id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.818 Rolnummer: A. 89039/VII-20323 Zaak: Arrest 164818 - - 16/11/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-11-29 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-01 08:55 Fiche Arrest nr 164.818 van 16 november 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 164.818 van 16 november 2006 in de zaak A. 89.039/VII-20.323 In zake : de n.v. ERTSENMAALDERIJ DE BRUYN, die woonplaats kiest bij advocaat L. VAN HOUT, kantoor houdende te BERLAAR, Markt 78 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering dat woonplaats kiest bij advocaat I. LAUREYS, kantoor houdende te BUGGENHOUT, Provincialebaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. ERTSENMAALDERIJ DE BRUYN op 9 maart 2000 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 31 december 1999 waarbij het beroep aangetekend tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 24 juni 1999 houdende weigering van de vergunning aan de verzoekende partij om een inrichting, gelegen aan de Zaatstraat 36 te Schoten, verder te exploiteren en te veranderen door uitbreiding, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd; Gelet op het arrest nr. 85.126 van 7 februari 2000 waarbij de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerleg- ging van het bestreden besluit en de vordering strekkende tot het bevelen van voorlopige maatregelen onder verbeurte van een dwangsom, worden verworpen; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; VII-20.323-1/6 Gelet op de beschikking van 23 februari 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 15 september 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 oktober 2006; Gehoord het verslag van kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van advocaat L. VAN HOUT, die verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat S. BEECKMAN die, loco advocaat I. LAUREYS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De feitelijke toedracht van de zaak Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
- De verzoekende partij is sedert 1898 gevestigd te Schoten. Rond het bedrijf worden vanaf 1950 woningen opgetrokken. 1.
- Door het gewestplan Antwerpen, vastgesteld bij koninklijk besluit van 3 oktober 1979, komt het bedrijf in een gemengd woon- en industriegebied te liggen. Deze gebieden zijn bestemd voor wonen en voor de andere in artikel 5.1.
- van het koninklijk besluit van 28 december 1972 bedoelde functies alsmede voor de instandhouding en de gerechtvaardigde uitbreiding van de bedrijven die er gevestigd zijn. Het gewestplanvoorschrift bepaalt tevens dat wanneer die bedrijven hun huidige bedrijfsactiviteit niet meer voortzetten en geen andere activiteiten uitoefenen die tot dezelfde bedrijfssector behoren, het betrokken gebied uitsluitend en definitief de bestemming woongebied krijgt. VII-20.323-2/6 1.
- Bij besluit van 6 oktober 1983 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen aan de verzoekende partij een vergunning voor een termijn van tien jaar, doch door een ministerieel besluit van 2 oktober 1984 wordt het deputatiebesluit hervormd in onder meer die zin dat de vergunningstermijn beperkt wordt tot vijf jaar. Dit ministerieel besluit wordt echter vernietigd door 's Raads arrest nr. 31.058 van 13 oktober 1988, omdat de minister een verkeerde toepassing had gemaakt van het gewestplanvoorschrift gemengd woon- en industriegebied. Immers, uit dat gewestplanvoorschrift volgt niet dat de in het betrokken gebied gevestigde industriële bedrijven op termijn zouden moeten verdwijnen, aldus de Raad, en de minister mocht uit het gewestplanvoorschrift dan ook niet afleiden dat de inrichting van de verzoekende partij naar een geschikte plaats moest worden overgebracht en derhalve slechts een laatste in de tijd beperkte exploitatievergunning kon bekomen. 1.
- Op 24 november 1992 dient de verzoekende partij bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen een milieuvergunningsaan- vraag in voor het hernieuwen van een vergunning voor een bestaande inrichting van klasse 1, en zulks voor een termijn van vijf jaar. Met een besluit van 1 april 1993 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen de gevraagde vergunning, met dien verstande dat wordt bepaald dat de vergunningstermijn eindigt op 6 oktober 1994, zijnde één jaar vanaf de einddatum van de eerder verleende vergunning van 6 oktober
- De vergunning wordt verleend voor een termijn van één jaar om het bedrijf in staat te stellen zich elders te vestigen. In beroep, door een ministerieel besluit van 25 oktober 1993, wordt het voormelde deputatiebesluit enigszins hervormd, in die zin dat eraan wordt toegevoegd: "de vergunning kan op deze locatie niet meer verlengd worden na 6 oktober 1994". De beperkte termijn van één jaar wordt toegestaan om het bedrijf de mogelijkheid te bieden te herlocaliseren. Dit ministerieel besluit wordt geschorst door 's Raads arrest nr. 47.051 van 28 april 1994, en het wordt vernietigd door het arrest nr. 50.366 van 24 november
- 1.
- Na dit vernietigingsarrest wordt de beroepsprocedure hernomen, hetgeen uitmondt in het ministerieel besluit van 31 mei 1995, waarbij aan de verzoekende partij de milieuvergunning wordt geweigerd om haar inrichting in bedrijf te houden. VII-20.323-3/6 In dat ministerieel besluit wordt er in essentie op gewezen dat er overdreven hinder zou zijn en dat de verzoekende partij ondertussen de noodzakelijke milieuvergunning bekwam voor een herlocalisatie in het Antwerpse havengebied. Dit ministerieel besluit wordt geschorst door 's Raads arrest nr. 59.846 van 4 juni 1996, een vernietiging volgt met het arrest nr. 64.443 van 6 februari
- 1.
- Met een ministerieel besluit van 14 juli 1997 wordt aan de verzoekende partij een vergunning verleend voor het verder exploiteren en veranderen van haar inrichting. De vergunning wordt verleend voor een termijn verstrijkend op 6 oktober
- 1.
- Op 3 oktober 1997 dient de verzoekende partij een nieuwe milieuvergunningsaanvraag in voor een periode van tien jaar. Op 5 februari 1998 verleent de bestendige deputatie een vergunning voor het verder in bedrijf houden en veranderen van de inrichting van de verzoekende partij, doch slechts voor een beperkte en niet-verlengbare termijn van twee jaar verstrijkend op 5 februari
- In beroep, door een ministerieel besluit van 19 augustus 1998 wordt dit deputatiebesluit bevestigd. In dit ministerieel besluit wordt gesteld dat het verlenen van een vergunning voor een beperkte termijn kan worden bijgetreden gezien deze termijn haalbaar is om de nodige vergunningen te kunnen verkrijgen om de herlocalisatie door te voeren. Het ministerieel besluit van 19 augustus 1998 wordt door de verzoekende partij aangevochten met een annulatieberoep, wat uitmondt in het verwerpingsarrest nr. 153.634 van 12 januari 2006 wegens gebrek aan actueel belang van de verzoekende partij, om reden dat de inrichting inmiddels was verplaatst. 1.
- De vergunningsaanvraag die aanleiding zal geven tot het thans bestreden besluit wordt op 10 februari 1999 door de verzoekende partij ingediend bij de bestendige deputatie, en ze strekt er toe de inrichting verder in bedrijf te houden en te veranderen. Op 24 juni 1999 weigert de bestendige deputatie de vergunning omdat de inrichting slechts voor beperkte tijd verenigbaar is met de ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften, en gezien de bezwaren van de omwonenden en het volledig negatief advies van het schepencollege. VII-20.323-4/6 1.
- Tegen dit weigeringsbesluit dient de verzoekende partij een omstandig beroepschrift in. 1.
- 0p 31 december 1999 wordt het thans bestreden besluit genomen houdende de bevestiging van het deputatiebesluit van 24 juni 1999 en dus houdende weigering van de gevraagde milieuvergunning. 1.
- Vooral de verdere evolutie is in casu van belang: de verplaatsing van de inrichting was eind december 2002 zo goed als voltooid. De verkoop van de bedrijfsterreinen waarop de in geding zijnde inrichting was gevestigd, is gebeurd bij notariële akte van 2 augustus 2002;
- De ontvankelijkheid van het beroep Overwegende dat zoals reeds vastgesteld in het arrest nr. 153.634, n.v. ERTSENMAALDERIJ DE BRUYN, van 12 januari 2006, de inrichting van de verzoekende partij, eind 2002 werd verplaatst en de verkoop van de bedrijfsterreinen te Schoten, waarop de inrichting was gevestigd, is gebeurd bij notariële akte van 2 augustus 2002; dat om dezelfde redenen als aangegeven in evengenoemd arrest, de verzoekende partij niet meer doet blijken van het rechtens vereiste actueel belang; Overwegende dat de verzoekende partij in de laatste memorie nog stelt dat zij blijk geeft van een blijvend belang van morele aard om op te komen tegen de bestreden beslissing die haar er op onwettige wijze toe gebracht heeft onder de grootst mogelijke druk gedwongen te herlocaliseren; dat evenwel de verzoekende partij een rechtspersoon is, waarvan niet valt in te zien hoe deze een moreel belang kan hebben; dat, overigens, kan worden opgemerkt dat de verzoekende partij tegen de bestreden beslissing een vordering tot schorsing bij wege van uiterst dringende noodzakelijkheid heeft ingediend, die bij arrest nr. 85.126 van 7 februari 2000 werd verworpen omdat geen van de aangevoerde middelen ernstig werd bevonden, VII-20.323-5/6 BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien november tweeduizend en zes, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-20.323-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.818 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2000:ARR.85.126 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div