id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.821 Rolnummer: A. 103440/VII-23456 Zaak: Arrest 164821 - - 16/11/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-11-29 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-07-01 08:57 Fiche Arrest nr 164.821 van 16 november 2006 - Beslissing : Vernietiging Verwerping overige Overschrijving en verwijzing Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 164.821 van 16 november 2006 in de zaak A. 103.440/VII-23.
- In zake : Rik VERHILLE, die woonplaats kiest bij advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te BRUSSEL, Keizerslaan 3 tegen : het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (RIZIV). --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Rik VERHILLE op 17 april 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van "de beslissing van de Commissie van Beroep, ingesteld bij de Dienst voor geneeskundige controle van het RIZIV, dd. 12 februari 2001 en ontvangen op 15 februari 2001 houdende bevestiging van de beslissing van de Beperkte Kamer van het Comité van de Dienst voor geneeskundige controle op het RIZIV dd. 18 mei 2000, waarbij beslist werd : - de verzekeringsinstellingen te verbieden om tegemoet te komen in de kosten der geneeskundige verstrekkingen welke zullen worden verleend door de arts VERHILLE Rik, over een tijdvak van veertien dagen; - tot terugvordering ten aanzien van de arts VERHILLE Rik van de uitgaven met betrekking tot de verstrekkingen ten laste van de verzekering voor geneeskundi- ge verzorging en uitkeringen die niet conform de wettelijke en reglementaire bepalingen zijn bevonden voor een bedrag van 5.906.440 bef."; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op de beschikking van 6 februari 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; VII-23.456-1/17 Gelet op de beschikking van 4 juli 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 september 2006; Gehoord het verslag van staatsraad R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat Th. EYSKENS die, loco advocaat D. LINDEMANS verschijnt voor de verzoeker, en van attaché F. NASSEN die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Gegevens Overwegende dat de -niet betwiste- gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoeker is geneesheer-specialist radioloog en is in die hoedanigheid sinds augustus 1994 voltijds werkzaam in het Algemeen Ziekenhuis Heilig Hart Tienen, middels een individuele overeenkomst (in de zin van artikel 131 van de Ziekenhuiswet). Luidens artikel 1 van die overeenkomst verbindt de verzoeker zich ertoe zijn geneeskundige activiteiten uit te oefenen binnen de instellingen van het ziekenhuis, hetgeen eveneens het "Medisch Centrum Aarschot" omvat. 1.
- Dit Medisch Centrum is erkend voor de functie "chirurgische daghospitalisatie". In dit centrum wordt in 1996 een CT-scan geïnstalleerd. De Dienst voor geneeskundige controle van het RIZIV meldt hierover bij nota van 25 september 1996 aan de inspectie van de provinciale dienst Brabant het volgende : "Er werd gemeld dat sedert enkele dagen in het MCA (Medisch Centrum Aarschot) Langdorpsesteenweg 129 3200 Aarschot een CT Scan werd geïnstalleerd waarvoor prestaties (zullen) worden in rekening gebracht bij de verzekeringsinstellingen. Gelieve ter plaatse af te stappen. (...) Het ware nuttig vast te stellen onder welk identificatienummer de prestaties worden aangere- kend". VII-23.456-2/17 1.
- Luidens het koninklijk besluit van 28 november 1986 houdende vaststelling van de normen waaraan een dienst voor medische beeldvorming waarin een transversale axiale tomograaf wordt opgesteld, moet voldoen om te worden erkend als medisch technische dienst zoals bedoeld in artikel 6bis, §§ 2, 6/bis, van de wet op de ziekenhuizen, moet een dienst voor medische beeldvorming waarin een transversale axiale tomograaf wordt geïnstalleerd worden erkend door de daartoe bevoegde Minister (artikel 3) en moet deze dienst aan de normen bedoeld in de artikelen 4 tot 7 voldoen. Deze artikelen luiden als volgt : "Art.
- §
- De dienst voor medische beeldvorming moet opgericht zijn in een algemeen ziekenhuis dat over ten minste 150 acute bedden beschikt. Dit minimum bedraagt 120 bedden, als het ziekenhuis is gevestigd in een gemeente met ten hoogste 25 000 inwoners en het meest nabije ziekenhuis meer dan 15 kilometer verwijderd is. §
- In afwijking van § 1 kunnen de algemene ziekenhuizen wier beddenbestand voor ten minste twee derden bestaat uit bedden voor diagnose en heelkundige behandeling (C-bedden), uit bedden diagnose en geneeskundige behandeling (D-bedden) en uit bedden voor gemengde hospitalisatie C + D (H*-bedden), een dienst voor medische beeldvorming oprichten. Art.
- De dienst voor medische beeldvorming moet 24 uur op 24 uur toegankelijk en operationeel kunnen zijn. Art. 6.In de dienst voor medische beeldvorming moet minimaal de volgende uitrusting aanwezig zijn : a) conventionele radiologie; b) conventionele angiografie; c) echografie. Art.
- De dienst voor medische beeldvorming moet over een medische staf beschikken bestaande uit minstens het equivalent van 3 full-time erkende radiologen". 1.
- Op 25 oktober 1996 wordt de verzoeker door de gemachtigde ambtenaren van de Dienst voor geneeskundige controle verhoord over de installatie en de prestaties van de CT-scan in het Medisch Centrum Aarschot. Uit dat proces- verbaal van verhoor blijkt o.m. dat sinds september 1996 CT-scan-onderzoeken verricht worden en dat deze getarifeerd worden door het Algemeen Ziekenhuis Heilig Hart Tienen en dat daartoe "verzamelgetuigschriften D" met als hoofding Algemeen Ziekenhuis Heilig Hart Tienen worden gebruikt. In verband met het identificatienummer van de CT-scan verklaart de verzoeker dat het beheer van het AZ hem meegedeeld heeft dat het ziekenhuis over een erkenning voor een CT-scan beschikt en dat er een tweede werd aangekocht die in het Medisch Centrum Aarschot werd geplaatst, en dat voor deze CT-scan het identificatienummer van de CT-scan van het AZ werd gebruikt
(710109281110). De verzoeker voegt er nog aan toe overtuigd te zijn dat de CT-scan reglementair geplaatst is omdat dit zo door het beheer van het AZ Tienen werd meegedeeld. VII-23.456-3/17 1.
- Luidens artikel 1 van het koninklijk besluit van 30 december 1986 tot uitvoering van artikel 63, tweede lid, 1/, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, wordt de tegemoetkoming van de ziekte- en invaliditeitsverzekering in de kosten voor de computergestuurde tomografieën, bedoeld in artikel 17, § 1, 12/ van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen, bedoeld in artikel 24 van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, afhankelijk gesteld van de voorwaarde dat die verstrekkingen worden uitgevoerd met een transversale axiale tomograaf met ingebouwd telsysteem geïnstalleerd in een dienst voor medische beeldvorming erkend als medische-technische dienst overeenkomstig de terzake geldende bepalingen van de wet van 23 december 1963 op de ziekenhuizen en haar uitvoeringsbesluiten. Bovendien kan de verzekeringstegemoetkoming in de kosten van vorenbedoelde verstrekkingen slechts worden toegekend indien het getuigschrift voor verstrekte hulp op het document dat hiervoor in de plaats komt, de rubriek "Laboratorium of apparatuur erkend onder nummer" het identificatienummer vermeldt van de in het eerste lid bedoelde dienst dat door het RIZIV werd toegekend. Dit koninklijk besluit werd opgeheven bij het koninklijk besluit van 13 februari 1998 tot uitvoering van artikel 64 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, dat evenwel in zijn artikel 5 een gelijkaardige verplichting inzake erkenning als vereiste voor verzekeringstegemoetkoming stelt. 1.
- Op 29 mei 1997 wordt de verzoeker opnieuw verhoord door de Dienst voor geneeskundige controle en wordt hem meegedeeld dat de door hem verleende verstrekkingen (CT-scan) in strijd zijn met het hierboven vermelde koninklijk besluit van 30 december 1986 (omdat in het Medisch Centrum Aarschot geen dienst voor medische beeldvorming werd erkend en dat het RIZIV aan dit centrum geen erkenningsnummer heeft toegekend). Op de vraag of de verzoeker bereid is de ten onrechte aangerekende prestaties terug te betalen antwoordt deze dat hij dit met de beheerraad van het ziekenhuis wenst te bespreken en benadrukt hij dat hij te goeder trouw was, ervan uit gaande dat het Medisch Centrum Aarschot één geheel vormt met het AZ Tienen, o.m. omdat er maar één diensthoofd medische beeldvorming is. 1.
- Op 16 april 1999 wordt de verzoeker opnieuw verhoord door de Dienst voor geneeskundige controle en wordt hem een proces-verbaal van vaststelling van 68 bladzijden overhandigd (waarin de lijst van ten onrechte aan de VII-23.456-4/17 verzekeringsinstellingen aangerekende prestaties verleend tussen 1 mei 1997-30 april 1998 is opgenomen). Bij het verhoor verklaart de verzoeker het volgende : "Ik overhandig u een schrijven gericht aan E.Z. J. Lenaerts de afgevaardigd beheerder van de VZW H. HART TIENEN dd. 23/07/
- Na uw tweede bezoek heeft er zich een ernstig conflict voorgedaan tussen mij en de beheerraad: ik weigerde nog facturen te ondertekenen. De beheerraad liet mij weten dat een verdere weigering van tekenen mijn ontslag zou betekenen. Ik heb dit schrijven gericht en ontving hierop het schrijven van J. Lenaerts dd. 23/07/1997 waarvan ik u copij overhandig. Sedertdien teken ik opnieuw de getuigschriften aangaande de CT scans. De tenlastelegging heeft in geen enkel opzicht te maken met de nomenclatuur inhoudelijk of met overconsumptie: het enige probleem betreft de erkenning en ik meen dat de beheerraad hiervoor verantwoordelijk is. Het is ook niet mijn taak een erkenning aan te vragen en te controleren of ze er wel is; ik moet de beheerder niet wijzen op zijn verplichtingen". 1.
- Ook de beheerraad wordt verhoord door de Dienst voor geneeskundige controle (op 6 december 1996 en 26 september 1997). Uit deze verhoren blijkt de overtuiging van de beheerraad dat er geen afzonderlijke erkenning van de CT-scan in het Medisch Centrum Aarschot vereist is. 1.
- Bij brief van 23 juli 1999 dient de verzoeker een verweerschrift in bij de Dienst voor geneeskundige controle. Naar aanleiding van dit verweerschrift onderzoekt het Comité van de Dienst voor geneeskundige controle het dossier en beslist het de verzoeker naar de Beperkte kamer te verwijzen. Bij aangetekend schrijven wordt de verzoeker uitgenodigd om te verschijnen voor de Beperkte kamer op 18 mei
- Op die datum verschijnt de verzoeker voor de Beperkte kamer en wordt hij gehoord. De Beperkte kamer beslist enerzijds dat aan de verzekeringsinst ellingen een verbo d opgelegd wo rdt om een verzekeringstegemoetkoming te verlenen in de kosten van de geneeskundige verstrekkingen verleend door de verzoeker over een periode van veertien dagen, en anderzijds dat ten onrechte geattesteerde prestaties (over de periode 1 mei 1997- 30 april 1998) voor een bedrag van 5.906.440 frank moeten terugbetaald worden (zij het dat de verzoeker de mogelijkheid geboden wordt deze terugbetaling te spreiden over 24 maanden). In deze beslissing wordt o.m. het volgende overwogen : "Inzake de feiten welke dokter VERHILLE ten laste worden gelegd, is de Beperkte Kamer van oordeel dat, gelet op de stukken van het dossier en na betrokkene te hebben gehoord, deze bewezen zijn en dus weerhouden worden. Dokter VERHILLE ontkent deze feiten overigens niet en verklaart zich bereid tot volledige terugbetaling. De Beperkte Kamer wenst er op te wijzen dat de goede trouw en/of de onwetendheid van een zorgverlener en de bereidheid tot terugbetaling van de ten VII-23.456-5/17 onrechte aangerekende prestaties, de toepassing van een sanctie niet uitsluit. Van iedere zorgverlener wordt verwacht dat hij voldoende kennis heeft van de vigerende reglementaire bepalingen. Vooral van die nomenclatuurcodes die specifiek tot zijn beroepsdomein behoren. (...) Goede trouw is als rechtvaardigheidsgrond op zich niet voldoende om de schuld van comparant weg te nemen. Het feit dat dokter VERHILLE onder druk van zijn werkgever zou gestaan hebben en zou bedreigd geweest zijn met ontslag, rechtvaardigt geenszins de hem ten laste gelegde feiten. De Beperkte Kamer benadrukt dat een zorgverlener altijd strafbaar is wanneer hij zich niet gedraagt of voegt naar de wettelijke en reglementaire bepalingen van de verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen. Bedrieglijk opzet is in de administratiefrechtelijke zin niet vereist. Een verbod tot verzekeringstegemoetkoming kan zelfs worden opgelegd in geval van louter administratieve vergissing. (...)". 1.
- Deze beslissing wordt bij aangetekend schrijven van 6 juni 2000 aan de verzoeker betekend. Deze laatste dient bij aangetekend schrijven van 15 juni 2000 beroep in tegen deze beslissing bij de Commissie van beroep van het RIZIV. Bij aangetekend schrijven van 9 november 2000 wordt hij uitgenodigd om op 19 december 2000 te verschijnen voor de Commissie van beroep teneinde door deze gehoord te worden. Hij verschijnt persoonlijk, bijgestaan door zijn raadsman en legt zijn beroepsbesluiten ter zitting neer. Hij voert onder meer het volgende aan : "B. POSITIE van Dr. VERHILLE (in ondergeschikte orde) De vermeende inbreuken kunnen Dr. Verhille niet persoonlijk ten laste worden gelegd. Voor de Beperkte kamer wierp Dr. Verhille reeds op dat de inbreuken uitsluitend betrekking hebben op de erkenningsproblematiek van het Medisch Centrum Aarschot en geen verband houden met de conformiteit van de verstrekte prestaties met de nomenclatuurnummers. Dr. Verhille stelde dat hij niet verantwoordelijk is voor het erkenningsregime van het ziekenhuis. Dit behoort tot de uitsluitende bevoegdheid van de ziekenhuisbeheerder. Dr. Verhille meent dan ook dat hij het erkenningsregime van het ziekenhuis niet in vraag kan stellen. Hij is daartoe niet bevoegd en het zou bovendien niet in dank worden afgenomen. Tenslotte wierp Dr. Verhille op dat uit geen enkel feitelijk element kon worden afgeleid dat de CT - scan prestaties niet mochten worden aangerekend onder het identificatienummer van de VZW A.Z Heilig Hart Tienen. De Beperkte Kamer stelde daartegenover dat van Dr. Verhille verwacht mag worden dat hij voldoende kennis heeft van de vigerende reglementerende bepalingen. De Beperkte Kamer oordeelt dat de onwetendheid van Dr. Verhille wat betreft het erkenningsregime van de CT - scan de toepassing van een sanctie niet uitsluit. De beperkte Kamer benadrukte dat een zorgverlener altijd strafbaar is wanneer hij zich niet gedraagt of voegt naar de wettelijke en reglementaire bepalingen van de verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkering. Bedrieglijk opzet is in administratiefrechtelijke zin niet vereist. Het is inderdaad juist dat artikel 156 ZIV- Wet geen bijzonder opzet vereist. Om die reden oordeelde de Beperkte Kamer dat het irrelevant is dat de niet- VII-23.456-6/17 naleving van de wets - of verordeningsbepalingen betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkering niet opzettelijk gebeurd is. Dit n(ee)mt echter niet (...) weg dat een algemeen opzet vereist is. Zelfs wanneer men de niet naleving van de reglementering vergelijkt met een onopzettelijk misdrijf, moet aangenomen worden dat rechtvaardigingsgronden kunnen gelden. Zo kan een overmachtsituatie zeker als een rechtvaardigingsgrond in aanmerking worden genomen. In casu doen er zich twee overmachtsituaties voor: 1) de houding die het ziekenhuis in deze aangelegenheid inneemt, geldt zeker als een overmachtsituatie in hoofde van Dr. Verhille. Het ziekenhuis heeft Dr. Verhille meegedeeld dat de CT - scan prestaties wel degelijk onder het identificatienummer van het A.Z Heilig Hart moeten aangerekend worden en dat dit terecht gebeurt. Dit werd bevestigd door een verklaring van de heer Frans Vuerinckx, opgenomen in het bundel van het RIZIV. De heer Frans Vuerinckx verklaarde op 26 september 1997: 'In verband met het aanrekenen van CT-onderzoek in het medisch Centrum Aarschot wens ik het volgende te zeggen: ik blijf bij mijn vorig standpunt, namelijk dat het Centrum te Aarschot als dagziekenhuis integraal deel uitmaakt van het Heilig Hart Ziekenhuis te Tienen en dat we als dusdanig beschikken over het nodige erkenningsnummer om de prestaties aan te rekenen. Dus we rekenen deze CT-onderzoeken verder aan, en zijn niet bereid tot enige terugbetaling'. Aan Dr. Verhille werd schriftelijk de volgende opdracht gegeven : 'Wij eisen dat U, op straffe van schorsing, verder de prestaties uitvoert zoals in het verleden op het CT-toestel in de Dienst (medische beeldvorming) van het Algemeen Ziekenhuis Heilig Hart te Aarschot en de ereloonnota's ondertekent, ondanks het lopende onderzoek voor de Dienst voor geneeskundige controle van het RIZIV'. Dr. Verhille mocht er derhalve van uitgaan dat de prestaties op een correcte wijze werden aangerekend. De houding van het ziekenhuisbeheer moet bijgevolg als rechtvaardigingsgrond worden aangenomen in hoofde van Dr. Verhille. Het feit dat Dr. Verhille de CT - scan prestaties aan(...)rekende onder het identificatienummer van het ziekenhuis kan dan ook bezwaarlijk tot sanctionering leiden. 2) De reglementering inzake de erkenning van de dienst medische beeldvorming en van de functie 'chirurgische daghospitalisatie' was zo onduidelijk dat er onmogelijk kan gesteld worden dat de betreffende prestaties ten onrechte werden aangerekend. Integendeel. Uit de stukken van het dossier blijkt dat de transversale axiale tomograaf wel degelijk staat opgesteld in een erkende dienst (deze van de VZW A.Z. Heilig Hart). De Beperkte Kamer heeft trouwens in zijn eerder geciteerde beslissing van 26 september 2000 expliciet erkend dat het Medisch Centrum Aarschot als campus integraal deel uitmaakt van de VZW A.Z. Heilig Hart, hetgeen dan weer automatisch tot gevolg heeft dat de erkenning van de dienst voor medische beeldvorming ook op het Medisch Centrum Aarschot toepasselijk is. Het feit dat zowel het Comité als de Beperkte Kamer eerder beslisten dat het Medisch Centrum Aarschot geen onderdeel (campus) zou uitmaken van de VZW A.Z. Heilig Hart Tienen, terwijl later de Beperkte Kamer deze band wel integraal heeft erkend toont duidelijk aan dat het hier een zeer complexe materie betreft. VII-23.456-7/17 Door haar beslissing van 26 september 2000 heeft de Beperkte Kamer alle twijfel en grond tot discussie weggenomen m.b.t. de positie van het Medisch Centrum Aarschot ten aanzien van de VZW A.Z. Heilig Hart Tienen. Indien alsnog zou worden vastgesteld dat de tomograaf niet staat opgesteld in een erkende dienst, wat zeker niet het geval zal zijn, kan dit, gelet op de onduidelijke reglementering, evenmin tot sanctionering leiden in hoofde van Dr. Verhille. Het staat ontegensprekelijk vast dat de prestaties terecht werden aangerekend onder het identificatienummer van het ziekenhuis. De Beperkte Kamer heeft in zijn beslissing van 26 september 2000 aanvaard dat het Medisch Centrum Aarschot integraal deel uitmaakt van de VZW A.Z. Heilig Hart Tienen, hetgeen eveneens blijkt uit het erkenningsbesluit van de Minister. Bijgevolg mocht ook het identificatienummer van het ziekenhuis worden gebruikt. De goede trouw van Dr. Verhille staat eveneens ontegensprekelijk vast. Voor de Beperkte Kamer heeft Dr. Verhille reeds benadrukt dat hij volstrekt te goeder trouw was bij het aanrekenen van de CT -scan prestaties; De beperkte Kamer heeft dit expliciet erkend. De beperkte Kamer stelt evenwel dat de goede trouw op zich als rechtvaardigingsgrond niet voldoende is om de schuld van Dr. Verhille weg te nemen. Evenmin aanvaardt de Beperkte Kamer de druk van het Ziekenhuis als rechtvaardigingsgrond. Hoger werd reeds uiteengezet dat er in hoofde van Dr. Verhille wel degelijk rechtvaardigingsgronden voorhanden zijn. Dr. Verhille werd immers geconfronteerd met een overmachtsituatie. Deze situatie was het gevolg van de houding, ingenomen door het Heilig Hart Ziekenhuis enerzijds, en anderzijds van de zeer complexe en onduidelijke reglementering. Dr. Verhille blijft dan ook bij zijn standpunt. Rekening houdende met de goede trouw in hoofde van Dr. Verhille en rekening houdende met de overmachtsituatie kunnen de ten laste gelegde feiten niet tot een sanctionering leiden in hoofde van Dr. Verhille". 1.
- Op 12 februari 2001 heeft de Commissie van beroep de beroepen beslissing bevestigd . Dit is de bestreden beslissing. Het beroep van de verzoeker wordt in de bestreden beslissing als volgt beoordeeld : "BEOORDELING Luidens artikel 156 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 kunnen, onverminderd de eventuele strafrechtelijke en tuchtvervolging en afgezien van de bepalingen uit de overeenkomsten of verbintenissen, bedoeld in titel III, de in artikel 141, §2 bedoelde beperkte kamers de verzekeringsinstellingen het tegemoetkomen in de kosten van de geneeskundige verstrekkingen verbieden over een tijdvak van vijf dagen tot één jaar, wanneer ze worden verleend door de zorgverlener die de wets- en verordeningsbepalingen betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging of de uitkeringen niet naleeft. Hieruit volgt dat de administratieve sanctionering zoals bepaald in artikel 156 voormeld volkomen los staat van de straf- en tuchtrechtelijke principes en rechtsbeginselen. VII-23.456-8/17 Het niet-naleven van de wets- en verordeningsbepalingen betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen is op zichzelf voldoende om administratief gesanctioneerd te worden. De door appellant ingeroepen overmachtsituaties als rechtvaardigingsgrond kunnen door de Beperkte Kamer en door de Commissie van Beroep weliswaar in aanmerking genomen worden om de hoegrootheid (tussen 5 dagen en één jaar) van de sanctietoemeting te bepalen, maar kunnen geenszins het wederrechtelijk karakter van de inbreuk op de wets- en verordeningsbepalingen inzake de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen wegnemen. Bovendien impliceert overmacht het bestaan van een onvoorzienbare en onoverkomelijke gebeurtenis met een uitwendige oorzaak. Overmacht onderstelt derhalve een buiten de wil gelegen feit waaraan appellant in de onmogelijkheid is te verhelpen. Te dezen is aan die voorwaarden niet voldaan. Noch de houding van het ziekenhuisbeheer, noch de onduidelijke reglementering inzake de erkenning van de dienst medische beeldvorming en van de functie 'chirurgische daghospitalisatie' zijn omstandigheden die niet voorzienbaar zijn. Te dien aanzien moet worden vastgesteld dat de nomenclatuurbepaling ter zake duidelijk is en niet voor interpretatie vatbaar. Inderdaad, de reglementaire basis voor de tenlastelegging aan appellant betreft het Koninklijk Besluit van 30 december 1986 tot uitvoering van artikel 63, tweede lid, 21/ van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 (voorheen artikel 153, §6, tweede lid ,1/ van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering). Luidens artikel 1 wordt de tegemoetkoming van de verzekering in de kosten van computergestuurde tomografieën bedoeld in artikel 17,§1, 12/ van de nomenclatuur van de geneeskundige verstrekkingen bedoeld in artikel 24 van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, afhankelijk gesteld van de voorwaarde dat die verstrekkingen worden uitgevoerd met een transversale axiale tomograaf met ingebouwd telsysteem geïnstalleerd in een dienst voor medische beeldvorming erkend als medisch technische dienst overeenkomstig de ter zake geldende bepalingen van de wet van 23 december 1963 op de ziekenhuizen (artikel 6bis, §2, 6/bis, thans artikel 44 van de wet op de ziekenhuizen, gecoördineerd op 7 augustus 1987) en haar uitvoeringsbesluiten. Bovendien kan de verzekeringstegemoetkoming in de kosten van de vorenbedoelde verstrekkingen slechts worden toegekend indien het getuigschrift voor verstrekte hulp of het document dat hiervoor in de plaats komt, in de rubriek 'Laboratorium of apparatuur erkend onder het nummer', het identificatienummer vermeldt van de op het eerste lid bedoelde dienst dat door het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering werd toegekend. De volgende feitelijkheden staan vast en worden door appellant overigens niet betwist: - dat hij als zorgverlener verzamelgetuigschriften model D heeft ondertekend en uitgereikt met aanrekening aan de ziekteverzekering van verstrekkingen uit artikel 17, 11/ (voorheen 12/) van de nomenclatuur der geneeskundige verstrekkingen, met name prestaties van computergestuurde tomografieën die allen werden uitgevoerd in het medisch Centrum Aarschot, Langdorpsesteenweg,129 te 3200 Aarschot en dat op deze getuigschriften model D als instelling wordt vermeld: 'Algemeen Ziekenhuis H. Hart, Radiologie, Kliniekstraat,45,3300 Tienen'; - dat bij de rubriek 'Laboratorium of apparatuur erkend onder het nr.' wordt het nummer 71010928110 vermeld, het identificatienummer dat door het RIZIV VII-23.456-9/17 werd toegekend aan de dienst voor medische beeldvorming van het Heilig Hartziekenhuis van Tienen, Kliniekstraat,45; - dat door het RIZIV aan het Medisch Centrum te Aarschot geen identificatienummer voor een dienst voor medische beeldvorming waarin een transversale axiale tomograaf wordt geïnstalleerd, werd toegekend zoals bepaald in artikel 4 van het Koninklijk Besluit van 30 december
- Hieruit blijkt meer dan voldoende dat appellant de wets- en verordeningsbepalingen betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen niet heeft nageleefd, zoals bepaald in artikel 156,§ 1 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli
- Bovendien heeft de wetgever bij artikel 7 van de wet van 28 december 1999 artikel 156 voormeld aangevuld in die zin dat de zorgverlener de uitgaven met betrekking tot verstrekkingen ten laste van de verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen die niet conform de bovengenoemde wettelijke en reglementaire bepalingen zijn bevonden, dient terug te betalen. Hieruit volgt dat de Beperkte Kamer de wettelijke verplichting had de uitgaven die niet conform de wettelijke en reglementaire bepalingen werden bevonden, van appellant persoonlijk terug te vorderen. Zoals appellant stelt, is het ziekenhuisbeheer van de VZW A.Z. Heilig Hart Tienen inderdaad belanghebbende partij in dit dossier. Vandaar dat de Commissie van Beroep het verzoek van appellant om iemand van het beheer van de VZW A.Z. Heilig Hart Tienen ter terechtzitting te horen, afwijst. De verklaringen van de afgevaardigd beheerder, de heer Vuerinckx, en de brief dd. 23 juli 1997 van E.Z.J. Lenaerts, afgevaardigd beheerder, beide van de VZW A.Z. Heilig Hart ziekenhuis Tienen, wijzen op de moeilijke arbeidsrelatie waarin appellant zijn geneeskundige prestaties diende uit te voeren.(zie Feitenrelaas blz.9,10 en 11). Een geneesheer die in ondergeschikt verband zijn functie uitoefent onder het gezag en het toezicht van de bestuurder-directeur van de instelling, dient zich te houden aan de verplichtingen en de richtlijnen opgelegd door zijn opdrachtgever, voor zover zijn therapeutische autonomie niet wordt aangetast. Appellant heeft, als geneesheer-radioloog en uitvoerder van prestaties op het CT-toestel in de dienst 'medische beeldvorming' van het Algemeen Ziekenhuis H. Hart te Aarschot, die prestaties ten onrechte geattesteerd op verzamelgetuigschriften model D met vermelding van Algemeen Ziekenhuis H. Hart,Tienen. De tenlastelegging komt derhalve als bewezen voor. De thans door appellant bijgebrachte beslissing van de Beperkte Kamer in het dossier van de VZW Algemeen Ziekenhuis H. Hart (dossier 4152/MV/VM/DL-HQ- E/97065402-24) is ter zake niet relevant en weerlegt geenszins de aan appellant ten laste gelegde feiten (het ten onrechte ondertekenen, uitreiken en aanrekenen van verzamelgetuigschriften model D). Voor genoemde feiten is het immers zonder belang te weten of het Medisch Centrum Aarschot al dan niet een aparte entiteit vormt, maar als onderdeel van de VZW A.Z. H. Hart Tienen juridisch en organisatorisch functioneert. Bovendien werd voornoemde beslissing van de Beperkte Kamer uitgesproken ten laste van de afgevaardigd beheerder van de VZW A.Z. H.Hart Tienen. Aan hem werd ten laste gelegd dat het Medisch Centrum Aarschot geen erkende verpleeginrichting was en geen forfaits mocht attesteren en in rekening brengen bij de ziekteverzekering. Deze tenlastelegging staat aldus volkomen los van deze die aan appellant wordt aangerekend. De opmerkingen en de interpretaties geformuleerd door appellant aangaande de kwaliteit van de medische beeldvorming, de chirurgische dagziekenhuisactiviteit zijn ter zake niet dienend. VII-23.456-10/17 Appellant dient de wets-en verordeningsbepalingen betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen strikt en nauwkeurig na te leven. De Commissie van Beroep sluit zich aan bij de motivering van de Beperkte Kamer waarin wordt gesteld dat dokter Verhille als geneesheer-specialist (radioloog) door het verwerven van een RIZIV- erkenningnummer medewerker is geworden van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering en daardoor de verbintenis heeft aangegaan niets te doen dat de goede werking ervan kan schaden. Het is de wetgever die zich tot taak heeft gesteld de toegang tot de gezondheidszorg te waarborgen door tariefzekerheid, de doorzichtigheid in de ziekenhuissector te verbeteren en de misbruiken die zich er zouden voordoen te vermijden. De Commissie van Beroep zou zich overigens mengen in budgettaire evaluaties die tot het domein van de politieke keuzes behoren als het zou oordelen over de economische en financiële gevolgen bij het oprichten van een dienst voor medische beeldvorming waarin een transversale axiale tomograaf zou worden opgesteld. Om beter te beantwoorden aan de evoluerende behoeften enerzijds en over voldoende garanties te beschikken voor een efficiënt gebruik van het toestel anderzijds, stelt de wetgever de erkenning van het aantal diensten voor medische beeldvorming waarin dit apparaat staat opgesteld, afhankelijk van de programmatie van de transversale axiale tomograaf. De Commissie van Beroep wijst het hoger beroep als ongegrond af, zodat de beslissing van de Beperkte Kamer van 18 mei 2000 bevestigd wordt in al haar onderdelen. Wat de opgelegde sanctie betreft, is de Commissie van Beroep van oordeel dat de Beperkte Kamer op een verantwoorde manier en volkomen terecht, aan de verzekeringsinstellingen verbod heeft opgelegd tegemoet te komen, in de kosten van de geneeskundige verstrekkingen, welke door dokter Rik Verhille zullen verleend worden over een periode van veertien
(14)dagen. De Beperkte Kamer heeft terecht verwezen naar het zeer aanzienlijke bedrag van de ten onrechte in rekening gebrachte prestaties, maar houdt, bij de bepaling van de strafmaat rekening met het feit dat het een eerste maal is dat dokter Rik Verhille voor de Beperkte Kamer is dienen te verschijnen en hij klaarblijkelijk het verkeerde van zijn handelwijze heeft ingezien";
- Ontvankelijkheid Overwegende, wat de door de bestreden beslissing opgelegde terugbetaling betreft, dat niet wordt betwist dat die inmiddels is gebeurd, weze het niet door de verzoeker zelf, maar door het ziekenhuis waarvoor deze laatste werkt; dat het auditoraatsverslag hieruit afleidt dat de verzoeker geen belang heeft bij de vernietiging van dit deel van de bestreden beslissing; dat de verzoeker geen laatste memorie heeft ingediend, en de stelling van de auditeur aldus niet bestrijdt; dat hij ter terechtzitting zelfs verwijst naar dat verslag; dat in die omstandigheden wordt aangenomen dat de verzoeker wat dit luik van de bestreden beslissing betreft geen blijk van belangstelling meer geeft, en derhalve niet het vereiste belang heeft bij de vernietiging ervan; VII-23.456-11/17
- Ten gronde 3.
- Standpunten van de partijen 3.1.
- Overwegende dat de verzoeker zijn derde middel afleidt uit de schending van artikel 156, eerste lid, van de ZIV-wet : "doordat, de Commissie van Beroep vaststelt dat overeenkomstig artikel 156, lid 1 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, de Beperkte Kamer terecht de verzekeringsinstellingen het verbod opleggen om tegemoet te komen in de kosten der verstrekkingen die zullen worden verleend door dokter Verhille over een tijdvak van 14 dagen; terwijl, dokter Verhille geen inbreuk heeft gepleegd op de door de Commissie van Beroep bedoelde rechtsregel TOELICHTING Dit middel betreft enkel en alleen het opgelegde verbod om tegemoet te komen in de kosten der verstrekkingen die zullen worden verleend door dokter Verhille over een tijdvak van 14 dagen. Artikel 156, lid 1 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, bepaalt het volgende : 'Onverminderd de eventuele strafrechtelijke en tuchtvervolging en afgezien van de bepalingen uit de overeenkomsten of verbintenissen, bedoeld in titel III, kunnen de ... beperkte kamers de verzekeringsinstellingen het tegemoetkomen in de kosten van de geneeskundige verstrekkingen verbieden over een tijdvak van vijf dagen tot één jaar wanneer ze worden verleend door een zorgverlener die de wets- of verordeningsbepalingen betreffende de veplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen niet naleeft'. De Commissie van Beroep haalt uit deze wetsbepaling een aantal gevolgtrekkingen: 'Het niet-naleven van de wets- en verordeningsbepalingen betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen is op zichzelf voldoende om administratief gesanctioneerd te worden'. De Commissie van Beroep stelt het inderdaad juist wanneer zij stelt dat de wet niet vereist dat de ZIV-reglementering met opzet wordt miskend. Ook Uw Raad heeft dit erkend. Dit impliceert vanzelfsprekend dat de gesanctioneerde persoon wel diegene is die een bepaling van de ZIV-reglementering heeft overtreden. Men kan immers niet gesanctioneerd worden voor een bepaling die men zelf niet overtreden heeft. Aldus heeft dokter Verhille voor de Commissie van Beroep gesteld dat deze inbreuken hem niet persoonlijk ten laste gelegd kunnen worden. De Commissie van Beroep legt dokter Verhille het ondertekenen en uitreiken van verzamelgetuigschriften model D met als identificatienummer het nummer dat door het RIZIV werd toegekend aan de dienst voor medische beeldvorming van het H. Hart Ziekenhuis van TIENEN, Kliniekstraat 45, waar deze verzamelgetuischriften betrekking hadden op CT-prestaties die verricht zijn in het Medisch Centrum te Aarschot, alwaar -aldus de Commissie van Beroep- geen dienst voor medische beeldvorming waarin een (CT-scan) wordt geïnstalleerd, erkend is. De Commissie van Beroep sanctioneert dokter Verhille op grond van een inbreuk op artikel 1 van het K.B. van 30 december 1986 tot uitvoering van VII-23.456-12/17 artikel 63, tweede lid, 1/ van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli
- Dit artikel bepaalt wat volgt: 'De tussenkomst van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen in de verstrekkingen opgenomen in artikel 17, § 1, 12/ ... van de nomenclatuur (zijnde CT-prestaties,) ..., wordt afhankelijk gesteld van de voorwaarde dat ze worden verricht in een dienst die erkend is'. De ganse redenering van de Commissie van Beroep die heeft geleid tot de sanctionering van dokter Verhille, valt te herleiden tot de beweerde niet-erkenning van de dienst voor het Medisch Centrum Aarschot. Met andere woorden, de Commissie van Beroep stelt dat dokter Verhille slechts rechtmatig een tussenkomst voor zijn prestaties kon vragen aan het RIZIV, voor zover hij een erkenning bezat. Immers, in dit specifieke geval blijkt de rechtmatigheid van het gebruik van het verzamelgetuigschrift model D enkel en alleen afhankelijk te zijn van de draagwijdte van de erkenning van de dienst voor medische beeldvorming. Welnu, de vermeende door dokter Verhille overtreden rechtsregel, zijnde het niet in bezit zijn van een erkenning, kan hij eenvoudigweg niet overtreden hebben en heeft hij bijgevolg ook niet overtreden. Immers, overeenkomstig artikel 45bis van de ziekenhuiswet zijn het ziekenhuizen die een aanvraag tot erkenning van een dienst moeten indienen. Uit de feitelijke uiteenzetting blijkt dat zowel dokter Verhille als de verantwoordelijken van het A.Z. H. Hart de overtuigde mening zijn toegedaan dat de erkenning voor een dienst medische beeldvorming van het A.Z. ook geldt voor het Medisch Centrum Aarschot. Met andere woorden, de verantwoordelijken van het A.Z. zelf bevestigen dat zij overeenkomstig art. 45bis van de ziekenhuiswet de erkenning hebben aangevraagd en deze overeenkomstig art. 44 van de ziekenhuiswet hebben verkregen, ook wat betreft het Medisch Centrum Aarschot. Het is derhalve -mocht er dan al sprake zijn van een inbreuk op de reglementering- het Ziekenhuis dat na heeft gelaten de nodige stappen te ondernemen om een erkenning voor het Medisch Centrum Aarschot aan te vragen en zo mogelijk een rechtsregel heeft overtreden. Aldus blijkt de Commissie van Beroep een verbod op te leggen om tegemoet te komen in de kosten der verstrekkingen die zullen worden verleend door dokter Verhille over een tijdvak van 14 dagen, waar dokter Verhille geen enkele rechtsregel overtreden heeft. Derhalve is ook dit middel gegrond"; 3.1.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord repliceert : "Dr.Verhille zou geen inbreuk hebben gepleegd op de door de Commissie van beroep bedoelde rechtsregel. Het komt nogal onwaarschijnlijk over dat zowel het ondertekenen van de gvvh als het tegelijkertijd vermeld worden als verstrekker op die gvvh niet de verantwoordelijkheid van de desbetreffende zorgverlener-ondertekenaar met zich zou meebrengen. Het is nogal vanzelfsprekend dat voor het bij de ziekteverzekering in rekening brengen van CT-scans én de vereiste bekwaming van radioloog én van een dienst voor medische beeldvorming waarin een CT-scan is geïnstalleerd, samen nodig zijn. Het feit dat niet werd voldaan aan het criterium 'dienst voor medische beeldvorming waarin een CT-scan is geïnstalleerd' is ingevolge het VII-23.456-13/17 eerste middel duidelijk. Aldus werd onterecht terugbetaling van de ziekteverzekering voor deze prestaties bekomen. Het feit dat Dr.Verhille als verstrekker werd vermeld, tevens zijn handtekening plaatste op de desbetreffende gvvh, staaft zijn verantwoordelijkheid volkomen, ook wanneer het de erkenning van de dienst voor medische beeldvorming waarin een CT-scan is geïnstalleerd, betreft. Er kan worden aangenomen dat de ZIV-reglementering niet met opzet werd miskend, wat evenwel de verantwoordelijkheid van de zorgverlener-ondertekenaar niet wegneemt. Aldus heeft Dr.Verhille wel degelijk een inbreuk gepleegd op de reglementering en is art. 156, lid 1 van de ziektewet onverkort van toepassing. Dit derde en laatste middel faalt naar recht en dient te worden verworpen"; 3.1.
- Overwegende dat de verzoeker in zijn memorie van wederantwoord stelt : "Verzoekende partij ziet niet in op welke wijze de argumentatie van verwerende partij het middel ontkracht, wel integendeel. De verwerende partij wijst immers zelf op de bekwaamheid van de radioloog als essentiële voorwaarde voor de uitvoering van CT-scans. Het klopt inderdaad dat de bekwaamheid van de radioloog een persoonlijke verantwoordelijkheid vormt en aldus de eraan gekoppelde aansprakelijkheid van verzoekende partij creëert. Verzoekende partij gaat er eveneens mee akkoord dat de erkenning van de CT-scan een conditio sine qua non uitmaakt om op regelmatige wijze terugbetaalbare CT-scanonderzoeken uit te voeren, maar ziet niet in op welk punt van de erkenning de verzoekende partij enige verantwoordelijkheid noch aansprakelijkheid kàn dragen. Dit geldt des te meer nu de verwerende partij erkent dat er geen sprake kan zijn geweest van opzet in hoofde van de verzoekende partij"; 3.
- Bespreking 3.2.
- Overwegende dat het middel in het auditoraatsverslag als volgt wordt samengevat, en de verzoeker zich tegen die lezing niet verzet : "Verzoekende partij voert in essentie in het derde middel aan dat verwerende partij op grond van de loutere vaststelling van de inbreuk (inbreuk die zij ook betwist) beslist heeft tot het opleggen van de bestreden sanctie, terwijl die inbreuk (aangenomen dat ze er was) niet aan verzoeker kon aangerekend worden vermits de inbreuk enkel bestond in het ontbreken van een erkenning als dienst voor medische beeldvorming waar een CT-scan staat opgesteld, waarvoor enkel het ziekenhuisbeheer verantwoordelijk is, en terwijl geen rekening gehouden werd met de door verzoeker ingeroepen rechtvaardigingsgronden, o.m. deze waaruit blijkt dat het ziekenhuisbeheer steeds heeft volgehouden dat ze over de vereiste erkenning beschikte"; 3.2.
- Overwegende dat het middel, in die lezing, gegrond wordt bevonden in het auditoraatsverslag, waarbij gesteld wordt dat de Commissie van VII-23.456-14/17 beroep de draagwijdte van artikel 156 van de ZIV-wet, dat de mogelijkheid, en niet de verplichting, voorziet om een sanctie op te leggen bij vastgestelde inbreuken, heeft miskend, door niet in te gaan op het argument van de verzoeker dat niet hij verantwoordelijk is voor de bedoelde inbreuken, doch het ziekenhuisbeheer, en dat daarbij ten onrechte wordt vertrokken van de stelling dat overmacht geen grond kan zijn om te besluiten tot het niet opleggen van een sanctie, maar alleen kan betrokken worden op de keuze van de sanctie; 3.2.
- Overwegende dat de verwerende partij geen laatste memorie heeft ingediend, en ook ter terechtzitting geen verweer biedt tegen de bovenvermelde visie van het auditoraat; 3.2.
- Overwegende dat moet worden vastgesteld dat de bestreden beslissing vertrekt van het uitgangspunt dat overmacht niet kan betrokken worden op de vraag of er grond bestaat tot het opleggen van een sanctie na vaststelling van een inbreuk op de ZIV-regelgeving en dat de zorgenverstrekker die de desbetreffende attesten en verzamelstaten heeft ondertekend steeds moet worden gesanctioneerd; dat dit strijdt met artikel 156 van de ZIV-wet dat een appreciatiemogelijkheid laat aan het bevoegde orgaan van het RIZIV om, na vaststelling van een inbreuk op de ZIV- regelgeving, al dan niet een sanctie uit te spreken; dat het feit dat de verzoeker de desbetreffende verzamelstaten heeft ondertekend, gelet op de door die verzoeker tegen de beslissing van de Beperkte kamer geformuleerde grieven, niet volstaat om te besluiten dat hij hoe dan ook moet worden gesanctioneerd, ook al zou de bewuste tomograaf niet erkend zijn; dat een en ander des te meer klemt nu de bestreden beslissing zelf onder meer stelt dat de verzoeker onder het gezag en toezicht stond van het ziekenhuisbeheer en zich diende te houden aan de richtlijnen opgelegd door zijn opdrachtgever, zijnde precies het argument waarop de verzoeker zich beroept om te stellen dat de bewuste inbreuk hem niet kan aangerekend worden; dat het middel in die mate gegrond is, VII-23.456-15/17 BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van 12 februari 2001 van de Commissie van beroep, ingesteld bij de Dienst voor geneeskundige controle van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering, waarbij de beslissing van 18 mei 2000 van de Beperkte kamer wordt bevestigd, in zoverre aan de verzekeringsinstellingen verbod wordt opgelegd tegemoet te komen in de kosten der geneeskundige verstrekkingen welke door Rik VERHILLE zullen worden verleend over een periode van veertien dagen. Artikel
- Het beroep wordt voor het overige verworpen. Artikel
- Dit arrest zal worden overgeschreven in de registers van de voormelde Commissie en melding ervan zal worden gemaakt op de kant van de gedeeltelijk vernietigde beslissing. Artikel
- De zaak wordt verwezen naar de Kamer van beroep. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. VII-23.456-16/17 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien november tweeduizend en zes, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-23.456-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.821 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div