← België

Arrest 164678 - - 14/11/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.678 Rolnummer: A. 144407/XIV-17699 Zaak: Arrest 164678 - - 14/11/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-11-30 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-01 08:29 Fiche Arrest nr 164.678 van 14 november 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 164.678 van 14 november 2006 in de zaak A. 144.407/XIV-17.

  1. In zake :
  2. XXX,
  3. XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat S. LAUWERS, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Waversesteenweg 214 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, beide van Pakistaanse nationaliteit, op 3 november 2003 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 23 oktober 2003 tot bevestiging van de beslissingen van de Minister van Binnenlandse Zaken van 11 september 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 2 december 2003 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur R. VANDER ELSTRAETEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 14 juli 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 oktober 2006; XIV-17.699-1/9 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat S. LAUWERS, die verschijnt voor de verzoekende partijen en van Attaché Fr. VEREEKEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  5. XXX en XXX, beide van Pakistaanse nationaliteit, zijn België binnengekomen op 6 maart 2000 en hebben zich op 7 maart 2000 vluchteling verklaard. 1.
  6. Op 11 september 2000 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  7. Op 23 oktober 2003 neemt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissingen tot bevestiging van de beslissingen van de Minister van Binnenlandse Zaken. Deze beslissingen luiden als volgt: Ten aanzien van de eerste verzoekende partij: “A. Vluchtrelaas U, die verklaart de Pakistaanse nationaliteit te bezitten, zou afkomstig zijn uit Mohammadabad. U zou een ahmadi-moslim zijn sinds uw geboorte. In 1985 zou men uw broer, R. H. A., onterecht beschuldigd hebben van het dragen van een vers uit de koran op zijn trui. Na 15 dagen zou men hem op borg hebben vrijgelaten. In 1998 zou u naar de kapper gegaan zijn waar u ahmadi-tijdschriften aan een geïnteresseerd persoon meegaf. Later zou deze man er mee gedreigd hebben u te willen beschuldigen van het bekeren van moslims tot het ahmadi-geloof. Door de bemiddeling van een kennis van u zou de man zijn voornemen om een klacht tegen u in te dienen, laten vallen hebben. Op 6 mei 1999 zouden een aantal moslims een klacht hebben ingediend tegen zestien mensen onder wie uw twee broers, H. en M.. Ze werden er van beschuldigd moslims te willen bekeren tot het ahmadi-geloof. Dezelfde dag nog alsook de volgende dag zouden politieagenten bij u thuis zijn langsgekomen om te vragen waar uw broers zich bevonden. Dankzij de tussenkomst van C. I., een gezaghebbende landbouwer uit uw omgeving, zouden de moslims enkele dagen later hun klacht ingetrokken hebben. Op 20 mei 1999 zou er een artikel verschenen zijn dat een aantal ahmadi's, onder wie uw broer M., op een bijeenkomst de profeet Mohammed beledigd zouden hebben en later de echtgenote en kinderen van een zekere M. K. lastig zouden XIV-17.699-2/9 gevallen hebben. Op 5 februari 2000 zou u door een zekere G. zijn aangevallen toen u aan het fietsen was in de stad Tahli. Hij zou u gezegd hebben dat uw broers wel vrij waren gekomen maar dat ze tegen u ofwel een valse klacht zouden indienen, ofwel dat ze u zouden vermoorden. U reageerde niet en na een tijdje zou hij zijn weggegaan. Dezelfde dag nog zou u in het politiebureau van Tahli een klacht hebben ingediend. Na dit incident zouden u en uw echtgenote besloten hebben om het land te verlaten. Eind februari zouden jullie naar uw broer, H., gegaan zijn. Na een week zouden jullie naar Karachi gereisd zijn. Op 3 maart 2000 zouden jullie met het vliegtuig naar Istanbul gereisd zijn. Op 6 maart 2000 zouden jullie verder met het vliegtuig gereisd zijn tot in België. U verklaarde zich de volgende dag vluchteling. B. Motivering De door u aangehaalde feiten zijn onvoldoende ernstig om gewag te kunnen maken van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Zo haalt u aan dat uw broer in 1985 vals werd beschuldigd en na vijftien dagen op borg werd vrijgelaten. Vooreerst betreft deze arrestatie niet uzelf maar wel uw broer en verder heeft u geen enkel element aangehaald waaruit blijkt dat u naar aanleiding van deze arrestatie zelf enig nadeel heeft ondervonden (zie gehoorverslag CGVS, p. 4 en p. 5). Verder verwijst u naar de valse aanklacht tegen zestien ahmadi's, onder wie uw twee broers, H. en M.. Er dient te worden opgemerkt dat andermaal deze aanklacht geen betrekking had op u persoonlijk en bovendien heeft u zelf verklaard dat deze klacht werd ingetrokken door bemiddeling van C. I., een gezaghebbende landbouwer uit uw omgeving (zie gehoorverslag CGVS, p. 4 en p. 7). Buiten twee korte ondervragingen door de politie over waar uw broers zich bevonden, heeft u ook wat deze klacht betreft, geen direct nadeel ondervonden vanwege de autoriteiten. U haalt verder twee incidenten aan die u persoonlijk zijn overkomen. Zo zou een man ermee gedreigd hebben een klacht tegen u in te dienen in verband met bekeringsactiviteiten nadat u hem ahmadi-tijdschriften had meegegeven. Dankzij de tussenkomst van een kennis van u zou hij echter van zijn voornemen hebben afgezien (zie gehoorverslag CGVS, p. 6). Dit incident zou voor u dan ook geen verdere gevolgen hebben gehad. Verder zou u op 5 februari 2000 door een zekere G. zijn aangevallen toen u in Tahli aan het fietsen was. Omdat de klacht van 6 mei 1999 tegen uw broers was ingetrokken, zou deze man er mee gedreigd hebben een valse aanklacht te willen indienen tegen u ofwel u te vermoorden. Wat dit laatste incident betreft, dient te worden opgemerkt dat het louter een privé-persoon was die u had aangevallen. U verklaart weliswaar dat deze man lid zou zijn van de extremistische moslimorganisatie “Khatm-e Nabuwwat” maar u geeft echter zelf toe dat dit louter op een vermoeden is gebaseerd (zie gehoorverslag CGVS, p. 2). Wat er ook van zij, dit éénmalige incident is niet ernstig genoeg om in aanmerking te komen voor een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Uit dit alles blijkt geenszins dat u zelf persoonlijk geviseerd zou worden door de Pakistaanse autoriteiten. Integendeel, zo blijkt uit uw relaas dat u wel degelijk een beroep kon doen op de bescherming van uw autoriteiten. Immers, toen u het incident van 5 februari 2000 aangaf bij de politie stelde men formeel weliswaar geen proces-verbaal op, maar gaf de politie wel aan dat men uw klacht ging onderzoeken (zie gehoorverslag CGVS, p. 3). Anderzijds bewijst het feit dat een eerdere valse aanklacht tegen uw broers door de politie werd ingetrokken dat u en uw broers niet alsdusdanigdoor de overheid wordt geviseerd. Ter ondersteunig van uw asielaanvraag legt u de volgende documenten voor: een wooncertificaat van u, uw dochter en uw zoon; een geboortecertificaat van u, uw dochter en uw zoon; een gerechtelijk document waaruit blijkt dat tegen uw broer, H., een zaak aanhangig is, twee "First Information Reports" in verband met de zaken tegen uw broers, een krantenartikel over het incident waarbij uw broers betrokken waren en een foto waarbij uw broer H. wordt vastgehouden door twee politieagenten. Wat deze laatste vijf documenten betreft, dient te worden opgemerkt dat deze naar de problemen van uw broers en niet naar uw problemen verwijzen. De andere documenten zijn niet van die aard dat ze bovenstaande vaststellingen wijzigen. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. XIV-17.699-3/9 Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).”. Ten aanzien van de tweede verzoekende partij: “A. Vluchtrelaas U, die verklaart de Pakistaanse nationaliteit te bezitten, zou afkomstig zijn uit Mohammadabad. U zou een ahmadi-moslim zijn sinds uw geboorte. In 1985 zou men uw schoonbroer, R. H. A., onterecht beschuldigd hebben van het dragen van een vers uit de koran op zijn trui. Na 15 dagen zou men hem op borg hebben vrijgelaten. In 1998 zou uw echtgenoot naar de kapper gegaan zijn waar hij ahmadi-tijdschriften aan een geïnteresseerd persoon meegaf. Later zou deze man er mee gedreigd hebben uw echtgenoot te willen beschuldigen van het bekeren van moslims tot het ahmadi-geloof. Door de bemiddeling van een kennis zou de man zijn voornemen om een klacht tegen uw echtgenoot in te dienen, laten vallen hebben. Op 6 mei 1999 zouden een aantal moslims een klacht hebben ingediend tegen zestien mensen onder wie uw twee schoonbroers, H. en M.. Ze werden er van beschuldigd moslims te willen bekeren tot het ahmadigeloof. Politieagenten zouden twee keer bij u thuis zijn langsgekomen om te vragen waar uw schoonbroers zich bevonden. Dankzij de tussenkomst van C. I., een gezaghebbende landbouwer uit uw omgeving, zouden de moslims hun klacht hebben ingetrokken. Op 20 mei 1999 zou er een artikel verschenen zijn dat een aantal ahmadi's, onder wie uw schoonbroer M. op een bijeenkomst de profeet Mohammed beledigd zouden hebben en later de echtgenote en kinderen van een zekere M. K. lastig zouden gevallen hebben. Op 5 februari 2000 zou uw echtgenoot door een zekere G. zijn aangevallen toen hij aan het fietsen was in de stad, Tahli. Dezelfde dag nog zou hij in het politiebureau van Tahli een klacht hebben ingediend. Na dit incident zouden jullie besloten hebben om het land te verlaten. Eind februari zouden jullie naar uw schoonbroer, H. gegaan zijn. Na een week zouden jullie naar Karachi gereisd zijn. Op 3 maart 2000 zouden jullie met het vliegtuig naar Istanbul gereisd zijn. Op 6 maart 2000 zouden jullie verder met het vliegtuig gereisd zijn tot in België. De volgende dag verklaarde u zich vluchteling. B. Motivering Er dient te worden opgemerkt dat u uw vluchtmotieven volledig baseert op het asielrelaas van uw echtgenoot, XXX (zie gehoorverslag CGVS, p. 2). Gezien in hoofde van deze laatste een bevestigende beslissing van weigering van verblijf werd genomen door het Commissariaat-generaal, kan ten aanzien van u evenmin worden gesteld dat u aannemelijk heeft gemaakt uw land van herkomst te hebben verlaten uit een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de vluchtelingenconventie. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).”. XIV-17.699-4/9
  8. Over de gegrondheid van het beroep. 2.
  9. Overwegende dat verzoekers als enig middel aanvoeren: “Enig middel, eerste tak SCHENDING VAN ART. 52 VAN DE WET VAN 15 DECEMBER 1980 (de Vreemdelingenwet) EN VAN HET ART. 1, 2 VAN DE CONVENTIE VAN GENÈVE VAN 28 JULI 1951 (de Vluchtelingenconventie). In die zin dat de bestreden beslissingen besluiten tot het manifest onontvankelijk zijn van de aanvraag tot erkenning van het statuut van Vluchteling omdat verzoekers geen melding zouden hebben gemaakt van elementen waaruit zou blijken dat, in hunnen hoofde, er ernstige aanwijzingen zouden zijn van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie ven Genève. Dat met de term "vluchteling", overeenkomstig het verdrag van Genève de persoon bedoeld wordt die "met rede vreest vervolgt te worden". Dat het element van "vrees" - hetgeen op zich reeds een subjectief element is, en een geestesgesteldheid verder wordt uitgewerkt in de woorden- "met rede". Dat het samenbrengen van de twee termen tot uiting brengt dat het niet enkel de geestesgesteldheid van de geïnteresseerde is die maakt dat hij al dan niet vluchteling is, maar dat deze geestesgesteldheid gestoeld moet zijn op een objectieve situatie waarin die geestesgesteldheid haar oorsprong kan vinden. Dat de woorden "met rede vrezen" dus tegelijkertijd slaan op een objectief en een subjectief element, en dat om te besluiten tot het al dan niet bestaan van een redelijke vrees, de twee elementen in ogenschouw dienen te worden genomen. Zie hieromtrent "Guide des procédures et critères pour la détermination de statut de réfugié politique". H.C.R., Genève, p.
  10. Dat verzoekers voldoen aan de twee gestelde eisen. Dat zij melding hebben gemaakt van het feit dat hij behoort tot de Ahmadia - gemeenschap van Pakistan. Quadianigroep. Dat blijkt uit internationale rapporten dat de diverse religieuze fracties in Pakistan nog steeds overhoop liggen, en daarbij de burgerbevolking niet ontzien. Dat een groot aantal opzettelijke en arbitraire moorden werd gepleegd. Dat het Ahmadia-geloof bij wet buiten de wet werd gesteld, en er op het preken van het geloof straffen staan tot en met de doodstaf Dat aldus overduidelijk blijkt dat verzoekers -in het verleden zowel als nu- in de onmogelijkheid verkeert om de bescherming in te roepen van de staat tot dewelke hij behoren. Dat deze zowel objectieve als subjectieve elementen een meer dan duidelijke aanwijzing geven omtrent het gegrond zijn van de redelijke vrees voor vervolging in hoofde van verzoekers. Dat deze elementen niet toelaten om te besluiten dat er in hoofde van verzoeksters, geen ernstige aanwijzingen zijn van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Dat er zeker geen aanwijzingen zijn om te stellen dat de aanvraag "manifest" ongegrond zou zijn. Dat de term "redelijke" vrees voor vervolging goed gekozen werd in de conventie van Genève. Dat er inderdaad dient gelezen te worden : "redelijke vrees voor vervolging", maar dat de actuele rechtspraak van het CGVS er meer en meer van uitgaat dat het moet gaan over een "onoverwinnelijke" vrees voor vervolging, zonder dat daar enige wettelijke basis voor bestaat. Enig middel, tweede tak SCHENDING VAN DE HOGERVERMELDE BEPALINGEN - MANIFESTE APPRECIATIEFOUTEN Verzoekers hebben te goeder trouw hun verhaal gedaan, zowel tijdens het eerste interview, als tijdens het onderzoek voor de Commissaris-Generaal. Er werd geen enkele contradictie of tegenstrijdigheid vastgesteld. Er werd verzoekers enkel verweten dat zij geen persoonlijke problemen zouden gekend hebben, of nog dat de problemen die zij kenden enkel van burgerrechtelijke aard zijn, of nog dat de problemen mensen betroffen uit hun naaste familie, maar niet henzelf. XIV-17.699-5/9 Inderdaad is het zo dat verschillende van de familieleden van verzoekers hun status als politiek vluchteling erkend zagen in het buitenland (Canada, etc.). Als verzoekers de kans zouden hebben gehad om zich politiek vluchteling te verklaren in Engeland, dan was zij nu ook erkend geweest, net zoals om en bij de 90 % van Ahmadiyya's die zich in Engeland politiek Vluchteling verklaren. Met belangrijke gegevens werd geen rekening gehouden tijdens het beraad. Zo is de vervolging van Ahmadia's in Pakistan wettelijk geregeld, hetgeen overigens door de Commissaris Generaal niet werd ontkend. Deze discriminatie is alomvattend en continu, sociaal, politiek, etc.. Pakistan is een oude Engelse kolonie, met een kastemaatschappij Als men de Ahmadi's buiten de wet stelt, dan komen die maatschappelijk onder het paria-niveau. Dit geeft een gans andere dimensie aan de "burgerrechtelijke problemen", en het is aldus zeer goed te begrijpen dat verzoekers amper of geen gehoor(d) kon vinden bij de autoriteiten. Dit heeft te maken met hun gebrek aan "hoedanigheid" (in de juridische term van het woord - art 17 Ger. Wetb.). Door dit aspect niet te belichten maakt de CGVS een denkfout. Verzoekers zijn politiek vluchteling : Dit komt tot uiting in het feit dat Ahmadiyya's in Pakistan: Geen godsdienstvrijheid hebben, en het preken van hun geloof bestraft is met de dood (art 295 C Pakistaanse strafwet) Geen vrijheid van vereniging. Geen stemrecht. Niet verkiesbaar zijn, of enige post kunnen uitoefenen. Geen vrijheid van drukpers (hun krant El Fazal is al jaren verboden). Geen recht om sport te beoefenen, geen carrière in het leger, etc. etc. Verder werd de beslissing genomen om de religieuze identiteit in te schrijven in de geboorteregisters en de paspoorten, teneinde de vervolgingen te kunnen vergemakkelijken. Wat er ook van weze, een afwijzende beslissing, enkel door te verwijzen naar de "kleine" problemen die een persoon in het land van herkomst kende, of door te verwijzen naar het feit dat het éénmalige problemen betrof, betrekking hebbende op broers, maar niet op de persoon zelf, etc. kan de test van de Raad van State niet doorstaan. Immers, een afwijzende beslissing, door te verwijzen naar eerdere vroegere, kleine problemen houdt geen rekening met het feit dat mensen in regel hun land verlaten om grotere problemen te mijden. Arrest 117.095 van 17.03.2003 inzake Amjet Naveed / BS (A 111.786/1957)”; 2.2.
  11. Overwegende dat verzoekers in een eerste onderdeel van het middel de schending opwerpen van artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van artikel 1, 2 van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951; dat zij in een tweede onderdeel stellen dat hogervermelde bepalingen werden geschonden en dat manifeste appreciatiefouten werden gemaakt; 2.2.2.
  12. Overwegende dat het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid laat, meer in het bijzonder wat de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag betreft; dat de Belgische overheid van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt in artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat artikel 52, § 1, 7/, juncto artikel 52, § 2, 2/ van de Vreemdelingenwet de Commissaris- XIV-17.699-6/9 generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen toelaat een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren en de verblijfsweigering te bevestigen wanneer de aanvraag kennelijk ongegrond is omdat de vreemdeling geen gegevens aanbrengt dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat, om een exact beeld van de situatie te krijgen waarin de vreemdeling zich bevindt ten tijde van het onderzoek van het dringend beroep, de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid heeft om alle objectieve gegevens na te gaan die hij noodzakelijk acht om zijn beslissing te nemen; 2.2.2.
  13. Overwegende dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen tot de kennelijke ongegrondheid van de asielaanvraag van de eerste verzoekende partij besluit omdat de door hem aangehaalde feiten onvoldoende ernstig zijn om gewag te kunnen maken van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen besluit tot de kennelijke ongegrondheid van de asielaanvraag van de tweede verzoekende partij omdat verzoekster haar vluchtmotieven volledig baseert op het vluchtrelaas van haar echtgenoot; dat, gezien in hoofde van deze laatste een bevestigende beslissing van weigering van verblijf werd genomen, de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen besluit dat ook ten aanzien van verzoekster evenmin kan worden gesteld dat zij aannemelijk heeft gemaakt haar land van herkomst te hebben verlaten uit een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; 2.2.2.
  14. Overwegende dat verzoekers in het eerste onderdeel stellen dat zij met reden vrezen vervolgd te worden, dat zij melding zouden gemaakt hebben te behoren tot de Ahmadia-gemeenschap in Pakistan en op het preken van dit geloof straffen staan tot en met de doodstraf, dat uit internationale rapporten zou blijken dat de diverse religieuze fracties in Pakistan nog steeds overhoop liggen en daarbij de burgerbevolking niet ontzien, dat een groot aantal opzettelijke en arbitraire moorden zou worden gepleegd; dat verzoekers zich in wezen beperken tot de bewering dat zij, in tegenstelling tot hetgeen de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen heeft geoordeeld, wel degelijk voldoen aan de voorwaarden om als vluchteling te worden erkend; dat verzoekers evenwel niet in het minst de vaststellingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen trachten te weerleggen of te verklaren, waardoor zij niet aantonen dat diens beslissingen genomen zijn in strijd met de wet; dat de verwijzing naar internationale rapporten of de beweerde bestraffing van leden van de Ahmadi-gemeenschap de conclusies van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen evenmin weerleggen omdat niet in het minst aan de hand van concrete elementen wordt aangetoond hoe deze informatie op verzoekers van toepassing is; dat bovendien niet wordt gepreciseerd om welke rapporten het gaat; dat verzoekers aan de hand van deze beweringen niet aantonen dat zij persoonlijk en concreet werden vervolgd in hun land van herkomst; dat het eerste onderdeel van het enig middel niet gegrond is; XIV-17.699-7/9 2.2.2.
  15. Overwegende dat in het tweede onderdeel van hun middel verzoekers stellen dat naaste familieleden in het buitenland hun status als vluchteling daar erkend zagen, dat als zij de kans zouden gehad hebben zich in Engeland vluchteling te verklaren, ook zij nu zouden erkend geweest zijn als vluchteling, dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen bovendien geen rekening zou hebben gehouden met het feit dat Ahmadi’s in Pakistan op een alomvattende manier gediscrimineerd worden; dat de beoordeling van de asielaanvragen in België wordt uitgevoerd door de Belgische asielinstanties die zich daartoe baseren op de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de beoordeling die andere nationale overheden, op grond van hun regelgeving aan een concreet dossier geven daarbij geheel irrelevant is; dat, wat de algemene situatie van Ahmadi’s in Pakistan betreft, verzoekers vooreerst niet concreet aantonen dat de door hen geschetste situatie waarheidsgetrouw is en bovendien nalaten toe te lichten hoe deze beweerde situatie hen persoonlijk en concreet raakt; dat het tweede onderdeel van het enig middel niet gegrond is;
  16. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  17. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  18. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien november tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. XIV-17.699-8/9 De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-17.699-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.678 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.