← België

Arrest 164648 - - 13/11/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.648 Rolnummer: A. 174609/IX-5361 Zaak: Arrest 164648 - - 13/11/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-11-23 Raadplegingen: 84 - laatst gezien 2026-07-01 09:46 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(

  1. en)DE Fiche Arrest nr 164.648 van 13 november 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 164.648 van 13 november 2006 in de zaak A. 174.609/IX-5361. In zake : Brigitte STASSEN, optredend in eigen naam en als wettelijk vertegenwoordigster van haar twee minderjarige kinderen, Daphne en Stephanie, die woonplaats kiest bij advocaat G. LAURENSSE, kantoor houdende te ANTWERPEN, Britselei 7 tegen : de Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, die woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te BRUGGE, Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46 bus 1. ---------------------------------------------------------------------------------------------------- --- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Brigitte STASSEN op 29 juni 2006 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 5 mei 2006 van de bemiddelingscommissie voor bijzondere jeugdbij- stand te Antwerpen “tot doorverwijzing van de minderjarige(
  2. n)naar het openbaar ministerie”. Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; IX-5361-1/5 Gelet op de beschikking van 26 september 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 30 oktober 2006; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaten K. COX en G. LAURENSSE die verschijnen voor verzoekster, en van advocaat N. DE CLERCQ die, loco advocaat B. STAELENS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Gelet op het bij artikel 90, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vereiste advies van de auditeur-generaal; 1. De feitelijke gegevens van de zaak. 1.1. Verzoekster Brigitte Stassen is moeder van twee minderjarige kinderen Daphne De Beer, geboren op 17 mei 1990, en Stephanie De Beer, geboren op 26 mei 1993. De kinderen werden geboren uit het huwelijk van verzoekster met de heer Willy De Beer, van wie zij sedert 30 juni 2003 uit de echt is gescheiden, na verschillende jaren feitelijke scheiding. 1.2. Sinds de echtscheiding hebben de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij verzoekster, met een bezoekregeling bij de vader. Bij vonnis van 19 april 2006 beslist de jeugdrechtbank te Antwerpen, op vordering van verzoekster, dat het omgangsrecht van de vader wordt geschorst. IX-5361-2/5 1.3. Op 3 mei 2006 dient het parket van de procureur des Konings te Antwerpen (jeugdparket) een verzoek in tot bemiddeling bij de bemiddelings- commissie voor bijzondere jeugdbijstand te Antwerpen. In dat verzoek wordt onder meer gesteld : “De ouders zijn verwikkeld in een vechtscheiding waarvan de kinderen het slachtoffer zijn. De jeugdrechtbank heeft de omgang tussen de kinderen en de vader geschorst. Dit is evenwel geen oplossing op langere termijn. Het jeugdparket is echter van oordeel dat binnen de burgerlijke procedure geen oplossing kan worden gevonden voor de problemen die zich stellen. Het jeugdparket vraagt de jeugdrechter te kunnen vorderen om in het belang van de kinderen de nodige maatregelen te treffen.” 1.4. Op 5 mei 2006 beslist de voorzitter van de bemiddelingscommissie tot doorverwijzing naar het parket. Die beslissing is als volgt gemotiveerd : “Gezien de problematiek. Gezien de kinderen het slachtoffer zijn van een vechtscheiding. Gezien de nood aan een oplossing op lange termijn. Gezien de nood aan een dwingende tussenkomst, beslist de bemiddelings- commissie de minderjarige door te verwijzen naar het openbaar ministerie.” De beslissing tot doorverwijzing naar het openbaar ministerie wordt bij brief van 5 mei 2006 door de secretaris van de bemiddelingscommissie aan verzoekster ter kennis gebracht. 1.5. Op 9 mei 2006 gelast de jeugdrechtbank te Antwerpen, op vordering van het openbaar ministerie, de sociale dienst een maatschappelijk onderzoek te verrichten betreffende de persoonlijkheid van de betrokken minder- jarigen en het milieu waarin zij worden opgevoed. 2. De bevoegdheid van de Raad van State. 2.1. Overwegende dat verzoekster stelt dat de Raad van State bevoegd is omdat de bemiddelingscommissie voor bijzondere jeugdbijstand te Antwerpen een administratieve overheid is en aangezien de bestreden beslissing uitvoerbaar is; 2.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota een exceptie van onbevoegdheid ratione materiae opwerpt; dat zij in dit verband in essentie betoogt dat de bestreden beslissing samenhangt met de mogelijkheid tot inleiding van een rechtsvordering voor de bevoegde jeugdrechtbank, gelet op het voorwerp van IX-5361-3/5 de vordering, zodat het bijgevolg enkel en alleen toekomt aan de jeugdrechtbank, desgevallend de jeugdkamer van het Hof van Beroep, om te oordelen over de wettigheidskritiek van verzoekster en over de relevantie en de gevolgen van deze kritiek; dat verwerende partij desbetreffend verwijst naar de artikelen 144 en 145 van de Grondwet; dat de verwerende partij verder betoogt dat het openbaar ministerie na de doorverwijzing van de minderjarigen naar de bemiddelingscommissie zijn volledige appreciatiebevoegdheid behoudt om al dan niet een vordering bij de jeugdrechtbank in te leiden; dat het bijgevolg enkel aan het openbaar ministerie toekomt, om na doorverwijzing te oordelen of er al dan niet een vordering bij de jeugdrechtbank wordt ingesteld; dat bijgevolg de bevoegdheid van het openbaar ministerie niet bestaanbaar is met het adiëren van de Raad van State; Overwegende dat verwerende partij tenslotte stelt dat de jeugdrechtbank wel degelijk werd gevat, vermits deze rechtbank op 9 mei 2006 een onderzoeksmaatregel heeft bevolen (cfr. punt 1.5); dat de verwerende partij besluit dat de Raad van State ratione materiae onbevoegd is; 2.3. Overwegende dat krachtens artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, ieder die van een belang doet blijken een beroep tot nietigverklaring en tot schorsing kan instellen tegen “de akten en reglementen van de onderscheiden administratieve overheden (...).”; dat de bevoegdheid van de Raad van State is uitgesloten, wanneer een specifiek gerechtelijk verhaal of beroep is georganiseerd tegen een administratieve beslissing; dat bovendien de bestreden beslissing niet afsplitsbaar is van de procedures voor de justitiële rechter en bijgevolg niet voor schorsing en nietigverklaring vatbaar, vermits de bestreden beslissing participeert aan en deel uitmaakt van een gerechtelijk beslissingsproces dat op gang kan worden gebracht door het openbaar ministerie; dat het bijgevolg enkel toekomt aan de jeugdrechtbank en eventueel aan hogere instanties binnen de rechterlijke orde om desgevallend de wettigheid van de bestreden beslissing te toetsen en om te onderzoeken of de jeugdrechtbank regelmatig werd geadieerd, wat een onderzoek naar de ontvankelijkheid van de vordering en de bevoegdheid van de geadieerde rechter kan inhouden; dat bijgevolg de Raad van State ratione materiae onbevoegd is om van de ingestelde vordering kennis te nemen, IX-5361-4/5 BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 2. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien november 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, L. HELLIN, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-5361-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.648 Gerelateerde publicatie(
  3. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.169.852 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.