id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.817 Rolnummer: Zaak: Arrest 164817 - - 16/11/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-12-18 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-07-01 08:54 Fiche Arrest nr 164.817 van 16 november 2006 - Beslissing : Vernietiging Samenvoeging bekendmaking Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 164.817 van 16 november 2006 in de zaak A. 112.473/VII-24.980 127.279/VII-27.964 128.227/VII-28.
- In zake : I + II + III Emmanuel KOSLOWSKI, wonende te Sint-Niklaas, Guido Gezellelaan 11 tegen : I + II + III de bestendige deputatie van de provincieraad van OOST-VLAANDEREN. tussenkomende partij : de nv VARTEKS, die woonplaats kiest bij I. advocaat D. MARTENS, kantoor houdende te GENT, Antwerpsesteenweg
- II + III advocaat G. LENSSENS, kantoor houdende te BRUSSEL, Jetselaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Emmanuel KOSLOWSKI op 6 november 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 23 augustus 2001 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Sint-Niklaas van 5 maart 2001, waarbij aan de n.v. VARTEKS de milieuvergunning ten dele wordt verleend voor één jaar op proef voor het exploiteren van een inrichting op de percelen kadastraal bekend onder Sint-Niklaas, Afdeling 3, Sectie E, Nrs. 760a5, 760m5, 780r2, 780t2, 780x, 783n, 783p, 788b3, 788c3, 788e3, 788g3, 788z2 en 791b2, aan de Paddeschootdreef 4a te 9100 Sint-Niklaas, ongegrond wordt verklaard; (zaak A. 112.473) VII-24.980-1/17 Gezien het verzoekschrift dat dezelfde verzoeker op 26 september 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 4 juli 2002 waarbij het beroep van de n.v. VARTEKS tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Sint-Niklaas van 11 februari 2002, waarmee haar voor een termijn van tien jaar een definitieve milieuvergunning wordt verleend voor het exploiteren van een wasserij/droogkuis op de voornoemde percelen aan de Paddeschootdreef 4a te Sint-Niklaas, gegrond wordt verklaard en een definitieve milieuvergunning wordt verleend voor een termijn van twintig jaar; (zaak A. 127.279) Gezien het verzoekschrift dat dezelfde verzoeker op 18 oktober 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 14 augustus 2002 waarbij het beroep van de n.v. VARTEKS ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Sint-Niklaas van 11 maart 2002, waarmee haar voor een termijn van tien jaar de milieuvergunning wordt verleend voor het veranderen van een wasserij/droogkuis op de voornoemde percelen aan de Paddeschootdreef 4a te Sint-Niklaas, gegrond wordt verklaard, de vergunning wordt verleend voor een termijn van twintig jaar en de in artikel 3 van het beroepen besluit opgenomen sectorale en bijzondere milieuvergunningsvoorwaarden met betrekking tot de grondwaterwinning worden geschrapt; (zaak A. 128.227) Gezien de verzoekschriften tot tussenkomst van 28 februari 2002, 5 december 2002 en 27 december 2002; Gelet op de beschikkingen van 6 maart 2002, 3 januari 2003 en 7 januari 2003 die de tussenkomst van de n.v. VARTEKS toelaten; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. PROVOOST; Gelet op de beschikkingen van 16 december 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van de dossiers gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memories van verzoeker; VII-24.980-2/17 Gelet op de beschikkingen van 8 september 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 5 oktober 2006; Gehoord het verslag van kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, die verschijnt in persoon, van bestuurssecretaris Ch. WILLE, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat G. LENSSENS, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. PROVOOST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De rechtspleging Overwegende dat de zaken dermate verknocht zijn dat het, in het belang van een goede rechtsbedeling, wenselijk is ze samen te voegen;
- De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 2.
- Situering en voorgeschiedenis Aan de Guido Gezellelaan in Sint-Niklaas is sinds decennia een wasserij gevestigd, die in de loop van de tijd in belangrijke mate werd uitgebreid. Sinds het vaststellen van het gewestplan Sint-Niklaas-Lokeren bij koninklijk besluit van 7 november 1978 is het bedrijf gelegen in woongebied. Volgens een bij ministerieel besluit van 24 januari 1985 goedgekeurd bijzonder plan van aanleg ligt het bedrijf in “een zone waar enkel bergplaatsen, werkplaatsen en kleine bedrijven 2e klasse toegelaten zijn”. In 1987 vraagt de exploitant, toentertijd genaamd de n.v. SNEEUWWITJES VERENIGDE BEDRIJVEN, een exploitatievergunning eerste klasse. Op 2 februari 1989 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen een exploitatievergunning voor een termijn van drie jaar, met het oog op herlocalisatie. De aanvrager tekent geen beroep aan. VII-24.980-3/17 Op 22 mei 1992, na het verstrijken van de termijn voor herlocalisatie, dient de exploitant een nieuwe milieuvergunningsaanvraag in. Op 10 september 1992 weigert de bestendige deputatie de gevraagde vergunning. Op 7 juni 1993 keurt de bevoegde minister een wijziging van het bijzonder plan van aanleg goed. De inplantingsplaats van het bedrijf wordt nu "zone voor koeren en hovingen" en "strook voor berg- en werkplaatsen", met als bestemming voor die laatste : "Bergplaatsen, werkplaatsen van ambachtelijke aard, winkels, toonzalen, voor zover de uitbating verenigbaar is met de bestaande woonomgeving (lawaaihinder, geur, rook, ...). Zijn eveneens toegelaten, gegroepeerde autobergplaatsen, toonzalen op uitzondering van woonfunctie". Verzoeker heeft tegen dit bijzonder plan van aanleg een annulatieberoep ingediend (zaak A. 53.318/X-9350). De zaak is nog hangende. Op 30 juli 1993 dient de n.v. SNEEUWWITJES VERENIGDE BEDRIJVEN andermaal een milieuvergunningsaanvraag in voor de exploitatie van een industriële wasserij. Op 9 december 1993 weigert de bestendige deputatie de gevraagde vergunning. Na administratief beroep door de aanvrager wordt op 8 juni 1994 toch vergunning verleend, voor een termijn tot 1 september
- Verzoeker tekent annulatieberoep aan en bij arrest nr. 87.615 van 25 mei 2000 wordt de vergunning vernietigd. Bij de nieuwe beslissing na vernietiging wordt de milieuvergunning geweigerd. Deze weigering wordt niet aangevochten. 2.
- Nieuwe vergunningsaanvraag - de eerste bestreden beslissing: vergunning op proef Op 8 januari 2001 dient de tussenkomende partij een nieuwe milieuvergunningsaanvraag in, dit maal met een beperkter voorwerp. Tijdens het openbaar onderzoek worden drie bezwaarschriften ingediend onder meer door verzoeker. Op 5 maart 2001 verleent het college van burgemeester en schepenen van de stad Sint-Niklaas grotendeels de gevraagde vergunning, voor een termijn op proef van een jaar. VII-24.980-4/17 De vergunning omvat volgende onderdelen : 3.1.2.
(2)Lozen van bedrijfsafvalwater in de openbare riolering via diverse lozingspunten (maximum 7.170 m3/jaar) 3.3.
(3)Lozen van huishoudelijk afvalwater in de openbare riolering (maximum 850 m³/jaar) 12.2.1.
(3)Hoogspanningscabine met een individueel vermogen van 375 kVA 15.1.1.
(3)Parking/stelplaats voor 4 voertuigen (bestelwagen en lichte vrachtwagen) 1 5.2.
(3)Onderhoudswerkplaats voor eigen voertuigen met 1 schouwput 15.4.1.
(3)Wassen van voertuigen, met een maximum van 4 wagens per week 16.3.1.1.
(3)2 compressoren (2 x 12,5 kW) en 2 vacuümpompen (7,36 kW en 6 kW) met een totaal geïnstalleerd vermogen van 38,36 kW 17.3.2.1.
(3)Opslag van 24 kg methanol 17.3.3.2.
(2)Opslag van 677 kg oxiderende, schadelijke, corrosieve en irriterende stoffen: 677 kg producten in verplaatsbare recipiënten 17.3.4.1.
(3)Opslag van maximum 150 liter P1-producten: 30 liter aceton, 90 liter ethanol en 30 liter methanol 17.3.5.1.
(3)Opslag van maximum 255 liter P2-producten: 195 liter azijnzuur en 60 liter white spirit 17.3.6.1.b.
(3)Opslag van 5.260 liter P3-producten: 5.000 liter diesel in een ondergrondse dubbelwandige houder en 260 liter Actrel 33/56D (mengsel van KWS) 17.3.7.1.
(3)Opslag van maximum 308 liter P4-producten: 200 liter motorolie, 78 kg EDTA, 30 liter Desolan 17.3.9.1.
(3)1 verdeelpomp voor diesel voor de bevoorrading van de eigen voertuigen 17.4.
(3)Opslagplaatsen van gevaarlijke stoffen in verpakkingen van maximaal 25 liter/kg: totaal 2.185 liter/kg 39.1 .2.
(2)Stoomketel, werkend op aardgas, met een waterinhoud van 1.850 liter 41.4.2.
(2)Inrichtingen voor het chemisch reinigen, voorbehandelen en behandelen van textiel, met een totale geïnstalleerde drijfkracht van 42,6 kW, zijnde 3 droogkuismachines met KWS (2 x 14,7 kW en 9,2 kW) en actief koolfilters (4 kW) 43.1.2.
(2)Brander stoomketel met een thermisch vermogen van 813 kW 46.2.
(2)Wasserijen: diverse toestellen met een geïnstalleerde totale drijfkracht van 107 kW 53.8.2.
(2)Grondwaterwinning bestaande uit twee putten (39 meter en 37,5 meter) met een maximaal opgepompt debet van 52 m3/dag en 10.500 m3/jaar. VII-24.980-5/17 Volgende onderdelen worden geweigerd : 17.3.3.2.
(2)Opslag van oxiderende, schadelijke, corrosieve en irriterende stoffen 41.4.2.
(2)1 droogkuismachine werkend met PER (5,5 kW). Er worden een reeks bijzondere vergunningsvoorwaarden opgelegd, waaronder een akoestisch onderzoek en luchtemissiemetingen. Er worden drie administratieve beroepen ingediend, onder meer door verzoeker. De vereiste adviezen worden verleend. Op 23 augustus 2001 wordt de eerste bestreden beslissing genomen: de in eerste aanleg verleende vergunning op proef wordt bevestigd. 2.3. Definitieve vergunning - de tweede bestreden beslissing Op 11 februari 2002 verleent het college van burgemeester en schepenen van de stad Sint-Niklaas een definitieve vergunning, voor een termijn van tien jaar. Er worden administratieve beroepen ingediend door zowel verzoeker als door de tussenkomende partij, die een vergunning wenst voor een termijn van twintig jaar. Volgende adviezen worden verleend: - de afdeling Milieuvergunningen adviseert een vergunning te verlenen voor een termijn van twintig jaar; - volgens de afdeling Water is er nog een lopende vergunning voor grondwaterwinning; - de afdeling Ruimtelijke Ordening adviseert gunstig; - de Vlaamse Milieumaatschappij adviseert gunstig, mits enkele bijzondere vergunningsvoorwaarden worden opgelegd; - de Provinciale Deskundige grondwater adviseert gunstig, mits aangepaste vergunningsvoorwaarden worden opgelegd; - de Provinciale Milieuvergunningsdeskundige adviseert gunstig voor een termijn van twintig jaar; - de Provinciale Milieuvergunningscommissie adviseert gunstig voor een termijn van twintig jaar, en adviseert de grondwaterwinning, die reeds afzonderlijk vergund is, uit de vergunning te laten. VII-24.980-6/17 Op 4 juli 2000 wordt de tweede bestreden beslissing genomen : er wordt een definitieve vergunning verleend voor twintig jaar. De motivering luidt als volgt : "Overwegende dat de nv Varteks met de voorliggende aanvraag het bekomen van een milieuvergunning beoogt voor het exploiteren van een inrichting omvattende een natte wasserij en een afdeling droogkuis; dat de inrichting sedert 1948 wordt uitgebaat; dat de exploitatie vroeger gebeurde onder de naam 'nv Sneeuwwitjes Verenigde Bedrijven'; dat in het Belgisch Staatsblad van 4 maart 1995 de naamswijziging in nv Varteks werd gepubliceerd; Overwegende dat uit het dossier blijkt dat de Raad van State bij arrest van 25 mei 2000 de oorspronkelijke basisvergunning vernietigde die de Vlaamse minister van Leefmilieu op 8 juni 1994 in beroep had afgeleverd: dat de minister zich op 14 november 2002 opnieuw uitsprak over het beroep tegen de deputatiebeslissing van 9 december 1993; dat dit keer het weigeringsbesluit werd bevestigd, m.a.w. de op 8 juni 1994 afgeleverde basisvergunning werd ingetrokken; dat hierdoor ook alle vergunningen/aktenemingen die nadien verleend werden als uitbreiding op deze basisvergunning kwamen te vervallen; dat de nv Varteks dan de voorliggende aanvraag indiende; Overwegende dat sedert 1994 de afdelingen jeans (o.a. stonewash) en leder (reiniging, droogkuis en spuitcabine) buiten gebruik werden gesteld en voor de droogkuis in hoofdzaak gebruik wordt gemaakt van een nieuwe generatie toestellen die werken met koolwaterstoffen in plaats van PER; dat de activiteiten worden uitgevoerd voor eigen winkels en voor andere minder gespecialiseerde wasserijen; dat op het terrein ook nog 2 grondwaterputten, een kleine werkplaats voor het onderhoud van de eigen voertuigen, een dieselhouder met verdeelinstallatie en een stoomketel aanwezig zijn; dat door de inkrimping van de activiteiten en door de vermindering van de totale drijfkracht en van de globale opslag van gevaarlijke producten het volledige bedrijf is ingedeeld in de tweede klasse; Overwegende dat het College van Burgemeester en Schepenen van Sint- Niklaas op 5 maart 2001 een gedeeltelijke vergunning op proef verleende voor een termijn van 1 jaar (weigering van de vergunning voor de opslag van 5000l PER en een droogkuismachine werkend met PER (5,5 kW)); dat de Bestendige Deputatie deze beslissing bevestigde op 23 augustus 2001; dat het college de definitieve vergunning verleende op 11 februari 2002 voor een termijn van 10 jaar te rekenen vanaf die datum; Overwegende dat het bedrijf max. 50 werknemers tewerkstelt; dat er enkel overdag wordt gewerkt; dat wekelijks ca. 5 à 6 ton textiel wordt gewassen (ca. 324 ton op jaarbasis); Overwegende dat de planologische aspecten van de voorliggende milieuvergunningsaanvraag als volgt kunnen worden geëvalueerd: Overwegende dat uit het dossier blijkt dat de inrichting gelegen is in een woongebied van het gewestplan 'Sint-Niklaas - Lokeren' en in een zone voor berg- en werkplaatsen van het bij MB van 7 juni 1993 goedgekeurde BPA 'Den Beernaert - Puyenbeke'; dat zij gesitueerd is op ca. 250 m van een recreatiegebied, op ca. 200 m van een industriegebied en op ca. 500 m van een gebied voor gemeenschaps- en openbare nutsvoorzieningen; Overwegende dat mede gelet op de gunstige adviezen van de Arohm en van de PMVC kan worden gesteld dat de ligging van de inrichting in een woongebied én in een zone voor berg- en werkplaatsen in overeenstemming is resp. met de bepalingen van het KB van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de gewestplannen en met de voorschriften van het hiervoor vermelde bijzonder plan van aanleg; VII-24.980-7/17 Overwegende dat de milieuhygiënische aspecten van de voorliggende milieuvergunningsaanvraag als volgt kunnen worden geëvalueerd; Overwegende dat, wat het beheer van afvalstoffen betreft, in de proefvergun- ning als bijzondere voorwaarde werd opgelegd dat alle bedrijfsafvalstoffen dienden opgehaald te worden door erkende ophalers; dat uit het dossier blijkt dat de exploitant de nodige documenten voor de ophaling en verwerking van perchloorethyleenafval (destillatieslib) en KWS-houdend afval kan voorleggen; Overwegende dat, wat bodem- en grondwaterverontreiniging betreft, uit het dossier blijkt dat de geweigerde tank met 5000 l PER werd verwijderd en de geweigerde droogkuismachine werkend met PER, die niet voorzien was van een inkuiping noch van lekdetectie, buiten gebruik werd gesteld; Overwegende dat in de proefvergunning als bijzondere voorwaarde werd opgelegd dat de afvoerkolkjes in de droogkuisafdeling ter hoogte van de droogkuismachines buiten gebruik dienden te worden gesteld, aangezien bij lekken of morsen hierlangs eventueel gevaarlijke stoffen in de openbare riolering kunnen terechtkomen; dat uit het dossier blijkt dat deze voorwaarde werd vervuld; Overwegende dat, wat geluidshinder betreft, uit het dossier blijkt dat de inrichting gemeenschappelijke muren heeft met vreemde woningen aan de Guido Gezellelaan en de Plezantstraat; dat de woningen in de Guido Gezellelaan onder meer palen aan de voormalige winkel en de refter van de inrichting, maar aldaar nu geen activiteiten meer plaatsvinden; dat de vreemde woning in de Plezant- straat paalt aan de voormalige stone-washafdeling die buiten gebruik genomen is; dat dit momenteel een leegstaande ruimte is die zal verkocht of verhuurd worden; Overwegende dat tevens blijkt dat de exploitant naar aanleiding van herhaaldelijk(
- e)geluidsklachten diverse saneringsmaatregelen heeft getroffen, zoals het vernieuwen van slechte daken en het plaatsen van bijkomende geluidsdempers; Overwegende dat in de proefvergunning de uitvoering van een volledige akoestische studie als bijzondere voorwaarde werd opgelegd; dat uit het dossier blijkt dat erkend geluidsdeskundige Hugo Verhas metingen heeft uitgevoerd van 11 tot en met 14 december 2001 (ref. 0110-736/17 december 2001); dat deze gebeurden in open lucht, onder meer in de tuin van de heer Emmanuel Koslowski die het onontvankelijk verklaarde beroep heeft ingesteld en bezwaar heeft ingediend tegen de exploitatie van de inrichting; dat de geluidsdeskundige stelt dat de richtwaarden voor woongebieden, nl. 45 dB(A) - 40 dB(A) - 35 dB(A), van toepassing zijn; dat echter op ca. 200 m van de inrichting een industriegebied ligt zodat de soepelere richtwaarden 50 dB(A) - 45 dB(A) - 45 dB(A) gelden; dat in het meetverslag wordt gesteld dat het specifiek geluid van de inrichting door het vreemde geluid (o.m. verkeer) volledig overheerst wordt en zelfs tijdens de stilste momenten van de dag niet of amper waar te nemen is; dat uit de grafieken van het omgevingsgeluid echter blijkt dat LA95,1h terugvalt van ca. 46 dB(A) tot ongeveer 42 dB(A) omstreeks 16u30, d.i. het tijdstip waarop de werkzaamheden bij de nv Varteks worden stopgezet; dat een verschil van 3 dB(A) normaliter als hoorbaar wordt beschouwd; dat niettemin de inrichting aan de geluidsnormen voldoet; Overwegende dat, wat luchtverontreiniging en geurhinder betreft uit het dossier blijkt dat het machinepark van de inrichting 3 droogkuisinstallaties werkend met KWS, diverse droogkasten en wasmachines, een gasbrander voor de stoomketel en detacheertafels voor het voorontvlekken van textiel omvat; Overwegende dat blijkt dat de machines werkend met vloeibare KWS van recente makelij zijn en beantwoorden aan de aanbevelingen van het Vlaams Instituut voor Technologisch Onderzoek (Vito) in de studie betreffende de best beschikbare technologie (BBT) voor de sector droogkuis en voorzien zijn van een inkuiping voor het opvangen van eventuele KWS-lekken; dat een in de VII-24.980-8/17 machines ingebouwd dieptekoelaggregaat zorgt ervoor (sic) dat de dampen tijdens het drogen van het wasgoed en de destillatie van het wasmiddel gecondenseerd worden waardoor het solventverlies met 75% wordt gereduceerd in vergelijking met de oudere machines werkend met waterkoeling; dat de laaddeuren van de droogkuisinstallaties pas geopend kunnen worden nadat het volledige wasproces is beëindigd; dat de toestellen ook uitgerust zijn met een dubbele waterafscheider in serie waardoor het restant organisch solvent in de waterfractie van het destillaat tot een minimum wordt beperkt; Overwegende dat in de proefvergunning als bijzondere voorwaarde werd opgelegd dat binnen een termijn van 9 maanden luchtemissiemetingen dienden uitgevoerd te worden; dat uit het dossier blijkt dat op 10 december 2001 emissiemetingen werden uitgevoerd aan 4 punten, m.n. de stoomketel met aardgasbrander (813 kWth), de afzuiging van 1 van de grote wasmachines (machine 61 - 6,3 kW), de afzuiging van 1 van de grote drogers (machine 60a - 2,97 kW) en ter hoogte van de afzuiging van de strijktafels; dat uit deze metingen het volgende blijkt: - de aardgasbrander (813 kWth) van de Claytonstoomketel, die als een kleine, nieuwe stookinstallatie wordt beschouwd, voldoet aan de emissiegrenswaar- den vastgesteld in afdeling 5.43.4. van Vlarem II; - wat de afzuiging van de strijktafels betreft, wordt in het bedrijf gebruik gemaakt van PER (perchloorethyleen) om de kledij te reinigen. Dit gebeurt in 2 machines die werken volgens een gesloten kringloopsysteem, dat het gebruikte PER terugwint via een condensatiekring. De machines hebben geen uitlaat naar buiten toe, maar een kleine rest aan PER uit deze machines kan eventueel nog in de kledij achtergebleven zijn en via de afzuiging van de strijktafels in de atmosfeer terechtkomen. Deze machines zijn niet opgenomen in de vergunning van 11 februari 2002, maar wel in de vergunning die het college op 11 maart 2002 heeft verleend voor de uitbreiding van de inrichting; - uit de emissiemetingen aan de wasmachine, de droger en de afzuiging van de strijktafels blijkt dat de massastroom conform bijlage 4.4.2. van Vlarem II niet overschreden worden zodat de emissiegrenswaarden (i.c. tolueen, tetrachlooretheen en totaal C) niet van toepassing zijn; Overwegende dat in de proefvergunning ook het bijhouden van een solventboekhouding voor het vroegtijdig detecteren van solventlekken als bijzondere voorwaarde werd opgelegd; dat uit het dossier blijkt dat dit document ter inzage ligt; Overwegende dat, wat de grondwaterwinning betreft, uit het dossier blijkt dat het College van Burgemeester en Schepenen van Sint-Niklaas op 11 mei 1998 een vergunning heeft afgeleverd voor een grondwaterwinning met een maximumdebiet van 52 m³/dag en 10.500 m3/jaar uit 2 putten van 39 meter diepte (in uitvoering van het Besluit van de Vlaamse regering van 27 maart 1985); dat deze vergunning nog geldig is tot en met 31 augustus 2011; Overwegende dat bijgevolg in de bestreden beslissing de rubriek 53.8.2/ dient geschrapt in artikel 1 en de sectorale en bijzondere voorwaarden betreffende de grondwaterwinning dienen geschrapt in artikel 3; dat bovendien in artikel 2 moet worden gepreciseerd dat de einddatum van de voorliggende vergunning, zijnde 5 maart 2021, niet geldt voor de grondwaterwinning; Overwegende dat het beroepschrift als volgt kan worden geëvalueerd; Overwegende dat in het bestreden besluit inderdaad wordt gesteld dat omwille van de ligging van (
- de)inrichting in een dichtbebouwde buurt en in een woongebied van het gewestplan ‘Sint-Niklaas - Lokeren’ het aangewezen is de vergunningstermijn te beperken tot 10 jaar, ten einde de toekomst van het woongebied niet te hypothekeren en de impact van het bedrijf op de omgeving te kunnen evalueren; dat in de overwegingen van de bestreden beslissing nochtans wordt gesteld dat uit de ingewonnen adviezen blijkt dat aan alle VII-24.980-9/17 bijzondere voorwaarden wordt voldaan en dat alle adviserende instanties een gunstig advies hebben uitgebracht t.a.v. de exploitatie; Overwegende dat uit het gunstig advies van de Arohm blijkt dat de inrichting verenigbaar is met de bestemming, mits de exploitatievoorwaarden zo gesteld worden dat het woonklimaat van de omgeving niet wordt verstoord; dat, zoals gesteld bij de bespreking van de milieuhygiënische aspecten, het bedrijf tijdens de proefperiode het nodige heeft gedaan om zich in orde te stellen met de milieureglementering en om alle opgelegde bijzondere voorwaarden te vervullen; Overwegende dat uit de luchtemissiemetingen en het akoestisch onderzoek bovendien blijkt dat aan de geldende normen wordt voldaan; Overwegende dat, overeenkomstig de bepalingen van artikel 30, §2 van Vlarem I, de milieuvergunning wordt verleend voor een bepaalde duur van ten hoogste 20 jaar, de termijn voorafgaand aan de ingebruikname en de eventuele proeftijd inbegrepen; dat in de bestreden beslissing de definitieve vergunning wordt verleend voor een termijn van 10 jaar te rekenen vanaf 11 februari 2002; dat in deze termijn de proefperiode niet inbegrepen is, aangezien de vergunning op proef door het college werd verleend op 5 maart 2001; dat, zoals gesteld in het advies van de Aminal-AMV, het verlenen van een vergunning voor een beperkte termijn geen aanvaardbare manier is om rekening te houden met de milieuhygiënische impact van de inrichting wanneer die onvermijdbaar is; dat, als de hinder niet door het opleggen van voorwaarden kan worden verholpen, dit logischerwijze betekent dat dit ook niet kan voor een beperkte termijn; dat in onderhavig geval de exploitant de in de proefvergunning opgelegde voorwaar- den is nagekomen zodat vanuit milieuhygiënisch standpunt kan worden gesteld dat de hinder die de exploitatie van de inrichting zal veroorzaken aan mens en leefmilieu in de onmiddellijke omgeving tot een aanvaardbaar niveau kan worden beperkt; Overwegende dat in die omstandigheden kan gesteld worden dat het voorliggende beroep gegrond is en de vergunning kan worden verleend voor een termijn van 20 jaar te rekenen vanaf 5 maart 2001 (...)". 2.4. Uitbreiding van de milieuvergunning - de derde bestreden beslissing Op 7 december 2001, nog tijdens de termijn op proef, dient de tussenkomende partij een milieuvergunningsaanvraag in voor de uitbreiding van de inrichting; het betreft een regularisatie van een niet onbelangrijke uitbreiding van de opslag van verschillende gevaarlijke producten, van twee droogkuismachines met PER, de vervanging van een stoomketel en de bijhorende brander. Op 11 maart 2002 verleent het college van burgemeester en schepenen de gevraagde vergunning, voor een termijn die samenvalt met de definitieve vergunning die een maand eerder werd verleend. Er worden administratieve beroepen ingediend door zowel verzoeker als door de tussenkomende partij, die een vergunning wenst voor twintig jaar. Volgende adviezen worden verleend: VII-24.980-10/17 - de afdeling Milieuvergunningen adviseert gunstig, voor een termijn die afhangt van het resultaat van het administratief beroep over de termijn van de basisvergunning; - de Provinciale Milieuvergunningsdeskundige adviseert gunstig, voor een termijn die afhangt van het resultaat van het administratief beroep over de termijn van de basisvergunning; - ook de Provinciale Milieuvergunningscommissie tenslotte adviseert gunstig, voor een termijn die afhangt van het resultaat van het administratief beroep over de termijn van de basisvergunning. Op 14 augustus 2002 wordt de derde bestreden beslissing genomen : de gevraagde uitbreiding wordt vergund, voor een termijn gelijklopend met de inmiddels bij de tweede bestreden beslissing tot twintig jaar verlengde basisvergun- ning; 3. De ontvankelijkheid van het beroep, gekend onder het nr. A. 112.473, gericht tegen de eerste bestreden beslissing 3.1. Overwegende dat de verwerende partij opwerpt dat het annulatie- beroep in de eerste zaak geen voorwerp meer heeft, doordat inmiddels een definitieve vergunning werd verleend; 3.2. Overwegende dat aangezien de verwerende partij in beroep de door het college van burgemeester en schepenen verleende vergunning op proef ongewijzigd heeft bevestigd, het college van burgemeester en schepenen overeen- komstig artikel 40, §4, 2/, van Vlarem I bevoegd bleef om te beslissen over een definitieve vergunning; dat de beslissing daartoe van het college van burgemeester en schepenen van 11 februari 2002, in de plaats is gekomen van de eerste bestreden beslissing; dat deze beslissing op haar beurt werd vervangen door de tweede bestreden beslissing, aangevochten in de zaak A. 127.279; dat de gebeurlijke vernietiging van die tweede bestreden beslissing niet de vergunning op proef zou doen herleven, maar enkel de in eerste aanleg verleende definitieve vergunning van 11 februari 2002; dat het annulatieberoep in de zaak A. 112.473 geen voorwerp meer heeft en moet worden verworpen; dat de kosten van het beroep evenwel ten laste van het Vlaamse gewest moeten worden gelegd; VII-24.980-11/17 4. De ontvankelijkheid van het beroep, gekend onder het nr. A. 127.279, en gericht tegen de tweede bestreden beslissing 4.1. Overwegende dat de tussenkomende partij de volgende exceptie opwerpt : "De vraag stelt zich of eiser nog op rechtsgeldige wijze kan opkomen tegen de litigieuze beslissing. Vast staat immers dat eiser laattijdig beroep instelde tegen de beslissing van de Stad Sint Niklaas dd. 11.2.02 waarbij aan de vrijwillig tussenkomende partij een milieuvergunning kl. II werd toegekend doch voor een termijn van 10 jaar. Voornoemd beroep werd op 2.4.02 ingediend en in het bestreden besluit wordt verwezen naar het aangetekend schrijven van de Bestendige Deputatie dd. 8.4.02 waarmee het toenmalig beroep van eiser als onontvankelijk werd verklaard wegens laattijdigheid. Terzake dient bovendien vastgesteld te worden dat eiser (
- i)deze onontvankelijkheid op zich niet betwist of bestrijdt en deze derhalve aanvaardt (
- ii)zich thans inzake het annulatieberoep van dezelfde middelen bedient als hij in het in deze zaak voordien als onontvankelijk gekwalificeerde georganiseerde beroep deed. Inderdaad vecht eiser nergens de door de Bestendige Deputatie op 20 jaar gebrachte, termijn van de vergunning aan die het enige voorwerp uitmaakte van beroep ingesteld door de vrijwillig tussenkomende partij. De procedure eindigde voor eiser derhalve bij de onontvankelijkheidsverklaring de dato 8.4.02 waartegen hij geen annulatieberoep instelde voor de Raad van State"; 4.2. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar laatste memorie volhardt in haar stelling dat verzoeker zelf een ontvankelijk administratief beroep tegen de in eerste aanleg genomen beslissing had moeten instellen opdat hij op ontvankelijke wijze een annulatieberoep zou kunnen instellen; 4.3. Overwegende dat de Raad van State niet kan worden gevat wanneer het georganiseerd administratief beroep niet is uitgeput; dat het evenwel volstaat dat een beslissing in laatste administratieve aanleg is genomen, ongeacht door wie het beroep werd ingesteld; dat in casu het bestreden besluit in laatste aanleg is genomen; dat de exceptie niet kan worden aangenomen; VII-24.980-12/17 5. De gegrondheid van het beroep, gekend onder het nr. 127.279, en gericht tegen de tweede bestreden beslissing 5.1. Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending aanvoert van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van artikel 52, 3/, van Vlarem I; dat hij na het uitleggen van de doelstelling van de in deze artikelen opgelegde plicht tot formele motivering volgende toelichting geeft bij het middel : "De bestreden beslissing kan dan ook niet in redelijkheid besluiten dat de inrichting kan uitgebaat worden zonder overmatige hinder en overlast voor de mens en het leefmilieu, vermits het terzake vaststaat, dat de gevraagde exploitatie zowel milieuhygiënisch als planologisch onverenigbaar is met de onmiddellijke omgeving en dit klemt des te meer aangezien verzoeker onmiddellijk aangrenzende buur is"; dat hij vervolgens uit de bestreden beslissing citeert, en eindigt als volgt : "De vergunningverlenende overheid heeft de situatie niet onderzocht of het bedrijf zou thuishoren in de woonzone en of het verenigbaar is met de omgeving zodat haar besluit niet, minstens onvoldoende gemotiveerd is"; 5.2. Overwegende dat de verwerende partij op het middel volgend verweer voert : "De Arohm heeft in haar advies de verenigbaarheid van de inrichting met de geldende gewestplanbestemming en BPA-voorschriften grondig onderzocht. De PMVC trad dit standpunt bij. Het dossier dat aan verweerster voor beslissing werd voorgelegd bevatte geen elementen die (...) haar ertoe konden brengen om te twijfelen aan de conclusies van genoemde adviesinstanties inzake de planologische verenigbaarheid van de wasserij/droogkuis"; 5.3. Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord volhardt in zijn stelling dat de bestreden beslissing niet afdoende is gemotiveerd; 5.4. Overwegende dat de tussenkomende partij zowel in haar verzoekschrift tot tussenkomst als in haar memorie betoogt “dat de motivatieplicht zoals voorzien in hoger aangehaalde wetgeving in het bestreden besluit werd gerespecteerd zodanig dat de Raad van State de haar opgedragen wettigheidscontrole genoegzaam kan uitoefenen"; VII-24.980-13/17 5.5. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar laatste memorie nog doet gelden dat uit de overweging in het bestreden besluit dat het bedrijf maximum 50 werknemers tewerkstelt, dat enkel overdag wordt gewerkt en dat wekelijks ca 5 à 6 ton textiel wordt gewassen, kan worden afgeleid dat de betrokken inrichting een klein bedrijf betreft en de omvang ervan eerder beperkt is, dat in het bestreden besluit ook een beschrijving van de aard van het bedrijf wordt gegeven, namelijk een natte wasserij en droogkuis, dat dergelijke activiteiten aansluiten bij de dagelijkse noden van een bewoning, dat wordt overwogen dat de afdelingen jeans en leder sinds 1994 buiten gebruik werden gesteld en dat de activiteiten worden uitgevoerd voor eigen winkels alsook voor andere minder gespecialiseerde wasserijen, dat de verwerende partij eveneens de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving heeft onderzocht, dat zij desbetreffend verwijst naar het onderzoek van de diverse hinderaspecten en naar de verwijzing in het bestreden besluit "naar de ligging van de inrichting in een dichtbebouwde buurt en in een woongebied van het gewestplan ‘Sint-Niklaas-Lokeren’" alsook naar het gunstig advies van de AROHM; 5.6.1. Overwegende dat krachtens het bepaalde in artikel 5, 1.0., van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen inrichtingen voor handel, dienstverlening, ambacht en klein bedrijf enkel in een woongebied toegestaan kunnen worden onder de dubbele voorwaarde dat zij niet wegens de "taken" van bedrijf die zij uitvoeren, om redenen van goede ruimtelijke ordening, in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd, met andere woorden dat zij bestaanbaar zijn met de bestemming woongebied, en dat zij verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving; dat bij het beoordelen van de bestaanbaarheid met de bestemming woongebied, rekening dient te worden gehouden met de aard en de omvang van de inrichting, waardoor deze laatste inzonderheid om redenen van ruimtelijke ordening niet in het betrokken woongebied kan worden ingeplant, ofwel wegens het intrinsiek hinderlijk of storend karakter van de inrichting, ofwel wegens het bijzonder karakter van het woongebied (bv. louter residentiële villawijk, of woonpark); dat bij het beoordelen van de verenigbaarheid met de onmiddellijke omgeving uitgegaan dient te worden van de specifieke kenmerken van de onmiddellijke omgeving, die voornamelijk afhankelijk zijn van de aard en het gebruik of de bestemming van de in die omgeving bestaande gebouwen of open ruimten, of van de bijzondere bestemming die het bijzonder plan van aanleg van het gebied aan die omgeving heeft gegeven; VII-24.980-14/17 5.6.2. Overwegende dat de overeenstemming met de bestemmingsvoor- schriften van het gewestplan en het bijzonder plan van aanleg in de bestreden beslissing als volgt wordt gemotiveerd : "Overwegende dat de planologische aspecten van de voorliggende milieuver- gunningsaanvraag als volgt kunnen worden geëvalueerd; Overwegende dat uit het dossier blijkt dat de inrichting gelegen is in een woongebied van het gewestplan 'Sint-Niklaas - Lokeren' en in een zone voor berg- en werkplaatsen van het bij MB van 7 juni 1993 goedgekeurde BPA 'Den Beernaert - Puyenbeke'; dat zij gesitueerd is op ca. 250 m van een recreatiege- bied, op ca. 200 m van een industriegebied en op ca. 500 m van een gebied voor gemeenschaps- en openbare nutsvoorzieningen; Overwegende dat mede gelet op de gunstige adviezen van de Arohm en van de PMVC kan worden gesteld dat de ligging van de inrichting in een woongebied én in een zone voor berg- en werkplaatsen in overeenstemming is resp. met de bepalingen van het KB van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de gewestplannen en met de voorschriften van het hiervoor vermelde bijzonder plan van aanleg (...)"; 5.6.3. Overwegende dat uit voornoemde motivering niet blijkt waarom de betrokken inrichting bestaanbaar is met de bestemming woongebied en verenigbaar is met de onmiddellijke omgeving zoals uiteengezet sub 5.6.1; dat de verwijzing naar het advies van de AROHM en van de Provinciale Milieuvergunningscommissie op dat vlak zinloos is, nu in eerstgenoemd advies, waarbij de Provinciale Milieuvergunningscommissie zich louter heeft aangesloten, als een nietszeggende formule wordt gesteld: “Overwegende dat de inrichting als verenigbaar kan beschouwd worden met de voornoemde bestemming mits de voorwaarden zo gesteld kunnen worden dat voldaan wordt aan de voorwaarden van voornoemd BPA”; 5.6.4. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar laatste memorie met een aantal elementen uit de overwegingen van het bestreden besluit tracht aan te tonen dat dit besluit op planologisch vlak wel afdoende is gemotiveerd; dat evenwel volgens de opbouw van het bestreden besluit die elementen geen deel uitmaken van de planologische beoordeling van de betrokken inrichting; dat, daarenboven, uit die elementen in elk geval niet blijkt waarom de inrichting als een werkplaats "van ambachtelijke aard", zoals voorgeschreven door het toepasselijk bijzonder plan van aanleg, te beschouwen is -hetgeen gelet op de aard van diverse activiteiten niet evident is- en waarom, gelet op de specifieke kenmerken van de onmiddellijke omgeving, de betrokken inrichting verenigbaar wordt geacht met die onmiddellijke omgeving; dat het vermelde in het bestreden besluit dat de inrichting is gelegen in een dichtbebouwde buurt -reden waarom de in eerste aanleg verleende vergunning slechts VII-24.980-15/17 gold voor een termijn van tien jaar- eerder op het tegendeel wijst; dat, tenslotte, de milieuhygiënische beoordeling de planologische beoordeling niet kan vervangen; dat het middel gegrond is; 6. De gegrondheid van het beroep, gekend onder het nr. 128.227, en gericht tegen de derde bestreden beslissing Overwegende dat de derde bestreden beslissing een verandering (uitbreiding) betreft van de bij de tweede bestreden beslissing verleende basisvergunning; dat, gelet op de vernietiging van laatstgenoemde beslissing, de op die basisvergunning geënte beslissing tot uitbreiding vervalt; dat dienvolgens het beroep gericht tegen de derde bestreden beslissing geen voorwerp meer heeft en moet worden verworpen; dat het evenwel gepast voorkomt dat de kosten van het beroep ten laste worden gelegd van het Vlaamse gewest, BESLUIT: Artikel 1. De zaken, gekend onder de nrs. 112.473/VII-24.980, 127.279/VII-27.964 en 128.227/VII-28.145 worden gevoegd. Artikel 2. Vernietigd wordt het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 4 juli 2002 waarbij het beroep van de n.v. VARTEKS tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Sint-Niklaas van 11 februari 2002, waarmee haar voor een termijn van tien jaar een definitieve milieuvergunning wordt verleend voor het exploiteren van een wasserij/droogkuis aan de Paddeschootdreef 4a te Sint-Niklaas, gegrond wordt verklaard en een definitieve milieuvergunning wordt verleend voor een termijn van twintig jaar. Artikel 3. De beroepen, gekend onder de nrs. A. 112.473/VII-24.980 en 128.227/VII-27.964, worden verworpen. VII-24.980-16/17 Artikel 4. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel 5. De kosten van de beroepen, bepaald op 523,53 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 375 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien november tweeduizend en zes, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-24.980-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.817 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div