← België

Arrest 164868 - - 17/11/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.868 Rolnummer: A. 139032/X-11495 Zaak: Arrest 164868 - - 17/11/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-11-30 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-01 09:13 Fiche Arrest nr 164.868 van 17 november 2006 - Beslissing : Vernietiging bekendmaking Kantmelding Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 164.868 van 17 november 2006 in de zaak A. 139.032/X-11.

  1. In zake : de gemeente RIJKEVORSEL, die woonplaats kiest bij Advocaat Y. LOIX, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 27 tegen : het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij Advocaten O. ONGENA en M. WENDRICKX, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Tavernierkaai
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de gemeente RIJKEVORSEL op 11 juli 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 20 december 2002 van de Vlaamse Minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken houdende de definitieve bescherming als landschap van het domein "De Hees met omliggend agrarisch gebied", gelegen te Rijkevorsel, Brecht en Hoogstraten, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 19 februari 2003; Gelet op het arrest nr. 127.363 van 23 januari 2004 waarbij de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt bevolen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting van 23 februari 2004 ingediend door de verwerende partij; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-Auditeur-generaal P. DE WOLF; X-11.495-1/7 Gelet op de beschikking van 26 oktober 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 6 februari 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 31 maart 2006; Gehoord het verslag van Staatsraad G. DEBERSAQUES; Gehoord de opmerkingen van Advocaat R. TIJS die loco Advocaat Y. LOIX verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat M. WENDRICKX die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur P. BARRA; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat het bestreden besluit van de Vlaamse Minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken tot voorwerp heeft de definitieve bescherming als landschap van het domein "De Hees met omliggend agrarisch gebied te Rijkevorsel", gelegen op de gemeenten Rijkevorsel, Brecht en Hoogstraten; dat artikel 3 van dit besluit bepaalt wat volgt: "Met het oog op de bescherming zijn van toepassing: A. De beschikkingen van het besluit van de Vlaamse regering van 3 juni 1997 houdende algemene beschermingsvoorschriften, advies- en toestemmingsprocedure, instelling van een register en vaststelling van een herkenningsteken voor beschermde landschappen (Belgisch Staatsblad 1 oktober 1997). B. Specifieke beschermingsvoorschriften: Behoudens toestemming vanwege de Vlaamse Minister of zijn gemachtigde is verboden:
  3. Het wijzigen van de configuratie, de structuur en het uitzicht van het landschap door om het even welk werk dat een negatieve impact zou uitoefenen op de landschappelijke waarden van het gebied. Het wijzigen van teeltkeuze van actueel agrarisch geëxploiteerde gronden blijft toegelaten overeenkomstig artikel 6 van het decreet van 16 april 1996 en de bepalingen opgenomen in artikel 6 van het decreet van 21 december 2001, tot wijziging van voormeld decreet; X-11.495-2/7
  4. Het vernietigen van eieren, nesten of broedsels van voor de landschapswaarde belangrijke diersoorten, met uitzondering van dieren deel uitmakend van de landbouwexploitaties;
  5. Het verstoren van de rust in de broedperiode van 1 maart tot 30 juni, behoudens de uitvoering van de reguliere exploitatie van de landbouwgronden"; Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel neemt uit de schending van het besluit van de Vlaamse regering van 3 juli 2002 tot bepaling van de bevoegdheden van de Vlaamse regering, in het bijzonder de artikelen 8, 9, 10 en 14 hiervan, en uit de schending van het verbod op bevoegd-heidsoverschrijding: "Doordat het besluit genomen werd en ondertekend werd door de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Buitenlands beleid, dhr. Paul Van Grembergen, Terwijl het besluit ook aangelegenheden regelt die niet tot de bevoegdheid behoren van voornoemde minister en waarvoor hem ook geen delegatie werd verleend, Zodat het besluit minstens mede ondertekend had dienen te worden door de Vlaamse Minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening en/of de Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking, En zodat het besluit, nu het enkel door de Vlaamse minister van Binnenlandse aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Buitenlands beleid werd genomen en ondertekend, manifest is aangetast door bevoegdheids-overschrijding"; Overwegende dat de artikelen 1, 2, 8, 9, 10, 14 en 15 van het besluit van de Vlaamse regering van 3 juli 2002 tot bepaling van de bevoegdheden van de Vlaamse regering bepalen wat volgt: "Artikel
  6. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder 'de bijzondere wet', de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. Artikel
  7. Dit hoofdstuk verdeelt de bevoegdheden binnen de Vlaamse regering, met het oog op de voorbereiding en de uitvoering van haar beslissingen. (...) Artikel
  8. Mevr. Vera Dua, lid van de Vlaamse regering, is bevoegd voor: (...) 2/ de landinrichting en het natuurbehoud, zoals vermeld in artikel 6, § 1, III, van de bijzondere wet; (...) Uit hoofde van de haar toegewezen bevoegdheden, vermeld in het eerste lid, draagt zij de titel: "Vlaams minister van Leefmilieu en Landbouw"; Artikel
  9. De heer Dirk Van Mechelen, lid van de Vlaamse regering, is bevoegd voor: (...) 6/ de ruimtelijke ordening, zoals vermeld in artikel 6, § 1, I, 1/, 2/, 3/, 5/ en 6/, van de bijzondere wet; (...) X-11.495-3/7 Uit hoofde van de hem toegewezen bevoegdheden, vermeld in het eerste lid, draagt hij de titel: "Vlaams minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening". Artikel
  10. De heer Paul van Grembergen, lid van de Vlaamse regering, is bevoegd voor: (...) 10/ de monumenten en de landschappen, zoals vermeld in artikel 6, § 1, I, 7/, van de bijzondere wet; (...) Uit hoofde van de hem toegewezen bevoegdheden, vermeld in het eerste lid, draagt hij de titel: "Vlaams minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken". (...) HOOFDSTUK II. - Regeling van de delegatie van beslissingsbevoegdheden. Artikel
  11. Elk lid van de Vlaamse regering oefent de in dit hoofdstuk gedelegeerde beslissingsbevoegdheden uit in de aangelegenheden die hem of haar zijn toegewezen krachtens hoofdstuk I van dit besluit. De in dit hoofdstuk vermelde bedragen, betreffen bedragen exclusief belasting op de toegevoegde waarde. Artikel
  12. §
  13. De leden van de Vlaamse regering hebben, ieder wat hem of haar betreft, delegatie voor: 1/ het nemen van beslissingen voor de toepassing van de verdragen, EG-verordeningen, wetten, decreten, koninklijke besluiten, ministeriële besluiten, verordeningen en besluiten van de Vlaamse regering, en samen- werkingsakkoorden; (...) §
  14. De delegatie, toegestaan bij § 1, geldt ook voor beslissingen die gezamenlijk moeten worden genomen door meerdere leden van de Vlaamse regering"; Overwegende dat de toenmalige Vlaamse Minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening, bevoegd was voor de ruimtelijke ordening zoals vermeld in inzonderheid artikel 6, § 1, I, 1/, van de genoemde bijzondere wet; dat dit bevoegdheidsdomein inzonderheid de voorschriften omvat van stedenbouw en ruimtelijke ordening, het inrichten van een stelsel van vergunningen en de daarop betrekking hebbende regels inzake administratieve procedure inbegrepen; Overwegende dat het specifiek beschermingsvoorschrift bedoeld in artikel 3, B, 1., van het bestreden besluit vergunningplichtige werken, handelingen of functies kan betreffen in de zin van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening; dat de bepaling van de voorwaarden waaronder een vergunning wordt verkregen, alsook van de daarop betrekking hebbende administratieve procedure derhalve behoort tot het bevoegdheidsdomein van de ruimtelijke ordening en dus tot de bevoegdheid van de minister van ruimtelijke ordening, op grond van artikel 9, 6/, van het voornoemde besluit van 3 juli 2002; dat derhalve het vaststellen van de voornoemde bestemmingsvoorschriften met een X-11.495-4/7 doelstelling van bescherming van het betrokken landschap niet tot de enkele bevoegdheid behoort van de minister bevoegd voor de landschappen; dat uit het voorgaande volgt dat, wat het vaststellen betreft van de voornoemde beschermingsvoorschriften, de Vlaamse Minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken niet bevoegd was om op grond van de hiervoor aangehaalde delegatiebepaling het bestreden besluit alleen te nemen; dat het door de verwerende partij aangevoerde argument -met name dat een aantal algemene voorschriften van het besluit van de Vlaamse regering van 3 juni 1997 houdende algemene beschermingsvoorschriften, advies- en toestemmingsprocedure, instelling van een register en vaststelling van een herkenningsteken voor beschermde landschappen volledig overlappen met het in artikel 3, B, 1., van het bestreden besluit bepaalde beschermingsvoorschrift- niet relevant is; dat immers uit artikel 10, §1, 2/, van het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg volgt dat de Vlaamse regering bij individueel besluit tot definitieve bescherming de beschermingsvoorschriften moet vaststellen welke gelden voor elk te beschermen landschap; dat die opdracht geen onderscheid maakt tussen de "specifieke" en de "algemene" beschermingsvoorschriften die de Vlaamse regering met toepassing van het decreet van 16 april 1996, meer bepaald artikel 14, § 1, ervan, kan vaststellen; dat derhalve in het beschermingsbesluit ook de "algemene beschermingsvoorschriften" waarop de verwerende partij doelt, moeten worden vastgesteld die van toepassing zijn op het betrokken landschap; dat de vaststelling van deze "algemene beschermingsvoorschriften" door de minister bevoegd voor de landschappen enkel mag binnen het kader van de delegatie die hij daartoe heeft verkregen; dat derhalve in de mate dat deze algemene bestemmingsvoorschriften overlappen met het specifieke beschermingsvoorschrift, de minister evenmin bevoegd was om alleen de voorschriften vast te stellen welke gelden voor het te beschermen landschap; Overwegende dat de specifieke beschermingsvoorschriften bedoeld in artikel 3, B,
  15. en 3., van het bestreden besluit voorwaarden voor het stellen van handelingen of verbodsbepalingen betreffen, welke behoren tot het bevoegdheidsdomein van de landinrichting en het natuurbehoud zoals vermeld in artikel 6, § 1, III, van de genoemde bijzondere wet, en dus tot de bevoegdheid van de toenmalige Minister van Leefmilieu en Landbouw, op grond van artikel 8, 1/, van het voornoemde besluit van 3 juli 2002; dat derhalve het vaststellen van de voornoemde beschermingsvoorschriften met een doelstelling van bescherming van het betrokken landschap niet tot de enkele bevoegdheid behoort van de minister bevoegd voor de landschappen; dat uit het voorgaande volgt dat, wat het vaststellen betreft van de voornoemde beschermingsvoorschriften, de Vlaamse Minister van X-11.495-5/7 Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken niet bevoegd was om op grond van de hiervoor aangehaalde delegatiebepaling het bestreden besluit alleen te nemen; dat het door de verwerende partij aangevoerde argument - met name dat het bosdecreet reeds bepaalt dat het verboden is om zonder machtiging van het bosbeheer in de openbare bossen dieren en planten te verdelgen, dieren te verplaatsen of te vangen, hun jongen, eieren, nesten of schuilplaatsen te storen en dat van deze beschermingsvoorschriften kan worden afgeweken mits gunstig advies of toestemming- niet relevant is; dat de verwijzing naar het bosdecreet niet opgaat daar het aangehaalde verbod enkel geldt voor openbare bossen en niet wordt aangevoerd, laat staan aannemelijk gemaakt, dat het gehele beheersingsgebied van het beschermde landschap alleen uit openbare bossen bestaat; dat tot slot het argument dat onder bepaalde voorwaarden kan worden afgeweken van deze specifieke beschermingsvoorschriften niet dienend is, daar dit geen antwoord biedt op het in het middel gestelde rechtsprobleem betreffende de bevoegdheid tot het vaststellen van dergelijke specifieke beschermingsvoorschriften; Overwegende dat uit het voorgaande volgt dat de Vlaamse Minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken, bevoegd voor de landschappen, niet bevoegd was om het bestreden besluit alleen te nemen; dat om deze reden het bestreden besluit is aangetast door bevoegdheids- overschrijding; dat het tweede middel in de aangegeven mate gegrond is; BESLUIT: Artikel
  16. Vernietigd wordt het besluit van 20 december 2002 van de Vlaamse Minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken houdende definitieve bescherming als landschap van het domein "De Hees met omliggend agrarisch gebied", gelegen te Rijkevorsel, Brecht en Hoogstraten. X-11.495-6/7 Artikel
  17. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel
  18. De kantmelding wordt bevolen van dit arrest op de kant van de overschrijving van het rangschikkingsbesluit in de registers van het tweede hypotheekkantoor te Antwerpen en het eerste hypotheekkantoor te Turnhout. Artikel
  19. De kosten van de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van de in artikel 3 van dit arrest vermelde kantmelding komen eveneens ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien november 2006, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, G. DEBERSAQUES, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. P. LEMMENS. X-11.495-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.868 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.127.363 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.