id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.927 Rolnummer: A. 178608/XIV-27360 Zaak: Arrest 164927 - - 19/11/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-11-27 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-01 09:38 Fiche Arrest nr 164.927 van 19 november 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 164.927 van 19 november 2006 in de zaak A. 178.608/XIV-27.360 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat K. NGALULA, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 515 bus 24 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ------------------------------------------------------------------------------------------------------ DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 26 juni 1959 en van beweerde Angolese nationaliteit, op 18 november 2006 per fax heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 17 november 2006 tot terugdrijving, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op dezelfde dag; Gezien het verzoekschrift dat verzoeker op 19 november 2006 per fax heeft ingediend, waarbij hij verzoekt om bij hoogdringendheid voorlopige maatregelen te horen bevelen; Gelet op de beschikking van 19 november 2006 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op artikel 8 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 18 november 2006 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op 19 november 2006 om 11.00 uur; XIV-27.360-1/5 Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaten K. NGALULA en B. AAZFRON, die verschijnen voor de verzoekende partij, en van Advocaat G. COOLSAET, die loco Advocaat C. DECORDIER, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 1.
- Overwegende dat, wat de eerste voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en 2, betreft, uit de brief van 18 november 2006 van de verwerende partij blijkt dat de repatriëring is voorzien op 20 november 2006 om 10.45 uur met bestemming Kinshasa, zodat is voldaan aan de eerste cumulatieve voorwaarde van voornoemd artikel 17, §§ 1 en 2; 1.
- Overwegende dat, wat de tweede voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en 2, betreft, verzoeker een enig middel aanvoert, dat bestaat uit vier onderdelen; Overwegende dat verzoeker in een eerste onderdeel doet gelden dat hij niet in het bezit hoefde te zijn van een geldig visum of van een verblijfsvergunning, omdat hij houder is van een “carte française de résident”; dat verzoeker in zijn verzoekschrift evenwel niet aanvoert, noch aantoont dat voornoemde “carte française de résident” zou volstaan om het Schengengebied binnen te komen; dat de bestreden beslissing op het eerste gezicht voldoende gemotiveerd is door het niet betwist motief, en dit laatste is ook gebleken uit de debatten, dat verzoeker bij zijn binnenkomst gebruik heeft gemaakt van een vals of vervalst paspoort; dat deze vervalsing op het eerste gezicht blijkt uit het proces-verbaal van 17 november 2006 van de federale politie, waarin gedetailleerd wordt weergegeven waaruit de vastgestelde onregelmatigheden van het aangeboden paspoort precies bestaan; dat dit XIV-27.360-2/5 proces-verbaal ter zitting aan het tegensprekelijk debat werd onderworpen en dat de vaststellingen van de verbalisanten in verband met de aangebrachte vervalsingen niet werden betwist; Overwegende dat het eerste onderdeel van het enig middel bijgevolg gericht is tegen een overtollig motief en bijgevolg niet kan leiden tot de schorsing van de bestreden beslissing; dat immers op het eerste gezicht lijkt vast te staan dat de identiteit die verzoeker aan de grenspost kenbaar maakte, niet overeenstemt met de werkelijke identiteit van verzoeker, gelet op de onregelmatigheden van het paspoort dat verzoeker ter controle aanbood; Overwegende dat in een tweede onderdeel verzoeker aanvoert dat de Belgische overheid ten onrechte een buitenlandse verblijfsvergunning heeft in beslag genomen, zijnde voornoemde “carte française de résident”, waarvoor volgens verzoeker de Belgische overheid niet zou bevoegd zijn; Overwegende dat verzoeker in een derde onderdeel aanvoert dat hij niet zou aantonen dat hij de Angolese nationaliteit bezit, terwijl de stukken die zijn echtgenote in dit verband heeft gefaxt, desbetreffend iedere twijfel uitsluiten; Overwegende dat wat het tweede en derde onderdeel van het enig middel betreft de Raad van State enkel kan vaststellen dat in het kader van een eventueel strafrechtelijk informatie-onderzoek de politionele overheid voornoemde stukken in beslag heeft genomen en dat desbetreffend de Raad van State geen uitspraak vermag te doen, vermits enkel de justitiële rechter bevoegd is; Overwegende dat uit wat voorafgaat volgt dat het tweede en het derde onderdeel van het enig middel niet ernstig zijn; Overwegende dat verzoeker in een vierde onderdeel aanvoert dat zelfs wanneer hij zou gebruik maken van een onregelmatig paspoort het enkel toekomt aan de Angolese autoriteiten, die dat paspoort hebben uitgereikt, om zich desbetreffend voorafgaandelijk uit te spreken; Overwegende dat uit het proces-verbaal van de federale politie d.d. 17 november 2006 blijkt dat de verbalisanten op zelfde datum rond 9.30 uur contact hebben opgenomen met de ambassade van Angola te Brussel; dat verzoeker de kans kreeg om zijn problemen betreffende zijn paspoort uiteen te zetten aan de verantwoordelijke van voornoemde ambassade; dat de bevoegde inspecteur van de federale politie vernam van de verantwoordelijke van de Angolese ambassade dat verzoeker geen Angolees is, aangezien XIV-27.360-3/5 hij de Portugese taal helemaal niet kent; dat de verantwoordelijke van voornoemde ambassade daaraan toevoegt dat elke Angolees minstens enkele woorden Portugees kent; Overwegende dat, in tegenstelling tot wat verzoeker aanvoert, de verwerende partij op het eerste gezicht geen beoordelingsfout heeft gemaakt, vermits de vertegenwoordigers van de verwerende partij die met de grenscontrole belast zijn, verplicht zijn om de regelmatigheid van de hun voorgelegde documenten te controleren en om na te gaan of het al dan niet gaat om valse of vervalste documenten; Overwegende dat uit de bestreden beslissing blijkt dat op het eerste gezicht aan de formele en materiële motiveringsplicht is voldaan, wat blijkt uit de uitgebreide motivering die is opgenomen in de bestreden beslissing; dat hiertoe wordt verwezen naar de beslissing tot terugdrijving, punten (A), (B) en (C); Overwegende dat bijgevolg het vierde onderdeel van het enig middel niet ernstig is; Overwegende dat nu het enig middel niet ernstig is, deze vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid te verwerpen; 1.
- Overwegende dat, gelet op wat voorafgaat, de vraag tot het bekomen bij hoogdringendheid van voorlopige maatregelen eveneens wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
- De vordering tot het bekomen van voorlopige maatregelen wordt verworpen. Artikel
- XIV-27.360-4/5 De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien november tweeduizend en zes, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, de H. D. DECOCK, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, D. DECOCK. D. MOONS. XIV-27.360-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.164.927 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div