id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.690 Rolnummer: Zaak: Arrest 164690 - - 14/11/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-11-30 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-01 08:29 Fiche Arrest nr 164.690 van 14 november 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 164.690 van 14 november 2006 in de zaken A. 141.250/XIV-16.637 141.251/XIV-16.
- In zake : I. XXX, II. XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat St. KEMPS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Maria-Henriettalei 1 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Bengaalse nationaliteit, op 28 augustus 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 28 juli 2003 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 13 februari 2003 tot weigering van verblijf; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Bengaalse nationaliteit, op 28 augustus 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 28 juli 2003 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 13 februari 2003 tot weigering van verblijf; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 9 september 2003 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; XIV-16.637-1/16 Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 14 juli 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 oktober 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat P. DE GRAUWE die, loco Advocaat St. KEMPS verschijnt voor de verzoekende partijen en van Attaché Fr. VEREEKEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de procedure. Overwegende dat XXX en XXX ieder in een afzonderlijk verzoekschrift de schorsing en de vernietiging vragen van de ten aanzien van hen genomen bevestigende beslissingen van weigering van verblijf; dat de beslissing die ten aanzien van XXX werd genomen in hoofdzaak steunt op de ten aanzien van haar echtgenoot genomen bevestigende beslissing van weigering van verblijf; dat, in het belang van een goede rechtsbedeling, het aangewezen is de beide beroepen wegens verknochtheid samen te behandelen en te berechten;
- Over de gegevens van de zaken. Overwegende dat de gegevens van de zaken als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- XXX en XXX, van Bengaalse nationaliteit, zijn in België binnengekomen op 2 februari 2003 en hebben zich op 5 februari 2003 vluchteling verklaard. XIV-16.637-2/16 1.
- Op 13 februari 2003 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken ten aanzien van beide verzoekers een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 28 juli 2003 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissingen van 13 februari 2003 tot weigering van verblijf. Dit zijn de bestreden beslissingen. De beslissing genomen ten aanzien van eerste verzoeker luidt als volgt: “A. Vluchtrelaas U verklaarde de Bengaalse nationaliteit te bezitten en afkomstig te zijn uit Sultan Mahmudpur, district Habigang. U bent sinds juni 1999 lid van “Awami League” (AL) en werd nadien lid van het districtscomité. Op 25 maart 2002 was er een “AL”-betoging tegen de onderdrukking van de oppositie door de “BNP” (Bangladesh Nationalist Party). De deelnemers werden aangevallen door enkele “BNP”-leden waarbij wapens en explosieven gebruikt werden. U vluchtte naar uw dorp. Enkele dagen later vernam u dat u, uw districtsleider en andere “AL”-leden van wapenbezit en -gebruik beschuldigd werden. Hierna dook u op verschillende plaatsen onder. In april 2002 ontving u thuis een dagvaarding van de rechtbank in verband met deze zaak. U vreesde gearresteerd te worden en meldde zich niet aan. U contacteerde een advocaat. Op 5 mei 2002 was u op de universiteit aanwezig tijdens studentenverkiezingen. “BNP”-leden wilden deze boycotten en vielen uw groep “AL”-leden aan. Eén “AL”-medewerker kwam om. U vernam nadien dat u en enkele andere lokale “AL”-leiders van moord beschuldigd werden. U dook onder. Op 13 juli 2002 huwde u met S. M. ., de dochter van uw advocaat. U verbleef tot augustus 2002 bij hen in een buurdorp. Uw echtgenote was betrokken in een NGO die opkomt voor vrouwenrechten en kende problemen met plaatselijke fundamentalistische moslims. U ontving in september 2002 een dagvaarding van de rechtbank omtrent de moordzaak maar liet weer verstek gaan. Een lokale “BNP”-leider, Mohsin Sikdar, verdacht u ervan de politie te hebben ingelicht dat hij wapens in zijn woning verborg en bedreigde u. Uit schrik voor hem dook u vanaf 15 oktober 2002 onder. Op 25 oktober 2002 viel het leger uw woning binnen. Uw broer werd een dag vastgehouden om u onder druk te zetten. De dag erna voegde uw echtgenote zich bij u op uw onderduikadres. U vernam dat het leger in de buurt van uw woning wapens ontdekt hadden en dat ze u van het bezit ervan verdachten. U besloot te vluchten en reisde op 15 december 2002 naar Assam in India. U verbleef tien dagen in Karimgang en reisde door naar Mumbai vanwaar u op 28 december 2002 per schip de reis naar Europa aanvatte. U bereikte uiteindelijk op 2 februari 2003 Antwerpen en vroeg op 5 februari 2003 asiel aan. U vernam onlangs van uw schoonvader dat A. T. (districtsleider) en andere “AL”-leden gearresteerd zijn. B. Motivering Er dient te worden opgemerkt dat u niet hebt aannemelijk gemaakt uit een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie uw land van herkomst verlaten te hebben. Bepaalde elementen in uw verklaringen doen twijfelen aan de geloofwaardigheid van uw gegronde vrees. Zo blijkt dat u na de eerste beschuldiging van wapenbezit en -gebruik in maart 2002, alhoewel u beweerde ondergedoken te zijn, toch nog regelmatig naar huis kwam (CGVS, p. 6). Nochtans werd u thuis gezocht door de autoriteiten (CGVS, p. 6). Ook nadat u in mei 2002 valselijk van moord beschuldigd werd vond u de situatie blijkbaar niet gevaarlijk genoeg en dook u naar eigen zeggen “half” onder (CGVS, p. 8). Ook vond u na die tweede valselijke beschuldiging nog de tijd om te huwen en woonde u enige tijd nadien in een dorp op slechts twee kilometer van het uwe (CGVS, p. 8). U kende bij uw schoonouders bovendien geen problemen (CGVS, p. 9). Pas nadat een leider van de rivaliserende partij vermoedde dat u hem verklikt had aan de politie vond u het in oktober 2002 nodig echt onder te duiken (CGVS, p. 7). U bleef echter nog steeds in het land, alhoewel ook uw broer in oktober 2002 in uw plaats was opgepakt en vertrok pas midden december 2002 uit Bangladesh (CGVS, p. 12). Uit uw relaas blijkt niet waarom u nog twee maanden wachtte vooraleer XIV-16.637-3/16 te vluchten. Dat u na de valse aanklacht van maart 2002 ondergedoken was kan eveneens betwijfeld worden door het feit dat u in mei 2002 aanwezig was bij studentenverkiezingen op een universiteit (CGVS, p. 21-22). Als reden voor uw aanwezigheid gaf u op geen dergelijke problemen verwacht te hebben (CGVS, p. 24). Dit is geen afdoende verklaring aangezien u toen ook al valselijk van wapenbezit beschuldigd was en u in april 2002 een dagvaarding van de rechtbank kreeg (CGVS, p. 14, 24). Uw vrees voor deze aanklacht blijkt derhalve niet bijzonder groot te zijn, iets wat u zelf toegaf (CGVS, p. 26). U hebt evenmin aannemelijk gemaakt zich niet te hebben kunnen aanmelden op de rechtbank zodat u zich tegen deze valse aanklachten kon verweren, omdat u er onmiddellijk zou gearresteerd worden (CGVS, p. 15). U bent nooit eerder gearresteerd en hebt geen concrete elementen waarop u uw bewering kan staven (CGVS, p. 19). U beweerde al sinds maart 2002 thuis gezocht te zijn door de politie maar weet trouwens niet of er wel arrestatiebevelen tegen u zijn opgesteld (CGVS, p. 25). Het is bovendien bevreemdend dat u pas na het verstrijken van de tijdslimiet van de eerste dagvaarding contact opnam met een advocaat (CGVS, p. 26). Dit getuigt van weinig interesse in uw gerechtelijke vervolging. Dat u wachtte omdat dit uw eerste dagvaarding was is geen logische verklaring: net omdat dit uw eerste rechtszaak is kan verwacht worden dat u zich onmiddellijk informeert omtrent uw rechtsmogelijkheden. Uit informatie waarover het CGVS beschikt blijkt immers dat de hogere rechtbanken in Bangladesh onafhankelijk werken en goed functioneren. Verder weet u niet welke gevolgen uw afwezigheid op de rechtbank voor uw zaken heeft (CGVS, p. 26). De arrestatie van uw broer greep plaats in het kader van “Operation Clean Heart” waarbij honderden personen werden opgepakt en heeft niet noodzakelijk te maken met de beschuldigingen tegen u (CGVS, p. 3-4). Het feit dat uw broer de dag nadien al werd vrijgelaten wijst erop dat uw autoriteiten niet de intentie hadden hem verder te vervolgen of u nog meer onder druk te zetten (CGVS, p. 28). Dat uw dictrictsleider, Abu Tahir, en andere “AL”-leden ondertussen wegens dezelfde beschuldigingen gearresteerd zijn kan u niet aannemelijk maken. U vernam dit slechts van derden (uw schoonvader) en weet zelf niet wie de andere opgepakte “AL”-leden zijn (CGVS, p. 25). Het enige begin van bewijs dat u hiervan kan aanbrengen is een brief van uw advocaat, deze is tevens uw schoonvader zodat het gaat om een privé-document dat geen waarborg op betrouwbaarheid biedt (CGVS, p. 11). U legde tijdens het gehoor op het CGVS tevens twee dagvaardingen voor (CGVS, p. 14). Niet alleen vermeldde u het bestaan van deze documenten niet op DVZ, u verklaarde al voor uw vertrek uit Bangladesh in het bezit te zijn geweest van deze convocaties maar legde ze niet voor op DVZ (CGVS, p. 14). U bent evenmin op de hoogte van de concrete gevolgen van de recentere wapenvondst die de autoriteiten in de buurt van uw huis deden (CGVS, p. 28). De overige documenten die u ter staving van uw asielrelaas voorlegde, zijnde een brief van “AL”, een attest van het lidmaatschap van uw echtgenote van de NGO, het spaarboekje van uw echtgenote, een nationaliteitsattest van uzelf en uw echtgenote en uw huwelijksakte en -contract zijn niet van die aard dat zij de appreciatie van de Commissaris-generaal inzake uw asielaanvraag in positieve zin kunnen wijzigen. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Bovendien ben ik de mening toegedaan: dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is; Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).”. XIV-16.637-4/16 De beslissing genomen ten aanzien van tweede verzoekster luidt als volgt: “A. Vluchtrelaas U verklaarde de Bengaalse nationaliteit te bezitten en afkomstig te zijn uit Mohanpur, district Habigang. U huwde op 13 juli 2002 met XXX (OV n/ 5.429.914) en bleef met uw echtgenoot nog een tijdje bij uw ouders. U verhuisde begin augustus 2002 naar Sultan Mahmudpur. Uw echtgenoot is lid van "Awami League" (AL) en was vaak afwezig omdat hij gezocht werd door de autoriteiten. Er liepen al van voor uw huwelijk valse aanklachten tegen hem, ingediend door leden van de rivaliserende "BNP". Zelf was u sinds ongeveer een jaar voor uw huwelijk actief voor de vrouwenrechtenorganisatie "Asa". Na uw huwelijk begonnen de vijanden van uw echtgenoot ook u lastig te vallen omdat u opkwam voor de rechten van vrouwen. U werd regelmatig door hen beledigd en bedreigd. Rond 17 oktober 2002 dook uw echtgenoot onder bij een oom in Jarulia bij Chunurghat. Op 25 oktober 2002 werd uw schoonbroer thuis gearresteerd door het leger in de plaats van uw echtgenoot. Ze wilden uw echtgenoot hiermee onder druk zetten. Uw schoonbroer werd de dag erna vrijgelaten. U vervoegde uw echtgenoot in Jarulia op 27 oktober
- Hij besloot het land te verlaten en op 15 of 16 december 2002 stak u samen te voet de grens met India over. U verbleef ongeveer tien dagen in Karimgang en reisde door naar Mumbai (Bombay) vanwaar u in een schip verderreisde. Op 2 februari 2003 kwam u in België aan en op 5 februari 2003 vroeg u asiel aan. B. Motivering Er dient te worden opgemerkt dat u zich voor uw asielaanvraag voornamelijk baseerde op de motieven die uw echtgenoot in zijn asielaanvraag aanhaalde (CGVS, p. 9). Aangezien in hoofde van hem een bevestigende beslissing van weigering van verblijf genomen werd kan ook aan uw asielaanvraag geen positief gevolg gegeven worden. De overige problemen die u aanhaalde, namelijk met de fundamentalistische moslims wegens uw activiteiten voor een vrouwenrechtenorganisatie, zijn van lokale aard (CGVS, p. 9). Het waren bovendien de vijanden van uw echtgenoot die andere personen in uw leefomgeving opstookten om u lastig te vallen (CGVS, p. 9). De problemen die u aanhaalde zijn echter onvoldoende zwaarwichtig: het ging voornamelijk om pesterijen, beledigingen en verbale bedreigingen, niet om directe aanvallen (CGVS, p. 9-10). U bent bovendien niet politiek actief, werd nooit gearresteerd en kende geen rechtstreekse problemen met uw autoriteiten (CGVS, p. 8). Toen u nog bij uw ouders verbleef kende u trouwens geen problemen met deze fundamentalistische moslims, ook al was u al sinds een jaar voor uw huwelijk actief in de NGo (CGVS, p. 9). Dit wijst er nog meer op dat ook uw problemen veroorzaakt werden door die van uw echtgenoot. De documenten die ter staving van uw asielrelaas werden voorgelegd, namelijk twee dagvaardingen voor uw echtgenoot, uw spaarboekje van de NGO, een attest van lidmaatschap bij de NGO, nationaliteitsattesten van u en uw echtgenoot, een brief van uw vader/advocaat, een attest van uw echtgenoots lidmaatschap bij "AL" en uw huwelijksakte en -contract zijn niet van die aard dat ze de appreciatie van de Commissaris-generaal inzake uw asielaanvraag in positieve zin kunnen wijzigen. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Bovendien ben ik de mening toegedaan: dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is; Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).”. XIV-16.637-5/16
- Over de gegrondheid van de beroepen. 3.
- Wat het beroep van XXX betreft: 3.1.
- Overwegende dat verzoeker als middelen aanvoert: “Eerste Middel: Afgeleid uit de schending van de motiveringsplicht, meer bepaald van art. 62 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, en de artikelen 2 en 3 van de uitdrukkelijk(e) motiveringswet van 29 juli 1991, alsmede de schending van art. 52 van voornoemde wet van 15 december 1980, en van art. 1,A,2 van het Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen; Dat conform artikel 62 van de Vreemdelingenwet de administratieve beslissingen met redenen omkleed dienen te worden; Dat uit de rechtspraak van de Raad van State volgt dat het de wil van de wetgever is geweest te eisen dat een individuele bestuurshandeling duidelijk, nauwkeurig en rechtsgeldig zou worden gemotiveerd; Dat geen rekening gehouden werd met al de grieven van verzoeker en hierop niet voldoende is geantwoord; Dat hieruit duidelijk blijkt dat de beslissing op onvoldoende wijze is gemotiveerd; De Commissaris-Generaal heeft immers geen overtuigende draagkrachtige argumenten aangereikt om de afwezigheid van de gegronde vrees voor vervolging af te leiden. Uit de vaststelling van enkele op zichzelf van elkaar losstaande alsook weinig belangrijke feiten werd immers ten onrechte de geloofwaardigheid van de hele verklaring in twijfel getrokken alsook afgeleid dat er geen geronde (gegronde) vrees voor vervolging zou bestaan:
(1)Verzoeker kwam nog naar huis niettegenstaande hij werd gezocht door de autoriteiten De Commissaris-Generaal kan zich voor zijn beslissing niet baseren op dit argument, vermits het naast irrelevant tevens onjuist en niet draagkrachtig is; Uit het feit dat verzoeker soms nog naar huis kwam kan immers niet afgeleid worden dat hij niet ondergedoken was noch dat er geen gegronde vrees voor vervolging bestaat. Verzoeker verklaarde immers in eerste instantie half ondergedoken te leven, bedoelende dat hij zo min mogelijk thuis verbleef dit teneinde een aanhouding te vermijden. Pas nadat en om reden van de verklikking door een rivaliserende partij besloot verzoeker volledig onder te duiken, dit omwille van de steeds groter wordende vrees van vervolging. Op voormeld ogenblik gaf verzoeker te kennen dat de gegronde rees voor vervolging in zijn hoofde ontstond. Reden waarom hij dan ook, voor zover mogelijk, onderdook. Het, aanvankelijk d.i. voor de eigenlijke verklikking door de rivaliserende partij, terugkeren naar huis van verzoeker kan dan ook niet weerhouden worden als voldoende draagkrachtig argument om te besluiten tot afwijzing van de bestaande gegronde vrees tot vervolging noch kan zulks afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van deze vrees.
(2)Het wachten met vluchten Dat verzoeker na volledig te zijn ondergedoken nog enige tijd in zij(n) thuisland verbleef betekent uiteraard niet dat hij niet zinnens was dit te doen doch dat het hem eenvoudigweg ontbrak aan de mogelijkheden om zijn vlucht te financieren noch zulks op korte termijn te organiseren. Het kan niet ontkend worden dat de planning van een vlucht naar een ander werelddeel, niet zondermeer iets is dat impulsief wordt gedaan, doch, om een kans op welslagen te hebben, gelet op het ernstige gevaar voor aanhouding, nauwkeurige, ergo tijdrovende, planning vergt. Voorgaand argument kan dan ook niet weerhouden worden als voldoende draagkrachtig om de geloofwaardigheid van de gegronde vrees te ondermijnen.
(2)de aanwezigheid gedurende de studentenverkiezing De aanwezigheid van verzoeker tijdens de studentenverkiezing kan eveneens niet weerhouden worden als een argument om aan de geloofwaardigheid van de gegronde vrees te twijfelen. XIV-16.637-6/16 Verzoeker is immer lid van de oppositiepartij en deed zulks uit politieke overtuiging, met gevaar voor eigen leven, feit waarvan hij zich bewust was. Dat verzoeker aanwezig was verandert hoe dan ook niets aan het feit dat er in zijn hoofde een gegronde vrees voor vervolging aanwezig was. Het wijst enkel op het feit dat verzoeker bereid was zijn leven te wagen om zijn politieke overtuigingen te uiten.
(3)Geen voorgaande arrestaties Dat verzoeker voorafgaandelijk aan zijn vlucht nog niet was gearresteerd, is uiteraard logisch. In tegenovergesteld geval had hij immers niet kunnen vluchten. Het is overigens de vrees voor de nakende aanhouding - vervolging dewelke noopten tot het besluit om te vluchten. Voormeld argument kan dan ook geenszins afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van de gegronde vrees voor vervolging.
(4)Het laattijdig contact opnemen met de advocaat Dat verzoeker pas laat contact opnam met een advocaat is niet bevreemdend. De desbetreffende advocaat is immers de vader van zijn echtgenote met wie hij pas trouwde na de eerste dagvaarding. Hieruit kan evenwel niet afgeleid worden dat verzoeker geen interesse zou hebben gehad in zijn gerechtelijke vervolging noch dat er geen gegronde vrees tot vervolging zou bestaan en is dan ook volledig irrelevant. Overigens dient voor ogen te worden gehouden dat verzoeker moeilijk vertrouwen kon hebben in een rechtsysteem waarin leden van oppositiepartijen kunnen/mogen worden vervolgd.
(5)Het beweerdelijk niet aannemelijk kunnen maken van de aanhouding van de districtleider en andere Al -leden Dat verzoeker niet beschikt over documenten om het bewijs te leveren van de aanhouding van voorgaande mensen, is niet verwonderlijk. Uit het schrijven van de schoonvader van verzoeker tevens zijn advocaat, blijkt immers dat deze gearresteerd werden na zijn vlucht...
(6)Het niet overleggen van de dagvaardingen gedurende het eerste verhoor Juist teneinde de gegronde vrees aannemelijk te maken, nu bleek dat daaromtrent twijfel was na het eerste verhoor bij de DVZ, werd door verzoeker, na ontvangst van de weigeringsbeslissing van de DVZ, schriftelijk aan zijn advocaat gevraagd deze op te sturen. Zulks vormt dan ook de reden waarom verzoeker hierover niet beschikte gedurende het eerste verhoor. Het voorgaande kan dan ook op geen enkele manier geïnterpreteerd worden als een element dat kan bijdragen tot het besluit de verklaring van verzoeker als "bedrieglijk" te bestempelen. CONCLUSIE: De motivering van de Vaste Beroepscommissie voor de Vluchtelingen is niet draagkrachtig, om welke reden de bestreden beslissing dient vernietigd te worden; De argumenten, elk afzonderlijk als in hun geheel, zoals uiteengezet door het Commissariaat- Generaal voor de Vluchtelingen zijn, gelet op het voorgaande, immers niet van dien aard dat zij tot het besluit kunnen leiden dat de verklaring van verzoeker "bedrieglijk" zond (zou) zijn - quod non-, temeer nu geen tegenstrijdigheden nog onwaarheden werden vastgesteld in de verklaring door de bevoegde diensten. Tweede middel: Middel van machtsafwending en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur: Dat de rechtsleer van oordeel is dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur veronderstellen dat de Dienst Vreemdelingenzaken, het Commissariaat-Generaal bij het uitoefenen van enige weigerings -bevoegdheid, zorgvuldig en redelijk te werk moeten gaan; Dat deze zorgvuldigheidsplicht inhoudt dat het bestuursorgaan alle rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen moet afwegen; Dat de asielzoeker conform de rechtspraak van de Raad van State niet verplicht kan worden om alles te bewijzen, aangezien dit praktisch onmogelijk is voor zowat elke asielzoeker. Dat immers verzoeker uiteraard niet op de hoogte kon zijn van de documenten benodigd te België om de gegronde vrees voor vervolging te bewijzen. Dat zulks tevens niet verwacht mag worden gelet op de omstandigheden van de vlucht. XIV-16.637-7/16 Dat derhalve verzoeker zijn verhaal enkel mondeling kan toelichten en dit noodgedwongen diende te doen binnen het korte tijdsbestek voorzien door de Dienst Vreemdelingenzaken en het Commissariaat-generaal. Dat het vermoeden geldt in het voordeel van verzoeker dat het verhaal strookt met de waarheid, zeker nu blijkt dat een coherent en gedetailleerd verhaal kon worden voorgebracht met zelfs vermelding van specifieke data en namen en bovendien documenten konden voorgelegd dewelke het verhaal bevestigden ; Dat derhalve niet, bij gebrek aan voorlegging van bepaalde voor de bevoegde diensten belangrijke bepaalde documenten, zoals in casu, eenduidig kon / mocht besloten worden tot de afwezigheid van gegronde vrees tot vervolging in hoofde van verzoeker. Dat de voor een belanghebbende nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen;”; 3.1.2.
- Overwegende dat verzoeker vooreerst stelt dat de beslissing op onvoldoende wijze gemotiveerd is omdat geen rekening zou zijn gehouden met al zijn grieven en omdat er niet voldoende op is geantwoord; dat verzoeker echter niet verduidelijkt op welke grieven niet of onvoldoende zou zijn geantwoord; 3.1.2.
- Overwegende dat verzoeker stelt dat uit het feit dat hij soms nog naar huis kwam, niet afgeleid zou kunnen worden dat hij niet ondergedoken was, noch dat er geen gegronde vrees voor vervolging bestond, dat dit argument dan ook irrelevant, onjuist en niet draagkrachtig zou zijn; dat verzoekers kritiek als zou dit element irrelevant en onjuist zijn, niet kan worden aanvaard; dat deze vaststelling immers is gesteund op de eigen verklaringen van de verzoekende partij en van aard te twijfelen aan de oprechtheid van zijn asielaanvraag; dat, in tegenstelling tot hetgeen verzoeker beweert, uit dit feit niet wordt afgeleid dat hij niet ondergedoken was of dat er geen gegronde vrees voor vervolging bestond; dat de bestreden beslissing enkel aanhaalt dat dit één van de elementen is die doet twijfelen aan de geloofwaardigheid van de gegronde vrees voor vervolging; 3.1.2.
- Overwegende dat verzoeker nog enkele maanden in zijn thuisland zou hebben verbleven nadat hij definitief ondergedoken was omdat het hem ontbrak aan mogelijkheden om zijn vlucht op korte termijn te financieren; dat in het administratief dossier nergens gewag wordt gemaakt van enige reden waarom verzoeker nog twee maanden wachtte vooraleer te vluchten; dat het argument dat het verzoeker ontbrak aan financiële mogelijkheden dan ook voor het eerst wordt aangehaald voor de Raad van State; dat bijgevolg aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet ten grieve kan worden geduid geen rekening te hebben gehouden met voormelde reden; 3.1.2.
- Overwegende dat, omtrent het feit dat verzoeker aanwezig was op de studentenverkiezing, hij stelt dat dit uit politieke overtuiging was en dat het er enkel op wijst dat hij bereid was zijn leven te wagen om zijn politieke overtuigingen te uiten; dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker omtrent zijn aanwezigheid bij de studentenverkiezingen het volgende verklaarde: “‘Waarom u daar als u ondergedoken was?’ ‘Verwachtte niet dat er gevecht zou zijn’ ‘U kon toch problemen verwachten’ ‘Ja, maar niet van die aard’”; dat hieruit blijkt dat verzoeker geen ernstige problemen verwachtte, wat XIV-16.637-8/16 tegenstrijdig is met zijn beweringen in het verzoekschrift als zou hij bereid zijn zijn leven te wagen om zijn politieke overtuigingen te uiten; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen terecht zijn aanwezigheid op de studentenverkiezing kon beschouwen als een argument om aan de geloofwaardigheid van de gegronde vrees te twijfelen; 3.1.2.
- Overwegende dat verzoeker voor zijn vlucht nog niet was gearresteerd, logisch zou zijn en in het tegenovergestelde geval hij niet zou kunnen gevlucht zijn; dat bovendien het de vrees voor de nakende aanhouding zou zijn die hem noopten tot het besluit om te vluchten; dat erop dient gewezen dat het de combinatie is van het feit dat verzoeker nog nooit werd gearresteerd en het feit dat hij geen concrete elementen heeft waarop hij zijn beweringen kan staven, die in de bestreden beslissing wordt aangehaald; dat daarbij verzoeker beweert sinds maart 2002 thuis te zijn gezocht door de politie, maar hij niet weet of er wel arrestatiebevelen tegen hem zijn opgesteld; dat al deze gegevens samen - en niet, zoals verzoeker beweert, het enkele feit dat hij nog niet werd gearresteerd - door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen worden aangehaald als een element dat afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn vrees voor vervolging; dat de blote bewering dat verzoeker, indien hij reeds gearresteerd was, niet zou kunnen vluchten, voorgaande niet weerlegt; 3.1.2.
- Overwegende dat verzoeker stelt dat hij pas laat contact opnam met een advocaat omdat de desbetreffende advocaat de vader van zijn echtgenote is met wie hij pas trouwde na de eerste dagvaarding; dat uit niets evenwel blijkt dat verzoeker niet eerder beroep kon doen op een andere advocaat; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen uit deze feiten dan ook terecht kon afleiden dat ze getuigen van weinig interesse in de gerechtelijke vervolging; 3.1.2.
- Overwegende dat verzoeker de aanhouding van de districtleider en andere Al-leden niet aannemelijk zou kunnen maken omdat deze gearresteerd zouden zijn na zijn vlucht; dat dient opgemerkt dat tijdens de ontvankelijkheidsfase de vreemdeling gegevens moet aanbrengen dat er wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging; dat het loutere gegeven dat de arrestatie na zijn vlucht zou plaatsgevonden hebben, evenwel geen afbreuk doet aan de vaststelling van de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat het enige begin van bewijs dat verzoeker hiervan kan aanbrengen een brief is van zijn advocaat; dat, gezien deze tevens verzoekers schoonvader is, de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen bovendien terecht stelt dat het gaat om een privé-document dat geen waarborg op betrouwbaarheid biedt; 3.1.2.
- Overwegende dat verzoeker pas na de weigeringsbeslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken zou gevraagd hebben de dagvaardingen op te sturen, omdat XIV-16.637-9/16 bleek dat er daaromtrent twijfel was; dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker op de Dienst Vreemdelingenzaken zelfs geen melding maakte van het bestaan van deze documenten; dat op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verzoeker evenwel expliciet verklaarde dat hij reeds voor zijn vertrek uit Bangladesh in het bezit was van de documenten, maar dat hij ze niet voorlegde op de Dienst Vreemdelingenzaken; dat op elke asielzoeker echter de verplichting rust om in elke fase van het onderzoek zijn asielrelaas zo correct en volledig mogelijk te vertellen; dat er met andere woorden van een kandidaat-vluchteling mag verwacht worden dat deze, gelet op het belang ervan voor de beoordeling van zijn asielaanvraag, de documenten ter ondersteuning van zijn asielaanvraag overlegt, zodat er kan nagegaan worden of er met betrekking tot de asielzoeker aanwijzingen zijn om te besluiten tot het bestaan van een gevaar voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève; 3.1.2.
- Overwegende dat verzoeker uit bovenstaande elementen concludeert dat de motivering niet draagkrachtig zou zijn; dat de argumenten niet van die aard zouden zijn om tot het besluit te komen dat verzoekers asielaanvraag bedrieglijk is, temeer daar er geen tegenstrijdigheden of onwaarheden zouden zijn vastgesteld; dat dienaangaande dient opgemerkt dat het bedrieglijk karakter van een asielaanvraag ook kan worden aangetoond door vast te stellen dat de verklaringen van verzoeker op belangrijke punten - zoals in casu - verward en onsamenhangend zijn; dat dient opgemerkt dat de motivering in aanmerking dient te worden genomen als zijnde één geheel en niet als van elkaar losstaande zinnen; dat het niet is vereist dat ieder afzonderlijk element van die motivering op zichzelf de beslissing kan dragen; dat het het geheel van de in de bestreden beslissing weergegeven motieven is dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen heeft doen besluiten tot de kennelijke ongegrondheid en de bedrieglijkheid van verzoekers asielaanvraag; dat verzoeker niet aannemelijk maakt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen met de bestreden beslissing de grenzen van zijn ruime appreciatiebevoegdheid heeft overschreden noch dat hij de bestreden beslissing op grond van onjuiste feitelijke gegevens of op kennelijke onredelijke wijze heeft genomen; dat het eerste middel, in de mate het ontvankelijk is, niet gegrond is; 3.1.3.
- Overwegende dat verzoeker stelt dat hij niet verplicht kan worden om alles te bewijzen, aangezien hij niet op de hoogte kon zijn van de documenten benodigd om zijn gegronde vrees voor vervolging te bewijzen, dat hij zijn verhaal dus enkel mondeling kan toelichten en dit noodgedwongen binnen het korte tijdsbestek van de verhoren, dat, aangezien verzoeker een coherent en gedetailleerd verhaal kon voorbrengen, een vermoeden van waarheid zou gelden; 3.1.3.
- Overwegende dat, met betrekking tot de opgeworpen machtsafwending, er dient op gewezen dat machtsafwending inhoudt dat een bestuursorgaan de bevoegdheid die hem werd verleend tot het bereiken van een bepaald doel van algemeen belang, gebruikt XIV-16.637-10/16 om een ander doel na te streven; dat de verzoekende partij niet duidelijk maakt dat de beslissingnemende overheid haar macht afwendt van het doel waarvoor deze macht is gegeven, zijnde de controle van asielrelazen in de ontvankelijkheidsfase van de asielprocedure; dat, zelfs indien de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen onzorgvuldig zou zijn geweest, dit nog niet inhoudt dat de bestreden beslissing met machtsafwending is genomen; 3.1.3.
- Overwegende dat uit de samenlezing van de beslissing met de gegevens van het administratief dossier blijkt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zich heeft geïnformeerd over alle objectieve en relevante elementen om met kennis van zaken een beslissing te kunnen nemen; dat hij beschikte over de gegevens van de Dienst Vreemdelingenzaken, over verzoekers verzoekschrift tot dringend beroep en over de neerslag van zijn verklaringen op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de asielaanvraag van verzoeker individueel en persoonlijk heeft onderzocht; dat het eerste deel van de beslissing een nauwkeurig verslag van de feiten bevat, die resulteren uit de verklaringen die verzoeker aflegde op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat in het tweede deel het individuele asielrelaas op een objectieve wijze wordt geanalyseerd in de globale context van zijn asielaanvraag; dat deze gedetailleerde analyse de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen heeft doen besluiten dat verzoekers asielaanvraag kennelijk ongegrond en bedrieglijk was; dat verzoeker ten onrechte voorstelt alsof hij werd afgewezen omdat hij niet alles met documenten kon bewijzen; dat de bestreden beslissing niet is genomen op basis van het gebrek aan voorlegging van documenten; dat het verwijt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen onzorgvuldig en onredelijk tewerk is gegaan, derhalve niet opgaat; dat het tweede middel niet gegrond is; 3.
- Wat het beroep van XXX betreft: 3.2.
- Overwegende dat verzoekster als middelen aanvoert: “Eerste middel. schending van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen Verzoekster werpt een eerste middel op, bestaande uit ; de artikelen van de vreemdelingenwet van 15 december 1980 (meer bepaald de artikelen 52 en 62) en uit de schending van de materiële motiveringsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, en uit de afwezigheid van rechtens vereiste feitelijke grondslag. XIV-16.637-11/16
- Krachtens de bepalingen van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, moeten alle administratieve rechtshandelingen met individuele strekking formeel worden gemotiveerd; Deze motiveringsplicht houdt in dat naast de feitelijke, eveneens de juridische gronden waarop de beslissing is gesteund, veruitwendigd dienen te worden in de beslissing zelf: P. VAN ORSHOVEN, "De uitdrukkelijke motivering van administratieve rechtshandelingen", R. W., 1991, 490-
- A. VAN MEENSEL, “De uitdrukkelijke motiveringsplicht”, in X, De doorwerking van het publiekrecht, Gent, Mys & Breesch, 1997, p. 206 ev. De motivering met name de juridische (naast de feitelijke) overwegingen die de beslissing gronden, dient afdoende te zijn (art. 3 wet 29 juli 1991);
- Verzoekster merkt op dat de bestreden beslissing geen juridische gronden aanhaalt ter verantwoording van haar besluiten; De Commissaris-Generaal vermeldt weliswaar dat zijn beslissing zou gesteund zijn op basis van artikel 52 van de "vreemdelingenwet" of "Vreemdelingenwet", doch er wordt niet verder gepreciseerd om welke juridische rechtsregels het zou gaan; Verzoekster merkt op dat zij tevergeefs in het Belgisch Staatsblad heeft gezocht naar enige wet die zou luiden "vreemdelingenwet" of "Vreemdelingenwet" - zonder enig nuttig resultaat;
- Er kan dan ook niet anders dan worden besloten dat de bestreden beslissing niet formeel gemotiveerd is; Degenen die dagdagelijks bezig zijn met rechtsregels, bezigen dikwijls ofwel uit gemakzucht, ofwel om hun vertrouwdheid met de materie ten toon te spreiden, afkortingen en "verkleinwoorden", die toelaten op een vlugge manier voor de geïnformeerde lezer en toehoorder de tekst te verwerken. Aldus vindt men in gespecialiseerde teksten inderdaad vaak de omschrijving "Vreemdelingenwet" terug; De rechtsonderhorige die geen praktische kennis heeft van het recht en die niet vertrouwd is met rechtsliteratuur waarin de gebruikelijke verkleinwoorden en verkorte aanduidingen worden gebruikt, is hierdoor evenwel in de onmogelijkheid kennis te nemen van de exacte rechtsgrond van de beslissing die ten aanzien van hem genomen wordt, wanneer de beslissing geen verwijzing naar een rechtsregel in zich draagt, maar enkel een "afkorting" of "verkleinwoord" van de beweerdelijke wettelijke bepaling die ter staving wordt aangehaald; Indien immers de correcte formele aanduiding wordt aangeduid, kan de rechtsonderhorige die de rechtsgrond wil kennen van de beslissing in zijn zaak, zelf deze rechtsgrond opzoeken in het publieke Belgisch Staatsblad; Deze verschaffing van informatie - die finaal het doel dient te zijn van de verplichting tot formele motivering -wordt onmogelijk gemaakt doordat de Commissaris-Generaal gebruik maakt van een verkleinwoord of afkorting die nergens terug te vinden is;
- In casu beweert de Commissaris-Generaal zich voor zijn beslissing te steunen op artikel 52 van de "Vreemdelingenwet"; Deze aanduiding kan dan ook niet als een afdoende formele motivering worden weerhouden, nu dit de rechtsonderhorige zoals verzoekster, niet toelaat kennis te nemen van de exacte rechtsgrond ter staving van de beslissing die lastens haar genomen wordt; De bestreden beslissing dient dan ook te worden vernietigd;
- Verder steunt de Commissaris-Generaal voor de afwijzing voornamelijk op het feit dat verzoekster haar asielaanvraag beweerdelijk voornamelijk zou steunen op de motieven die haar echtgenoot in zijn asielaanvraag aanhaalde. Dat gezien in hoofde van haar echtgenoot een bevestigende beslissing van weigering van verblijf werd genomen dan ook aan verzoekster haar aanvraag geen positief gevolg kan gegeven worden. Het spreekt voor zich dat uit het feit dat de aanvraag van de echtgenoot van verzoekster werd verworpen niet zondermeer kan of mocht afgeleid worden dat de aanvraag van verzoekster tevens ongegrond zou zijn - quod non-. Dat immers verzoekster eveneens lid was van een andere organistaie (organisatie) -ASA - waarin zij opkwam voor de vrouwenrechten, en als zodanig voorwerp was van tal van ernstige dreigementen voornamelijk vanwege de B.N.P. XIV-16.637-12/16 Dat derhalve andere grieven werden aangehaald waarop niet afdoende werd geantwoord. Dat derhalve door de weigeringsbeslissing in hoofdzaak te steunen op het afwijzen van de aanvraag van echtgenoot van verzoekster, zulks dan ook dient weerhouden te worden als een schending van de materiële motiveringsplicht alsook het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Dat uit de rechtspraak van de Raad van State immers volgt dat het de wil van de wetgever is geweest te eisen dat een individuele bestuurshandeling duidelijk, nauwkeurig en rechtsgeldig zou worden gemotiveerd; Dat de enkele verwijzing naar bevestigende weigeringsbeslissing van de echtgenoot zondermeer uiteraard niet kan weerhouden worden als een duidelijke, nauwkeurige en rechtsgeldige motivering. Tweede Middel Middel van machtsafwending en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur: Dat de rechtsleer van oordeel is dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur veronderstellen dat de Dienst Vreemdelingenzaken en de Commissaris-Generaal bij het uitoefenen van enige weigerings-bevoegdheid, zorgvuldig en redelijk te werk moeten gaan; Dat deze zorgvuldigheidsplicht inhoudt dat het bestuursorgaan alle rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen moet afwegen; Dat de asielzoeker conform de rechtspraak van de Raad van State niet verplicht kan worden om álles te bewijzen, aangezien dit praktisch onmogelijk is voor zowat elke asielzoeker. Dat het vermoeden geldt in het voordeel van verzoeker dat het verhaal strookt met de waarheid, zeker nu blijkt dat een coherent en gedetailleerd verhaal kon worden voorgebracht met zelfs vermelding van specifieke data en namen; Dat daarenboven wel degelijk documenten werden overlegd waaruit blijkt dat er een gegronde vrees bestaat voor vervolging. Dat aan het schrijven van de schoonvader van verzoekster een grote bewijswaarde dient gehecht te worden en dit schrijven niet zondermeer mocht afgewezen worden als zijnde niet van dien aard om de asielaanvraag in positieve zin te kunnen wijzigen. Dat immers de schoonvader van verzoekster bij het schrijven van de verklaring in zijn hoedanigheid van advocaat optrad en niet in zijn hoedanigheid van schoonvader zodat het schrijven niet zondermeer mocht afgewezen worden als zijnde niet van dien aard om de asielaanvraag in positieve zin te kunnen wijzigen Dat de gegronde vrees voor vervolging immers verder onomstotelijk blijkt uit het schrijven van ASA waarin daarvan letterlijk melding werd gemaakt. Dat de voor een belanghebbende nadelige gevolgen van een besluit niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen; Derde Middel: Inbreuk op de Conventie van Genève: Het komt verzoeker voor dat zowel op grond van de omstandigheden waarvan de DVZ en CGVS op het ogenblik van het nemen van de omstreden beslissing kennis hadden als op grond van de overige omstandigheden die verzoeker thans laat gelden tot de kennelijk en volkomen onredelijkheid minstens onwettigheid van de weigeringsbeslissing dient te worden besloten en dit wegens schending van de ingeroepen wetsartikelen en algemene rechtsbeginselen; Dat alle toepassingsvoorwaarden van artikel 1 van het Verdrag van Genève vervuld zijn; Dat er immers een gegronde vrees aanwezig is in hoofde van verzoeker dat elke mogelijkheid op een goede toekomst hem ingevolge voornoemde feiten ontnomen is, hetgeen van hem wel degelijk een "vluchteling" maakt die zijn geluk elders dient te zoeken; Het niet toepassen van de beginselen van het Vluchtelingenverdrag is een schending van het beginsel patere legem quam ipse fecisti (cfr. supra - beginselen van behoorlijk bestuur);”; 3.2.2.
- Overwegende dat verzoekster vooreerst stelt dat de bestreden beslissing onvoldoende formeel gemotiveerd is, aangezien een rechtsonderhorige die geen praktische kennis heeft van het recht, niet vertrouwd is met de term “vreemdelingenwet”; dat zij op die XIV-16.637-13/16 manier geen kennis zou kunnen nemen van de exacte rechtsgrond ter staving van de beslissing die ten aanzien van haar is genomen; 3.2.2.
- Overwegende dat de eenvoudige lezing van de bestreden beslissing toelaat de redenen te kennen waarop de bestreden beslissing is gesteund; dat, naast de juridische overwegingen, de bestreden beslissing immers ook de feitelijke overwegingen vermeldt die eraan ten grondslag liggen; dat de beslissing bijgevolg precies aangeeft hoe de toepasselijke rechtsregel - in casu artikel 52 Vreemdelingenwet - uitgaande van de vastgestelde en vermelde feiten, tot de weigeringsbeslissing geleid heeft; dat de verzoekende partij dan ook de opportuniteit heeft kunnen nagaan van het al dan niet aanvechten van de beslissing; dat het voor zich spreekt dat met de “vreemdelingenwet” de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen is bedoeld; dat verzoekster stelt dat de enkele verwijzing naar de bevestigende beslissing genomen ten aanzien van haar man, niet als een duidelijke, nauwkeurige en rechtsgeldige motivering kan worden gezien, dat zij immers zelf andere grieven zou hebben aangehaald, waarop niet afdoende werd geantwoord, dat verzoekster lid zou geweest zijn van een organisatie die opkwam voor de vrouwenrechten en waardoor zij ernstige dreigementen ontving; dat uit de bestreden beslissing duidelijk blijkt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen wel degelijk heeft geantwoord op de eigen grieven die verzoekster aanhaalde; dat, onder meer, wordt gesteld dat haar problemen van lokale aard zijn en onvoldoende zwaarwichtig, dat verder verzoekster geen problemen zou gekend hebben met de fundamentalistische moslims toen zij nog bij haar ouders verbleef, ook al was ze toen reeds actief in de NGO; dat, naast het lidmaatschap van een organisatie die opkwam voor vrouwenrechten, verzoekster evenwel geen andere eigen grieven aanhaalt; dat zij zich verder steunt op de door haar echtgenoot aangehaalde asielmotieven; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dan ook, in zoverre verzoekster zich baseerde op de asielmotieven van haar echtgenoot, zich ertoe kon beperken te verwijzen naar de bevestigende beslissing die werd genomen in hoofde van haar man; dat verzoekster bijgevolg niet aannemelijk maakt dat de bestreden beslissing niet afdoende gemotiveerd is; dat het eerste middel niet gegrond is; 3.2.3.
- Overwegende dat verzoekster stelt dat zij niet verplicht kan worden om alles te bewijzen, aangezien dit praktisch onmogelijk is, dat het vermoeden in haar voordeel zou moeten gelden, aangezien zij een coherent en gedetailleerd verhaal kon voorbrengen, dat verder het schrijven van verzoeksters vader niet zonder meer zou mogen afgewezen worden als zijnde niet van die aard om de asielaanvraag in positieve zin te kunnen wijzigen, dat hij immers zou opgetreden zijn in zijn hoedanigheid van advocaat; 3.2.3.
- Overwegende dat, met betrekking tot de opgeworpen machtsafwending, er dient op gewezen dat machtsafwending inhoudt dat een bestuursorgaan de bevoegdheid die hem werd verleend tot het bereiken van een bepaald doel van algemeen belang, gebruikt XIV-16.637-14/16 om een ander doel na te streven; dat de verzoekende partij op geen enkel ogenblik duidelijk maakt dat de beslissingnemende overheid haar macht afwendt van het doel waarvoor deze macht is gegeven, zijnde de controle van asielrelazen in de ontvankelijkheidsfase van de asielprocedure; dat zelfs indien de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen onzorgvuldig zou zijn geweest, dit nog niet inhoudt dat de bestreden beslissing met machtsafwending is genomen; dat, uit de samenlezing van de beslissing met de gegevens van het administratief dossier blijkt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zich heeft geïnformeerd over alle objectieve en relevante elementen om met kennis van zaken een beslissing te kunnen nemen; dat hij over de gegevens van de Dienst Vreemdelingenzaken beschikte, over verzoeksters verzoekschrift tot dringend beroep en over de neerslag van haar verklaringen op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de asielaanvraag van verzoekster individueel en persoonlijk heeft onderzocht; dat het eerste deel van de beslissing een nauwkeurig verslag van de feiten bevat, die resulteren uit de verklaringen die verzoekster aflegde op het Commissariaat- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat in het tweede deel het individuele asielrelaas op een objectieve wijze wordt geanalyseerd in de globale context van haar asielaanvraag; dat deze gedetailleerde analyse de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen heeft doen besluiten dat verzoeksters asielaanvraag kennelijk ongegrond en bedrieglijk was; dat verzoekster het ten onrechte voorstelt alsof ze werd afgewezen omdat zij niet alles met documenten kon bewijzen; dat de bestreden beslissing niet is genomen op basis van het gebrek aan voorlegging van documenten; dat de brief van haar vader/advocaat wordt verworpen omdat hij niet van aard is de appreciatie van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen inzake de asielaanvraag in positieve zin te kunnen wijzigen; dat verzoekster er weliswaar op wijst dat haar vader ook in de hoedanigheid van advocaat is opgetreden, maar niet aantoont hoe de inhoud van zijn schrijven de appreciatie van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in verband met het kennelijk ongegrond en bedrieglijk karakter van haar asielaanvraag in positieve zin kan wijzigen; dat het verwijt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen onzorgvuldig of onredelijk tewerk is gegaan, derhalve niet opgaat; dat het tweede middel niet gegrond is; 3.2.3.
- Overwegende dat verzoekster stelt dat alle toepassingsvoorwaarden van artikel 1 van het Verdrag van Genève zijn vervuld; dat er een gegronde vrees aanwezig zou zijn in hoofde van verzoekster en elke mogelijkheid op een goede toekomst haar zou ontnomen zijn; 3.2.3.
- Overwegende dat artikel 1 van de Conventie van Genève geen directe werking heeft; dat het derde middel niet ontvankelijk is; XIV-16.637-15/16
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vorderingen tot schorsing, als accessoria van de nietigverklaring, derhalve samen met de beroepen tot nietigverklaring worden verworpen, BESLUIT: Artikel
- De zaken nrs. A. 141.250/XIV-16.637 en 141.251/XIV-16.639 worden gevoegd. Artikel
- De vorderingen tot schorsing en de beroepen tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van de beroepen, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien november tweeduizend en zes, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-16.637-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.690 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div