id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.651 Rolnummer: A. 140427/IX-3895 Zaak: Arrest 164651 - - 13/11/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-11-27 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-01 08:28 Fiche Arrest nr 164.651 van 13 november 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 164.651 van 13 november 2006 in de zaak A. 140.427/IX-
- In zake : Mattias PATTYN, wonende te HEUVELLAND, Zavelaarstraat 3 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, die woonplaats kiest bij advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te OOSTENDE, E. Beernaertstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Mattias PATTYN op 14 augustus 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het ministerieel besluit van 10 juli 2003 waarbij de schorsing uit zijn ambt in het belang van de dienst behouden blijft; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 10 mei 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van verzoeker; IX-3895-1/8 Gelet op de beschikking van 13 september 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 30 oktober 2006; Gehoord het verslag van de voorzitter van de Raad van State J. DE BRABANDERE; Gehoord de opmerkingen van advocaat N. DE WINT, die loco advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- Verzoeker is penitentiair beambte in de gevangenis te Ieper. Op 11 december 2002 wordt hij door de onderzoeksrechter aangehouden en in verdenking gesteld van inbreuken op de wetgeving inzake verdovende middelen. De feiten zouden gepleegd zijn tijdens of in het kader van de uitoefening van zijn functie van penitentiair beambte in de gevangenis. 1.
- Op 24 december 2002 wordt verzoeker door de directeur van de gevangenis te Ieper gehoord over een voorstel tot schorsing in het belang van de dienst. Deze doet op 31 december 2002 het voorstel om verzoeker te schorsen in het belang van de dienst voor de duur van het gerechtelijk onderzoek, hem het recht te ontzeggen om zijn aanspraken te laten gelden op bevordering en op bevordering in zijn weddeschaal en tevens een inhouding van twintig procent van zijn brutowedde toe te passen. IX-3895-2/8 1.
- Bij ministerieel besluit van 29 januari 2003 wordt verzoeker met ingang van 17 januari 2003 geschorst in het belang van de dienst. De voorzitter van het directiecomité van de Federale Overheids- dienst Justitie doet ook een voorstel om verzoeker het recht te ontzeggen om zijn aanspraken op bevordering en op bevordering in zijn weddeschaal te doen gelden en zijn brutowedde met twintig procent te verminderen. 1.
- Op 18 februari 2003 stelt verzoeker beroep in tegen zijn schorsing in het belang van de dienst, alsmede tegen het voorstel om hem zijn aanspraken op bevordering en bevordering in zijn weddeschaal te ontzeggen en zijn brutowedde met twintig procent te verminderen. 1.
- Op 17 april 2003 behandelt de raad van beroep de beide beroepen. De raad van beroep sluit zich aan bij het standpunt van verzoekers raadsman die laat gelden dat het gerechtelijk onderzoek geen substantiële elementen ten laste van verzoeker aan het licht heeft gebracht en er evenmin blijkt dat zijn reïntegratie aanleiding zou geven tot bijzondere problemen, aangezien hij steeds de betrachting heeft gehad zijn functie goed uit te oefenen en dat in de toekomst ook zo wenst te doen. De raad van beroep adviseert met vijf stemmen tegen vier dat de schorsing in het belang van de dienst “geen toereikende grondslag heeft” en dat bijgevolg het voorstel om verzoeker het recht te ontzeggen om zijn aanspraken op bevordering en op bevordering in zijn weddeschaal te doen gelden en zijn brutowed- de met twintig procent te verminderen, komt te vervallen. 1.
- Bij ministerieel besluit van 10 juli 2003 wordt beslist dat de schorsing in het belang van de dienst behouden blijft. Dit besluit is als volgt gemotiveerd : IX-3895-3/8 “Overwegende dat de advocaat van de heer Pattyn inzonderheid laat gelden dat er geen aanleiding is om de maatregelen in kwestie toe te passen, omdat het gerechtelijk onderzoek geenszins substantiële elementen te zijne laste aan het licht zou hebben gebracht. Overwegende dat deze bewering conditioneel gesteld is; dat ze door geen enkel stuk wordt gestaafd; Overwegende dat de inverdenkingstelling door de onderzoeksrechter er op wijst dat er substantiële elementen te zijne laste worden gelegd; dat hij tot op heden niet buiten vervolging werd gesteld; Overwegende dat het advies van de Raad van Beroep bijgevolg niet berust op objectieve en controleerbare elementen; Overwegende dat de betrachting gehad te hebben zijn functie goed uit te oefenen en dat in de toekomst ook zo wensen te doen niet aantoont dat dergelijke feiten door betrokkene niet kunnen gepleegd worden; Overwegende dat de schorsing in het belang van de dienst geen tuchtstraf maar een preventieve maatregel is en dit in afwachting van de resultaten van het gerechtelijk onderzoek; dat de Raad van Beroep zich eerder heeft uitgesproken over de grond van het lopende gerechtelijk onderzoek; dat hiervoor de beslissing van de raadkamer dient te worden afgewacht; Overwegende dat om deze overwegingen, het behoud van de maatregel van schorsing uit het ambt in het belang van de dienst volledig gerechtvaardigd blijft;”. 2.
- Overwegende dat verzoeker de schending aanvoert van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, doordat in het bestreden besluit niet aangegeven wordt waarom het voorstel om hem het recht te ontzeggen om zijn aanspraken op bevordering en op bevordering in zijn weddeschaal te doen gelden en zijn bruto wedde met twintig procent te verminderen niet in aanmerking wordt genomen, en evenmin wordt aangegeven waarom van het gunstig advies van de raad van beroep wordt afgeweken en de verzachtende omstandigheden niet in aanmerking werden genomen, terwijl uit de motivering nochtans duidelijk moet kunnen worden afgeleid waarom voor een bepaalde strafmaat, sanctie of ordemaatregel werd gekozen; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat het bestreden besluit een ordemaatregel en geen tuchtmaatregel is en dat in het bestreden besluit op afdoende wijze aangegeven wordt waarom van het advies van de raad van beroep werd afgeweken; dat zij stelt dat het louter een conditioneel gestelde en door geen enkel stuk gestaafde bewering is van de raad van beroep als zou het gerechtelijk IX-3895-4/8 onderzoek geen substantiële elementen ten laste van verzoeker aan het licht hebben gebracht, waartegen echter de inverdenkingstelling door de onderzoeksrechter staat, wat er op wijst dat aan verzoeker substantiële elementen ten laste worden gelegd; dat volgens haar ook de vaststelling dat de verzoekende partij niet buiten vervolging werd gesteld en dat “de betrachting te hebben gehad haar functie goed uit te oefenen en dat in de toekomst ook zo wensen te doen” niet aantoont dat dergelijke feiten door de verzoekende partij niet gepleegd kunnen worden, afdoende en draagkrachti- ge motieven zijn om vast te stellen dat het advies van de raad van beroep niet berust op objectieve en controleerbare elementen; 2.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord stelt dat hij niet betwist dat het bestreden besluit een ordemaatregel en geen tuchtmaatregel is; dat hij echter staande houdt dat niet voldaan werd aan de vereiste dat in het bestreden besluit de concrete en precieze redenen moeten worden vermeld waarom van het advies van de raad van beroep werd afgeweken en de door de raad van beroep aangenomen verzachtende omstandigheden niet in aanmerking werden genomen; dat hij in zijn laatste memorie nog stelt dat uit de motivering zal moeten blijken dat het verweer van de ambtenaar in de beslissing werd betrokken, dat wanneer hij zich beroept op verzachtende omstandigheden, verduidelijkt dient te worden waarom deze niet of in die mate konden doorwegen bij het bepalen van de strafmaat; dat verzoeker ten slotte stelt dat de minister nergens heeft aangetoond dat zijn aanwezigheid onverenigbaar is met het belang van de dienst; 2.4.
- Overwegende dat de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen de administra- tieve overheid ertoe verplichten op een afdoende wijze in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen; dat met het begrip “afdoende motivering” onder meer bedoeld wordt dat de opgelegde motivering in rechte en in feite evenredig moet zijn aan het gewicht van de genomen beslissing; IX-3895-5/8 Overwegende dat artikel 2 van het koninklijk besluit van 1 juni 1964 betreffende de schorsing van rijksambtenaren in het belang van de dienst luidt als volgt : “Art.
- Is aan de schorsing geen einde gemaakt, dan kan de ambtenaar, nadat een maand verstreken is sedert de dag dat die maatregel uitwerking heeft gekregen, er beroep tegen instellen bij de raad van beroep. Het voor de ambtenaar ongunstig advies van de raad van beroep sluit in dat de schorsing wordt gehandhaafd. Is het advies van de raad van beroep gunstig, dan beslist nog de Minister. (...).”; Overwegende dat om aan het voorschrift van de voormelde wet van 29 juli 1991 te voldoen, de minister in voorkomend geval in zijn beslissing dient aan te geven waarom het voor de ambtenaar gunstig advies van de raad van beroep niet wordt gevolgd; dat die motivering niet beperkt mag blijven tot een louter tegenspreken van het advies, maar duidelijk moet maken waarom de beslissende overheid meent de argumenten waarop het advies steunt niet te kunnen volgen; dat zulks evenwel niet betekent dat de overheid verplicht is punt voor punt het advies te weerleggen, maar het volstaat dat uit de beslissing duidelijk blijkt om welke redenen de overheid oordeelde ervan te moeten afwijken; dat zulks ook niet noodzakelijk vereist dat de argumenten van de betrokkene concreet moeten worden weergegeven en weerlegd; 2.4.
- Overwegende dat in de motivering van het bestreden besluit, in antwoord op de bewering van verzoekers raadsman, waarbij de raad van beroep zich aansloot, dat “het gerechtelijk onderzoek geenszins substantiële elementen te zijne laste aan het licht zou hebben gebracht”, wordt gesteld “dat deze bewering conditioneel gesteld is; dat ze door geen enkel stuk wordt gestaafd”, alsmede “dat de inverdenkingstelling door de onderzoeksrechter er op wijst dat er substantiële elementen te zijne laste worden gelegd; dat hij tot op heden niet buiten vervolging werd gesteld”; dat wat betreft de bewering dat verzoeker de betrachting had zijn functie goed uit te oefenen en hij dit in de toekomst ook zo wenst te doen, in het bestreden besluit gesteld wordt dat zulks niet aantoont “dat dergelijke feiten door IX-3895-6/8 betrokkene niet kunnen gepleegd worden”; dat de minister voorts erop wijst dat de schorsing in het belang van de dienst geen tuchtstraf, maar een preventieve maatregel is en dit in afwachting van de resultaten van het gerechtelijk onderzoek, en dat de raad van beroep zich veeleer heeft uitgesproken over de grond van het lopende gerechtelijk onderzoek, terwijl hiervoor de beslissing van de raadkamer moet worden afgewacht; dat met andere woorden de minister van mening is dat de omstandigheid dat verzoeker nog altijd het voorwerp uitmaakt van een gerechtelijk onderzoek een voldoende reden vormt om hem uit de dienst te blijven weren en uit zijn motieven ook blijkt dat gelet op de aard van de maatregel -een schorsing in het belang van de dienst en geen tuchtstraf- de vraag of er verzachtende omstandigheden voorhanden zijn irrelevant is; dat ook al wordt zulks niet uitdrukkelijk verwoord in de bestreden beslissing, de conclusie dat verzoekers aanwezigheid onverenigbaar is met het belang van de dienst, evident is, nu de feiten waarvan hij verdacht werd met die dienst te maken hadden; dat de minister aldus duidelijk, dat wil zeggen op een voor de betrokkene begrijpelijke wijze, de redenen heeft laten kennen op grond waarvan hij besloten heeft het voor verzoeker gunstig advies van de raad van beroep niet te volgen; dat de motivering ook afdoende is, aangezien zij de bestreden beslissing kan dragen en er geen kennelijke wanverhouding bestaat tussen de inhoud van de beslissing en de motivering die als verantwoording voor de beslissing wordt gegeven; 2.4.
- Overwegende dat voor zover verzoeker aanvoert dat in het bestreden besluit niet gemotiveerd wordt waarom het voorstel om hem het recht te ontzeggen om zijn aanspraken op bevordering en op bevordering in zijn weddeschaal te doen gelden en zijn bruto wedde met twintig procent te verminderen niet wordt bijgevallen, verzoeker niet het rechtens vereiste belang heeft om de ministeriële beslissing op dit punt te betwisten, aangezien zij op dat stuk gunstig voor hem is; 2.4.
- Overwegende dat het middel niet gegrond is, IX-3895-7/8 BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien november 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, L. HELLIN, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-3895-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.651 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.