BBI hebben gekozen. 1.
  10. Met een niet gedateerde nota deelt de Directie V/2 van de administratie der directe belastingen aan de directeur-generaal van de BBI onder meer het volgende mee : “De hh. (...) en MOENS, D.J.M., controleurs, respectievelijk bij de B.B.I. te... (...) en te Brugge, solliciteren een groot aantal eentalige betrekkingen, dit met het oog op een assimilatie met de graad van hoofdcontroleur. (...) Over de sollicitatie van de dhr. MOENS wordt wel een gunstig advies uitgebracht door de hr. inspecteur Vanoverschelde. Dit advies wordt bevestigd door de hr. D'Haese, gewestelijk directeur bij de B.B.I.- Gent. De hr. D'Haese stelt bij sollicitant echter een onvoldoende integratie in de teamwerking vast en stelt zich de vraag in hoever er na een eventuele assimilatie nog ongunstige verslagen kunnen opgesteld worden (zie sollicitatieformulier nr. 30). Vermits beide personeelsleden op hun sollicitatieformulier uitdrukkelijk vermelden dat ze verder bij de B.B.I. tewerkgesteld wensen te blijven en er geassimileerd wensen te worden, behoort een eventuele benoeming bij de directe belastingen niet tot de mogelijkheden. Of betrokkenen kunnen geassimileerd worden, wordt aan het oordeel van de hr. Directeur-generaal van de B.B.I. overgelaten”. De directeur-generaal wordt verzocht om de nota, vergezeld van zijn advies, aan de Directie V/2 terug te zenden. Op 21 februari 1997 brengt de directeur-generaal van de BBI op de nota de volgende vermelding aan : “De gelijkstellingen vermeld onder sub A, l de hh ... (...) en MOENS worden door mij niet aanvaard ”. IX-818-4/14 1.
  11. Op 11 maart 1997 beslist het college van dienstchefs, met eenparigheid van stemmen, dat het door verzoeker op 21 februari 1997 ingediende bezwaarschrift als ongegrond moet worden afgewezen, op grond van de volgende motivering : “De Hr. MOENS stelt dat er geen rekening werd gehouden met zijn sollicitatie voor de betrekkingen te Hasselt l, Kapellen, Antwerpen-Vennoot- schappen l en 4, Antwerpen 21, Kalmthout en C.B.O.-Brussel. Volgens reclamant mogen ambtenaren van de B.B.I. niet benadeeld worden enkel en alleen omdat zij voor de B.B.I. hebben gekozen. Na onderzoek stelt het College van dienstchefs vast dat de Hr. MOENS bij zijn postulatie geen benoeming maar enkel de assimilatie als hoofdcontroleur vroeg. Betrokkene is slechts sinds 1.10.1996 tewerkgesteld bij de B.B.I. Een circulaire van 31.
  12. 1996 voorziet dat men slechts na 2 evaluatieverslagen (tijdens de 7de en l3de maand) als personeelslid van de B.B.I. kan worden geïntegreerd. Vermits een assimilatie zou betekenen dat de betrokkene geschikt is om bij de B.B.I. tewerkgesteld te blijven kan die aan de Hr. MOENS slechts eventueel worden verleend nadat hij gedurende 12 maanden fungeerde bij zijn huidige dienst en hij een gunstige evaluatie heeft bekomen.” 1.
  13. Op 12 juni 1997 stelt de directeur-generaal van de administratie der directe belastingen voor, om de dertien Nederlandstalige personeelsleden, die voorkomen op de lijst die aan de kandidaten werd genotificeerd bij brief van 20 februari 1997, te bevorderen tot de graad van hoofdcontroleur in de standplaats vermeld tegenover hun naam. Eveneens op 12 juni 1997 wordt het benoemingsdossier aan de minister van Financiën voorgelegd. 1.
  14. Op 30 juni 1997 richt verzoeker de volgende brief aan de directeur-generaal in verband met zijn bezwaarschrift van 21 februari 1997 : “Graag zou ik vernemen welke beslissing er is genomen nopens voormeld bezwaarschrift. Indien ik binnen de maand geen antwoord mocht ontvangen, mag ik veronderstellen dat mijn bezwaarschrift werd afgewezen.” 1.
  15. Bij koninklijk besluit van 8 augustus 1997 worden de dertien door de directeur-generaal voorgestelde Nederlandstalige personeelsleden, op de voordracht van de minister van Financiën, op 1 april 1997 benoemd tot hoofd- controleur der directe belastingen. IX-818-5/14 1.
  16. Op 22 november 1997 dient verzoeker bij de Raad van State zijn verzoekschrift in tot nietigverklaring van “de afwijzende beslissing van de BELGI- SCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, in de persoon van de Secretaris-generaal te 1000 Brussel, Wetstraat 14”. 1.
  17. Met een brief van 24 december 1997 deelt het hoofdbestuur der directe belastingen aan de directeur-generaal van de BBI mee dat verzoeker, inspecteur (voorheen: controleur) bij een fiscaal bestuur bij de BBI-Brugge, wordt aangewezen om met ingang van 1 januari 1998 de functie van eerstaanwezend inspecteur (voorheen: hoofdcontroleur) bij een fiscaal bestuur uit te oefenen bij de BBI-Brugge. 1.
  18. Op 23 maart 1998 deelt het hoofdbestuur der directe belastingen, in antwoord op het bezwaarschrift dat verzoeker op 21 februari 1997 indiende, aan verzoeker het volgende mee : “Na onderzoek van uw bezwaarschrift heeft het College van dienstchefs van de Administratie der directe belastingen op de zitting van 11 maart 1997 geoordeeld dat er geen argumenten werden ontwikkeld die enige wijziging konden brengen aan de uitgebrachte voorstellen. Het bezwaarschrift werd dan ook als ongegrond afgewezen. Mocht U niet akkoord gaan met het benoemingsbesluit dat voortvloeit uit de voormelde beslissing, dan kunt U daartegen een beroep van nietigverklaring indienen bij de Raad van State, Wetenschapstraat 33 te 1040 BRUSSEL. Op straffe van verjaring moet dat beroep van nietigverklaring aangetekend ingediend worden binnen de zestig dagen volgend op deze kennisgeving.” Bij de brief wordt een afschrift gevoegd van de notulen van de vergadering van het college van dienstchefs van 11 maart 1997 en van het koninklijk besluit van 8 augustus
  19. 1.
  20. Bij ministerieel besluit van 20 april 1998, voor de minister van Financiën ondertekend door de auditeur-generaal van Financiën, wordt Stefaan DE BAETS gelijkgesteld met Christophe DEGAND met ingang van 1 april 1997;
  21. Over het voorwerp van de vordering. 2.
  22. Overwegende dat de beslissing die verzoeker in zijn verzoekschrift formeel als voorwerp van zijn beroep aanduidt, de impliciete afwijzing is van zijn bezwaarschrift van 21 februari 1997 tegen het niet in aanmerking nemen van zijn IX-818-6/14 kandidatuur voor een geassimileerde betrekking van hoofdcontroleur bij de administratie van de bijzondere belastinginspectie; 2.
  23. Overwegende dat de verwerende partij in dat verband in haar memorie van antwoord argumenteert dat zij, nu er een expliciete weigerings- beslissing bestaat die nog vóór de aanmaning bedoeld in artikel 14, tweede lid, -thans artikel 14, § 3,- van de gecoördineerde wetten op de Raad van State is genomen, aanneemt dat het in werkelijkheid deze beslissing is die verzoeker aanvecht, zodat de beslissing van het college van dienstchefs van 11 maart 1997 om verzoeker niet gelijk te stellen met een hoofdcontroleur der directe belastingen de thans bestreden beslissing is; 2.
  24. Overwegende dat verzoeker repliceert dat zijn verzoekschrift initieel niet gericht kan zijn tegen een expliciete afwijzing van zijn bezwaarschrift die op dat ogenblik nog niet was genomen en hem pas werd betekend na de neerlegging van het administratief dossier; dat er immers geen bewijs is dat er reeds op 11 maart 1997 een gemotiveerde beslissing was genomen inzake zijn bezwaarschrift en dat, indien dit wel het geval geweest zou zijn, de vraag rijst waarom de verwerende partij, ondanks de aanmaning op 30 juni 1997, meer dan een jaar gewacht heeft om deze expliciete beslissing te betekenen; dat de beslissing van het college van dienstchefs dan ook niet als een expliciete beslissing dient te worden aanzien, maar moet beschouwd worden als een memorie van antwoord of de bevestiging van een impliciete beslissing die niet vatbaar is voor beroep; dat, indien de Raad zou oordelen dat er geen impliciete beslissing in de zin van artikel 14, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State is, het verzoekschrift geacht moet worden gericht te zijn tegen de op 24 maart 1998 betekende expliciete beslissing van het college van dienstchefs en tegen het benoemingsbesluit van 8 augustus 1997, dat aan verzoeker niet werd betekend en waarin een impliciete afwijzing van zijn assimilatie of van zijn benoeming vervat zit; 2.
  25. Overwegende dat luidens artikel 14, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, het stilzwijgen van een administratieve overheid geacht wordt een afwijzende beslissing te zijn waartegen beroep kan worden ingesteld, wanneer die overheid verplicht is te beschikken en er bij het verstrijken van een termijn van vier maanden te rekenen vanaf de haar daartoe door een belanghebbende betekende aanmaning geen beslissing is getroffen; dat er van een bij voornoemd artikel bedoelde afwijzende beslissing enkel sprake kan zijn indien de overheid, vier IX-818-7/14 maanden na daartoe te zijn aangemaand, nagelaten heeft om een expliciete beslissing te nemen; dat in deze uit het administratief dossier, meer bepaald uit een afschrift van de notulen van de vergadering van het college van dienstchefs van 11 maart 1997, blijkt dat voornoemd college op diezelfde datum een beslissing omtrent het door verzoeker ingediende bezwaarschrift heeft genomen; dat in zijn memorie van wederantwoord verzoeker in verband met voornoemd stuk, enerzijds aanvoert dat er geen bewijs is dat er reeds op 11 maart 1997 een gemotiveerde beslissing werd genomen en dat zijn verzoekschrift niet kan gericht zijn “tegen een beslissing die nog niet werd getroffen”, maar dat hij anderzijds niet aanvoert dat hij in verband met dat stuk een procedure van valsheid in geschrifte heeft ingesteld, zodat dat stuk, bij gebreke van betichting van valsheid vanwege verzoeker bij de bevoegde rechter, het bewijs oplevert van hetgeen erin is vervat; dat het beroep van verzoeker dan ook, in zoverre het gericht is tegen de impliciete afwijzing van zijn bezwaarschrift, geen voorwerp heeft; 2.
  26. Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord aanvoert dat zijn verzoekschrift ook moet geacht worden gericht te zijn tegen het benoemingsbesluit van 8 augustus 1997, aangezien in dat besluit een impliciete afwijzing van zijn assimilatie of benoeming vervat zit; dat hij in zijn laatste memorie ook nog stelt dat uit de omstandigheid dat hij bij zijn sollicitatie uitdrukkelijk heeft verklaard dat hij wenste bij de BBI tewerkgesteld te blijven, en niet de wens heeft uitgedrukt om hetzij de betrekkingen waarvoor hij solliciteerde effectief in te nemen, hetzij deze betrekkingen effectief in te nemen in het geval hij niet geassimileerd kon worden, niet kan worden afgeleid dat hij niet wenste benoemd te worden tot de graad van hoofdcontroleur; dat hij immers onmogelijk kon vragen om te worden benoemd tot hoofdcontroleur, aangezien krachtens artikel 25quater, § 2, tweede lid, van het organiek reglement van het ministerie van Financiën een terbeschikkingstelling van de BBI ten minste drie jaar moet duren en deze termijn voor hem nog niet verstreken was; 2.
  27. Overwegende dat de dienstorder van 23 december 1996 uitdrukkelijk voorziet in drie keuzemogelijkheden bij sollicitatie, namelijk om hetzij tewerkgesteld te blijven bij de BBI en er geassimileerd te worden, hetzij de betrekkingen waarnaar men solliciteert effectief in te nemen, hetzij deze betrek- kingen effectief in te nemen in het geval men niet geassimileerd kan worden; dat, aangezien verzoeker bij zijn sollicitatie uitdrukkelijk verklaarde dat hij bij de BBI tewerkgesteld wenste te blijven en er geassimileerd te worden en niet de wens heeft IX-818-8/14 uitgedrukt de door hem gesolliciteerde betrekkingen effectief in te nemen in het geval hij niet geassimileerd kon worden, hij thans bezwaarlijk kan voorhouden dat in het benoemingsbesluit de impliciete afwijzing vervat is van een benoeming die hij nooit heeft gevraagd; dat in het benoemingsbesluit van 8 augustus 1997 al evenmin een impliciete afwijzing van verzoekers assimilatie vervat is, aangezien, enerzijds, de bij dat koninklijk besluit in de buitendiensten doorgevoerde benoemingen juist aanleiding konden geven tot een beslissing tot gelijkstelling van verzoeker met een in de buitendiensten benoemd personeelslid, en, anderzijds, de eigenlijke beslissing tot assimilatie - en, a fortiori, een impliciete afwijzing van een assimilatie -, niet door de Koning, maar wel door de minister van Financiën wordt genomen; 2.
  28. Overwegende dat verzoeker geen kennis had van de expliciete afwijzing van zijn bezwaarschrift door het college van dienstchefs op het ogenblik van indiening van zijn verzoekschrift; dat nu blijkt dat het college van dienstchefs, door verzoekers bezwaarschrift te verwerpen, beslist heeft dat verzoeker niet gelijk kon gesteld worden met een hoofdcontroleur der directe belastingen, en noch het koninklijk besluit van 8 augustus 1997, noch het ministerieel besluit van 20 april 1998 - het weze impliciet -uit voornoemde beslissing van het college van dienstchefs voortvloeien, enkel de beslissing van het college van dienstchefs van 11 maart 1997 waarbij verzoekers bezwaarschrift als ongegrond wordt afgewezen het eigenlijke voorwerp van het beroep is;
  29. Over de ontvankelijkheid van de vordering. 3.
  30. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord argumenteert dat de Raad van State niet bevoegd is om, in de plaats van de bevoegde administratieve overheid, verzoekers bezwaarschrift ontvankelijk en gegrond te verklaren en de bestreden kandidatuur voor een geassimileerde betrekking van hoofdcontroleur alsnog in aanmerking te nemen; dat de gecoördineerde wetten op de Raad van State en het procedurereglement evenmin in de mogelijkheid voorzien om de verwerende partij tot een schadevergoeding voor rechtsple- gingskosten te veroordelen; dat ten slotte enkel de rechtbanken van de rechterlijke macht bevoegd zijn om een veroordeling tot een morele schadevergoeding en tot het betalen van nalatigheidsinteresten wegens laattijdige betaling uit te spreken; dat het beroep derhalve enkel ontvankelijk is voor zover het strekt tot de vernietiging van de beslissing van 11 maart 1997 van het college van dienstchefs om aan verzoeker geen assimilatie toe te kennen; IX-818-9/14 3.
  31. Overwegende dat verzoeker repliceert dat elk justitieel rechts- college een schadevergoeding kan toekennen die onder andere kan bestaan uit een vergoeding voor alle kosten van de gerechtelijke procedure, dat eventueel voor de burgerlijke rechtbank een schadevergoeding en de wettelijke intresten zullen worden afgedwongen, en dat de rechtshandeling die vernietigd werd wegens machtsover- schrijding of machtsafwending ipso facto een foutieve handeling is in de betekenis van artikel 1382 B.W. en derhalve aanleiding kan geven tot schadeloosstelling; 3.3.
  32. Overwegende dat bij de bespreking van het eigenlijke voorwerp van het beroep reeds werd vastgesteld dat verzoeker moet geacht worden de beslissing van 11 maart 1997 van het college van dienstchefs te bestrijden waarbij zijn bezwaarschrift van 21 februari 1997 tegen het niet in aanmerking nemen van zijn kandidatuur voor een geassimileerde betrekking van hoofdcontroleur bij de administratie van de bijzondere belastinginspectie als ongegrond wordt afgewezen; dat de overige vorderingen die verzoeker in fine van zijn verzoekschrift heeft opgenomen om de redenen die door de verwerende partij worden aangehaald, als onontvankelijk dienen te worden afgewezen; dat de ontvankelijkheid van het beroep tegen deze expliciete afwijzing trouwens door de verwerende partij niet wordt betwist, maar integendeel uitdrukkelijk beaamd : “Het beroep is enkel ontvankelijk voor zover het strekt tot de vernietiging van de beslissing van het College van dienstchefs dd. 11 maart 1997 om aan verzoeker geen assimilatie toe te kennen”;
  33. Over de gegrondheid van de vordering. 4.
  34. Overwegende dat verzoeker in een derde middel de schending aanvoert van artikel 25quater, § 5, tweede lid, van het koninklijk besluit van 29 oktober 1971 tot vaststelling van het organiek reglement van het ministerie van Financiën en van de bijzondere bepalingen die er voorzien in de uitvoering van het statuut van het rijkspersoneel (hierna: het organiek reglement van het ministerie van Financiën); dat hij argumenteert dat volgens artikel 25quater, § 5, tweede lid, van het organiek reglement van het ministerie van Financiën de titels tot benoeming, voor wat betreft de ambtenaren die ter beschikking zijn gesteld van de BBI, vastgesteld worden in functie van de graden die tijdens hun terbeschikkingstelling werden of konden toegekend worden aan de ambtenaren van de buitendiensten van hun administratie van oorsprong, die na hen gerangschikt zijn of zouden zijn indien allen bij deze buitendiensten waren gebleven, regeling die in de administratie “assimilatie” IX-818-10/14 wordt genoemd, en die duidelijk in het leven werd geroepen om benadeling ten opzichte van de ambtenaren van de administratie van oorsprong als gevolg van een terbeschikkingstelling tegen te gaan; dat de toepassing van dit artikel niet verbonden is aan enige voorwaarde inzake evaluatie en dat, zelfs indien dit zo zou zijn hij nog in aanmerking komt, aangezien zijn dienstchef bij de BBI hem een signalement “zeer goed” heeft toegekend en een positief integratieverslag heeft opgesteld, en men hem reeds bij de administratie der directe belastingen de functie van hoofdcontroleur tijdelijk heeft laten uitvoeren; dat uit de door verzoeker bij zijn verzoekschrift gevoegde bijlagen moet blijken dat er ambtenaren voor de betrekking van hoofdcontroleur werden aangesteld die in de administratie van oorsprong na hem werden gerangschikt; dat aangezien hij een uitdrukkelijke aanvraag tot assimilatie heeft ingediend, men hem de graad van hoofdcontroleur diende toe te kennen vanaf 1 (april) 1997; dat de assimilatieregeling geen gunstmaatregel is en mag zijn die men willekeurig kan toepassen en dat er voor het bestuur absoluut geen mogelijkheid bestaat om die regeling voor bepaalde ambtenaren die ervoor in aanmerking komen, niet toe te passen; 4.
  35. Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat over de sollicitatie van verzoeker een gunstig advies uitgebracht werd door zijn inspecteur bij de BBI; dat dit advies werd bevestigd door de gewestelijke directeur bij de BBI- Gent, die echter bij de sollicitant een “onvoldoende integratie in de teamwerking” vaststelde en zich daarbij de vraag stelde in hoever er na een eventuele assimilatie nog ongunstige verslagen konden opgesteld worden; dat verzoeker sinds 1 oktober 1996 tewerkgesteld is bij de BBI en dat een omzendbrief van 31 januari 1996 bepaalt dat men slechts na twee evaluatieverslagen tijdens de zevende en dertiende maand als personeelslid van de BBI kan worden geïntegreerd; dat, aangezien een assimilatie zou betekenen dat de betrokkene geschikt is om bij de BBI tewerkgesteld te blijven, die aan verzoeker slechts kon worden verleend nadat hij gedurende 12 maanden fungeerde bij zijn huidige dienst en hij een gunstige evaluatie had verkregen; dat op 23 januari 1997, datum waarop volgens de dienstorder van 23 december 1996 aan de gestelde voorwaarde moest worden voldaan, verzoeker nog geen vier maanden tewerkgesteld was bij de BBI zodat de gevraagde gelijkstelling niet kon worden toegestaan; 4.
  36. Overwegende dat verzoeker repliceert dat een omzendbrief niet in strijd mag zijn met een koninklijk besluit, een wet of de Grondwet en de wettelijke bepalingen niet kan opheffen, wijzigen of aanvullen; dat atike1 25quater, § 5, tweede IX-818-11/14 lid, van het organiek reglement de voorwaarden bepaalt waaronder “assimilatie” of gelijkstelling kan verkregen worden, zodat de overheid een gebonden bevoegdheid heeft, in die zin dat de overheid zich enkel dient af te vragen of verzoeker aan de voorwaarden van voornoemd artikel voldoet, met andere woorden, of verzoeker in aanmerking komt om in de administratie van oorsprong benoemd te worden als hoofdcontroleur, hetgeen door de verwerende partij trouwens niet wordt betwist; dat, zelfs indien de overheid een discretionaire bevoegdheid zou bezitten, wat in deze niet het geval is, zij die bevoegdheid binnen de door de wet bepaalde perken dient uit te oefenen, en dat de beslissing die steunt op onjuiste of juridisch onaanvaardbare motieven met machtsoverschrijding genomen is ; dat in de omzendbrief waarop de verwerende partij steunt om te beweren dat er geen assimilatie kan verleend worden, met geen woord gerept wordt over “assimilatie”, maar wel over een integratieregeling, die volledig losstaat van de assimilatie; dat in het dienstorder van 23 december 1996 trouwens niet verwezen wordt naar die omzendbrief, zodat er voor wat betreft de assimilatie ook geen conclusies uit getrokken kunnen worden; dat de persoonlijke visie die bepaalde ambtenaren binnen de administratie er blijkbaar op na houden, niet overeenstemt met de algemene regeling van het organiek reglement en het beoogde doel van die regeling, en derhalve geen enkele wettelijke waarde heeft; 4.
  37. Overwegende dat artikel 25quater, § 5, tweede lid, van het koninklijk besluit van 29 oktober 1971 tot vaststelling van het organiek reglement van het ministerie van Financiën en van de bijzondere bepalingen die er voorzien in de uitvoering van het statuut van het rijkspersoneel, ten tijde van de bestreden beslissing, als volgt luidde : “De titels tot benoeming, wat betreft de voorwaarden inzake graad, anciënni- teit of rangschikking van de ambtenaren die ter beschikking van de Administratie van de bijzondere belastinginspectie worden behouden of van de ambtenaren die er zijn benoemd, worden desgevallend vastgesteld in functie van de graden die tijdens hun terbeschikkingstelling of na hun benoeming bij de Administratie van de bijzondere be1astinginspectie werden of konden toegekend worden aan de ambtenaren van de buitendiensten van hun administratie van oorsprong en die na hen gerangschikt zijn of zouden gerangschikt zijn indien allen bij deze buitendiensten waren gebleven”; 4.
  38. Overwegende dat voornoemde bepaling inzake assimilatie geen onderscheid maakt naargelang de betrokkene na een soort proefperiode al dan niet definitief geïntegreerd is in de BBI; dat het alleen bepaalt dat de ambtenaar die ter beschikking is gehouden van de BBI geassimileerd wordt indien hij in de IX-818-12/14 buitendiensten van zijn administratie van oorsprong voor een bevordering wordt voorbijgegaan door een na hem gerangschikte ambtenaar; dat de bedoeling van die bepaling blijkbaar is te voorkomen dat het ter beschikking stellen bij de BBI nadelig zou zijn voor de loopbaan van hen die ter beschikking worden gesteld; dat niet ingezien wordt dat zulks niet zou gelden voor hen die nog in een proefperiode ter beschikking zijn gesteld, doch wel uitsluitend voor hen die er reeds definitief ter beschikking zijn gesteld; dat indien het de bedoeling ware geweest zij die nog in een proefperiode ter beschikking zijn gesteld van die bescherming die de assimilatie-rege- ling toch is, uit te sluiten, dit uitdrukkelijk bepaald zou zijn geworden; dat de bestreden beslissing verzoekers kandidatuur voor een assimilatie bij toepassing van voornoemd artikel derhalve niet afwijst op grond van de overweging dat verzoeker niet voldoet aan de enige in dat artikel zelf vernoemde voorwaarde, namelijk de voorwaarde dat ambtenaren van de buitendiensten van zijn administratie van oorsprong benoemd worden die na hem gerangschikt zijn, maar wel uitsluitend op grond van de overweging dat verzoeker niet voldoet aan een voorwaarde die het college van dienstchefs meent te moeten lezen in een nota van 31 januari 1996 van de directeur-generaal van de BBI met name dat een assimilatie slechts kan worden verleend na gedurende twaalf maanden gefungeerd te hebben bij de huidige dienst en het verkrijgen van een gunstige evaluatie; dat de directeur-generaal van de BBI niet vermag nieuwe regels in te voeren door aan het organiek reglement een voorwaarde toe te voegen waaraan een ambtenaar moet voldoen om voor een assimilatie in aanmerking te komen; dat de in de bestreden beslissing aangehaalde nota op zich dan ook niet de vereiste wettelijke grondslag oplevert om een kandidatuur voor assimilatie bij toepassing van artikel 25quater van het organiek reglement van het ministerie van Financiën te weigeren; dat verzoeker daarenboven kan worden bijgetreden, waar hij stelt dat er in de kwestieuze nota nergens sprake is van de “assimilatie” bedoeld bij artikel 25quater van het organiek reglement van het ministerie van Financiën, maar enkel over maatregelen die de bedoeling hebben na te gaan of de ambtenaren die na 1 januari 1994 ter beschikking werden gesteld van de BBI, titularis van welke graad dan ook, over de nodige bekwaamheid beschikken om zich in bedoelde administratie te integreren; dat de bestreden beslissing houdende het verwerpen van verzoekers bezwaarschrift tegen het niet in aanmerking nemen van zijn kandidatuur voor een assimilatie bij toepassing van artikel 25quater, § 5, tweede lid, van het organiek reglement van het ministerie van Financiën, bijgevolg steunt op het louter niet voldoen aan een voorwaarde die niet voorzien is in dat organiek reglement; dat het middel gegrond is, IX-818-13/14 BESLUIT: Artikel
  39. Vernietigd wordt de beslissing van 11 maart 1997 van het college van dienstchefs van de administratie der directe belastingen waarbij het door Dirk MOENS ingediende bezwaarschrift tegen het niet in aanmerking nemen van zijn kandidatuur voor een geassimileerde betrekking van hoofdcontroleur bij de administratie van de bijzondere belastingsinspectie, als ongegrond wordt afgewezen. Artikel
  40. Het beroep wordt voor het overige verworpen. Artikel
  41. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien november 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, L. HELLIN, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-818-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.646 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.