← België

Arrest 164647 - - 13/11/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.647 Rolnummer: A. 125573/IX-3464 Zaak: Arrest 164647 - - 13/11/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-11-23 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-07-01 08:28 Fiche Arrest nr 164.647 van 13 november 2006 - Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 164.647 van 13 november 2006 in de zaak A. 125.573/IX-

  1. In zake : Annick DE POTTER, die woonplaats kiest bij advocaat J. VAN DEN NOORTGATE, kantoor houdende te OUDENAARDE, Einestraat 22 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, die woonplaats kiest bij advocaten D. D’HOOGHE en M. GELDERS, kantoor houdende te BRUSSEL, Henri Wafelaertsstraat 47-
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Annick DE POTTER op 19 augustus 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het ministerieel besluit van 12 juni 2002 waarbij een einde wordt gesteld aan haar opdracht om het ambt van adjunct-griffier bij het vredegerecht van het kanton Ronse uit te oefenen; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 6 september 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; IX-3464-1/8 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 13 september 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 30 oktober 2006; Gehoord het verslag van de voorzitter van de Raad van State J. DE BRABANDERE; Gehoord de opmerkingen van advocaat N. CROMBEZ die, loco advocaat J. VAN DEN NOORTGATE verschijnt voor verzoekster, en van advocaat N. KIEKENS die, loco advocaten D. D’HOOGHE en M. GELDERS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  4. Verzoekster is eerstaanwezend beambte bij de griffie van het vredegerecht van het kanton Ronse. Bij ministerieel besluit van 16 augustus 2001 wordt haar opdracht gegeven om het ambt van adjunct-griffier bij het vredegerecht van dit kanton te vervullen voor de duur van de afwezigheid van de adjunct-griffier. 1.
  5. Op 25 april 2002 wordt verzoekster in opdracht van de onder- zoeksrechter te Oudenaarde ondervraagd in het kader van een onderzoek naar witwassen en criminele organisatie. Dit onderzoek is onder meer gericht tegen de levensgezel van verzoekster. IX-3464-2/8 1.
  6. Met een brief van 29 april 2002 deelt de procureur des Konings te Oudenaarde aan de procureur-generaal bij het hof van beroep te Gent mee dat het hem niet aangewezen lijkt dat verzoekster, gelet op het lopende gerechtelijk onderzoek, nog langer het ambt van adjunct-griffier uitoefent, omdat kan worden verondersteld dat zij op de hoogte was van de verdachte activiteiten van haar vriend. Met een brief van 30 april 2002 geeft de procureur des Konings te Oudenaarde aan de procureur-generaal voorts kennis van de verklaringen van een in het kader van hetzelfde onderzoek ondervraagde persoon volgens welke verzoekster geregeld via haar functie bij het vredegerecht te Ronse gegevens had opgevraagd of nagegaan om deze door te spelen aan haar vriend op vraag van personen waarmee hij contacten onderhield en dit tegen betaling. 1.
  7. Op 22 mei 2002 brengt de procureur-generaal aan de minister van Justitie verslag uit betreffende de voormelde gegevens. Hij besluit als volgt : “Om redenen van bevoegdheid maak ik u het verzoek van de Procureur des Konings om vooralsnog de delegatie van betrokkene e.a. beambte in te trekken tot beschikking over. Mijn ambt onderschrijft in principe de vraag van de Procureur des Konings, doch vestigt tevens uw aandacht op de negatieve gevolgen die een dergelijke intrekking zou hebben op de reeds benarde toestand van het personeelsbestand in de griffie van het vredegerecht te Ronse. In dit verband verwijs ik naar de vroeger ter zake reeds gevoerde briefwisseling”. 1.
  8. Op 12 juni 2002 neemt de minister van Justitie het thans bestreden besluit. Dat besluit verwijst naar het sub 1.
  9. vermelde verslag van de procureur- generaal en overweegt “dat de deontologie van de griffier, inzonderheid de voorschriften inzake onafhankelijkheid en onpartijdigheid, maken dat hij van onbesproken gedrag dient te zijn” en “dat het bijgevolg aangewezen is terug te komen op de toegekende opdracht”. 2.
  10. Overwegende dat de verwerende partij opwerpt dat het beroep niet ontvankelijk is, omdat de bestreden beslissing een maatregel van orde is die de statutaire situatie van verzoekster niet wijzigt en dat zij bovendien geen tuchtmaat- regel is, maar een deontologische maatregel die gericht is op de goede werking van IX-3464-3/8 de dienst: zij beoogt de vrijwaring van de goede werking en de geloofwaardigheid van het griffiersambt en heeft zeker niet de bedoeling om verzoekster voor een schuldige tekortkoming te straffen; 2.
  11. Overwegende dat verzoekster antwoordt dat de bestreden beslissing wel degelijk rechtsgevolgen heeft, aangezien zij door die beslissing haar ambt van adjunct-griffier verliest, hetgeen een ernstig inkomensverlies meebrengt en dat bovendien de maatregel niet werd genomen met het oog op de organisatie van de dienst, aangezien de procureur-generaal in zijn brief aan de minister schrijft dat de maatregel ten opzichte van verzoekster negatieve gevolgen zal hebben voor de werking van de griffie van het vredegerecht; 2.3.
  12. Overwegende dat maatregelen van orde genomen ten aanzien van een ambtenaar niet vatbaar zijn voor vernietiging door de Raad van State wanneer zij geen ongunstige gevolgen hebben voor deze ambtenaar; dat die ongunstige gevolgen niet beperkt dienen te worden tot zijn statutaire positie maar ook van pecuniaire aard kunnen zijn; dat krachtens artikel 330 van het Gerechtelijk Wetboek de minister van Justitie aan onder meer de beambten bij een rechtbank opdracht kan geven om een hoger ambt in hun griffie te vervullen; dat die beambten hun wedde met de eraan verbonden verhogingen en voordelen blijven genieten, doch de wedde en vergoedingen van het hun opgedragen ambt genieten, indien deze hoger zijn; 2.3.2 Overwegende dat de beslissing waarbij aan verzoekster het hoger ambt van adjunct-griffier bij het vredegerecht van het kanton Ronse werd opgedra- gen, tot gevolg had dat verzoekster, ook al was zij niet benoemd in dat ambt, de aan dat ambt verbonden bevoegdheden kon uitoefenen en de wedde en vergoedingen ervan kon genieten; dat de bestreden beslissing, waarbij die opdracht voortijdig beëindigd wordt, rechtsgevolgen heeft voor verzoekster en derhalve een administra- tieve rechtshandeling is welke die overeenkomstig artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State voor beroep vatbaar is; dat het desbetreffend zonder belang is dat de beëindiging van de opdracht geen tuchtsanctie zou zijn, maar een IX-3464-4/8 maatregel om de goede werking van de dienst te vrijwaren; dat de exceptie niet opgaat; 3.
  13. Overwegende dat verzoekster onder meer de schending aanvoert van de beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald van de hoorplicht, doordat de bestreden beslissing haar het ambt van adjunct-griffier ontnomen heeft op basis van een reden waar zij niet alleen geen kennis van heeft maar waaromtrent zij ook niet werd gehoord; dat zij hierbij betoogt dat uit de summiere motivering van de bestreden beslissing kan worden afgeleid dat het verslag van de procureur-generaal belastend was voor haar, maar dat zij van dat verslag geen kennis heeft gekregen en zij niet de gelegenheid heeft gehad om haar versie van de feiten te geven en het dossier aan te vullen; dat volgens haar daartoe nochtans de mogelijkheid bestond, aangezien het verslag van de procureur-generaal dateert van 22 mei 2002, terwijl de bestreden beslissing genomen werd op 12 juni 2002 en er dus geen absolute noodzaak voor een snel overheidsoptreden bestond, zodat de hoorplicht onverkort bleef gelden; 3.
  14. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat, opdat de hoorplicht zou gelden, twee voorwaarden cumulatief vervuld moeten zijn : de maatregel moet gegrond zijn op het persoonlijk gedrag van de betrokkene en de maatregel moet ernstig zijn; dat volgens haar aan deze voorwaarden niet voldaan is omdat de bestreden beslissing geen tuchtstraf is maar een maatregel van orde, waarbij de schuldvraag door de overheid bewust werd terzijde gelaten; dat zij ook hier aanvoert dat de bestreden beslissing de statutaire situatie van verzoekster niet in ongunstige zin wijzigt, aangezien deze haar statuut, namelijk eerstaanwezend beambte bij de griffie, behoudt en dat bovendien de opdracht van verzoekster om het ambt van adjunct-griffier uit te oefenen beperkt was tot de duur van de afwezigheid van de adjunct-griffier en dus slechts van tijdelijke aard was; dat er volgens haar dan ook niet valt in te zien waarom de beëindiging van de opdracht om het ambt van adjunct-griffier uit te oefenen een ernstige maatregel zou zijn en dat ook om die reden de hoorplicht niet van toepassing was; IX-3464-5/8 3.
  15. Overwegende dat verzoekster repliceert dat de voorwaarden opdat de hoorplicht zou gelden wel vervuld zijn : de bestreden beslissing vindt immers haar grondslag in het vermeende gedrag van verzoekster; de bestreden maatregel is ernstig, daar zij sedert de bestreden beslissing 500 i per maand minder verdient, terwijl zij hoofdzakelijk hetzelfde werk moet blijven doen; de verwijzing naar het tijdelijk karakter van haar opdracht is niet dienend, aangezien de adjunct-griffier die zij verving wellicht het werk niet meer zal hervatten; 3.
  16. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie nog laat gelden dat verzoekster met betrekking tot de feiten die tot de bestreden beslissing aanleiding hebben gegeven reeds was verhoord door de procureur des Konings zodat zij niet nogmaals diende te worden gehoord en dat niet in te zien valt welk voordeel verzoekster uit het middel zou kunnen halen, aangezien de bestreden beslissing niet gebaseerd is op een schuldig gedrag van verzoekster; 3.5.
  17. Overwegende dat het bestuur tegen niemand een maatregel kan nemen die zijn rechtstoestand in ongunstige zin wijzigt, die gegrond is op zijn persoonlijk gedrag en die van aard is om zijn belangen ernstig aan te tasten, zonder dat aan de betrokkene de mogelijkheid wordt gegeven om zijn standpunt op nuttige wijze aan het bestuur te doen kennen; 3.5.
  18. Overwegende dat de bestreden beslissing, ook al gaat het niet om een tuchtsanctie, genomen werd ingevolge de mogelijke betrokkenheid van verzoekster bij misdrijven van witwassen; dat het persoonlijk gedrag van verzoekster derhalve aan de basis ligt van die beslissing; dat zulks niet alleen blijkt uit de motivering van het bestreden besluit, maar ook uit de verslagen van de procureur des Konings en van de procureur-generaal waarin de beëindiging van de opdracht van verzoekster werd voorgesteld; dat evenmin betwist kan worden dat de bestreden maatregel verzoekster een ernstig nadeel toebrengt; dat hiervoor reeds is aange- nomen dat de bestreden beslissing geen loutere maatregel van orde is wijl hij verzoekster een hogere functie ontneemt en haar een belangrijk inkomensverlies doet ondergaan; dat haar derhalve de mogelijkheid moest worden geboden om vooraf aan IX-3464-6/8 de overheid haar standpunt mede te delen omtrent de feiten die aan de beslissing ten grondslag lagen en over de maatregel die ten opzichte van haar werd genomen; dat het verhoor door de procureur des Konings niet aan die laatste voorwaarde voldeed aangezien het niet werd afgenomen in het vooruitzicht van het nemen van de bestreden beslissing; dat het middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
  19. Vernietigd wordt het ministerieel besluit van 12 juni 2002 waarbij een einde wordt gemaakt aan de opdracht verleend aan Annick DE POTTER om het ambt van adjunct-griffier bij het vredegerecht van het kanton Ronse uit te oefenen. Artikel
  20. Dit arrest zal in het Belgisch Staatsblad worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel
  21. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de Belgische Staat. IX-3464-7/8 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien november 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, L. HELLIN, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-3464-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.647 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.