← België

Arrest 164650 - - 13/11/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.650 Rolnummer: A. 124739/IX-3444 Zaak: Arrest 164650 - - 13/11/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-11-23 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-01 08:28 Fiche Arrest nr 164.650 van 13 november 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 164.650 van 13 november 2006 in de zaak A. 124.739/IX-3444. In zake : de BVBA Expertisebureel Wim VANDEWEERDT, gevestigd te HASSELT, Kuringersteenweg 79 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, die woonplaats kiest bij advocaten P. HOFSTRÖSSLER en B. SCHUTYSER, kantoor houdende te BRUSSEL, Louizalaan 99. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de BVBA Expertisebureel Wim VANDEWEERDT op 31 juli 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van de commissie voor de gerechtskosten in strafzaken van 16 april 2002 houdende vaststelling van haar memorie van 20 januari 2000 op 53.515 fr. (of 1.326,60 euro), zijnde een lager bedrag dan begroot door het expertisebureel; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd P. DE WOLF; Gelet op de beschikking van 10 september 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 26 september 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 30 oktober 2006; IX-3444-1/16 Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. SCHUTYSER die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur-generaal P. DE WOLF; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de relevante gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. De verzoekende partij werd bij vonnis van de correctionele rechtbank te Tongeren van 5 september 1997 in de zaak van het openbaar ministerie tegen G.H. en G.N. aangesteld als gerechtsdeskundige met als opdracht : “Na kennisname van het strafdossier te onderzoeken of de schade aan de Saab 9000i van tweede beklaagde al dan niet kan veroorzaakt zijn door de aanrijding met de Ford Transit van de N.V. HESEMANS en dit op de wijze die door beide beklaagden in hun verhoren door de rijkswacht en door de gerechte- lijke politie werd beschreven”. Op 20 januari 2000 legt de verzoekende partij haar deskundig verslag neer en dezelfde dag legt zij ook haar memorie neer waarin de onkosten en erelonen begroot worden op een totaal van 54.651 fr. + 11.477 fr. BTW, zijnde 66.128 fr. 1.2. Bij brief van 4 april 2000 wordt namens de minister van justitie aan de verzoekende partij meegedeeld dat de minister de bovenvermelde memorie aan de commissie voor de gerechtskosten in strafzaken heeft voorgelegd “ingevolge de bepalingen voorzien in art. 78, 5de alinea van het algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken”. 1.3. Tijdens haar vergadering van 2 mei 2000 beslist de commissie voor de gerechtskosten in strafzaken het volgende : IX-3444-2/16 “Na kennis te hebben genomen van het deskundig verslag en van het schriftelijk verslag dienaangaande door de deskundige-verslaggever opgesteld; Oordeelt dat ter zake niet het forfait voorzien in artikel 34 van het Ministe- rieel besluit van 11 juni 1999 tot vaststelling van het normaal bedrag van de honoraria der personen in strafzaken wegens hun kunde of hun beroep, kan worden aangerekend. De deskundige wordt derhalve uitgenodigd zijn memorie op te stellen in eer en geweten overeenkomstig artikel 1 van het Algemeen reglement op de Gerechtskosten in strafzaken dat als volgt luidt: ‘De personen die wegens hun kunde of hun beroep worden opgeroepen, hebben recht op een vergoeding evenredig aan de waarde van de verrichte arbeid; zij maken naar geweten de staat op van hun honoraria; deze staat vermeldt, voor ieder van de gedane verrichtingen, samen met de data ervan, de dagen en uren welke er aan besteed werden. Deze personen schieten de lonen voor van de helpers, alsmede de prijs van de arbeidsprestaties en leveringen welke nodig zijn’.” Bij brief van 15 september 2000 wordt door de commissie aan de verzoekende partij een (foto)kopie van de bovenvermelde beslissing met vraag om uitleg overgemaakt. In een brief van 20 september 2000 vraagt de verzoekende partij naar de reden van het niet mogen toepassen van het forfait van artikel 34, van het ministerieel besluit van 11 juni 1999 tot vaststelling van het normaal bedrag van de honoraria der personen opgeroepen in strafzaken wegens hun kunde of hun beroep en vraagt zij tevens in kennis gesteld te worden van het in de beslissing vermelde “schriftelijk verslag” van de “deskundige-verslaggever”. 1.4. Op 6 maart 2001 beslist de commissie het volgende : “Aangezien de deskundige werd aangesteld om te onderzoeken of de schade van een voertuig al dan niet verenigbaar was met een aanrijding met een ander voertuig, dat dit geen reconstructie is van een verkeersongeval waarbij de manier en de plaats van de aanrijding respectievelijk de snelheden en de vermijdbaarhe- den dienen bepaald te worden, is onderhavige Commissie nog steeds van oordeel dat terzake niet het forfait voorzien in artikel 34 van het Ministerieel besluit van l1 juni 1999 tot vaststelling van het normaal bedrag van de honoraria der personen in strafzaken wegens hun kunde of hun beroep, kan worden aangere- kend. De deskundige wordt derhalve nogmaals uitgenodigd zijn memorie op te stellen in eer en geweten overeenkomstig artikel 1 van het Algemeen reglement op de Gerechtskosten in strafzaken dat als volgt luidt : ‘De personen die wegens hun kunde of hun beroep worden opgeroepen, hebben recht op een vergoeding evenredig aan de waarde van de verrichte arbeid; zij maken naar geweten de staat op van hun honoraria; deze staat vermeldt, voor ieder van de gedane verrichtingen, samen met de data ervan, de dagen en uren welke er aan besteed werden. Deze personen schieten de lonen voor van de helpers, alsmede de prijs van de arbeidsprestaties en leveringen welke nodig zijn’.” IX-3444-3/16 Bij brief van 20 maart 2001 maakt de commissie aan de verzoeken- de partij een fotokopie over van voornoemde beslissing. In een brief van 28 maart 2001 antwoordt de verzoekende partij het volgende : “Het is inderdaad zo dat groep 3 gewag maakt van een ‘voertuig tegen een voertuig uitgezonderd een tweewieler’ echter niet van ‘een voertuig (autobus) tegen een voertuig uitgezonderd een tweewieler’ zoals door de commissie wordt geciteerd. Anderzijds wordt onder groep 5 vermeld: ‘de uitzonderlijke verkeers- ongevallen zoals: een trein, tram of autobus tegen een voertuig of sleep; de kettingbotsingen; de vliegtuigongevallen’. Bovendien blijkt dat de ‘autobus’ niet opgesomd is in de weliswaar niet limitatieve lijst hetgeen volgens art. 32 dient te worden verstaan onder voertuig. Op basis van deze overwegingen ben ik van mening dat het aantal werkelijk gepresteerde uren mag worden aangerekend. Aangezien de door U verstuurde bijlagen blijkbaar geen kopieën zijn, treft U ze (opnieuw) aan als bijlage aan deze brief. Als bijkomende motivering voeg ik kopie bij van een dossier waarin mij wordt gevraagd af te wijken van de forfaitaire vaststelling, terwijl het ongeval in kwestie daaraan volledig voldoet (zie dossier 38392 van de commissie, dan nog met zittingdatum 06-03-2001, d.i. dezelfde als huidig dossier 38657). Ofwel aanvaardt men de indeling volgens de groepen, ofwel aanvaardt men ze niet. Het gebeurt overigens geregeld dat deze indeling ons als deskundigen, financieel minder goed uitkomt. Dienen wij dan ook een afwijking te vragen?” 1.5. Na kennis genomen te hebben van de brief van de verzoekende partij van 28 maart 2001 stelt de commissie op 11 september 2001 vast dat de brief van 28 maart 2001 geen betrekking heeft op de bovenvermelde memorie en wordt de verzoekende partij uitgenodigd “om alsnog te antwoorden op de gestelde vraag...” In een brief van 31 oktober 2001 schrijft de verzoekende partij het volgende : “Vooreerst ben ik zo vrij de commissie er op te wijzen dat mijn brief van 28 maart 2002 wel betrekking heeft op onderhavige zaak. Er wordt weliswaar ten titel van inlichting en ter vergelijking verwezen naar een ander dossier van dezelfde commissie (38647 dd. 06-03-01) waarin naar mijn mening een volledig tegenstrijdige redenering wordt toegepast. Zelfs indien mijn brief; volgens de commissie, geen betrekking zou hebben op onderhavige zaak, meen ik dat de inhoud ervan duidelijk mijn standpunt weergeeft. Ik ben het dus niet eens met het antwoord van de commissie en zie dan ook niet in waarom ik dien te antwoorden op de gestelde vraag, met name ‘zijn memorie op te stellen in eer en geweten overeenkomstig artikel 1 van het Algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken’. IX-3444-4/16 Dit artikel 1 wordt naar mijn mening door de commissie op wisselvallige wijze en derhalve niet consequent geïnterpreteerd, hetgeen precies werd aangegeven in mijn brief van 28-03-2001, waarnaar ik opnieuw verwijs. Andermaal ben ik zo vrij te vragen of ik in kennis kan worden gesteld van de in de beslissing vermelde ‘schriftelijk(

  1. e)verslagen dienaangaande door de deskundige verslaggever opgesteld’.” 1.6. Blijkens een “Uittreksel uit het proces-verbaal der zitting van 16 april 2002” beslist de commissie om de bovenvermelde memorie van de verzoekende partij vast te stellen op 44.227 fr. (ereloon en onkosten) + 9.288 fr. (BTW) = 53.515 fr. (of: 1.326,60 euro). In dat uittreksel wordt volgende motivering opgenomen : “De Commissie voor Gerechtskosten in Strafzaken; Gelet op het Koninklijk besluit van 28 december 1950 houdende het Algemeen Reglement op de Gerechtskosten in Strafzaken, in het bijzonder de artikelen 1 en 78; Gelet op het Ministerieel besluit van 11 juni 1999 tot vaststelling van het normaal bedrag van de honoraria der personen opgeroepen in strafzaken wegens hun kunde of hun beroep; Na kennis te hebben genomen van het deskundig(
  2. e)verslag en van de schriftelijke verslagen dienaangaande door de deskundige-verslaggever opgesteld; Na eveneens kennis te hebben genomen van de brieven d.d. 20 september 2000, 6 april 2001, 28 maart 2001 en 31 oktober 2001 van voormelde (
  3. de)deskundige; Aangezien de deskundige werd aangesteld om te onderzoeken of de schade van een voertuig al dan niet verenigbaar was met een aanrijding met een ander voertuig, dat dit geen reconstructie is van een verkeersongeval waarbij de manier en de plaats van de aanrijding respectievelijk de snelheden en de vermijdbaarhe- den dienen bepaald te worden, is onderhavige Commissie van oordeel dat terzake niet het forfait voorzien in artikel 34 van het Ministerieel besluit van 11juni1999 tot vaststelling van het normaal bedrag van de honoraria der personen in strafzaken wegens hun kunde of hun beroep, kan worden aangere- kend; Aangezien de deskundige door onderhavige Commissie op 15 september 2000 en 20 maart 2001 werd uitgenodigd om zijn memorie op te stellen in eer en geweten overeenkomstig artikel 1 van het Algemeen reglement op de Gerechtskosten in strafzaken dat als volgt luidt: ‘De personen die wegens hun kunde of hun beroep worden opgeroepen, hebben recht op een vergoeding evenredig aan de waarde van de verrichte arbeid,’ zij maken naar geweten de staat op van hun honoraria; deze staat vermeldt, voor ieder van de gedane verrichtingen, samen met de data ervan, de dagen en uren welke er aan besteed werden. Deze personen schieten de lonen voor van ‘de helpers, alsmede de prijs van de arbeidsprestaties en leveringen welke nodig zijn’; Aangezien de deskundige hieraan echter niet het nodige gevolg gaf, wordt onderhavige memorie ambtshalve als volgt herberekend : IX-3444-5/16 Ereloon : Bijeenkomst partijen en onderzoek voertuig : 3u00 aan 2.010 F = . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 6.030 F Studie bundelgegevens en problematiek schade : 3u00 aan 2.010 F = . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 6.030 F Opstellen verslag : 8u00 aan 2.010 F = . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 16.080 F Samenstellen fotodossier : 3u00 aan 2.010 F = . . . . . . . . . . . . . . 6.030 F Kilometers (cf. voormelde memorie) : . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 1.639 F Foto’s (cf. voormelde memorie) : . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 1.080 F Dactylografie (cf. voormelde memorie) : . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 1.017 F Diversen (cf. voormelde memorie) : . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 6.321 F SUBTOTAAL : 44.227 F 21% BTW : 9.288 F ALGEMEEN TOTAAL : 53.515 F Stelt voormelde memorie van de heer Wim VANDEWEERDT vast op de som van DUIZEND DRIEHONDERD ZESENTWINTIG EURO EN ZESTIG CENT (hon : i 1.096,36 + BTW : i 230,24 = i 1.326,60 of 53.515 F). (...).” Een afschrift van dit uittreksel wordt bij aangetekende brief van 3 juni 2002 naar de verzoekende partij verstuurd. 2.1. Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel de schending aanvoert van de artikelen 32, 33 en 34 van het ministerieel besluit (MB) van 11 juni 1999 tot vaststelling van het normaal bedrag van de honoraria der personen opgeroepen in strafzaken wegens hun kunde of hun beroep, doordat mevrouw Nicole PARENTE, namens de commissie en aldus namens de minister besliste dat de honoraria van de verzoekende partij niet werden vastgesteld op een bedrag dat met de door verzoekende partij opgestelde staat van ereloon en kosten overeenstemt, terwijl enerzijds, eerste onderdeel, volgens artikel 32 van het vermelde ministerieel besluit wordt gesteld dat : “de honoraria van deskundigen forfaitair vastgesteld worden... rekening gehouden met hun indeling in groepen en de aard van de ongevallen”, en anderzijds, tweede onderdeel volgens artikel 33 van hetzelfde ministerieel besluit de : “verkeersongevallen waarin voertuigen of slepen betrokken worden ingedeeld (worden) in de volgende groepen... groep 3... een voertuig tegen een voertuig uitgezonderd een tweewieler”, zodat er voor de toewijzing van de groepen “geen ander criterium” wordt “aange- wend”. Het door de commissie aangewend argument dat : “de deskundige werd aangesteld om te onderzoeken of de schade van een voertuig al dan niet verenigbaar was met een aanrijding met een ander voertuig... geen reconstructie is van een verkeersongeval, waarbij de manier en de plaats IX-3444-6/16 van de aanrijding respectievelijk de snelheden en de vermijdbaarheden dienen te worden bepaald”, is derhalve niet terecht; Overwegende dat de verzoekende partij daar nog het volgende aan toevoegt : “Daarbij moet nog worden opgemerkt dat de door de commissie gehanteerde omschrijving ‘reconstructie van een verkeersongeval’ en de ‘manier en de plaats van de aanrijding respectievelijk de snelheden en de vermijdbaarheden’ niet voorkomen in de opsomming van de prestaties van artikel 34 van hetzelfde ministerieel besluit”; 2.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord, samengevat als volgt, repliceert : - de verzoekende partij gaat er ten onrechte vanuit dat de commissie voor de gerechtskosten in strafzaken strikt gebonden is door de tarieflijst opgesteld door de minister van Justitie bij de begroting van het ereloon van gerechtsdeskundigen; - uit de samenlezing van artikel 1 met artikel 78 van het koninklijk besluit van 28 december 1950 houdende algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken, blijkt dat bij de bepaling van de vergoeding van de personen die wegens hun kunde of beroep worden opgeroepen de commissie voor de gerechtskosten in strafzaken over een ruime appreciatiebevoegdheid beschikt, en niet gebonden is door de wijze van vergoeding van de deskundi- gen, door de indeling in categorieën en evenmin door de forfaitaire begroting van de prestaties, de bedragen en schalen opgenomen in het ministerieel besluit van 11 juni 1999 tot vaststelling van het normaal bedrag van de honoraria der personen opgeroepen in strafzaken wegens hun kunde of hun beroep, - uit voornoemde bepalingen volgt dat de Koning aan voormelde commissie bij haar eindbeoordeling een ruime beoordelingsbe- voegdheid heeft willen laten, aangezien de schaal (vermeld in voornoemd ministerieel besluit), (...) aan (voornoemde) commis- sie, alleen een aantal beoordelingsgegevens ter beschikking stelt, - de verwerende partij kan zowel de overeenkomstig de schaal vastgestelde, als de zonder verwijzing naar de schaal begrote memories aan de commissie overmaken. Hieruit volgt dat de commissie kan oordelen over het belang van de door de deskundi- IX-3444-7/16 ge geleverde prestaties, niet alleen ten aanzien van hun materiële omvang, maar ook bijvoorbeeld ten aanzien van de kwalificatie van degene die ze heeft verricht, - bij de begroting van het ereloon is de commissie voor de gerechts- kosten in strafzaken dan ook niet gebonden door de tarieflijst opgesteld door de minister van Justitie, - de commissie bepaalt souverein welk ereloon uiteindelijk aan de deskundige zal worden uitbetaald en ze is niet verplicht om het ereloon te berekenen aan de hand van de tarieflijst, - enkel drie criteria moeten dan ook geacht worden van belang te zijn voor de bepaling van het ereloon: de waarde van de geleverde prestaties, de tijd die de deskundige aan zijn onderzoek heeft besteed en de kwalificatie van de deskundige, - de verzoekende partij gaat er ten onrechte vanuit dat de commissie voor de gerechtskosten in strafzaken er bij de vaststelling van het bedrag van de memorie steeds toe gehouden is zich te houden aan de schaal zoals vastgesteld door de minister overeenkomstig artikel 1, eerste lid van het Algemeen reglement op de gerechts- kosten in strafzaken, - het behoort tot de discretionaire bevoegdheid van voornoemde commissie om te oordelen over het belang van de prestaties, geleverd door de deskundige en de commissie gaat na of de honoraria vastgesteld of begroot werden op een bedrag dat met het belang der verstrekte prestaties overeenstemt, dat in dit verband de commissie kan oordelen dat de deskundige verrichting- en wegens hun aard of bij uitzondering niet voorkomen in de krachtens artikel 1, tweede lid van het Algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken bepaalde schaal, - vervolgens beschrijft de verwerende partij de opdracht die aan de verzoekende partij werd toevertrouwd en leidt uit die opdracht en uit de wijze waarop ze werd uitgevoerd af, dat de commissie souverein kon oordelen dat de opdracht feitelijk geen reconstruc- tie van een verkeersongeval betrof en dat de geleverde prestatie niet kan worden beschouwd als een expertise inzake verkeer, zoals bedoeld in de categorie “Expertise inzake verkeer” van het ministerieel besluit van 11 juni 1999 tot vaststelling van het normaal bedrag van de honoraria der personen opgeroepen in strafzaken wegens hun kunde of beroep, zodat de honoraria door IX-3444-8/16 de verzoekende partij begroot worden op een bedrag dat niet met het belang der verstrekte prestaties overeenstemde, - in tegenstelling tot wat de verzoekende partij beweert, mag voornoemde commissie voor de toewijzing van de groepen wel rekening houden met andere gegevens dan alleen met het feit dat bij een verkeersongeval twee voertuigen betrokken zijn, zoals vermeld in artikel 33 van voormeld ministerieel besluit, - precies daarom overweegt de commissie voor de gerechtskosten in strafzaken ondermeer wat volgt : “Aangezien de deskundige werd aangesteld om te onderzoeken of de schade van een voertuig al dan niet verenigbaar was met een aanrijding met een ander voertuig, dat dit geen reconstructie is van een verkeersongeval waarbij de manier en de plaats van de aanrijding respectievelijk de snelheden en de vermijdbaarhe- den dienen bepaald te worden, is onderhavige commissie van oordeel dat terzake niet het forfait voorzien in artikel 34 van het Ministerieel besluit van 11 juni 1999 tot vaststelling van het normaal bedrag van de honoraria der personen in strafzaken wegens hun kunde of hun beroep, kan worden aangerekend”. - voornoemde passus van de bestreden beslissing is relevant en bovendien terecht, - op basis van dit argument besliste de commissie voor de gerechts- kosten in strafzaken dat geen gebruik kon worden gemaakt van de overeenkomstig artikel 1, tweede lid van het algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken opgestelde schaal, maar dat de verzoekende partij haar staat van honoraria diende op te maken overeenkomstig artikel 1, eerste lid van voormeld reglement, dat wil zeggen “naar geweten”, precies om die reden werd de verzoekende partij door de commissie op verschillende tijdstippen uitgenodigd om haar memorie op te stellen in eer en geweten; aangezien zij daaraan geen gevolg gaf, werd haar memorie ambtshalve herberekend en vastgesteld op de som van 53.515 fr. of 1.326,60 euro; 2.3.1. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord in essentie het volgende stelt : - het ministerieel besluit van 11 juni 1999 tot vaststelling van het normaal bedrag van de honoraria der personen opgeroepen in strafzaken wegens hun kunde of hun beroep, werd vooral opgesteld om talloze discussies te voorkomen betreffende het aantal gepresteerde uren door de deskundige, IX-3444-9/16 - de verzoekende partij betwist de beoordelingsbevoegdheid van de commissie voor de gerechtskosten in strafzaken, wat het bepalen van de honoraria van de gerechtelijke deskundigen betreft, omdat er op die wijze willekeur ontstaat en niet kan worden afgeleid uit de artikelen 32 en 33 van het ministerieel besluit van 11 juni 1999 dat van de forfaitaire vaststelling van de honoraria kan worden afgeweken, - wanneer het gaat om een expertise inzake een verkeersongeval, zoals in casu, dan dient het ereloon van de deskundige te worden bepaald op basis van voornoemd ministerieel besluit van 11 juni 1999; 2.3.2. Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie daaraan nog het volgende toevoegt : IX-3444-10/16 - de bestreden beslissing motiveert niet waarom zij afwijkt van de forfaitaire vaststelling van de honoraria inzake verkeer zoals bepaald door de artikelen 32, 33 en 34 van het ministerieel besluit van 11 juni 1999 tot vaststelling van het normaal bedrag van de honoraria der personen opgeroepen in strafzaken wegens hun kunde of hun beroep; het motief van de afwijking moet in het algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken, of in voornoemd ministerieel besluit worden gevonden, wat in casu niet het geval is, - de discretionaire bevoegdheid van de minister van Justitie en van de commissie wordt niet betwist door de verzoekende partij, wel de argumenten en/of de criteria opgenomen in de bestreden beslissing; 2.4.1. Overwegende dat de verzoekende partij bij vonnis van 5 september 1997 van de correctionele rechtbank te Tongeren wordt aangesteld als gerechtsdes- kundige met als opdracht om de gevolgen van een verkeersongeval te onderzoeken, zonder over te gaan tot de reconstructie van het ongeval; Overwegende dat op 20 januari 2000 de verzoekende partij haar deskundig verslag en tevens haar memorie neerlegt, waarin de onkosten en erelonen begroot worden op 54.651 fr. + 11.477 fr. BTW, hetzij op: 66.128 fr., of: 1.639,27 euro; Overwegende dat uit de staat van ereloon en onkosten van de verzoekende partij blijkt dat zij haar staat berekent op basis van de artikelen 32 tot 34, die deel uitmaken van hoofdstuk V, met name van de “Expertise inzake verkeer”, van het ministerieel besluit van 11 juni 1999 tot vaststelling van het normaal bedrag van de honoraria van personen opgeroepen in strafzaken wegens hun kunde of hun beroep; dat dit ministerieel besluit werd genomen in uitvoering van het tweede lid van artikel 1 van het koninklijk besluit van 28 december 1950 houdende algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken, dat als volgt luidt : “Op voorstel van de commissie voor de gerechtskosten in strafzaken, kan de minister van Justitie het normaal bedrag der honoraria vaststellen in een schaal die de met de begroting belaste rechter als leidraad neemt en die eventueel in het laatste kwartaal van elk jaar wordt herzien.”; Overwegende dat luidens artikel 32 van voornoemd ministerieel besluit de honoraria van de deskundigen inzake verkeer forfaitair worden vastgesteld IX-3444-11/16 rekening houdend met hun indeling in groepen en met de aard van de ongevallen; dat artikel 33 van voormeld ministerieel besluit de verkeersongevallen waarin voertuigen of slepen betrokken zijn indeelt in vijf groepen; dat de verzoekende partij haar verslag indeelt bij groep 3, waarin ondermeer sprake is van een aanrijding tussen een voertuig en een (ander) voertuig, uitgezonderd een tweewieler; dat volgens artikel 34 van hetzelfde besluit de prestaties verricht in het kader van een deskundig onderzoek forfaitair worden vastgesteld; dat aldus de prestaties voor de aanrijdingen voorzien in groep 3 op 22 uren worden bepaald; dat op het tijdstip van de redactie van het verslag het uurtarief 2.027 fr. bedraagt, zodat de verzoekende partij haar ereloon begroot op 44.594 fr. (hetzij: 2.027 fr. x 22 uren), overeenkomstig artikel 45 van hetzelfde ministerieel besluit; dat de forfaitaire vastgestelde prestaties, naar luid van artikel 34 van het ministerieel besluit van 11 juni 1999, de volgende zijn : - de vaststellingen en opmetingen ter plaatse; - het technisch onderzoek van de voertuigen; - het opstellen van een voorverslag; - de studie van het dossier; - het opstellen en het verbeteren van het deskundig verslag; - het opmaken van het fotografisch dossier met commentaar; - het opmaken van het plan; - het neerleggen van het deskundig verslag; 2.4.2. Overwegende dat uit samenlezing van artikel 1, tweede lid, en artikel 78, vijfde en zevende lid van voornoemd koninklijk besluit van 28 december 1950 blijkt, dat zowel aan de minister van Justitie als aan de commissie voor de gerechtskosten in strafzaken een discretionaire bevoegdheid werd toegewezen voor de vaststelling der vergoedingen van de deskundigen; dat artikel 1, eerste lid van voormeld koninklijk besluit van 28 december 1950 in dit verband bepaalt dat personen die wegens hun kunde of hun beroep worden opgeroepen, recht hebben “op een vergoeding evenredig aan de waarde van de verrichte arbeid” en dat de minister van Justitie op voorstel van de commissie voor de gerechtskosten in strafzaken, “het normaal bedrag der honoraria (kan) vaststellen in een schaal die de met de begroting belaste rechter als leidraad neemt (....)”; dat artikel 78, vijfde lid van hetzelfde besluit bepaalt dat wanneer de minister van oordeel is dat de honoraria vastgesteld of begroot werden op een bedrag dat niet met het belang der verstrekte prestaties overeenstemt, hij in de loop der maand de betwiste memories overmaakt aan de commissie voor de gerechtskosten in strafzaken; dat uit artikel 78, zevende lid van voornoemd besluit blijkt dat de commissie bevoegd is om de staat van onkosten en IX-3444-12/16 erelonen van de deskundige te reduceren, nadat de deskundige, zo hij dit wenst, gehoord werd; Overwegende dat de verzoekende partij in wezen noch de discretionaire bevoegdheid van de minister van Justitie noch van de commissie betwist, om de staten van onkosten en erelonen van deskundigen te evalueren en eventueel te verminderen; dat de verzoekende partij wel de gehanteerde argumenten en/of criteria betwist om haar staat te verminderen; 2.4.3. Overwegende dat de bestreden beslissing nochtans duidelijk aangeeft waarom zij de staat van onkosten en erelonen van de verzoekende partij niet aanvaardt; dat zij desbetreffend het volgende overweegt : “Aangezien de deskundige werd aangesteld om te onderzoeken of de schade van een voertuig al dan niet verenigbaar was met een aanrijding met een ander voertuig, dat dit geen reconstructie is van een verkeersongeval waarbij de manier en de plaats van de aanrijding respectievelijk de snelheden en de vermijdbaarhe- den dienen bepaald te worden, is onderhavige Commissie van oordeel dat terzake niet het forfait voorzien in artikel 34 van het Ministerieel besluit van 11juni1999 tot vaststelling van het normaal bedrag van de honoraria der personen in strafzaken wegens hun kunde of hun beroep, kan worden aangere- kend; Aangezien de deskundige door onderhavige Commissie op 15 september 2000 en 20 maart 2001 werd uitgenodigd om zijn memorie op te stellen in eer en geweten overeenkomstig artikel 1 van het Algemeen reglement op de Gerechtskosten in strafzaken dat als volgt luidt: ‘De personen die wegens hun kunde of hun beroep worden opgeroepen, hebben recht op een vergoeding evenredig aan de waarde van de verrichte arbeid,’ zij maken naar geweten de staat op van hun honoraria; deze staat vermeldt, voor ieder van de gedane verrichtingen, samen met de data ervan, de dagen en uren welke er aan besteed werden. Deze personen schieten de lonen voor van ‘de helpers, alsmede de prijs van de arbeidsprestaties en leveringen welke nodig zijn’; Aangezien de deskundige hieraan echter niet het nodige gevolg gaf, wordt onderhavige memorie ambtshalve als volgt herberekend : Ereloon : Bijeenkomst partijen en onderzoek voertuig : 3u00 aan 2.010 F = . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 6.030 F Studie bundelgegevens en problematiek schade : 3u00 aan 2.010 F = . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 6.030 F Opstellen verslag : 8u00 aan 2.010 F = . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 16.080 F Samenstellen fotodossier : 3u00 aan 2.010 F = . . . . . . . . . . . . . . 6.030 F Kilometers (cf. voormelde memorie) : . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 1.639 F Foto’s (cf. voormelde memorie) : . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 1.080 F Dactylografie (cf. voormelde memorie) : . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 1.017 F Diversen (cf. voormelde memorie) : . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 6.321 F SUBTOTAAL : 44.227 F 21% BTW : 9.288 F ALGEMEEN TOTAAL : 53.515 F Stelt voormelde memorie van de heer Wim VANDEWEERDT vast op de som van DUIZEND DRIEHONDERD ZESENTWINTIG EURO EN IX-3444-13/16 ZESTIG CENT (hon : i 1.096,36 + BTW : i 230,24 = i 1.326,60 of 53.515 F). (...).”; Overwegende dat de bestreden beslissing uitdrukkelijk motiveert waarom zij de staat van erelonen van de verzoekende partij niet aanvaardt; dat zij de 22 uren voor de prestatie in groep 3 niet weerhoudt, gelet op de aard van de opdracht die aan de verzoekende partij werd toevertrouwd; dat zij in het kader van haar discretionaire bevoegdheid het aantal “werkuren” van de deskundige mag verminderen; dat terloops wordt opgemerkt dat waar artikel 34 van voornoemd ministerieel besluit van 11 juni 1999 forfaitair 22 uren voorziet voor de analyse van een verkeersongeval tussen twee voertuigen, de bestreden beslissing 17 werkuren voorziet, wat een verschil uitmaakt van 5 werkuren, te wijten aan de aard van de opdracht en de aard van het ongeval, die onder de discretionaire beoordelings- bevoegdheid vallen van de commissie, met de omstandigheid dat een werkuur wordt verloond in de bestreden beslissing aan 2.010 fr. en in de niet weerhouden staat van ereloon van de verzoekende partij aan 2.027 fr. per uur; dat de aangerekende onkosten door de verzoekende partij niet worden betwist door de verwerende partij; 2.4.4. Overwegende dat de verzoekende partij niet is ingegaan op het verzoek van de commissie om een aangepaste memorie in te dienen, wat zij in principe niet voor de eerste maal kan doen voor de Raad van State, door onder de vorm van een wettigheidskritiek, de gegrondheid van haar staat van ereloon te verdedigen; dat in ieder geval de bestreden beslissing gelet op de ruime appreciatiebe- voegdheid van de commissie, binnen de grenzen van de redelijkheid bleef door het aantal uren intellectuele arbeid besteed aan het deskundigenverslag te verminderen van 22 uren tot 17 uren; dat de discretionaire bevoegdheid van de commissie meebrengt dat zij de prestaties van de deskundige kan herkwalificeren; dat deze herkwalificatie de toets van de redelijkheid doorstaat; Overwegende dat het enig middel in zijn twee onderdelen ongegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. IX-3444-14/16 IX-3444-15/16 Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien november 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, L. HELLIN, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-3444-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.650 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.