← België

Arrest 164653 - - 13/11/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.653 Rolnummer: A. 135587/IX-3769 Zaak: Arrest 164653 - - 13/11/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-11-22 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-01 08:28 Fiche Arrest nr 164.653 van 13 november 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 164.653 van 13 november 2006 in de zaak A. 135.587/IX-

  1. In zake : Bart VAN DE MEULEBROUCKE, die woonplaats kiest bij advocaat F. VERSCHUERE, kantoor houdende te WAREGEM, Oude Desselgemstraat 69 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Landsverdediging. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Bart VAN DE MEULEBROUCKE op 17 april 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 18 februari 2003 van de minister van Landsverdediging “waarbij gesteld werd dat verzoeker op datum van 1 januari 2003 niet voldeed aan de rendementsvoorwaarden (en dat daarom) een gedeelte van de tijdens de vorming genoten wedden worden teruggevorderd en dit voor een bedrag van 77.576,90 ”; i Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelings-hoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 9 juni 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 27 september 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 november 2006; IX-3769-1/6 Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. VERSCHUERE, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van luitenant-kolonel militair administrateur A. DE DECKER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  3. Verzoeker was geneesheer kapitein-commandant bij de medische dienst van de Krijgsmacht. 1.
  4. Op 17 juli 2000 vraagt verzoeker zijn ontslag aan per 1 november
  5. Bij koninklijk besluit van 11 november 2002 wordt dat ontslag aanvaard op 1 januari
  6. 1.
  7. Op 18 februari 2003 richt de chef van de Dienst Afvloeiingen en Tucht van de Algemene Directie Human Resources zich in volgende bewoordingen tot verzoeker : “U hebt uw ontslag uit het kader der beroepsofficieren gevraagd en bekomen op datum van 01 januari 2003 (koninklijk besluit nr 4194 van 11 november 2002, kopie in bijlage). Aangezien U op die datum nog niet voldeed aan de wettelijk vereiste rendementsvoorwaarden vordert de Staat een gedeelte van de tijdens de vorming genoten wedden terug (wet van 16 maart 2000 aangepast met de wet van 22 maart 2001). In uw geval bedraagt het terug te betalen bedrag 77.576,90 EUR (3.129.444 BEF) (detail in bijlage). Uw dossier zal enkele weken na deze betekening overgemaakt worden aan het Ministerie van Financiën - Hoofdbestuur van het kadaster, de registratie en de domeinen - Directie I/5/A - R.A.C. - Financietoren - Bus 58 - Kruidtuinlaan, 50 - 1010 BRUSSEL. Deze dienst zal U via het ontvangkantoor IX-3769-2/6 der domeinen waarvan U afhangt contacteren om het hierboven vermelde bedrag terug te vorderen. Een beroep tot nietigverklaring van de voormelde beslissing kan voor de afdeling administratie van de Raad van State (adres : Wetenschapsstraat 33, 1040 BRUSSEL) worden gebracht via een ter post aangetekend schrijven binnen de zestig dagen te tellen vanaf de dag volgend op deze van deze betekening. (...).”; 2.
  8. Overwegende dat de verwerende partij aanvoert dat de Raad van State niet bevoegd is om van het geschil kennis te nemen, aangezien de overheid bij het treffen van de bestreden beslissing geen discretionaire bevoegdheid uitgeoefend heeft, maar enkel vastgesteld heeft dat de in een norm van objectief recht vermelde voorwaarden in het geval van verzoeker vervuld waren; 2.
  9. Overwegende dat verzoeker erop wijst dat de verwerende partij diende uit te maken in welke mate de bepalingen van de wet van 16 maart 2000 op zijn geval van toepassing waren, dat in die zin de betwisting geen betrekking heeft op de erkenning van een burgerlijk recht of op het toekennen van schadevergoeding en dat overigens de verwerende partij in haar brief van 18 februari 2003 zelf gewezen heeft op de mogelijkheid om een annulatieberoep bij de Raad van State in te dienen; Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie herhaalt dat hij zich verzet tegen een beslissing met individuele strekking die uitgaat van de minister van Landsverdediging waarbij deze discretionair een afweging gemaakt heeft over de toepasselijkheid van de wet van 16 maart 2000 op zijn situatie, terwijl het beroep “geen betrekking heeft op de erkenning van een burgerlijk of privaat recht noch op enige vorm van schadeloosstelling”; dat hij stelt dat er tegen beslissingen als de betredene bij de gewone rechter geen beroep kan ingesteld worden dat hetzelfde resultaat heeft als een annulatieberoep, dat rechtspraak en rechtsleer nu aanvaarden dat de Raad van State en de gewone rechtbanken “gelijkelijk bevoegd zijn zowel om de legaliteit van bestuurshandelingen te beoordelen als om het herstel van subjectieve rechten te verlenen” en dat hij geen herstel in natura of enige schadevergoeding vraagt maar de vernietiging van een administratieve rechts-handeling, om vervolgens zijn subjectieve rechten erkend te zien worden door de gewone rechtbanken; dat hij ook nog ingaat op zijn stelling dat bij de bestreden beslissing wel degelijk een opportuniteitsoordeel geveld is aangezien er een onderzoek gewijd diende te worden aan zijn persoonlijke situatie, die specifiek is aangezien er rekening gehouden moest worden met gegevens die dagtekenen van vóór de wet van 16 maart 2000; IX-3769-3/6 Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie daarop antwoordt dat zij zich beperkt heeft tot het toepassen van de bestaande wetgeving, die het bestuur geen appreciatiemogelijkheid laat en dat zij niet inziet welke toestanden uit het verleden tot gevolg zouden kunnen hebben dat verzoeker kan ontsnappen aan de correcte toepassing van de wet van 16 maart 2000; 2.3.
  10. Overwegende dat het beroep gericht is tegen de beslissing waarbij de verwerende partij van verzoeker de terugbetaling vordert van een gedeelte van de wedden die hij tijdens zijn vorming in de Krijgsmacht genoten heeft; dat die terugvordering geregeld is door de wet van 16 maart 2000 betreffende het ontslag van bepaalde militairen en de verbreking van de dienstneming of wederdienstneming van bepaalde kandidaat-militairen, de vaststelling van de rendementsperiode en het terugvorderen door de Staat van een deel van de door de Staat gedragen kosten voor de vorming en van een gedeelte van de tijdens de vorming genoten wedden (hierna: de wet van 16 maart 2000); dat artikel 4 van die wet, gewijzigd door de wet van 22 maart 2001, bepaalt dat de beroepsmilitair die zijn ontslag verkrijgt of die van ambtswege ontslagen wordt, ertoe gehouden is een gedeelte van de tijdens de vorming genoten wedde terug te betalen, dat de vergoeding degressief is en dat zij “een breukdeel van de 73% van de netto uitbetaalde wedden gedurende de vorming (bedraagt)”; 2.3.
  11. Overwegende dat, volgens het voormeld artikel 4, de overheid niet discretionair kan beslissen over het al dan niet terugvorderen van de tijdens de vorming genoten wedden, noch over het bedrag dat teruggevorderd wordt; dat zij enkel kan nagaan of de voorwaarden voor de toepassing van artikel 4 vervuld zijn en dat zij, wanneer dit het geval is, de wettelijk bepaalde bedragen moet terugvorderen; dat verzoeker niet betwist dat zijn situatie valt onder de wet van 16 maart 2000; dat deze wet geen gedifferentieerde behandeling invoert voor de militairen die hun opleiding genoten hebben vooraleer deze wet in werking getreden is; dat verzoeker dan ook ten onrechte verwijst naar de appreciatiebevoegdheid die de verwerende partij in zijn geval uitgeoefend zou hebben; 2.3.
  12. Overwegende dat bij het treffen van het bestreden besluit de verwerende partij geen discretionaire bevoegdheid uitgeoefend heeft; Overwegende dat de aangelegenheid kadert in de vaststelling van de rechten die verzoeker in het kader van zijn statuut tegenover de overheid kan doen IX-3769-4/6 gelden; dat betwistingen aangaande dergelijke beslissingen over subjectieve rechten door de justitiële rechter worden beslecht; dat verzoeker geen wetsbepaling aanwijst die de kennisneming ervan aan de bevoegdheid van de gewone rechtbanken onttrokken zou hebben; dat de omstandigheid dat de gewone rechter geen beslissingen kan vernietigen niet betekent dat de Raad van State bevoegd wordt; dat krachtens artikel 144 en 145 van de Grondwet alleen de gewone rechter bevoegd is om het bestaan en de omvang van de rechten van de partijen in het geding te bepalen; dat een vernietigingsarrest die beoordelingsbevoegdheid van de gewone rechter op generlei wijze kan beïnvloeden; 2.3.
  13. Overwegende dat de bevoegdheidsexceptie gegrond is; dat het beroep niet ontvankelijk is; dat, aangezien de verwerende partij aan verzoeker medegedeeld heeft dat hij tegen het bestreden besluit een annulatieberoep kon indienen, het past de kosten van het beroep ten laste van de verwerende partij te leggen, BESLUIT: Artikel
  14. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  15. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. IX-3769-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertien november 2000 en zes, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, voorzitter van de Raad van State, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. J. DE BRABANDERE. IX-3769-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.653 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.