← België

Arrest 164826 - - 16/11/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:20

§ 4". 1.2.

De bestreden beslissing is als volgt tot stand gekomen : - Met een nota CGV nr. 2001/336 van 27 november 2001 wordt het Verzeke- ringscomité verzocht zich uit te spreken over een ontwerp van koninklijk besluit VII-26.765-2/31 betreffende de verplichte inning van het persoonlijk aandeel in de kosten van terugbetaalbare farmaceutische specialiteiten. Het ontwerp kadert in de besparingsmaatregelen om de budgettaire doelstellingen te halen, waarbij een bedrag van 34.705.093 euro (1,4 miljard BEF) geïnd worden ten laste van de apothekers, te berekenen via een percentage op het persoonlijk aandeel van de rechthebbenden en te innen door de tariferingsdiensten, alsook de verplichte en integrale inning van het remgeld. - Een ontwerp van koninklijk besluit wordt op 1 februari 2002 besproken tijdens de vergadering van de Overeenkomstencommissie Apothekers- Verzekeringsinstellingen. - De bespreking in de overeenkomstencommissie heeft geleid tot een aantal aanpassingen van het ontwerp. De commissie stelde voor het tweede en derde lid van artikel 2 als volgt te vervangen : "Deze inning dient integraal te gebeuren. Het persoonlijk aandeel van de rechthebbenden mag, rechtstreeks of onrechtstreeks, niet het voorwerp uitmaken van enige afwijking en uitzondering van welke aard of vorm ook". Ten aanzien van dit voorstel merkt de Dienst voor de Geneeskundige Verzorging op dat dit tweede lid (zowel het oorspronkelijke als het aangepaste) niet in overeenstemming lijkt met het mededingingsrecht, voor zover het geven van kortingen hierdoor feitelijk verboden wordt. - Met nota CGV nr. 2002/52 aan het Verzekeringscomité wordt het gewijzigd ontwerp opnieuw voor advies aan het Verzekeringscomité voorgelegd. De bespreking van het ontwerp op de vergadering van het Verzekeringscomité van 4 maart 2002 leidt tot nogal wat bedenkingen en bezwaren en het Verzekeringscomité beslist het ontwerp met deze bezwaren en opmerkingen over te maken aan de minister. - Het advies van de Inspectie van Financiën en het akkoord van de Minister van Begroting worden gegeven. - Op 12 maart 2002 wordt het advies van de Raad van State binnen een termijn van ten hoogste drie dagen gevraagd. Op 14 maart 2002 heeft de Raad van State het advies 33.147/1 gegeven. 1.

  1. De bestreden beslissing wordt op 29 maart 2002 genomen en luidt als volgt : VII-26.765-3/31 "29 MAART
  2. — Koninklijk besluit tot toepassing van artikel 37 § 17, en artikel 165, laatste lid, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, inzonderheid op artikel 37, § 17, en artikel 165, laatste lid, ingevoegd de wet van 30 december 2001; Gelet op het koninklijk besluit van 7 mei 1991 tot vaststelling van het persoonlijk aandeel van de rechthebbenden in de kosten van de in raam van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging uitkeringen vergoedbare farmaceutische verstrekkingen, inzonderheid op artikel 2; Gelet op het koninklijk besluit van 17 maart 1997 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen tegemoetkomt in de kosten van magistrale bereidingen en daarmee gelijkgestelde producten, inzonderheid op artikel 3; Gelet op het koninklijk besluit van 21 december 2001 tot vaststelling van de procedures, termijnen en voorwaarden inzake de tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen in de kosten van farmaceutische specialiteiten, inzonderheid op artikel 88; Gelet op de adviezen van het Comité van de Verzekering voor Geneeskundige Verzorging, gegeven op 4 maart 2002; Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën, gegeven 27 februari 2002; Gelet op de akkoordbevinding van Onze Minister van Begroting van 4 maart 2002; Gelet op het verzoek om spoedbehandeling, gemotiveerd door de omstandigheid dat ingevolge de bepaling van de begrotingsdoelstelling de regering beslist heeft besparingsmaatregelen door te voeren waarbij een bedrag wordt geïnd ten laste van de apothekers en over gaan tot de verplichte inning van het remgeld; dat deze maatregelen zo vlug mogelijk genomen moet(en) worden om de vooropgestelde besparing in het jaar 2002 volledig te verwezenlijken en om het bedrag dat geïnd wordt ten laste van de apothekers zo veel mogelijk te spreiden over jaar; Gelet op het advies 33.147/1 van de Raad van State, gegeven op 14 maart 2002, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 2/, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Op voordracht van Onze Minister van Sociale Zaken en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : HOOFDSTUK I. - Definitie Artikel
  3. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder 'vergoedbare farmaceutische verstrekkingen' de vergoedbare farmaceutische specialiteiten die opgenomen zijn op de lijst, gevoegd bij het koninklijk besluit van 21 december 2001 tot vaststelling van procedures, termijnen en voorwaarden inzake de tegemoetkoming de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen in de kosten van farmaceutische specialiteiten en de vergoedbare magistrale bereidingen en daarmee gelijkgestelde producten die opgenomen zijn in de bijlage, gevoegd bij het koninklijk besluit van 17 maart 1997 tot vaststelling van de voorwaarden waaronder verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen tegemoetkomt in de kosten van de magistrale bereidingen en daarmee gelijkgestelde producten. HOOFDSTUK II. — Verplichte inning van het persoonlijk aandeel Art.
  4. Het persoonlijk aandeel van de rechthebbenden in de kosten van de vergoedbare farmaceutische verstrekkingen die worden afgeleverd in een voor het VII-26.765-4/31 publiek toegankelijke officina, in een ziekenhuisapotheek aan ambulante rechthebbenden of door geneesheren die vergunning hebben om een geneesmiddelendepot te houden, wordt in alle gevallen verplicht geïnd. HOOFDSTUK III. — Vermindering van de basis waarop de verzekeringstegemoetkoming wordt berekend Art.
  5. De erkende tariferingsdiensten verminderen de bases waarop de verzekeringstegemoetkoming wordt berekend die de verzekeringsinstellingen verschuldigd zijn aan de apothekers met een voor het publiek toegankelijke officina, en aan de geneesheren die een vergunning hebben om een geneesmiddelendepot te houden, voor alle verstrekkingen bedoeld in artikel 34, 5/, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli
  6. Deze vermindering wordt vastgesteld op 10,15 % van het bedrag van het persoonlijk aandeel dat voor rekening van de rechthebbende wordt gelaten, zoals bedoeld in artikel 37, §

§ 4. Vanaf 1 januari 2003 wordt deze vermindering vastgesteld op 7,7 %.

Art.

  1. De technische modaliteiten voor de uitvoering van deze vermindering van de basis waarop de verzekeringstegemoetkoming berekend wordt, worden door het Verzekeringscomité vastgelegd op voorstel van de Overeenkomstencommissie Apothekers - Verzekeringsinstellingen in de onderrichtingen voor het opstellen van de factuur over de farmaceutische verstrekkingen afgeleverd aan rechtheb- benden die niet in een verplegingsinrichting zijn opgenomen zoals bedoeld in artikel 6 van het koninklijk besluit van 15 juni 2001 tot vaststelling van de gegevens inzake te tariferen verstrekkingen die de tariferingsdiensten aan de verzekeringsinstellingen moeten overmaken. Art.
  2. Dit besluit treedt in werking op 1 april
  3. De verplichting tot vermindering van de basis waarop de verzekeringstegemoetkoming wordt berekend is van toepassing voor de prestaties die gefactureerd worden vanaf 1 april
  4. (...)". Het bestreden besluit wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 30 maart 2002;
  5. Ontvankelijkheid van het beroep 2.
  6. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord opwerpt : "De verzoekende partij verduidelijkt in het verzoekschrift tot nietigverklaring dat de onderscheiden gevolgen tussen de hoedanigheid van geconventioneerde apotheek enerzijds en die van niet-geconventioneerde apotheek anderzijds geheel voortvloeien uit de vrije keuze van de apotheek zelf. Ieder heeft het recht zich aan te sluiten bij de voorgestelde overeenkomst. Ieder heeft het recht dit te weigeren. Voor zover de verzoekende partij zich met voorliggend beroep wenst te verzetten tegen gevolgen voortvloeiend uit het onderscheid tussen beide hoedanigheden, wenst ze zich in werkelijkheid te verzetten tegen de consequen- ties van haar eigen keuze. Deze vaststelling is niet zonder belang : de verzoekende partij heeft geen belang bij haar vordering, daar ze ermee beoogt een zelf gecreëerde toestand uit het rechtsverkeer te laten verwijderen"; VII-26.765-5/31 dat zij daar in haar laatste memorie nog aan toevoegt : "(...) De heer auditeur oordeelt dat deze stelling niet kan worden gevolgd om redenen als door de verzoekende partij aangegeven, m.a.w. omdat het enkel betrekking zou hebben op de middelen waarbij een onderscheid tussen geconven- tioneerde en niet-geconventioneerde apotheken wordt gemaakt, omdat de verzoekende partij reeds vóór de bestreden akte geconventioneerd was, omdat de verzoekende partij een nadeel ondervindt en omdat de redenen die de verzoekende partij ertoe brachten toe te treden tot de overeenkomst, los staan van de bestreden beslissing. (...) De verwerende partij deelt deze mening niet. De verzoekende partij en de heer auditeur zien daarbij wellicht over het hoofd dat de toetreding tot een overeenkomst gevolgen met zich meebrengt. De toetreding tot de overeenkomst heeft tot gevolg dat de toetredende apotheker de voordelen geniet van de conventionering. Evenwel heeft dit tegelijkertijd tot gevolg dat, conform artikel 51, § 2 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördi- neerd op 14 juli 1994 (hierna de ZIV-wet), 'elke overeenkomst of elk akkoord (...) eveneens de correctiemechanismen (moet) bevatten die in werking kunnen worden gebracht zodra wordt vastgesteld dat de partiële jaarlijkse begrotings- doelstelling beduidend wordt overschreden of dreigt te worden overschreden'. Welnu, de overeenkomst waartoe de verzoekende partij is toegetreden bevat dergelijke regel uitdrukkelijk bij artikel 10, §

wel met volgende bewoording : 'De overeenkomstsluitende partijen verbinden zich ertoe, zodra een overschrijding of een risico op overschrijding van de begrotingsdoelstelling- en wordt vastgesteld, bij toepassing van artikel 51, § 2 van de gecoördineer- de wet van 14 juli 1994, correctie- en terugvorderingsmaatregelen toe te passen waarvan de modaliteiten nog nader worden bepaald. Ingeval bedoelde maatregelen ontoereikend zijn, is voorzien in een automatische en onmiddellijk toepasselijke vermindering van de honoraria, prijzen of andere bedragen en van de vergoedingstarieven voor de verstrek- kingen of groepen van verstrekkingen die aan de oorsprong liggen van de beduidende overschrijding van de partiële jaarlijkse begrotingsdoelstelling; die vermindering is evenredig aan het bedrag van de overschrijding of van het risico op overschrijding'. Het principe van de gedeeltelijke deelname van de geconventioneerde apothekers aan de overschrijding van de begrotingsdoelstellingen is m.a.w. uitdrukkelijk voorzien. De bestreden akte is dergelijke maatregel die beoogt overschrijdingen te beperken. De verzoekende partij windt er geen doekjes om dat zij deze besparingsmaatregelen betwist. Zij kan natuurlijk niet op ontvankelijke wijze betwisten wat zij vrijwillig en uitdrukkelijk heeft aanvaard door toe te treden tot een overeenkomst"; 2.

  1. Overwegende dat de verzoeker er terecht op wijst dat hij reeds geconventioneerd was voordat de ten deze bestreden regeling tot stand kwam; dat hij derhalve het door hem ingeroepen belang, geput uit de negatieve weerslag van die regeling zelf op zijn activiteiten als geconventioneerd apotheker niet zelf heeft in het leven geroepen; VII-26.765-6/31 Overwegende dat de verzoeker in de genoemde hoedanigheid ook het vereiste belang heeft om een regeling aan te vechten die volgens hem op onwettige wijze besparingsmaatregelen oplegt die hem grieven, ook al bevat de desbetreffende overeenkomst een clausule die uitdrukkelijk het principe van de gedeeltelijke deelname van die apothekers aan de overschrijding van de begrotingsdoelstellingen inhoudt; dat de geconventioneerde apothekers er recht op hebben dat hun bijdrage, waartoe zij zich in principe hebben verbonden, op wettige wijze concreet wordt geregeld; dat de exceptie niet kan worden aangenomen;
  2. Gegrondheid van het beroep 3.
  3. Eerste middel 3.1.
  4. Standpunten van de partijen 3.1.1.
  5. Overwegende dat het eerste middel betrekking heeft, zowel op artikel 2 als op artikel 3 van het bestreden besluit; dat het in het verzoekschrift tot nietigverklaring als volgt is geformuleerd : "Schending van art. 3 juncto art. 84, 1ste lid, 2/ van de gecoördineerde wetten op de Raad van State van 12 januari 1973; Machtsoverschrijding
  6. De Raad van State, afdeling wetgeving, werd door de Koning geadieerd om een spoedadvies te verlenen, conform art. 84, 1ste lid, 2/. In een dergelijk geval voorziet de wet dat in een bijzondere motivatie moet worden voorzien die de spoedeisendheid rechtvaardigt.
  7. De afdeling administratie van de Raad van State heeft de bevoegdheid en de plicht om na te gaan of de hoogdringendheid die wordt aangevoerd tot staving van een verzoek om advies 'binnen een termijn van niet meer dan drie dagen', bijzonder met redenen omkleed, of de feitelijke gegevens die werden aangevoerd om deze hoogdringendheid te wettigen materieel juist zijn en of zij volgens de regels werden gekwalificeerd en beoordeeld. De Raad van State is tevens bevoegd na te gaan of de redenen die wegens de hoogdringendheid worden ingeroepen al dan niet worden weerlegd door de feiten, b.v. door het gebrek aan ijver vanwege de overheid zelf. Zij moeten voortvloeien uit nauwkeurig(e) en bijzondere omstandigheden die een normaal overleg met de afdeling wetgeving onmogelijk maakten zonder de verwezenlijking van het doel in gevaar te brengen. (...)
  8. De motivering van de hoogdringendheid kan niet overtuigen : 4.
  9. Vooreerst is de gegeven motivering al te steriel en te oppervlakkig. Er wordt enkel verwezen naar 'besparingsmaatregelen' die 'zovlug mogelijk genomen moeten worden om de vooropgestelde besparing in het jaar 2002 volledig te verwezenlijken en om het bedrag dat geïnd wordt zoveel mogelijk te spreiden over het jaar', terwijl er geen enkele motivering is (a) waarom de besparingsmaatregel zich opdringt; (b) welke imperatief oplegt dat de besparing in het jaar 2002 'volledig' moet verwezenlijkt worden en (c) op welke wijze de spreiding over het jaar alsnog gerealiseerd kan worden, in acht genomen dat het VII-26.765-7/31 Koninklijk Besluit eerst werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 30 maart 2002, terwijl de wettelijke grondslag dateert van 30 december
  10. Met andere woorden de gegeven motivering is al te steriel en te oppervlakkig. 4.
  11. Bovendien merkt verzoeker op dat het artikel 2 van het bestreden besluit dat de geconventioneerde apotheken verbiedt om kortingen toe te staan op producten waarin de ziekteverzekering tussenkomt, geenszins een besparingsmaatregel is ! Door deze ingrijpende maatregel heeft de Koning geen euro meer of minder inkomsten of uitgaven. De motivering betreffende de spoedeisendheid heeft met andere woorden enkel betrekking op artikel 3 van het K.B. en kan de ingeroepen hoogdringendheid voor artikel 2 niet verantwoorden. Verzoeker benadrukt in dit verband dat er geen enkele logische band bestaat tussen artikel

3, derwijze dat verwerende partij niet zou kunnen betogen dat zij ten node tesamen in één enkel Koninklijk Besluit dienden vastgelegd te worden. 4.3. Tenslotte wordt de ingeroepen hoogdringendheid door de feiten tegengesproken. Inderdaad geeft het K.B. uitvoering aan de artikelen 37 § 17 en 165, laatste lid van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, terwijl artikel 37 § 17 sedert lange jaren ingeschreven is in de wet en artikel 165, laatste lid werd toegevoegd door de programmawet van 30 december 2001, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 31 december 2001. Verwerende partij heeft eerst op 12 maart 2002 aan de afdeling wetgeving van uw Raad verzocht om een advies, en dit terwijl de wet waaraan uitvoering werd gegeven reeds meer dan twee maanden gepubliceerd was. Niets belette verwerende partij om de aanvraag vroeger in te dienen. Minstens wordt in de motivering van de bestreden beslissing geen enkele verantwoording gegeven voor de laattijdige aanvraag om advies"; 3.1.1.2. Overwegende dat de repliek van de verwerende partij, uiteengezet in haar memorie van antwoord, als volgt kan worden samengevat : - De verzoeker geeft een foutieve invulling aan het begrip "met bijzondere redenen omkleden" zoals opgenomen in artikel 84, eerste lid, 2/ van de gecoördineerde wetten op de Raad van State : de verzoeker betwist niet dat er een motivering is van de bijzondere adviesaanvraag en betwist evenmin de feitelijke juistheid van de gegeven motivering; wat de verzoeker eigenlijk wil is dat zij ingelicht zou worden over de motieven van de motieven; een dergelijke motiveringsplicht is niet vervat in artikel 84, eerste lid, 2/ van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. De verwerende partij verwijst verder naar het arrest van de Raad van State nr. 107.005, van 27 mei 2002, in zake VAN RAEMDONCK. In casu toont de verzoeker niet aan dat de gegeven motivering misleidend zou geweest zijn en heeft de afdeling wetgeving als eerste beoordelaar geoordeeld dat de motivering afdoende was en kon volstaan ter ondersteuning van het spoedeisend karakter. VII-26.765-8/31 - De verwerende partij betwist dat de opgegeven motivering van de hoogdringendheid enkel betrekking heeft op de artikelen 3 en 4 van het bestreden besluit, zodat het middel in dit opzicht feitelijke grondslag mist; bovendien is er geen "leer" die voorschrijft dat de opgegeven motivering noodzakelijkerwijze betrekking moet hebben op alle bepalingen van het ontwerp; dit kan niet afgeleid worden, noch uit de artikelen 3 en 84 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, noch uit de rechtspraak van de Raad van State. De verwerende partij betwist ten slotte dat zij de hoogdringendheid zelf zou hebben gecreëerd en verwijst daartoe naar de verschillende procedurestappen die doorlopen moesten worden vooraleer het advies van de Raad van State kon gevraagd worden : zij wijst er ook op dat het bestreden besluit snel na het advies van de Raad van State is goedgekeurd en dat het daags nadien reeds bekendgemaakt werd in het Staatsblad. De snelheid waarmee is gehandeld bevestigt het spoedeisend karakter; 3.1.1.3. Overwegende dat de verzoeker in zijn memorie van wederantwoord o.m. stelt : "III.1.1. eerste onderdeel : de motivering van de hoogdringendheid is al te steriel en te oppervlakkig (...) 3. Verwerende partij meent ook nog een argument te kunnen putten uit het arrest Van Raemdonck van Uw Raad. (...) 5. De stelling van verwerende partij kan niet gevolgd worden. 5.1. Vooreerst wenst verzoekende partij er op te wijzen dat de rechtspraak van Uw Raad niet eenduidig in de zin van het arrest Van Raemdonck is gevestigd. Andere kamers van de Raad van State zijn nog steeds van oordeel dat (

  1. de)bevoegdheid en de verplichting van de afdeling administratie van de Raad van State om de bijzondere redenen te onderzoeken geenszins beperkt wordt door het feit dat de afdeling wetgeving geen opmerkingen heeft gemaakt : (...) (verwijzing naar het arrest DAUM, nr. 94.174, van 21 maart 2001) Het is deze laatste stelling die de voorkeur verdient. Blijkens de geciteerde parlementaire voorbereidingen is zij duidelijk in overeenstemming met de bedoeling van de wetgever toen deze het huidig art. 84, lid 1, 2/ invoegde bij wet van 4 augustus 1996. Bovendien heeft de tiende kamer van uw Raad van State in een arrest, waarin zij nochtans de stelling Van Raemdonck bijtreedt volgende overwegingen geformuleerd : (...) (verwijzing naar het arrest ALLIET en cons., nr. 109.467, van 18 juni 2002) Als de Raad van State aanvaardt dat de adviesvereiste een substantiële vormvereiste van openbare orde is, en dat elke onregelmatigheid zo nodig ambtshalve gesanctioneerd dient te worden, kan moeilijk aanvaard worden dat de toetsing van de motivering minder streng zou dienen te gebeuren indien de afdeling wetgeving daaromtrent - binnen de korte tijdspanne die haar werd gegund -geen opmerkingen heeft verleend. Dit geldt temeer nu in casu de afdeling wetgeving op datum van haar advies niet bekend was noch kon zijn met de rechtspraak Van Raemdonck ... VII-26.765-9/31 Conclusie van dit alles is dan ook dat Uw Raad onmiskenbaar bevoegd is om de ingeroepen motivering inzake de hoogdringendheid zonder beperking te onderzoeken. (...) 5.2. Het voorgaande neemt niet weg dat, zelfs indien Uw Raad de stelling Van Raemdonck zou menen te moeten volgen, het eerste middel gegrond blijft. Inderdaad wordt ook in de stelling Van Raemdonck geen afbreuk gedaan aan het feit dat de afdeling administratie van de Raad van State tot een wettigheidstoets van de motivering is geroepen, indien de motivering werkelijk incorrect is, bijvoorbeeld doordat de afdeling wetgeving misleidend werd ingelicht en de ingeroepen motieven elke overtuigingskracht ontberen. Wat art. 2 van het bestreden besluit betreft, werd aan de afdeling wetgeving voorgespiegeld dat deze reglementering een besparingsmaatregel zou inhouden, terwijl de overheid geen euro bespaart met deze maatregel. De Raad van State werd aldus duidelijk misleidend ingelicht. Maar ook omtrent art. 3 van het bestreden besluit werd de afdeling wetgeving incorrect ingelicht. Het hoogdringend karakter van de besparing wordt immers nergens redelijk verantwoord. 6. Het eerste onderdeel van het eerste middel is gegrond. III.1.2. tweede onderdeel : de motivering van de hoogdringendheid houdt geen verband met alle bepalingen van het bestreden besluit 1. Verzoekende partij heeft er reeds bij de bespreking van het eerste onderdeel op gewezen het artikel 2 van het bestreden besluit geenszins een besparingsmaatregel is! Door deze ingrijpende maatregel heeft de Koning geen euro meer of minder inkomsten of uitgaven. 2. De motivering betreffende de spoedeisendheid heeft met andere woorden enkel betrekking op artikel 3 van het K.B. (die wel een besparingsmaatregel
  2. is)en kan de ingeroepen hoogdringendheid voor artikel 2 niet verantwoorden. 3. Verwerende partij ziet geen andere mogelijk verweer dan laconiek te stellen dat er geen 'regel' zou bestaan dat de motieven die worden ingeroepen om de hoogdringendheid te verantwoorden noodzakelijkerwijze betrekking moeten hebben op alle bepalingen van een voor advies voorgelegd ontwerp. 4. Het spreekt voor zich dat de rechtspraak en rechtsleer er anders over oordeelt. Men kan zich niet inbeelden op welke grove wijze de adviesbevoegdheid van afdeling wetgeving en de controlebevoegdheid van de afdeling administratie geschonden zouden worden indien het voor de besturen mogelijk zou zijn om gelijk welke niet hoogdringende regelgeving uit te vaardigen in eenzelfde (formeel) reglementair besluit, waarin toevallig ook één werkelijk hoogdringende reglementering voorkomt, om alzo de hoogdringende behandeling te 'rechtvaardigen'. De adviesverplichting van de afdeling wetgeving moet, om zinvol te zijn, per onderscheiden reglementering opgevat (...) worden. Indien één (formeel) K.B., volledig onderscheiden (materiële) reglementeringen bevat, die volledig los van elkaar staan en afsplitsbaar zijn, zoals in casu, dient elke reglementering afzonderlijk beoordeeld te worden in het licht van de adviesverplichting. 5. Het tweede onderdeel is onmiskenbaar gegrond. III.1.3. derde onderdeel : verwerende partij heeft de hoogdringendheid zelf gecreëerd 1. De ingeroepen hoogdringendheid wordt door de feiten tegengesproken. Inderdaad geeft het K.B. uitvoering aan de artikelen 37 § 17 en 165, laatste lid van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, terwijl artikel 37 § 17 sedert lange jaren ingeschreven is in de wet en artikel 165, laatste lid werd toegevoegd door de programmawet van 30 december 2001, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 31 december 2001. 2. Verwerende partij kan niet ontkennen dat zij eerst op 12 maart 2002 aan de afdeling wetgeving van uw Raad een advies heeft verzocht, en dit terwijl de wet VII-26.765-10/31 waaraan uitvoering werd gegeven reeds meer dan twee maanden gepubliceerd was. 3. Verwerende partij betwist dat er getalmd is geworden. Nochtans spreken de feiten voor zich. Het advies werd pas gevraagd bijna twee en een halve maand na de publicatie van de 'kapstokwet'. Er kan dan ook niet ingezien worden waarom een advies plots binnen de drie dagen diende te worden verstrekt, en bijvoorbeeld niet binnen een termijn van één maand. Ook het derde onderdeel van het eerste middel is gegrond"; 3.1.1.4. Overwegende dat de verzoeker in zijn laatste memorie o.m. nog doet gelden : "III.1.1. Eerste onderdeel de motivering van de hoogdringendheid is te steriel en te oppervlakkig (...) 2. Ten onrechte is de Auditeur van oordeel dat de motivering, zoals weergegeven in de aanhef van het bestreden K.B. volstaat. Verzoekende partij verklaart zich nader : 2.1. Opdat de motivering van de dringende noodzakelijkheid voor pertinent zou kunnen doorgaan, is vereist dat de motieven ervan doen blijken dat de desbetreffende maatregelen onverwijld in werking dienden te treden op het gevaar af anders de efficiëntie van de regeling of de verwezenlijking van het ermee beoogde doel te hypothekeren. Welnu, in casu zijn de bestreden bepalingen niet alleen toepasselijk voor het jaar 2002, maar ook voor de komende jaren. Er is dan ook geen enkele reden om aan te nemen dat de regeling niet één maand, zijnde de termijn die de afdeling wetgeving van de Raad van State nodig heeft om een 'uitvoerig' advies te geven, later in werking kon treden. 2.2. Indien het inderdaad de bedoeling was dat de 'besparingsmaatregelen' reeds ingang zouden vinden vanaf het jaar 2002, dan diende de wettelijke regeling vroeger door het parlement uitgevaardigd te worden, evenzo met de regeringsbeslissing. Verzoekende partij merkt ten deze op dat in dat geval de maatregelen ook geen uitwerking hadden gedurende de maanden januari, februari en maart. Nogmaals, het valt dan ook moeilijk in te zien waarom de inwerkingtreding van de regeling niet met een maand (dit in het ergste geval) vertraagd kon worden ... zeker nu noch artikel 37 § 17, noch artikel 165, laatste lid van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 een uitvoeringsdatum vooropstellen. Uit niets blijkt dat de maatregelen in werking moesten treden binnen een termijn die het de overheid onmogelijk maakt, de afdeling wetgeving om een uitgebreider advies te vragen. 3. Verder wijst verzoekende partij erop dat Uw Raad in het verleden reeds een vergelijkbare, financiële motivering verworpen heeft. Nog dient gewezen te worden op M. VAN DAMME, die stelt : 'De motivering welke zich bijvoorbeeld beperkt tot louter een verwijzing naar een EG-richtlijn welke voor een bepaalde datum in de interne rechtsorde diende te worden geïmplementeerd of naar een decreet overeenkomstig hetwelk een bepaalde regeling wordt tot stand gebracht, kan niet worden geacht het bijzonder karakter te hebben dat artikel 3 § 1, eerste lid R.v.St.-Wet, vereist'. Zoals reeds hoger gezegd, bestaat de motivering voor de hoogdringendheid in casu eveneens uit de implementering van andere regelgeving. De motivering kan derhalve geenszins als hoogdringend beschouwd worden. VII-26.765-11/31 4. Het eerste onderdeel is zodoende gegrond. (...) III.1.3. Derde onderdeel : de verwerende partij heeft de hoogdringendheid zelf gecreëerd 1. In zijn verslag is de Auditeur van oordeel dat dit onderdeel elke grondslag mist, vermits abstractie zou dienen gemaakt te worden van de verschillende stappen van de procedure in de totstandkoming van het bestreden besluit. 2. Nochtans blijkt uit de rechtspraak van de Afdeling Administratie van de Raad van State dat op de beslissende overheid de verplichting rust de bestuurlijke besluitvorming op een dusdanige wijze te organiseren dat ten minste de mogelijkheid wordt geschapen de bestaande adviesverplichting na te leven. M. VAN DAMME schrijft terzake : 'De kentering in de rechtspraak, wat de betekenis van de voorbereidende handelingen voor de ingeroepen hoogdringendheid betreft, roept twee bedenkingen op. In de eerste plaats vereist deze rechtspraak dat de overheid voldoende diligent is om erop toe te zien dat de procedure van de administratieve voorbereiding van besluiten niet nodeloos wordt vertraagd. De betrokken overheid kan zich wat dat betreft niet verschonen door te verwijzen naar de vertragingen die aan sommige van haar diensten moeten worden toegerekend. In de tweede plaats is het zo dat de betrokken rechtspraak geenszins uitsluit dat de ingeroepen hoogdringendheid effectief bestaat. Wel sanctioneert die rechtspraak de overheid door wiens toedoen het onmogelijk is geworden de afdeling wetgeving te consulteren'. Verzoekster is dan ook de mening toegedaan dat helemaal geen abstractie gemaakt dient te worden van de administratieve voorbereiding. 3. Het bestreden K.B. geeft uitvoering aan de artikelen 37 § 17 en 165, laatste lid van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994. Artikel 37 § 17 is sedert lange jaren ingeschreven in de wet en artikel 165, laatste lid werd toegevoegd door de programmawet van 30 december 2001, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 31 december 2001. 4. In het auditoraatsverslag wordt bevestigd dat de laatste vormvereisten reeds begin maart 2002 vervuld waren, daar waar het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State pas op 12 maart 2002 gevraagd werd. Dit maakt zodoende een verschil van maar liefst tien dagen (met andere woorden drie keer de termijn, waarbinnen de Raad van State bij hoogdringendheid een advies dient te verlenen), terwijl de Raad van State slechts een termijn van een maand nodig heeft om een 'uitgebreid' advies af te leveren"; 3.1.1.5. Overwegende dat de verwerende partij hierop in haar laatste memorie repliceert : "9. Ook de argumentatie van de verzoekende partij in haar laatste memorie kan niet overtuigen. Het feit dat de besparingsmaatregelen in de komende jaren ook van toepassing zijn, neemt niet weg dat deze maatregelen hoe dan ook zo snel mogelijk in werking dienen te treden. Deze redelijke wens van de overheid wordt voldoende toegelicht door de motivatie van hoogdringendheid die wordt opgenomen in de aanhef van de bestreden akte. De gegrondheid van de motivatie van de hoogdringendheid blijkt niet enkel uit de bestreden akte zelf, maar tevens uit de relatief korte termijn waarbinnen de akte werd voorbereid, opgesteld, besproken, aan het advies voorgelegd en uiteindelijk uitgevaardigd en bekendgemaakt. De verwijzing naar rechtsleer die in algemene termen stelt dat VII-26.765-12/31 een verwijzing naar een implementatietermijn niet voldoende is, is in casu niet toepasselijk. 10. Ook de repliek betreffende het tweede onderdeel en de beweerde afwezigheid van band tussen artikel

artikel 3 van het bestreden besluit, kan in casu niet overtuigen. Het enkel feit dat beide regels betrekking hebben op besparingsmaatregelen voor wat betreft farmaceutische verstrekkingen, volstaat om deze band aan te tonen. Ongeacht de mening van de verzoekende partij moet inderdaad vastgesteld worden dat de verplichte inning van het remgeld weldegeljk en effectief een besparingsmaatregel is. De patiënten worden bij middel van deze verplichting ertoe aangezet om geen onnodige geneesmiddelen aan te schaffen. Door de aankoop van terugbetaalbare geneesmiddelen te remmen beoogt de verwerende partij natuurlijk besparingen te realiseren. Voor het overige verwijst de verwerende partij naar haar memorie van antwoord. 11. Ook aangaande het derde onderdeel van het eerste middel kan de repliek van de verzoekende partij geenszins overtuigen. De verwijzing naar de rechtsleer van de heer VANDAMMIE doet hieraan geen afbreuk. Het is inderdaad zo dat de relatief korte termijnen waarbinnen de hele voorbereidende procedure werd gevoerd voor zich spreekt. Het derde onderdeel van het eerste middel, evenals de twee eerste onderdelen, (

  1. is)ongegrond"; 3.1.2. Bespreking 3.1.2.1. Overwegende dat de desbetreffende motivering als volgt luidt : "Gelet op het verzoek om spoedbehandeling, gemotiveerd door omstandigheid dat ingevolge de bepaling van de begrotingsdoelstelling de regering beslist heeft besparingsmaatregelen door te voeren waarbij een bedrag wordt geïnd ten laste van de apothekers en over gaan tot de verplichte inning van het remgeld; dat deze maatregelen vlug mogelijk genomen moet worden om de vooropgestelde besparing in het jaar 2002 volledig te verwezenlijken en om het bedrag dat geïnd wordt ten laste van de apothekers zo veel mogelijk te spreiden over jaar"; 3.1.2.2. Overwegende dat de afdeling wetgeving van de Raad van State de eerste beoordelaar is van de rechtmatigheid van de luidens artikel 84 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vereiste “bijzondere redenen” die in een haar overgelegde adviesaanvraag worden uiteengezet ter verantwoording van de spoedeisendheid van die aanvraag; dat aangenomen mag worden dat als zij daaromtrent geen opmerkingen maakt, zij van oordeel is dat de gegeven verantwoording niet iedere overtuigingskracht ontbeert; dat de overheid die het advies heeft aangevraagd, er alsdan in principe mag op vertrouwen dat zij aan de overgelegde tekst voortgang mag verlenen zonder op het rechtmatigheidsbezwaar van gebrek aan spoedeisendheid te stuiten; dat dit principe niet absoluut is; dat de overheid er zich met name niet kan op beroepen wanneer blijkt dat zij de afdeling wetgeving misleidend heeft voorgelicht omtrent de “bijzondere redenen” die haar tot haar verzoek om spoedbehandeling hebben gebracht, of nog wanneer achteraf -na de adviesaanvraag- VII-26.765-13/31 aan het licht komende gegevens er doen van blijken dat die “bijzondere redenen” in weerwil van de bij de aanvraag opgewekte schijn iedere overtuigingskracht ontbeerden; dat in gevallen als aangehaald de overheid immers niet staande kan houden dat haar vertrouwen werd beschaamd; Overwegende dat, in tegenstelling tot hetgeen de verzoeker in zijn diverse procedurestukken voorhoudt, de verplichting tot het formeel motiveren van de hoogdringendheid met het oog op het verkrijgen, op grond van artikel 84, § 1, 2/, van de Raad van State-wet, van een advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State binnen een termijn van vijf werkdagen, niet zonder meer gelijkgesteld kan worden met de verplichting tot formele motivering met het oog op het volledig ontsnappen aan die adviesverplichting op grond van artikel 3, § 1, eerste lid, van dezelfde wet; dat in het eerste geval immers wel een advies wordt uitgebracht, waarin op grond van artikel 84, § 3, eerste lid, van de Raad van State-wet, minstens de bevoegdheid van de steller van de handeling, de rechtsgrond en de te vervullen vormvereisten, zijnde de belangrijkste elementen om de wettigheid van een reglementair besluit te toetsen, worden onderzocht; dat de rechtspraak en rechtsleer die betrekking hebben op de diepgang van de motivering van de beslissing om geen advies te vragen aan de afdeling wetgeving ten deze dan ook niet zonder meer pertinent zijn; dat gelet op de hoger genoemde verschillen qua gevolgen, de motiveringsverplichting in een geval als het voorliggende minder stringent is dan in het geval de overheid geheel wil ontsnappen aan de verplichting tot consultatie van de afdeling wetgeving; Overwegende dat de afdeling wetgeving, wanneer ze met toepassing van artikel 84, § 1, 1/, van de Raad van State-wet is gevat om een advies te verlenen binnen een termijn van dertig (kalender)dagen, gelet op het zeer hoge aantal van dergelijke adviesaanvragen, in de praktijk nauwelijks over meer tijd beschikt om haar advies te formuleren dan wanneer een "vijf(werk)dagenadvies" wordt gevraagd ; dat in het laatste geval de afdeling wetgeving bovendien kan focussen op het onderzoek van de bevoegdheid van de steller van de handeling, de rechtsgrond en de te vervullen vormvereisten, zijnde, zoals hoger reeds gesteld, precies de elementen die van doorslaggevend belang zijn ter beoordeling van de wettigheid van een reglementair besluit; dat derhalve een verzoeker, wanneer een advies binnen vijf werkdagen werd gevraagd, geen belang heeft bij het argument dat uit het verloop der zaken blijkt dat de verwerende partij over voldoende tijd beschikte om een advies binnen dertig dagen te vragen, vermits een advies binnen laatst vermelde termijn hem in wezen niet tot meer nut strekt dan een advies binnen vijf werkdagen; VII-26.765-14/31 3.1.2.3. Overwegende dat uit niets blijkt dat de verwerende partij de afdeling wetgeving heeft misleid omtrent de bijzondere redenen die haar tot haar verzoek om spoedbehandeling hebben gebracht; dat ook het bestreden artikel 2, dat de verplichte inning van het remgeld betreft, een begrotingsweerslag beoogt te hebben, nu deze verplichte inning klaarblijkelijk mede tot doel heeft de medische consumptie, en derhalve de kosten ten laste van de ziekte- en invaliditeitsverzekering, te beperken; dat geen na de adviesaanvraag aan het licht gekomen gegevens aanwezig zijn waaruit post factum zou blijken dat de opgegeven bijzondere redenen iedere overtuigingskracht ontbeerden of dat de verwerende partij bewust of door nalatigheid de ingeroepen hoogdringendheid heeft gecreëerd ; dat bovendien het tijdstip waarop de wettelijke basis voor mogelijke besparingsmaatregelen werd gelegd en de desbetreffende wet of wetten werden gepubliceerd, op zich vreemd is aan de hoogdringendheid van de besparingsmaatregel zelf; dat het middel in geen zijner onderdelen kan worden aangenomen; 3.2. Tweede middel 3.2.1. Standpunten van de partijen 3.2.1.1. Overwegende dat het tweede middel alleen betrekking heeft op artikel 2 van het bestreden besluit ; dat het in het verzoekschrift tot nietigverklaring als volgt is geformuleerd : "A. (...) Schending van het gelijkheids- en niet discriminatiebeginsel. Schending van de arttn. 10 en 11 van de Grondwet. Schending van het algemeen rechtsbeginsel van vrijheid van handel. Schending van de vrijheid van handel als behoren tot de materiële grondwet. Schending van artikel 7 van het decreet van 2 tot 17 maart 1991 tot afschaffing van het gildewezen. Schending van het algemeen rechtsbeginsel waardoor alle overheidsbeslissingen moeten geschraagd worden door motieven die rechtens en feitelijk aanvaardbaar zijn. 1. Het grondwettelijk gelijkheids- en niet discriminatiebeginsel kan als volgt verwoord worden : 'De grondwettelijke regels van de gelijkheid en de niet-discriminatie sluiten niet uit dat een verschil in behandeling tussen verschillende categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Dezelfde regels verzetten er zich overigens tegen dat categorieën van personen die zich ten aanzien van de aangevochten maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld, zonder dat hiervoor een redelijke verantwoording bestaat. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de terzake geldende beginselen, (h)et gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel'. VII-26.765-15/31 Art. 2 van het bestreden besluit stelt de inning van het eigen aandeel verplicht voor vergoedbare farmaceutische verstrekkingen wanneer de verstrekkingen worden afgeleverd in een voor het publiek toegankelijke officina. 2. Geconventioneerde apotheken innen enkel het eigen aandeel van de cliënt. Ingevolge de derde-betalersregeling innen zij het aandeel dat door de ziekteverzekering wordt gedragen niet. Op het aandeel dat door hen niet geïnd wordt kan dus ook geen korting worden toegestaan. De regeling betekent voor geconventioneerde apotheken dat zij geen enkele korting meer kunnen geven aan hun cliënten wanneer zij vergoedbare farmaceutische verstrekkingen afleveren. 3. Niet- geconventioneerde apotheken innen niet alleen het 'eigen aandeel', maar ook het deel dat terugbetaald wordt door de ziekteverzekering. Dit laatste deel hoeft niet verplicht geïnd te worden. Op het deel dat door de ziekteverzekering vergoed wordt kunnen niet geconventioneerde apotheken dus kortingen toestaan. Bijgevolg kunnen niet-geconventioneerde apotheken, minstens de facto, kortingen toestaan op vergoedbare farmaceutische verstrekkingen, terwijl geconventioneerde apotheken dit niet kunnen. 4. Aldus worden de geconventioneerde apotheken door de bestreden beslissing concurrentieel benadeligd ten opzichte van de niet-geconventioneerde apotheken. Dit is des te meer waar nu de strenge deontologische regels die gelden voor apotheken weinig of geen mogelijkheden bieden om middels publicitaire acties deze concurrentiële benadeliging te counteren. 5. Er is geen enkele redelijke verantwoording voor deze onderscheiden behandeling tussen geconventioneerde en niet-geconventioneerde apotheken. Minstens is in de bestreden beslissing geen enkele verantwoording te vinden voor deze onderscheiden behandeling. 6. Verwerende partij zou kunnen opmerken dat het bestreden besluit zijn rechtsgrond vindt in art. 37 § 17 van de Wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994. Dit artikel luidt als volgt : 'Het in dit artikel bedoeld persoonlijk aandeel van de rechthebbende in de kosten van de verzorging is in alle gevallen opeisbaar. Dat persoonlijk aandeel wordt verplicht geïnd voor de verstrekkingen inzake klinische biologie waarvan in zo'n aandeel is voorzien door de Koning. De koning kan deze verplichting uitbreiden tot andere verstrekkingen, of voorzien in afwijkingen op deze verplichting. Hij bepaalt de toepassingsregels van deze bepaling'. 7. Indien uw Raad van oordeel zou zijn dat de onderscheiden behandeling reeds - en enkel - vervat zou zijn in het artikel 37 § 17, nodigt verzoeker uw Raad uit de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof : 'Schendt art. 37 § 17 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, de artikelen 10 en 11 van de grondwet en aldus het gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel in zoverre het de Koning, wanneer hij dit artikel uitvoert, verplicht aan alle apotheken, om het eigen aandeel van de rechthebbende volledig te innen, met als gevolg dat enkel nog niet-geconventioneerde apotheken promotionele kortingen kunnen toestaan zodat de facto de concurrentie tussen geconventioneerde en niet- geconventioneerde apotheken wordt verstoord'. Wanneer het Arbitragehof zou besluiten dat het voormelde art. 37 § 17 het gelijkheidsbeginsel schendt, nodigt verzoeker uw Raad uit om ook het bestreden besluit te vernietigen als strijdig met het gelijkheids- en niet discriminatiebeginsel"; 3.2.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord repliceert : VII-26.765-16/31 "Ongeacht hetgeen de titulatuur van het tweede middel doet vermoeden, wordt in het kader van dit tweede middel door de verzoekende partij in wezen enkel de schending van het gelijkheids- en het niet-discriminatiebeginsel aangevoerd. De verzoekende partij stelt daaromtrent in het verzoekschrift tot nietigverklaring zeer terecht dat de grondwettelijke regels van gelijkheid en non-discriminatie niet uitsluiten dat een verschil in behandeling volgens bepaalde verschillende categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover voor het verschil en het criterium van onderscheid een objectieve en redelijke verantwoording bestaat, waarbij het bestaan van dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld met betrekking tot het doel en de gevolgen van de ter beoordeling staande norm. Er is dan sprake van een schending van het gelijkheidsbeginsel wanneer wordt vastgesteld dat de aangewende middelen redelijkerwijze niet evenredig zijn met het beoogde doel en de gevolgen van de nagestreefde maatregel. De verzoekende partij heeft vooreerst geen belang bij het inroepen van het middel. Zij stelt - logischerwijze - geen kortingen toe te kunnen staan op het door haar niet geïnde deel dat door de verzekeringsinstelling wordt betaald, terwijl de niet-geconventioneerde apotheken - die dit gedeelte wel zelf innen - hierop kortingen kunnen toestaan. Dit is geenszins een nieuw gegeven en vloeit geheel voort uit de persoonlijke keuze van de verzoekende partij deel uit maken van het geheel van geconventioneerde apotheken. Dat het persoonlijk aandeel verplicht in totaliteit moet worden geïnd kan daarbij ook niet als verrassend worden beschouwd, het beginsel staat namelijk ingeschreven in artikel 37, § 17 van de Wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994. Het is dan ook niet duidelijk op welke wijze door de bestreden bepaling gegriefd kan worden. Minstens is het duidelijk dat de verzoekende partij haar nadeel - zoals verwoord ter motivering van het middel - zelf heeft gecreëerd. Zij heeft hierbij dan ook geen (rechtmatig) belang. Het middel is onontvankelijk. Het is verder duidelijk dat er van enige schending van het gelijkheidsbeginsel geen sprake is. Vooreerst wordt door de verzoekende partij niet aangetoond dat de beide door haar vooropgestelde categorieën van apotheken (geconventioneerde en niet-geconventioneerde) 'personen' zijn in de zin van het gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel Verder toont de verzoekende partij niet aan dat het vergelijkbare categorieën van personen betreft, waarop de toets van het gelijkheidsbeginsel en niet-discriminatiebeginsel kan worden toegepast. De verzoekende partij bewijst vervolgens geenszins dat er geen sprake zou zijn van een objectief en algemeen onderscheidingscriterium. Tenslotte toont de verzoekende partij geenszins aan dat het geviseerde artikel 2 van het bestreden besluit de toets met het evenredigheidsbeginsel niet zou doorstaan. Er wordt niet aangetoond dat er geen sprake is van een doel dat niet legitiem zou zijn. Er wordt niet aangetoond dat de betrokken reglementering niet noodzakelijk of aangewezen zou zijn geweest. En er wordt al evenmin aangetoond dat het vereiste van proportionaliteit tussen de regel en het nagestreefde doel niet voorhanden zou zijn. De verwerende partij kan alleszins in deze stand van de procedure en gelet op (het gebrek aan) de motivering vanwege de verzoekende partij enkel maar vaststellen dat het tweede middel ongegrond is. Daarbij komt trouwens -hetgeen de verzoekende partij blijkbaar zeer goed schijnt te beseffen- dat de kritiek van de verzoekende partij in wezen is te kwalificeren als een kritiek op de 'wettigheid' van de wet. De verzoekende partij bouwt namelijk in haar argumentatie op uitdrukkelijke wijze deze veronderstelling in, en suggereert vanuit dat oogpunt dat de Raad van State aan het Arbitragehof een prejudiciële vraag stelt omtrent de grondwettigheid van het artikel 37, § 17 VII-26.765-17/31 van de Wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994. Uit het inbouwen van deze hypothese in de argumentatie van de verzoekende partij, vloeit volgens de verwerende partij voort dat duidelijk is aangetoond dat de kritiek van de verzoekende partij tegen het bestreden besluit, en meer bepaald het artikel 2 ervan, in wezen geen kritiek is tegen dit besluit c.q. artikel, doch in wezen kritiek uitmaakt tegen de hogerliggende rechtsnorm die eigenlijk enkel maar wordt ten uitvoer gelegd. De Raad van State is uiteraard niet bevoegd voor het beoordelen van dergelijke kritiek. Het middel is met andere woorden ongegrond. Er is geen reden tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof"; 3.2.1.3. Overwegende dat de verzoeker in zijn memorie van wederantwoord o.m. stelt : " 4. Uw Raad zal prima facie vaststellen dat verwerende partij geen enkel argument aanhaalt dat het ongeoorloofde onderscheid rechtvaardigt. Verwerende partij doet niet eens een poging om het ongerechtvaardigd onderscheid te vergoeilijken. Verwerende partij voert in haar memorie van antwoord een eenzijdig procedureel en vormelijk verweer, maar draait in een wijde boog om het inhoudelijk debat heen. Dit hoeft niet te verwonderen. Op de centrale vraag, met name of er een rechtvaardiging bestaat voor de onderscheid behandeling wat betreft het toestaan van kortingen tussen geconventioneerde en niet geconventioneerde apotheken, is er maar één antwoord : neen! 5. Verwerende partij spitst zich eerst toe op het belang van verzoekende partij bij het middel. Daarbij haalt zij eerst de stelling aan dat niet - geconventioneerde apotheken altijd al kortingen hebben kunnen toestaan, ook op het niet-eigen aandeel, terwijl dit voor geconventioneerde niet het geval was. Deze vaststelling klopt maar is niet relevant. Feit is dat verzoekende partij sinds meerdere jaren korting aan zijn cliënteel heeft kunnen toekennen. Dat geconventioneerde apotheken deze kortingen slechts op het 'eigen aandeel' konden toestaan, voelt de klant niet in zijn geldbuidel en is dus voor hem zonder belang. Door het bestreden besluit kunnen geconventioneerde apotheken, en dus ook verzoekende partij, op heden helemaal geen kortingen meer toestaan, anders dan niet geconventioneerde apotheken. 6. Evenzeer irrelevant bij de beoordeling van het belang van verzoekende partij is de (verwachte) stelling van verwerende partij dat het beginsel van de verplichte inning vervat zou zitten in art. 37 § 17 van de Gecoördineerde Wet van 14 juli 1994. Deze stelling is trouwens fout. Dit artikel stelt enkel dat het persoonlijk aandeel in alle gevallen opeisbaar is. De verplichte inning geldt enkel als regel inzake verstrekkingen inzake klinische biologie waarvan in zo'n aandeel is voorzien door de Koning. De Koning kan deze verplichting uitbreiden, maar is daartoe niet verplicht. (...) 7. Omtrent de grond van de zaak vergenoegt verwerende partij er zich mee te stellen dat verzoekende partij niet zou aantonen dat de vooropgestelde categorieën van apotheken 'personen' zijn in de zin van het gelijkheid- en niet-discriminatiebeginsel, dat het vergelijkbare categorieën van personen betreft, dat geen objectief en algemeen onderscheidingscriterium wordt gehanteerd en dat niet wordt aangetoond dat de maatregel de evenredigheidstoets niet kan doorstaan. Nochtans heeft verzoekende partij in haar annulatieberoep aangeduid welke categorieën personen er ongelijk behandeld worden (geconventioneerde en VII-26.765-18/31 niet-geconventioneerde apotheken) en op welke wijze deze ongelijke behandeling geschiedt (geconventioneerde apotheken kunnen geen concurrentie, minstens geen prijsconcurrentie meer voeren en worden daardoor concurrentieel sterk benadeligd). Verzoekende partij is effectief de mening toegedaan dat er geen redelijke verantwoording te vinden is voor deze onderscheiden behandeling (schending gelijkheids- en nietndiscriminatiebeginsel), minstens dat deze verantwoording niet te lezen is in de bestreden beslissing, - of de daaraan onderliggende stukken (schending motiveringsplicht) Als een dergelijke ongelijke behandeling van formaat wordt aangekaart, is het integendeel aan de regelgever om aan te tonen dat de maatregel wél op een objectief criterium steunt, een wettig doel nastreeft en proportioneel is. Welnu, verwerende partij toont zulks geenszins aan. Dat zij die een geconventioneerde apotheek houden te vergelijken zijn met zij die een niet-geconventioneerde apotheek houden is evident. Beiden baten immers een apotheek uit alwaar het publiek geneesmiddelen kan aankopen"; 3.2.1.4. Overwegende dat de verzoeker in zijn laatste memorie nog aanvoert : "Alvorens op de overige middelen in te gaan, dient verzoekende partij in navolging van het auditoraatsverslag te erkennen dat geconventioneerde apotheken de keuze hebben om al dan niet de derdebetalersregeling toe te passen. Deze vaststelling is evenwel zonder enige relevatie voor de in deze procedure door verzoekende partij ontwikkelde middelen. Immers blijven dezelfde middelen van toepassing met dien verstande dat het niet gaat om het onderscheid geconventioneerde-niet-geconventioneerde apotheken, maar wel om het onderscheid apotheken die de derdebetalersregeling toepassen versus deze die ze niet toepassen. Verzoekende partij stelt dan ook voor om de prejudiciële vragen, zoals geformuleerd in het verzoekschrift tot nietigverklaring, als volgt te herformuleren : '(...)"; dat hij vervolgt : "2. Verzoekende partij is van oordeel dat de Auditeur verwerende partij ten onrechte bijtreedt waar zij stelt dat het middel onontvankelijk is in de mate dat het in hoofding tevens de schending van 'het algemeen rechtsbeginsel van vrijheid van handel, van de vrijheid van handel als behoren tot de materiële grondwet, van artikel 7 van het decreet van 2 tot 17 maart 1991 (sic) tot afschaffing van het gildewezen, en van het algemeen rechtsbeginsel dat alle overheidsbeslissingen moeten geschraagd worden door motieven die rechtens en feitelijk aanvaardbaar zijn' aanvoert. Krachtens de rechtspraak van Uw Raad mag de verzoekende partij de in het verzoekschrift aangehaalde middel, in zijn latere memories verder ontwikkelen en toelichten. Enkel nieuwe middelen, met name middelen die helemaal niet aangehaald werden in het verzoekschrift, zijn onontvankelijk. Daarenboven kan er geen twijfel bestaan waarin precies de overtreding van de genoemde rechtsregelen bestaat. De schending van het algemeen rechtsbeginsel van vrijheid van handel, van de vrijheid van handel als behorend tot de materiële grondwet en van artikel 7 van het decreet van 2 maart tot 17 maart 1791 tot afschaffing van het gildewezen werden immers ook aangehaald bij het tweede middel. Verwerende partij kan zodoende geenszins veinzen zich niet naar behoren te hebben kunnen verdedigen. VII-26.765-19/31 3. Verder poneert de Auditeur in zijn verslag dat het feit van geconventioneerd te zijn niet automatisch met zich meebrengt dat de derdebetalersregeling van toepassing is. Verzoekende partij dient, zoals reeds hoger gezegd, de Auditeur op dit punt in het gelijk te geven. Geconventioneerde apotheken hebben de keuze om al dan niet de derdebetalersregeling te aanvaarden. De 'oplossing' die in het auditoraatsverslag wordt voorgesteld, met name niet opteren voor de derdebetalersregeling, impliceert dat de rechtsonderhorige zijn juridische positie wijzigt om aan een discriminatie te ontsnappen. De discriminatie zelf blijft echter bestaan !"; 3.2.1.5. Overwegende dat de verwerende partij hierop in haar laatste memorie repliceert : "13. Terecht merkt de auditeur op dat het middel enkel ontvankelijk is in de mate het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel wordt aangevoerd. 14. Even terecht merkt de heer auditeur op dat artikel 4, § 1, van de overeenkomst apothekers-verzekeringsinstellingen van 20 december 1995 stelt dat 'de apotheker die tot de overeenkomst toetreed, preciseert of hij/zij al dan niet de derdenbetalersregeling aanvaardt'. Bij gevolg adviseert de heer auditeur terecht om het middel ongegrond te oordelen en de voorgestelde prejudiciële vraag af te wijzen. (...) 16. De repliek van de verzoekende partij kan niet worden bijgetreden. Vooreerst kan deze repliek niet worden bijgetreden daar waar de verzoekende partij stelt dat het middel tevens ontvankelijk zou zijn in het mate het gericht is tegen de vermeende schending van het rechtsbeginsel van vrijheid van handel, vrijheid van handel als behorend tot de materiële grondwet, van artikel 7 van het decreet van 2 tot 17 maart 1991 (sic) tot afschaffing van het gildenwezen, en van het algemeen rechtsbeginsel dat alle overheidsbeslissingen moeten geschraagd worden door motieven die rechtens en feitelijk aanvaardbaar zijn. Het tweede middel zoals vervat in het verzoekschrift is enkel een middel in de mate het aangeeft hoe deze regels geschonden zijn. Nu uit het verzoekschrift nergens blijkt hoe deze regels geschonden zouden zijn, moet het middel in deze mate niet als een middel aanzien worden. Wanneer de verzoekende partij in een later stadium van de procedure het middel nader bepaalt, voert zij, in feite en in rechte, een nieuw middel aan. Dergelijk middel is laattijdig en bijgevolg onontvankelijk. 17. Hoe dan ook wenst de verwerende partij eraan te herinneren dat de farmaceutische sector geenszins als een 'gewone' commerciële sector kan aanzien worden. De apothekers hebben ervoor gepleit en bekomen dat hun activiteit niet als een commerciële activiteit zou worden aanzien in de zin van het handelswetboek. Bovendien moet erop gewezen worden dat de farmaceutische activiteit om diverse redenen en door diverse regels wordt onderscheiden van de andere commerciële sectoren. Eén van deze elementen is gelegen aan de eigenheid van het product : het geneesmiddel wordt niet door de consument gekozen, maar in het overgrote deel van de gevallen door een derde, voorschrijver. Dit duidt op zich reeds op een belangrijke specificiteit die het commerciële karakter van de apotheek enigszins ondermijnt. 18. De argumentatie betreffende de vermeende schending van het gelijkheidsbeginsel kan evenmin overtuigen. De vermeende discriminatie vloeit onmiskenbaar voort uit een keuze van de betrokken apothekers. Deze keuze zou VII-26.765-20/31 mogelijkerwijze, aldus de verzoekende partij zelf kunnen uitmonden op een verschil de facto. Er is evenwel om die reden nog geen schending van het gelijkheidsbeginsel nu gelijke situaties welk degelijk op gelijke wijze worden behandeld. Het eventueel verschil vloeit enkel voort uit een specifieke keuze van de betrokken apotheker. Een verschillende situatie is op zich nog geen discriminerende situatie. In casu is het eventueel verschil redelijk verantwoord en het steunt op redelijke elementen. Voor de rest verwijst de verwerende partij naar memorie van antwoord. Het middel is ongegrond"; 3.2.2. Bespreking 3.2.2.1. Overwegende dat het middel alleen uitgewerkt is, zowel in het verzoekschrift als in de memorie van wederantwoord, in zoverre het de schending van de gelijkheids- en non-discriminatieregel betreft; dat de verzoeker niet op ontvankelijke wijze voor het eerst zijn middel kan toelichten in zijn laatste memorie; dat het middel dan ook niet ontvankelijk is in de mate het betrekking heeft op de vrijheid van handel; 3.2.2.2. Overwegende dat de verzoeker, om de redenen uiteengezet onder nummer 2.2, er belang bij heeft de schending van de gelijkheids- en non- discriminatieregel in te roepen; 3.2.2.3. Overwegende dat het kwestieuze verschil in behandeling zich niet situeert tussen de geconventioneerde en de niet geconventioneerde apothekers, maar wel tussen de apothekers die de derdebetalersregeling toepassen en deze die dit niet doen; dat geconventioneerde apothekers geenszins verplicht zijn de derdebetalersregeling te aanvaarden; dat de geconventioneerde en de niet geconventioneerde apothekers aldus niet verschillend worden behandeld in de bestreden bepaling; dat de verzoeker dit met zoveel woorden ook toegeeft in zijn laatste memorie; dat hij niet op ontvankelijke wijze aan het middel een nieuwe grondslag vermag te geven in die memorie; dat de hypothese waarop het middel berust dus niet correct is; dat de gesuggereerde prejudiciële vragen dan ook geen enkel nut vertonen voor de behandeling van de voorliggende zaak, en dan ook niet aan het Arbitragehof dienen te worden gesteld; dat het middel niet gegrond is; VII-26.765-21/31 3.3. Derde middel 3.3.1. Standpunten van de partijen 3.3.1.1. Overwegende dat ook dit middel alleen betrekking heeft op artikel 2 van het bestreden besluit; dat het in het verzoekschrift tot nietigverklaring als volgt is geformuleerd : "(...) Schending van het algemeen rechtsbeginsel van de vrijheid van handel. Schending van de vrijheid van handel als behorend tot de materiële grondwet. Schending van art. 7 van het decreet van 2 tot 17 maart 1791 tot afschaffing van het gildewezen. 1. Art. 7 van het decreet van 2 tot 17 maart 1791 tot afschaffing van het gildewezen luidt als volgt : 'Te rekenen van de afkondiging van deze wet, staat het eenieder vrij, naar goeddunken, elke handel te drijven of elk beroep, bedrijf of ambacht uit te oefenen ...' Traditioneel wordt uit dit oud-Frans decreet de vrijheid van handel en de vrijheid een beroep uit te oefenen afgeleid. 2. Ondertussen moet de vrijheid van handel als een algemeen rechtsbeginsel beschouwd worden. 3. Ten slotte wordt de vrijheid van handel, door zijn opname in in art. 6, par. 1, 6/ van de Bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen ook geacht tot de grondwet in materiele zin te behoren. 4. Een koninklijk besluit mag in beginsel geen afbreuk doen aan de vrijheid van handel zoals vastgelegd in het decreet tot afschaffing van het gildewezen. Er wordt aangenomen dat er beperkingen aan de vrijheid van handel slechts toegelaten zijn onder drie cumulatieve voorwaarden : - er moet een wettelijke grondslag voor de beperking zijn, - de maatregelen moeten doelgebonden zijn aan de aan het bestuur toegewezen bevoegdheden, - de beperkingen moeten evenredig zijn met de wettige doeleinden. 4.1. Aan de eerste voorwaarde is prima facie voldaan. Er is een wettelijke grondslag, zijnde het art. 37 § 17 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994. Evenwel schendt het voormelde art. 37 § 17 het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel. Verzoeker herneemt in dit verband zijn argumentatie zoals uiteengezet onder het voorgaande middel en nodigt uw Raad uit ook voor dit middel de hoger geciteerde prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof. Wanneer het Arbitragehof zou besluiten dat het voormelde art. 37 § 17 het gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel schendt, nodigt verzoeker uw Raad uit om ook het bestreden besluit te vernietigen als strijdig met het gelijkheidsbeginsel. 4.2. Zelfs in het geval uw Raad niet zou overgaan tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof, moet art. 12 van het bestreden besluit vernietigd worden. Om wettig de vrijheid van handel te beperken dient immers tevens aan de tweede en de derde voorwaarde voldaan te worden. Dit is kennelijk niet het geval. De maatregel strekt er immers toe - of heeft als gevolg - om elke prijsconcurrentie tussen geconventioneerde apotheken aangaande produkten waarin de ziekteverzekering tussenkomt, volledig uit te sluiten. Dergelijke volledige uitsluiting van concurrentie, die, zoals hoger werd uiteengezet niet in VII-26.765-22/31 relatie kan gebracht worden met welkdanige besparingsmaatregel, is kennelijk onevenredig met een doelstelling die reeds sedert jaar en dag in de wet staat, maar waaraan blijkbaar nimmer uitvoering is gegeven door de Koning. Dit is des te meer het geval nu er strenge reglementeringen zijn wat betreft andere mogelijkheden tot mededinging zoals bijvoorbeeld het voeren van reclame door apotheken. Zo heeft de raad van beroep van de orde van apothekers op 28 april 1998 nog een tuchtsanctie opgelegd aan een apotheker omdat hij draagtassen had uitgedeeld waarop het logo van zijn apotheek stond. De raad oordeelde dat deze gedraging van aard was om de waardigheid van het beroep van apotheker aan te tasten"; 3.3.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord repliceert : "De vrijheid van handel en nijverheid kan niet worden opgevat als een absolute vrijheid. Zij belet niet dat de wetgever de economische bedrijvigheid van personen en ondernemingen regelt. De wetgever zou alleen dan de vrijheid van handel en nijverheid schenden indien hij die vrijheid zou beperken zonder dat daartoe enige noodzaak bestaat of indien die beperking kennelijk onevenredig zou zijn met het nagestreefde doel (zie bijvoorbeeld Arbitragehof, arrest nr. 52/2000, van 3 mei 2000; arrest nr. 74/2000, van 14 juni 2000; arrest nr. 88/2000, van 13 juli 2000, en arrest nr. 113/2000, van 8 november 2000). Nu duidelijk is - en trouwens door de verzoekende partij niet wordt betwist, aangezien de schending van artikel 108 van de gecoördineerde Grondwet niet ingeroepen wordt - dat (het betrokken artikel 2 van) het betrokken besluit is genomen in loutere uitvoering van de in de hiërarchie van de rechtsnorrnen hogerliggende wettelijke bepaling van artikel 137, § 17 van de gecoördineerde Wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, is het eveneens duidelijk dat de verzoekende partij in wezen zonder meer wettigheidkritiek formuleert. Zoals reeds hoger gesteld komt het niet aan de Raad van State toe (eventueel via een koninklijk besluit) de wettigheid van de wet te gaan onderzoeken. Ook wat dit tweede middel betreft, wijst de verzoekende partij erop dat een prejudiciële vraag moet worden gesteld aan het Arbitragehof. Zoals de verwerende partij reeds hoger stelde en beargumenteerde, is hiertoe geen reden. Waar de verzoekende partij dan vervolgt dat er zelfs zonder het stellen van een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof omtrent de regelmatigheid van de hogerliggende rechtsnorm - en dus in de veronderstelling van de rechtmatigheid hiervan - moet worden beslist tot de nietigverklaring van het betrokken artikel 2, is de verzoekende partij duidelijk in strijd met zichzelf. Er kan namelijk in voorliggend geval niet worden aangehouden dat de regelmatige uitvoering in artikel 2 (hetgeen zoals reeds gezegd door de verzoekende partij niet wordt aangetoond) van de grondwetsconforme wettelijke bepaling van artikel 137, § 17 (hetgeen blijkt uit de veronderstelling waaruit de redenering wordt vertrokken), zou kunnen resulteren in een onwettig artikel 2 van het bestreden besluit. Dergelijk resultaat kan namelijk geheel onmogelijk voortvloeien uit de aangehouden premissen. Wat er trouwens van weze, het moge duidelijk zijn dat er van een schending van het beginsel van de vrijheid en nijverheid geen sprake is. De verzoekende partij toont namelijk niet eens deugdelijk aan (dat) er - in haar eigen redenering - sprake zou zijn van een onevenredige maatregel, omdat de uitgevoerde wettelijke norm gedurende geruime tijd niet effectief is uitgevoerd. Dit is niet ernstig : de (on)evenredigheid van het bestreden besluit - en in het bijzonder het artikel 3 ervan - wordt uiteraard niet in essentie getoetst aan de VII-26.765-23/31 tijdspanne tussen het in werking treden van de wettelijke bepaling en de uitvoeringsbepaling. De verzoekende partij toont niet aan dat er motieven zijn die doen vermoeden dat de toenmalige doelstelling van de wetgever vandaag niet meer dezelfde zou zijn, noch dat er een onevenredigheid zou bestaan tussen het artikel 2 van het bestreden besluit en die verondersteld gewijzigde doelstelling. Dat de betrokken wettelijke bepaling nog steeds geldt is trouwens het beste bewijs ervan dat de doelstelling van de wetgever nog steeds dezelfde is. Het bestreden besluit is dan oo(
  2. k)geenszins 'onevenredig'. Het tweede middel tot vernietiging van het artikel 2 van het bestreden besluit is ongegrond"; 3.3.1.3. Overwegende dat de verzoeker in zijn memorie van wederantwoord o.m. stelt : "De bestreden maatregel sluit elke (prijs)concurrentie tussen geconventioneerde apotheken onderling aangaande produkten waarin de ziekteverzekering tussenkomt, volledig uit, en is daarom onevenredig met welkdanige doelstelling dan ook ! De (enige) doelstelling die in de preambule van het bestreden besluit wordt aangehaald, met name de besparingsdoelstelling, mist trouwens feitelijke correctheid en alleen al om die reden is de vrijheid van handel geschonden. Een evenredigheidstoets is dan ook overbodig"; 3.3.1.4. Overwegende dat de verzoeker in zijn laatste memorie nog aanvoert : "2. Eerste voorwaarde wat betreft de wettelijke grondslag voor de beperking : In het auditoraatsverslag wordt als wettelijke grondslag voor het bestreden artikel 2 van het K.B. van 29 maart 2002, artikel 37 § 17 van de wet betreffende verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, aangehaald. Vermits de Auditeur hier niet verder op ingaat, wenst verzoekende partij Uw Raad erop te wijzen dat genoemde bepaling van artikel 37 § 17 enkel als wettelijke basis beschouwd kan worden, in de mate deze bepaling zelf niet onwettig is. Immers is verzoekende partij van oordeel dat deze bepaling het gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel schendt. Verzoeker herneemt in dit verband zijn argumentatie, zoals uiteengezet in zijn verzoekschrift tot nietigverklaring en memorie van wederantwoord onder het eerste middel met betrekking tot de onwettigheid van artikel 2 van het bestreden K.B. 3. Tweede voorwaarde wat betreft het doelgebonden karakter van de maatregelen : De maatregelen hebben inderdaad krachtens de toelichting bij het K.B. tot doel besparingen te realiseren om de uitgaven van de ziekteverzekering onder controle te houden. Evenwel kan niet ontkend worden dat door de genomen maatregelen de prijsconcurrentie tussen geconventioneerde apotheken uitgesloten wordt. Dit wordt ten andere ook bevestigd in het auditoraatsverslag : 'Hooguit zou het bestreden besluit 'tot gevolg' kunnen hebben dat de prijsconcurrentie tussen geconventioneerde apotheken uitgesloten wordt (...)'. Welnu, het is niet omdat het om een 'gevolg' gaat dat hiermee geen rekening dient gehouden te worden. Alle beperkingen - zowel expliciet opgelegde als impliciet uit de maatregelen voortvloeiende beperkingen - dienen mee in beschouwing genomen te worden voor wat betreft de beoordeling van het evenredig karakter (zie derde voorwaarde). VII-26.765-24/31 4. Derde voorwaarde : wat betreft het evenredig karakter van de beperkingen : Ook hier verwijst de Auditeur naar de keuzemogelijkheid om al dan niet de derdebetalersregeling toe te passen, waarover geconventioneerde apotheken beschikken. Zoals reeds hoger gesteld, maakt deze keuze de discriminatie niet onbestaande. Discriminerend is het verschil tussen de apotheken die de derdebetalersregeling toepassen en degenen die dit niet doen. Discriminerend is het feit dat apotheken die de derdebetalersregeling toepassen onderling niet kunnen concurreren, terwijl degenen die de derdebetalersregeling niet toepassen die wel kunnen doen. De beperkingen, voortvloeiende uit artikel 2 van het bestreden K.B., dienen dan ook als kennelijk onevenredig beschouwd te worden met het beoogde doel. Dit is des te meer het geval nu er strenge reglementeringen zijn wat betreft andere mogelijkheden tot mededinging, zoals bijvoorbeeld het voeren van reclame door apothekers"; 3.3.1.5. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie geen nieuwe argumenten naar voren brengt; 3.3.2. Bespreking Overwegende dat de bestreden bepaling, aan de apothekers die de derdebetalersregeling toepassen, alleen oplegt het remgeld te innen; dat deze bepaling geenszins voor gevolg heeft "elke prijsconcurrentie tussen geconventioneerde apotheken aangaande produkten waarin de ziekteverzekering tussenkomt volledig uit te sluiten"; dat, zoals hierboven is gebleken, de geconventioneerde apothekers immers niet verplicht zijn de derdebetalersregeling toe te passen; dat de verzoeker niet voor het eerst in zijn laatste memorie kan aanvoeren dat van de apothekers niet kan worden verwacht dat zij uit die regeling stappen; dat overigens dit laatste argument van de verzoeker ook impliceert dat de voordelen van de toepassing van de derdebetalersregeling voor de apothekers dermate groot zijn dat het nadeel gepaard aan de aan alle betrokken apotheken -en de argumentatie van de verzoeker impliceert ook dat dit de overgrote meerderheid der apotheken moet zijn- opgelegde verplichting het remgeld te innen daar helemaal niet tegen opweegt; dat trouwens ook niet wordt aangetoond dat elke prijsconcurrentie met apothekers die deze regeling toepassen volledig uitgesloten is, nu die verplichting bijvoorbeeld jaarlijkse kortingen aangaande producten waarin de ziekteverzekering tussenkomt niet uitsluit; dat ten overvloede weze vastgesteld dat de verzoeker ook ten onrechte voorhoudt dat de bewuste maatregel geen besparingsmaatregel is, vermits de verplichte inning van het remgeld beoogt de medische consumptie af te remmen en zo de uitgaven voor de ziekteverzekering te beperken; dat de premissen waarop het middel gesteund is derhalve niet correct zijn, zodat het ook niet nodig is enige prejudiciële vraag aan het Arbitragehof te stellen; dat het middel ongegrond is; VII-26.765-25/31 3.4. Vierde middel 3.4.1. Standpunten van de partijen 3.4.1.1. Overwegende dat het vierde middel alleen betrekking heeft op artikel 3 van het bestreden besluit; dat het in het verzoekschrift tot nietigverklaring als volgt is geformuleerd : "Schending van het gelijkheidsbeginsel. Schending van art. 10 en 11 van de Grondwet. 1. Art. 3 van de bestreden beslissing voert een regeling in die er kortweg op neerkomt (dat) de geconventioneerde apotheken de sociale zekerheid meefinancieren. Niet-geconventioneerde apothekens hebben deze plicht niet. Enkel de geconventioneerde apothekers worden geviseerd. 2. Zoals gezegd stellen honorariaovereenkomsten het bedrag van de honoraria van de magistrale bereidingen en de verantwoordelijkheidshonoraria voor de aflevering van de farmaceutische specialiteiten vast. 3. Ingeval de derdebetalingsregeling toegepast wordt op de kosten van verstrekkingen door geconventioneerde apotheken, worden alle tariferingsverrichtingen en alle betalingen van de verzekeringsinstellingen verplicht uitgevoerd (...) door de Minister erkende tariferingsdiensten. Deze tariferingsdiensten hebben aldus enkel bevoegdheden ten aanzien van geconventioneerde apotheken : de derdebetalingsregeling immers niet toepasselijk is op niet-geconventioneerde apotheken. 4. Art. 3 van het bestreden besluit legt aan de tariferingsdiensten -en enkel aan hen- op om de basis waarop de verzekeringstegemoetkoming wordt berekend, te verminderen met 10,15% (en in de toekomst met 7,7%) van het bedrag van het persoonlijk aandeel dat voor rekening van de rechthebbende wordt gelaten. Deze regeling is aldus niet toepasselijk op de niet-geconventioneerde apotheken, die immers niet met de tariferingsdiensten werken. Indien de niet-geconventioneerde en de geconventioneerde apotheken voor éénzelfde geneesmiddel dezelfde prijs aantekenen, zal de geconventioneerde apotheker uiteindelijk 10,15 % van het eigen aandeel van de rechthebbende minder ontvangen, vermits de tariferingsdiensten dit percentage inhouden bij de betaling in het kader van de derdebetalingsregeling. In elk geval wordt van elke geconventioneerde apotheek die een vergoedbare farmaceutische verstrekking verricht een bedrag ingehouden ten waarde van 10,15 % van het eigen aandeel van de rechthebbende, en draagt zij op deze manier bij aan de financiering van de sociale zekerheid. Dit terwijl van de niet-geconventioneerde apotheek die dezelfde farmaceutische verstrekking verricht geen bedrag ten waarde van 10,15% van het eigen aandeel wordt geëist en deze niet op een evenwaardige manier hoeft bij te dragen aan de financiering van de sociale zekerheid. De geconventioneerde en de niet-geconventioneerde apotheek worden in éénzelfde situatie ongelijk behandeld, in toepassing van artikel 3 van het K.B. van 30.3.2002, zonder dat daar een redelijke verantwoording tegenover staat. Dit artikel 3 (...) van het bestreden besluit schendt de artikelen 10 en 11 van Grondwet. 5. De rechtsgrond voor art. 3 van het bestreden besluit is art. 165, laatste lid van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 : 'De Koning kan bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bepalen dat voor de in. art. 34, 65/ bedoelde verstrekkingen de basis waarop VII-26.765-26/31 de verzekeringstegemoetkoming door de erkende tariferingsdiensten wordt berekend die de verzekeringsinstellingen verschuldigd zijn aan de apothekers met een voor het publiek opengestelde officina en aan de geneesheren die een vergunning hebben om een geneesmiddelendepot te houden, verminderd wordt met maximaal 15% van het bedrag van het persoonlijk aandeel dat voor rekening van de rechthebbende wordt gelaten, zoals bedoeld in art. 37 §

§4

'. Indien verwerende partij zou opwerpen dat de aangevoerde schending van het gelijkheidsbeginsel reeds in de rechtsgrond voor art. 3 van het bestreden besluit vervat zou zijn, nodigt verzoekende partij uw raad uit om een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof te stellen conform art. 26 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof. Voorgesteld wordt om de volgende vraag te stellen : 'Schendt art. 165, laatste lid van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 de arttn. 10 en 11 van de Grondwet, en aldus het gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel, inzoverre het de Koning verplicht, minstens toelaat, indien hij de wet wil uitvoeren, een maatregel te nemen waardoor de geconventioneerde apotheken, een bepaald bedrag ter waarde van een bepaald percentage van het eigen aandeel van de rechthebbende minder te ontvangen, wanneer zij een vergoedbare farmaceutische verstrekking verrichten, terwijl van een niet-geconventioneerde apotheek die dezelfde farmaceutische verstrekking verricht, niets wordt ingehouden?'. Indien het Arbitragehof tot een schending van het gelijkheidsbeginsel zou beslissen nodigt verzoeker uw Raad uit om de schending van het gelijkheidsbeginsel door het bestreden besluit vast te stellen"; 3.4.1.

  1. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord repliceert : "In eerste instantie wijst de verwerende partij opnieuw op de onontvankelijkheid van het middel wegens gebrek aan (rechtmatig) belang in hoofde van de verzoekende partij. De motivering is dezelfde als hiervoor aangehaald : de verzoekende partij heeft zelf geopteerd deel uit te maken van het net van geconventioneerde apotheken. Het is dan ook logisch dat zij de - wettelijk uit deze keuze voortvloeiende - gevolgen moet aanvaarden. Wat onder het gelijkheid- en non- discriminatiebeginsel moet worden verstaan werd ook al verduidelijkt. Opnieuw moet er op worden gewezen dat de verzoekende partij geen schending van dit beginsel aantoont. Dezelfde argumenten gelden. Ook wat dit middel betreft stelt de verzoekende partij zelf vast dat het een kritiek betreft op een gegeven dat in wezen niet uit het bestreden besluit voortvloeit, doch uit de wet, met name het artikel 165, laatste lid, van de Wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli
  2. De Raad is niet bevoegd de wettigheid van de wet te onderzoeken. Vandaar de suggestie van de verzoekende partij aan het Arbitragehof een prejudiciële vraag te stellen. Hiertoe is evenwel - zoals hierboven verduidelijkt - geen reden"; 3.4.1.
  3. Overwegende dat de verzoeker in zijn memorie van wederantwoord o.m. stelt : VII-26.765-27/31 "
  4. Onder hoofdstuk II. (Ontvankelijkheid) heeft verzoekende partij genoegzaam uiteengezet dat het feit dat hij uit vrije wil voor conventionering heeft gekozen zijn belang bij dit middel geenszins hypothekeert.
  5. De opmerking dat verzoekende partij niet uiteenzet hoe het gelijkheids -en niet discriminatiebeginsel wordt geschonden dient als bijzonder weinig ernstig te worden beschouwd, gelet op de pagina's 12 en 13 van het verzoekschrift.
  6. Ten slotte wenst verzoekende partij ook hier te beklemtonen dat, hoewel hij er het volste vertrouwen in heeft, een prejudiciële vraagstelling aan het Arbitragehof overbodig is en daarom slechts in ondergeschikte orde gevorderd wordt. De Koning was immers niet verplicht om art. 165 laatste lid van de Gecoördineerde Wet van 14 juli 1994 uit te voeren. Hij had er de vrije keuze toe en heeft er dus doelbewust voor gekozen om het grondwettelijk gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel te schenden. Opnieuw beroept verzoekende partij zich in eerste instantie op de Waleffe-doctrine"; 3.4.1.
  7. Overwegende dat de verzoeker in zijn laatste memorie nog aanvoert : "
  8. Dat er wel degelijk een ongelijkheid bestaat tussen apotheken die de derdebetalersregeling toepassen en deze die dit niet doen, wordt ook expliciet bevestigd in het auditoraatsverslag : 'Op die manier wordt ook voor de vergoedbare farmaceutische specialiteiten, afgeleverd door niet-geconventioneerde apotheken, het persoonlijk aandeel van de rechthebbende geretourneerd naar het budget van de ziekteverzekering, zij het dat de niet-geconventioneerde apotheek hier zelf niets van voelt vermits hij het remgeld geïnd heeft zonder dat er een deel van teruggevorderd of afgehouden wordt. Het is deze ongelijkheid tussen geconventioneerde en niet-geconventioneerde apotheken die verzoekende partij aanvecht. Evenwel moet hier herhaald worden wat hoger reeds bij de bespreking van het tweede middel werd gesteld : verzoekende partij vertrekt van de verkeerde premisse dat geconventioneerde apotheken verplicht de derdebetalersregeling moeten toepassen. Uit artikel 4 van de overeenkomst apothekersinstellingen van 20.12.1995 blijkt dat dit niet het geval is (zie 2.4.2). De ongelijkheid vloeit aldus niet voort uit het al dan niet geconventioneerd zijn, maar wel uit het al dan niet toepassen van de derdebetalersregeiing. Verzoekende partij heeft als geconventioneerde apotheek de mogelijkheid om de derdebetalersregeling niet toe te passen, in welk geval zij zal ontsnappen aan de gevolgen van het bestreden artikel
  9. Het middel is bijgevolg niet gebaseerd op correcte feitelijke grondslag in de mate dat het de ongelijkheid situeert op het vlak van de verhouding geconventioneerde/niet-geconventioneerde apotheken. Om dezelfde reden dient de prejudiciële vraag aan het Arbitragehof niet gesteld te worden vermits ook die vraag uitgaat van de ongelijkheid tussen geconventioneerde en niet-geconventioneerde apotheken (in dezelfde zin : Cass. 24.09.1997, A.C., nr. 366 : wanneer een middel, waarin de schending wordt aangevoerd van de artt. 10 en 11 Gw. door een wet, een decreet of een ordonnantie, uitgaat van een verkeerde veronderstelling, dient het Hof van Cassatie geen prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof)'.
  10. Doch ook hier suggereert de Auditeur geheel ten onrechte dat verzoekende partij zelf de ongelijkheid zou gecreëerd hebben door te opteren voor de derdebetalersregeling en dat zij aan de gevolgen van het bestreden artikel 3 kan ontsnappen door niet langer de derdebetalersregeling toe te passen. VII-26.765-28/31 Zoals reeds hoger gesteld, is dit een optie die - zowel om concurrentiële als administratieve redenen - in de praktijk niet haalbaar is. Daarenboven verhindert het feit dat er een keuzemogelijkheid zou zijn, geenszins dat er geen sprake zou kunnen zijn van een schending van het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel (zie hoger).
  11. Wat betreft de verplichting tot het stellen van een prejudiciële vraag, merkt concluante op dat artikel 27 van de Bijzondere Wet op het Arbitragehof uitdrukkelijk aan het Arbitragehof de bevoegdheid geeft om de gestelde prejudiciële vraag te herformuleren. Welnu, hetgeen tijdens de procedure voor het Arbitragehof mogelijk is, is a fortiori ook mogelijk vooraleer de prejudiciële vraag gesteld wordt. Verzoekende partij vraagt Uw raad dan ook om volgende prejudiciële vraag aan het Arbitragehof te stellen : 'Schendt artikel 165, laatste lid van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, en aldus het gelijkheids- en het niet-discriminatiebeginsel, in zoverre het de Koning verplicht, minstens toelaat, indien hij de wet wil uitvoeren, een maatregel te nemen waardoor apotheken, die opteren voor de toepassing van de zgn. derdebetalersregeling, een bepaald bedrag ter waarde van een bepaald percentage van het eigen aandeel van de rechthebbende minder te ontvangen, wanneer zij een vergoedbare farmaceutische verstrekking verrichten, terwijl van een apotheek die niet deze derdebetalersregeling niet toepast en dezelfde farmaceutische verstrekking verricht, niets wordt ingehouden ?' (sic) Nu de ongelijkheid ook door de Auditeur erkend wordt, zou het immers onaanvaardbaar zijn om te weigeren deze vraag aan het Arbitragehof voor te leggen op grond van een zgz. niet correcte formulering. Dergelijke houding zou immers enkel getuigen van 'gemakzucht', nu artikel 26 van de Bijzondere Wet op het Arbitragehof geenszins een verbod invoert om in dergelijke omstandigheden een prejudiciële vraag te stellen. Ook hier dient verzoekende partij te verwijzen naar het arrest van 16 mei 2000 van Uw Raad, waaruit duidelijk blijkt dat Uw Raad niet 'a priori' de mogelijkheid tot voorlegging van een in een laatste memorie geformuleerde prejudiciële vraag verwerpt. Dit geldt des te meer, nu de vraag reeds in het verzoekschrift tot nietigverklaring gesteld werd en verwerende partij als 'invoerder' van de wettelijke regeling betreffende apotheken maar al te goed wist, waarop verzoekende partij doelde. Overigens verandert genoemde wijzigingen niets aan de inhoud van de middelen (behoudens dan de vervanging van het onderscheid conventioneel-niet-conventioneel door het onderscheid toepassing derdebetalersregeling - niet-toepassing derdebetalersregeling)"; 3.4.1.
  12. Overwegende dat de verwerende partij hierop in haar laatste memorie repliceert : "
  13. Zij wenst er bovendien opnieuw aan te herinneren dat er slechts sprake is van schending van het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet wanneer gelijke situaties op verschillende wijze worden behandeld en wanneer geen redelijke verantwoording voor handen is om een verschillende behandeling te verantwoorden. In casu dient vastgesteld te worden dat hoe dan ook de situatie van een geconventioneerde apotheker die de derdebetalersregeling toepast objectief verschilt van de situatie van de niet-geconventioneerde apotheker die de derdebetalersregeling niet toepast. De niet-geconventionneerde apotheker die de VII-26.765-29/31 derdebetalersregeling niet toepast kan verschillende voordelen verbonden aan het ondertekenen van de overeenkomst apothekers-verzekeringsinstellingen niet genieten. Zoals reeds uiteengezet bij de bespreking van de ontvankelijkheid van de vordering, brengt het toetreden tot de overeenkomst apothekers-ziekenfondsen voor de betrokken apotheker zowel voordelen als relatieve nadelen mee. Dit is inherent aan de overeenkomsten tussen zorgverstrekkers en ziekenfondsen. Het niet ondertekenen van dergelijke overeenkomsten brengt andere voor- en nadelen teweeg voor de betrokken zorgenverstrekker, in bijzonderheid de betrokken apotheker. Het objectief verschil tussen deze twee categorieën verantwoordt hoe dan ook de verschillende situaties aan de verschillende behandelingen van hun honoraria. Deze verschillende behandeling is bijgevolg geenszins een discriminatie.
  14. Dat de verzoekende partij in haar laatste memorie aanhaalt dat er wel degelijk een ongelijkheid zou bestaan tussen apotheken die de derdebetalersregeling toepassen en dezen die dit niet doen is hierbij natuurlijk zonder belang. Vooreerst moet worden opgemerkt dat dit een nieuwe verwoording is van het middel, in feite een nieuw middel. Dit nieuwe middel is bijgevolg onontvankelijk. Bovendien moet worden opgemerkt, zoals hierboven uiteengezet, dat een ongelijke behandeling niet in se een discriminatie uitmaakt. Zoals reeds uitvoerig aangehaald in de memorie van antwoord en de latere procedurestukken blijkt nergens dat de eventuele verschillende behandeling een discriminatie zou uitmaken"; 3.4.
  15. Bespreking 3.4.2.
  16. Overwegende dat de verzoeker, om de redenen uiteengezet onder nummer 2.2, er belang bij heeft de schending van de gelijkheids- en non- discriminatieregel in te roepen; 3.4.2.
  17. Overwegende dat, zoals ook werd vastgesteld met betrekking tot artikel 2 van het bestreden besluit, het kwestieuze verschil in behandeling zich niet situeert tussen de geconventioneerde en de niet geconventioneerde apothekers, maar wel tussen de apothekers die de derdebetalersregeling toepassen en deze die dit niet doen; dat geconventioneerde apothekers geenszins verplicht zijn de derdebetalersregeling te aanvaarden; dat de geconventioneerde en de niet geconventioneerde apothekers aldus niet verschillend worden behandeld in de bestreden bepaling; dat de verzoeker dit met zoveel woorden ook toegeeft in zijn laatste memorie; dat hij niet op ontvankelijke wijze aan het middel een nieuwe grondslag vermag te geven in die memorie; dat de hypothese waarop het middel berust dus niet correct is; dat de gesuggereerde prejudiciële vragen dan ook geen enkel nut vertonen voor de behandeling van de voorliggende zaak, en dan ook niet aan het Arbitragehof dienen te worden gesteld; dat het middel niet gegrond is, VII-26.765-30/31 BESLUIT: Artikel
  18. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  19. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien november tweeduizend en zes, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-26.765-31/31 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.826 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.