id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.828 Rolnummer: A. 92728/VII-21741 Zaak: Arrest 164828 - - 16/11/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-11-29 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-01 09:01 Fiche Arrest nr 164.828 van 16 november 2006 - Beslissing : heropening debatten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 164.828 van 16 november 2006 in de zaak A. 92.728/VII-21.
- In zake : de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest (OVAM), die woonplaats kiest bij advocaat P. LUYPAERS, kantoor houdende te LEUVEN, Industrieweg 4, bus 1 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. BERGÉ, kantoor houdende te LEUVEN, Naamsestraat
- tussenkomende partij : de n.v. KLING INTERCONNECTION TECHNOLOGY, die woonplaats kiest bij advocaat S. BEELE, kantoor houdende te KORTRIJK, President Kennedypark 26A --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzo ekschr ift d at de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest (OVAM) op 16 juni 2000 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 11 april 2000 houdende uitspraak over het beroep aangetekend tegen het besluit van OVAM van 20 maart 1998 waarbij wordt beslist dat de n.v. KLING INTERCONNECTION TECHNOLOGY niet aantoont dat zij voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, § 2 of § 3 van het bodemsaneringsdecreet en dat zij bijgevolg verplicht is om in te gaan op de aanmaning tot het uitvoeren van een beschrijvend bodemonderzoek; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 31 augustus 2000; Gelet op de beschikking van 6 september 2000 die de tussenkomst van de n.v. KLING INTERCONNECTION TECHNOLOGY toelaat; VII–21.741-1/5 Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op de beschikking van 1 juni 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 15 september 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 oktober 2006; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat H.-K. CARÊME die, loco advocaat P. LUYPAERS verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat N. SCHEEPMANS die, loco advocaat J. BERGÉ verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat VAN EECKHOUTTE die, loco advocaat S. BEELE verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het advies van auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de Raad van State de zaak als volgt beoordeelt :
- De feiten De n.v. KLING INTERCONNECTION TECHNOLOGY, tussenkomende partij, laat in december 1997 aan OVAM, verzoekende partij, weten dat zij haar bedrijfsactiviteit in Wervik stopzet. Zij deelt eveneens een verslag van oriënterend bodemonderzoek mee. Bij aangetekend schrijven van 12 januari 1998 meldt de verzoekende partij aan de tussenkomende partij dat zij van oordeel is dat er op grond van dat verslag aanwijzingen zijn dat het betrokken perceel aangetast is door VII–21.741-2/5 historische bodemverontreiniging die een ernstige bedreiging vormt. Zij maant de tussenkomende partij op grond van artikel 39, § 1 van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering (bodemsaneringsdecreet) aan om een beschrijvend bodemonderzoek uit te voeren. Bij aangetekend schrijven van 21 januari 1998 laat de tussenkomende partij aan OVAM weten dat zij van oordeel is dat zij in de voorwaarden verkeert om als onschuldig bezitter te worden erkend. Bij brief van 20 maart 1998 laat de verzoekende partij aan de tussenkomende partij weten dat zij heeft beslist dat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 31, § 2 en 3 van het bodemsaneringsdecreet en dat de tussenkomende partij bijgevolg verplicht is om in te gaan op de aanmaning tot het uitvoeren van een beschrijvend bodemonderzoek. Nadat zij zich eerst, voortgaande op de vermeldingen in voormelde brief, tot de Raad van State had gewend, tekent de tussenkomende partij op 6 januari 2000 administratief beroep aan tegen deze beslissing. Op 11 april 2004 wordt de thans bestreden beslissing genomen. Het beroep wordt gegrond verklaard. De verwerende partij stelt vast dat de tussenkomende partij voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, § 2, van het bodemsaneringsdecreet zodat zij niet verplicht is in te gaan op de aanmaning tot uitvoering van het beschrijvend bodemonderzoek.
- De ontvankelijkheid 2.
- De tussenkomende partij werpt een exceptie ratione temporis op. Zij stelt dat een eensluidend afschrift van de bestreden beslissing aan de partijen werd toegestuurd op woensdag 12 april 2000, zodat het vermoeden bestaat dat de ontvangst gebeurde op 13 april
- De verwerende partij legt een document voor waaruit blijkt dat de bestreden beslissing bij aangetekende zending van 17 april 2000 werd overgemaakt aan de verzoekende partij. Dit is de datum van verzending. Het verzoek tot nietigverklaring werd verzonden op 16 juni 2000 en bijgevolg binnen de voorgeschreven termijn van zestig dagen. De exceptie wordt verworpen. 2.
- De auditeur werpt ambtshalve een exceptie op, geput uit de onbevoegdheid van de verzoekende partij om te dezen een beroep tot nietigverklaring in te stellen. De verzoekende partij was ten tijde van het indienen van het annulatieverzoek een zogenaamd "gepersonaliseerd bestuur". De auditeur acht het VII–21.741-3/5 beroep onontvankelijk vermits de verzoekende partij, als gepersonaliseerd bestuur, is onderworpen aan het hiërarchisch gezag van de minister en uit haar rechtspersoonlijkheid niet de bevoegdheid kan putten om een beslissing van de minister over een beroep op grond van het bodemsaneringsdecreet met een annulatieverzoek aan te vechten. De verzoekende partij stelt daar tegenover in haar laatste memorie dat de Vlaamse minister bevoegd voor leefmilieu te dezen niet is opgetreden als orgaan van OVAM maar integendeel als orgaan van het Vlaamse Gewest in het kader van een georganiseerd administratief beroep en dat OVAM de hoogste erkende bodemsaneringdeskundige is, zodat de vordering wel degelijk ontvankelijk is. De verzoekende partij heeft, krachtens artikel 38, § 1, eerste lid van het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen, rechtspersoonlijkheid. De bestreden beslissing heeft betrekking op de bodemsanering, wat uiteraard tot de taak van de verzoekende partij in het kader van het bodemsaneringsdecreet behoort. Met het bestreden besluit wordt een door de verzoekende partij genomen beslissing opgeheven. De verzoekende partij heeft er belang bij dat deze opgeheven beslissing wordt gehandhaafd. Het auditoraatsverslag was beperkt tot de bespreking van de ontvankelijkheid van het beroep, zodat een aanvullend onderzoek van de zaak moet worden bevolen, BESLUIT: Artikel
- De debatten worden heropend. Artikel
- Het door de Auditeur-generaal aangewezen lid van het Auditoraat wordt gelast met het aanvullend onderzoek van de zaak. VII–21.741-4/5 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien november tweeduizend en zes, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII–21.741-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.828 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.174.293 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.