id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.007 Rolnummer: A. 98434/VII-23127 Zaak: Arrest 165007 - - 23/11/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-12-08 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-01 09:57 Fiche Arrest nr 165.007 van 23 november 2006 - Beslissing : Vernietiging bekendmaking Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 165.007 van 23 november 2006 in de zaak A. 98.434/VII-23.127 In zake : André PIETERS, die woonplaats kiest bij advocaat V. TOLLENAERE, kantoor houdende te GENT, Koning Albertlaan 128 tegen :
- de bestendige deputatie van de provincieraad van OOST-VLAANDEREN,
- het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. NIJS, kantoor houdende te DENDERMONDE, Noordlaan 82-
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat André PIETERS op 15 december 2000 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen, enerzijds, van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 21 september 2000 waarbij de definitieve milieuvergunning, na een vergunning op proef, wordt verleend aan Alfons DE DECKER voor het exploiteren van een hondenkennel, gelegen aan de Rooien 36 te Lebbeke, en, anderzijds, van het besluit houdende het onontvankelijk bevinden door het Vlaamse Gewest van het door verzoeker ingediende administratief beroep tegen het eerste bestreden besluit, meegedeeld bij brief van 20 november 2000; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. PROVOOST; Gelet op de beschikking van 11 mei 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; VII-23.127-1/16 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 2 oktober 2006 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op 26 oktober 2006; Gehoord het verslag van kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. VAN ASSCHE die, loco advocaat V. TOLLENAERE verschijnt voor de verzoekende partij, van bestuurssecretaris C. WILLE die, verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van advocaat J. DE CONINCK die, loco advocaat J. NIJS verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. PROVOOST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De Feiten Overwegende dat de voor de oplossing van het geschil relevante gegevens als volgt kunnen worden samengevat: 1.
- Op 5 maart 1998 dient Alfons DE DECKER een milieuvergun- ningsaanvraag in voor het houden van 25 honden op het adres Rooien 56 te Lebbeke. Het gaat om de regularisatie van een bestaande onvergunde inrichting. De inrichting ligt in een woongebied met landelijk karakter. 1.
- Tijdens het openbaar onderzoek worden drie bezwaren ingediend. 1.
- Op 18 juni 1998 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Lebbeke een vergunning op proef voor het houden van 15 honden voor een termijn van één jaar. Er worden bijzondere voorwaarden opgelegd. 1.
- Er wordt administratief beroep aangetekend door buurtbewoners. VII-23.127-2/16 1.
- Op 5 november 1998 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen een vergunning op proef voor een termijn van twee jaar. Er moet een beperkt akoestisch onderzoek worden uitgevoerd dat bij overschrijding van de normen tot een geluidssanering moet leiden. 1.
- Dat beperkt akoestisch onderzoek concludeert: "De inrichting is er op voorzien dat de honden binnen verblijven en enkel gedurende een periode van een half uur in de voormiddag en hetzelfde in de late namiddag, in afzonderlijke groepen worden uitgelaten. De honden gedragen zich hierbij rustig, al gebeurt het dat zij bij de wisseling van de groepen speels geblaf laten horen dat van korte duur is. Het LAeq, 1s- niveau van dit geblaf, waargenomen op een plek die representatief is voor de impact van het geluid ten aanzien van de naburige woningen, varieert tussen 55 en 60 dB(A) en overschrijdt hiermee niet de toegelaten waarde van 60 dB(A) voor het impulsief geluid, zoals voorzien in Vlarem
- Wanneer de honden binnen verblijven, is hun gedrag rustig en eventueel geblaf is amper te onderscheiden van het natuurlijk omgevingsgeluid. Aldus kan worden gesteld dat het geluid van de kennel in geen geval overmatige hinder voor de buurt veroorzaakt". 1.
- Volgende adviezen worden verleend: - de afdeling Milieu-inspectie adviseert gunstig, verwijzend naar het akoestisch onderzoek, waar wordt aan toegevoegd: "Over de hinderlijkheid van de exploitatie is alvast navraag gedaan bij de overbuur op het adres Rooien 57 die destijds een bezwaar- en beroepsschrift heeft ingediend. Volgens deze buur is de toestand nog juist aanvaarbaar op voorwaarde het aantal honden 15 niet overschrijdt. Volgens de buur zouden de honden wel blaffen bij iedere verstoring door kortstondig optredend geluid in de naaste omgeving van de kennel. Door betrokkene wordt het geblaf wel als storend ervaren tijdens de nachtperiode ook al is de frequentie ervan gering. Dat de honden bij goed weder langer dan een half uur in de looprennen verblijven, zou geen bijkomende hinder veroorzaken. Alvast volgde een kortstondig geblaf van enkele kennelhonden op het dichtslaan van het portier van de dienstwagen welke aan de overzijde van de straat en tegenover de inrichting was geparkeerd. Omdat de toestand voor de gehoorde buur nog juist aanvaardbaar is op voorwaarde het aantal honden 15 niet overschrijdt, wordt gunstig geadviseerd inzake de verdere exploitatie"; - de afdeling Milieuvergunningen adviseert gunstig voor een termijn van twintig jaar, verwijzend naar het akoestisch onderzoek en naar het advies van de afdeling Milieu-inspectie; - de administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten & Landschappen (AROHM) adviseert ongunstig "gelet op de inherente hinder van VII-23.127-3/16 dergelijke exploitatie" en "overwegende dat het woongenoot van de omgeving wordt verstoord"; - de administratie Gezondheidszorg adviseert gunstig voor 15 honden en voor een termijn van tien jaar; - de provinciale milieudeskundige adviseert gunstig voor 15 honden en voor een termijn van tien jaar; - de Provinciale Milieuvergunningscommissie adviseert gunstig voor 15 honden en voor een termijn van tien jaar. 1.
- Op 21 september 2000 wordt het eerste bestreden besluit genomen: er wordt vergunning verleend voor 15 honden voor een termijn van tien jaar (tot 18 juni 2008). De motivering luidt in essentie als volgt: "Overwegende dat de kennel is ondergebracht in de stallingen van een voormalige hoeve. De gebouwen van deze hoeve waarvan ook de woning van de exploitant deel uitmaakt, zijn ingeplant rond een verharde binnenkoer. Overwegende dat de bedoeling van de exploitant is maximaal slechts 15 volwassen honden van het ras Berner-Sennen te houden; dat er momenteel een twaalftal dieren verblijven; dat de dieren er worden gekweekt vooral met het oog op het verbeteren van het ras, het deelnemen aan tentoonstellingen en prijskampen en de verkoop ervan aan fokkers; dat volgens de exploitant de dieren daarom steeds goed worden verzorgd; dat de honden tweemaal per dag, rond 11.30 en 19.30 uur, voeding aangeboden krijgen; Overwegende dat de gebouwen waarin de honden zijn gehuisvest opgetrok- ken zijn uit beton- en metselwerk; dat in de muren langs de straatzijde (Rooien) en aan de kant van de buurwoning (Rooien 58) samen een drietal kleine ramen zitten die een kleine opening vertonen nodig voor verluchting; dat achter en links naast de hoeve twee speelweiden gelegen zijn waarop de honden af en toe worden buiten gelaten; Overwegende dat bij de behandeling van het dossier in 1998 vooral de mogelijke geluidshinder een probleem bleek te zijn; dat op 05-11-1998 de Bestendige Deputatie derhalve besliste om een vergunning te verlenen op proef voor 2 jaar; dat binnen deze proefperiode de frequentie en duur van het blaffen nader onderzocht konden worden, wat in dit geval nuttig en wenselijk was; dat er in het kader hiervan een beperkt akoestisch onderzoek diende te worden uitgevoerd; Overwegende dat door de exploitant een verslag van het beperkt akoestisch onderzoek werd voorgelegd, opgemaakt door de erkende geluidsdeskundige VERHAS; dat dit onderzoek betrekking had op een bedrijfstoestand met 15 volwassen honden van het ras Berner-Sennen; Overwegende dat de deskundige tot de vaststelling komt dat de bovengrens gesteld aan impulsachtig geluid de correcte maatstaf is voor beoordeling van het hondengeblaf; dat aan dit criterium wordt voldaan mits rekening wordt gehouden met de volgende elementen: S de hokken zijn ingericht in de gebouwen van een vroegere hoeve zodanig dat de dieren geen uitzicht hebben op de straat of aangrenzende eigendommen, doch enkel op de eigen binnenkoer. S de honden blijven gans de nacht binnen de hokken en worden tweemaal daags gedurende een halfuur uitgelaten in looprennen in open lucht gelegen. VII-23.127-4/16 Overwegende dat het criterium voor impulsachtig geluid wel zou worden overschreden indien de honden van buitenuit worden verstoord, hetgeen volgens de deskundige niet geldt als gewone regel en buiten beschouwing dient gelaten; dat over de hinderlijkheid van de exploitatie alvast navraag gedaan is bij de overbuur; dat volgens hem de toestand nog juist aanvaardbaar is op voorwaarde dat het aantal honden 15 niet overschrijdt; dat volgens de buur de honden wel zouden blaffen bij iedere verstoring door kortstondig optredend geluid in de naaste omgeving van de kennel; dat door betrokkene het geblaf als storend wordt ervaren tijdens de nachtperiode ook al is de frequentie ervan gering; dat wanneer de honden bij goed weer langer dan een half uur in de looprennen verblijven, dit geen bijkomende hinder zou veroorzaken; Overwegende dat - gelet op de adviezen van de Gezondheidsinspectie, de geluidsdeskundige en de PMVC - het evenwel aangewezen is de vergunning- stermijn te beperken tot 10 jaar teneinde de toekomst niet onnodig te bezwaren; [...]". 1.
- In artikel 8 van het eerste bestreden besluit wordt gesteld dat er beroep tegen kan worden aangetekend bij de Vlaamse regering. 1.
- Met een brief van 15 november 2000 wordt namens verzoeker administratief beroep aangetekend. 1.
- Op 20 november 2000 wordt meegedeeld dat het beroep onontvankelijk is bevonden, middels een standaardbrief waarop is aangekruist dat "het beroep is ingediend bij een ter zake niet bevoegde overheid". Dit is het tweede bestreden besluit;
- De ontvankelijkheid van het beroep in zoverre gericht tegen het tweede bestreden besluit 2.
- Overwegende dat de tweede verwerende partij in haar memorie van antwoord vaststelt dat verzoeker in het vijfde onderdeel van zijn enig middel aanvoert dat het eerste bestreden besluit "algeheel ten onrechte" heeft laten weten dat een beroep kon worden ingediend bij de Vlaamse regering: "Met andere woorden, de verzoekende partij lijkt te aanvaarden dat tegen het besluit van de bestendige deputatie dd. 21 september 2000 geen rechtsgeldig administratief beroep kan ingesteld worden doch dit besluit enkel het voorwerp kan uitmaken van een annulatieberoep. Waarom heeft verzoeker, spijts dit alles, toch een administratief beroep ingesteld? En welk belang kan deze partij thans plots laten gelden om de onontvankelijkheidsverklaring, waarmee zij het om voormelde redenen eens is, te bestrijden met een beroep tot nietigverklaring? Bovendien zou een (onmogelijke) vernietiging tot gevolg hebben dat de Vlaamse regering over het beroep een uitspraak dient te doen doch verzoeker stelt zelf dat de Vlaamse regering hiertoe geen bevoegdheid heeft"; VII-23.127-5/16 2.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord betwist dat hij erkent dat er geen administratief beroep bij de Vlaamse regering mogelijk was; dat hij tevens herhaalt dat het onontvankelijk bevinden niet afdoende gemotiveerd was; 2.
- Overwegende dat de inrichting waarvoor vergunning wordt verleend een inrichting van de tweede klasse is (rubriek 9.9., 2/, van de indelingslijst bij Vlarem I); dat de vergunning in eerste aanleg op proef wordt verleend door het college van burgemeester en schepenen (conform artikel 9, §3, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (milieuvergunningsdecreet); dat ingevolge een administratief beroep (artikel 23, §1, milieuvergunningsdecreet), de bestendige deputatie eerst ook een vergunning op proef heeft verleend, en daarna - nog steeds in graad van beroep- heeft beslist over de definitieve vergunning (artikel 18, §1, milieuvergunningsdecreet); dat het milieuvergunningsdecreet enkel administratieve beroepen tegen in eerste aanleg genomen beslissingen voorziet (artikel 23, §§ 1 en 2); Overwegende dat, indien het onontvankelijk bevinden van verzoekers administratief beroep zou worden vernietigd omdat het niet afdoende zou zijn gemotiveerd, de tweede verwerende partij vervolgens enkel opnieuw het beroep onontvankelijk zou kunnen bevinden; dat verzoeker dan ook geen belang heeft bij dit vijfde middelonderdeel, dat het enige onderdeel is dat gericht is tegen het tweede bestreden besluit; dat het beroep daarom onontvankelijk is voor zover het gericht is tegen het tweede bestreden besluit;
- De gegrondheid van het beroep in zoverre gericht tegen het eerste bestreden besluit 3.
- Overwegende dat verzoeker een enig middel aanvoert, bestaande uit zes onderdelen; dat met name de schending wordt aangevoerd van artikel 30, §1, 3/, 4/ en 5/ van Vlarem I, van artikel 50, 3/, b), van Vlarem I en van artikel 53bis, §1 en §2, 2/, van Vlarem I, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, en van "de beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het zorgvuldigheidsbeginsel, het beginsel van behoorlijke feitenvinding, het redelijkheidsbeginsel, de materiële motiveringsplicht"; VII-23.127-6/16 Overwegende dat het in een eerste onderdeel om "onverenigbaarheden/tegenstrijdigheden/onjuistheden" in de geluidsstudie gaat; dat verzoeker, ten eerste, als volgt betoogt dat de geluidsmeting te kort was om representatief te zijn: "[...] De ene meting (momentopname) gebeurde tijdens de avondlijke luchting van de honden. De reeds geuite klachten van andere buurtbewoners maken echter ook gewag van nachtlawaai, zodat het onbegrijpelijk is waarom geen meting ‘s nachts werden uitgevoerd, laat staan op nog andere tijdstippen van de (zelfs die ene) dag. Zijn de honden tijdens de ochtendlijke luchting niet meer uitgelaten en dus luidruchtiger? Wanneer de gemeten geluidsniveaus ‘s avonds en bij geringe wind (wordt nadrukkelijk vermeld in het verslag) al het grensni- veau benaderen zoniet overschrijden, wat dan op een winderige morgen? Het is immers algemeen bekend dat ook het gedrag van honden sterk weersafhank- elijk is. Het lijkt zeer logisch dat in het licht van de geuite klachten, verstrekte adviezen en voorzorgen die de vergunningverlenende overheden aanvankelijk hadden genomen (supra), dergelijke studie grondiger en ernstiger moest opgevat worden, door minstens verschillende metingen op verschillende tijdstippen en verschillende dagen te hebben gedaan"; dat hij, ten tweede, de relevantie betwist van de keuze van de beoordelingspunten in volgende bewoordingen : "[...] waar de deskundige de metingen op punt 1 beschouwt als: '... niet representatief voor de impact op de naburige woningen omdat het onmiddellijk naast de looprennen gelegen is terwijl de woningen op ruime afstand staan ...' Aangezien het voormelde bouwperceel van de verzoeker onmiddellijk grenst aan de bewuste looprennen, vervalt deze stelling van de deskundige en zijn de metingen op punt 1 juist wél relevant. De deskundige stelt zelf vast dat: '... het duidelijk is dat in meetpunt 1, in de tuin, het hondengeblaf de bovenhand neemt ...' De bijgevoegde grafiek toont inderdaad waarden van LAeq, 300s van 70 dB(A) en meer, gevoelig boven de toegestane 60 dB(A) dus"; dat hij, ten derde, de keuze om bepaalde situaties als uitzonderlijk buiten beschou- wing te laten betwist als volgt : "Ook de overweging in het deskundigenverslag (pagina 5): 'Enkel wanneer zij van buiten uit verstoord worden en hierdoor hun waakinstinct wordt geprikkeld, mag worden verwacht dat de honden heviger zullen blaffen dan wat normaal bij hun rustig gedrag voorkomt. In die uitzonderlijke situaties mag wel worden aangenomen dat de geluidscriteria zullen overschreden worden. Doch dit geldt niet als de gewone regel en dient bijgevolg buiten beschouwing te worden gelaten' wordt door de verzoeker aangevochten. De geluidsdeskundige neemt hier toch wel erg snel en lichtvaardig het besluit om een belangrijke bron van overlast buiten beschouwing te laten. Hoelang was hij ter plaatse, 45 min, één uur? De verzoeker betwist dat de deskundige op dergelijke tijdspanne enig juist oordeel kan vellen over de frequentie van zulke uitzonderlijke situaties waarbij de geluidscriteria overschreden worden, met andere woorden: de vraag of zo’n situatie wel uitzonderlijk te noemen is, blijft onbeantwoord, want niet nagegaan in de feiten. Nochtans vermelden de heer Kristof Lamont en mevrouw VII-23.127-7/16 Karen Keymeulen in hun administratief beroep van 14 juli 1998 dienaangaande het volgende: 'De honden blaffen bij ieder geluid: gesprekken, voetgangers, fietsers, aan- en wegrijden van auto’s, ... kortom, op elke passage (zowel dag als nacht).' Allesbehalve uitzonderlijk dus wat de deskundige in zijn verslag buiten beschouwing laat"; dat verzoeker, ten vierde, stelt dat de meetgegevens verkeerd gelezen of voorgesteld werden door de deskundige; dat hij die grief als volgt adstrueert : "De deskundige besluit in zijn verslag dat het LAeq, 1s- niveau van het geblaf varieert tussen 55 en 60 dB(A) (voor meetpunt 2). Grondige lezing van zijn tabellen leert echter dat LAeq, 300s varieert tussen 55 en 60 dB(A), en niet LAeq, 1s. LAeq, 300s staat voor het equivalent geluidsniveau over 300 s, en geeft dus niet het niveau van een impulsachtig geluid gedurende 1 s, maar een uitgemiddelde waarde over 300 s weer. Zo’n waarde over 300 s ligt vanzelfsprekend lager - wanneer de honden zwijgen, zakt het gemiddelde - dan LAeq, 1s,waarvoor in het bijgevoegde grafiek waarden worden teruggevonden tot 79 dB(A). In de grafiek voor meetpunt 1 (in dit geval wel relevant, zie supra), wordt tijdens honden- geblaf zelfs 90 dB(A) waargenomen"; dat verzoeker dan als volgt concludeert: "Op basis van het vorenstaande dient te worden aangenomen dat de gunstige conclusie van het deskundigenonderzoek uitgaat van verkeerde of achterhaalde veronderstellingen en onjuiste overwegingen maakt en dus moet verworpen worden. Deze vaststelling is niet zonder bijzonder groot belang aangezien zowel de voormelde adviezen van verschillende instanties als het bestreden besluit daarop hoofdzakelijk, zo niet geheel, gebaseerd zijn. Aangenomen moet worden dat zonder dit ten onrechte gunstig opgesteld verslag niet de gunstige adviezen zouden zijn verleend (zelfs voorwaardelijk) die werden verleend en de Bestendige Deputatie daaropvolgend niet de bestreden milieuvergunning zou verleend hebben"; 3.
- Overwegende dat de eerste verwerende partij in haar memorie van antwoord op het eerste onderdeel, wat betreft het ten eerste aangevoerde, als volgt repliceert: "Er kan eventueel kritiek worden geuit op de studie van dhr. Verhas, omtrent de totale meetperiode waarover de geluidsmetingen werden uitgevoerd. Er kan ook met recht worden gesteld dat de bedoeling van een akoestisch onderzoek o.a. moet zijn een zo representatief mogelijke bemonstering van het omgevings- geluid uit te voeren, zodat de meetresultaten een goede beschrijving geven van de reële akoestische situatie, waarbij de invloed van toevalligheden wordt geweerd. De studie van de heer Verhas is evenwel niet de enige waarop de Bestendige Deputatie zich gebaseerd heeft bij het nemen van haar beslissing. In het advies geformuleerd door de provinciale geluidsdeskundige, werd bv. wel rekening gehouden met meerdere plaatsbezoeken, onafhankelijk van elkaar uitgevoerd op verschillende data en tijdstippen en door verschillende personen VII-23.127-8/16 (samengevat in onderstaande lijst). Telkenmale werd weinig of geen geblaf opgemerkt. Instantie Datum Tijdstip Toestand PCM: 29-09-1998, 10.00 - 11.00 uur geen geblaf 31-07-2000 kort na de middag geen geblaf 01-08-2000 7.00 - 8.30 uur sporadisch geblaf, geluidsdrukniveaus ver beneden de norm (60 dBA) Studiebureau 23-12-1999 16.15 - 17.30 sporadisch geblaf, Verhas: normen nageleefd AMINAL periode rond dagperiode enkel geblaf bij milieu-inspec- 31-05-2000 dichtslaan portier tie dienstwagen Het is op basis van al deze vaststellingen dat de Bestendige Deputatie besloot dat een vergunning kon verleend worden"; dat zij, wat betreft het onder ten tweede aangevoerde, als volgt reageert : "De VLAREM II-wetgeving inzake geluid is duidelijk een 'immissiewetge- ving' d.w.z. dat er dient gemeten te worden op immissieplaatsen of meetpunten in de omgeving rond de inrichting, in dit geval meer specifiek in de nabijheid van de dichtste woningen. Meetpunt 2 voldoet aan voornoemde voorwaarde. Meetpunt 1 blijkt op het perceel gelegen te zijn van de inrichting zelf en kan weliswaar als controlepunt worden gekozen, om d.m.v. een strikte synchronisa- tie van de meetapparatuur, op het immissiepunt te kunnen uitmaken welke geluiden wel en niet aan de inrichting kunnen toegewezen worden. De resultaten van dit meetpunt (MP1) kunnen volgens de VLAREM-reglementering echter niet in acht genomen worden om te toetsen aan de vigerende geluidsnormen"; dat zij, wat betreft het onder ten derde aangevoerde, als volgt repliceert: "Het verlenen van een gunstig advies inzake akoestiek voor de exploitatie van de kwestieuze inrichting, was niet enkel gebaseerd op de resultaten van het akoestisch onderzoek uitgevoerd door dhr. Verhas. Ook de verschillende plaatsbezoeken (op zeer diverse tijdstippen) waarbij weinig of geen geblaf werd waargenomen, het feit dat bij een plaatsbezoek van het PCM tijdens de vroege morgenperiode (6.30 - 8.00 uur) geen overschrijding van de vigerende geluidsnormen werd waargenomen, de goede verzorging die de dieren genieten en tenslotte het feit dat de dieren voor het grootste gedeelte van de dag binnen blijven, hebben mee bepaald om een gunstig advies te verlenen"; dat zij, wat ten slotte het onder ten vierde aangevoerde betreft, nog het volgende stelt: VII-23.127-9/16 "In het verzoekschrift wordt aangeduid dat de beoordeling van het incidenteel en impulsachtig geluid gebeurde op basis van LAeq, 300s-waarden, terwijl de vigerende wetgeving voorschrijft om LAeq, 1s-waarden te gebruiken. De stellingname dat LAeq, 1s-waarden moeten gebruikt worden om incidenteel geluid te beoordelen, is inderdaad correct. Bij navraag bevestigde de deskundige (dhr. Verhas), dat de beoordeling wel degelijk gebeurde op basis van de LAeq, 1s-waarden en niet op basis van de LAeq, 300s-waarden, die zoals in het verzoekschrift terecht wordt aangeduid lager liggen dan de LAeq, 1s-waarden (omdat deze waarden een uitmiddeling zijn over een periode van 300 s i.p.v. 1 s). Anderzijds dient toch opgemerkt dat een correcte aflezing van de maximale LAeq, 1s-waarden op de tijdshistoriek in de studie van de heer Verhas wel moeilijk, zoniet onmogelijk is omdat op de tijdsas namelijk de volledige tijdsduur van de geluidsmeting is voorgesteld. Hierdoor is inderdaad verwarring mogelijk omdat er te veel detail verloren gaat. Zo is het verklaarbaar dat de geluidspieken die van het verkeer afkomstig zijn (tot boven de 70 dBA), verkeerdelijk als geluidspieken van geblaf worden aanzien. De eigenlijke pieken afkomstig van het geblaf zijn op de grafiek nauwelijks tussen de andere door te herkennen en het aflezen van de maximale LAeq, 1s-waarden ervan, is nagenoeg niet doenbaar. Een aparte tabel met de relevante maxima van LAeq, 1s-waarden, die deze verwarring had kunnen voorkomen is in het verslag van dhr. Verhas evenmin aanwezig. Er werd evenwel wel met de juiste parameter rekening gehouden"; 3.
- Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord, ten eerste, het volgende stelt: "De eerste verwerende partij geeft toe dat het de bedoeling moet zijn van een akoestisch onderzoek om een zo representatief mogelijke bemonstering van het omgevingsgeluid uit te voeren, waarbij de invloed van toevalligheden moet worden geweerd. Deze partij stelt onmiddellijk vast dat de studie van Dr. Verhas 'niet de enige (is) waarop de Bestendige Deputatie zich gebaseerd heeft bij het nemen van haar beslissing'. Hierdoor geeft zij dus impliciet toe dat de studie van Dr. Verhas inderdaad slechts op één meting op één dag en één tijdstip is gebaseerd en dat zij dit zelf niet ziet als een representatieve studie van het omgevingsgeluid. De eerste verwerende partij verwijst vervolgens nog naar 4 korte bezoeken over een periode van 2 jaar (3 door PCM en 1 door AMINAL milieu-inspectie), waaruit moet blijken dat het geblaf van de honden beperkt is. Eén van deze metingen was reeds gekend op het ogenblik van de beslissing van de Bestendig- de Deputatie van 5 november 1998, waarbij aan de exploitant een geluidsstudie werd opgelegd. De vaststelling van de AMINAL milieu-inspectie wordt bovendien ruimer geïnterpreteerd. Er wordt in de brief van 31 mei 2000 niet gesteld dat er 'enkel' geblaf was bij het dichtslaan van het portier van de dienstwagen, wel dat er 'alvast' geblaf was in die omstandigheden, wat een verduidelijking was van de vooraf vermelde mededeling van de overbuur, nl. dat de honden wel blaffen bij iedere verstoring door kortstondig optredend geluid in de naaste omgeving van de kennel. De in de rand vermelde vaststelling van de milieu-inspectie mag dan ook niet worden geïnterpreteerd alsof er anders geen enkel geblaf was. Vier vaststellingen over een periode van 2 jaar kunnen nauwelijks als een voldoende representatieve studie worden beschouwd, waaruit belangrijke en algemene conclusies kunnen worden getrokken. VII-23.127-10/16 Volledigheidshalve wenst de verzoeker toch in herinnering te brengen dat het overwegende gedeelte van de eerste bestreden beslissing louter naar het verslag van de deskundige en de mededelingen van de overbuur aan de milieu-inspectie verwijst en niet naar verdere vaststellingen"; dat verzoeker, ten tweede, het volgende repliceert : "Waar de verzoeker bedenkingen heeft bij het feit dat de deskundige geen rekening houdt met de vaststellingen op meetpunt 1, tracht de eerste verweren- de partij dit te weerleggen door te stellen dat met deze vaststellingen geen rekening kon worden gehouden volgens de Vlarem-reglementering. Dit is echter geen rechtvaardiging voor het feit dat deze vaststellingen volledig aan de kant worden geschoven. De deskundige zelf houdt er geen rekening mee omdat het meetpunt onmiddellijk naast de looprennen is gelegen, terwijl de woningen op ruime afstand staan. Dit is een verkeerde vaststelling. Het perceel van verzoeker paalt aan de bewuste looprennen. De metingen van punt 1 zijn dus uiteraard van belang bij de beoordeling van de vergunning. Hieraan gaat de Bestendige Deputatie volledig voorbij"; dat hij, ten derde, stelt wat volgt: "Bij de opmerking dat de deskundige te weinig rekening hield met de invloeden van buitenaf, geeft de eerste verwerende partij dezelfde uitleg als bij het eerste punt. De verschillende plaatsbezoeken, de goede verzorging van de dieren en het feit dat ze een groot deel van de dag binnenblijven, zouden mede een gunstig advies van de geluidsdeskundige hebben meegebracht. Uit het geluidsonderzoek van de deskundige blijkt echter op geen enkel punt dat hij heeft rekening gehouden met de opgesomde gegevens. De deskundige ging slechts één maal ter plaatse, hij verwijst niet naar andere plaatsbezoeken. Dit kan ook niet, aangezien bijna alle door de tweede verweerster opgesomde plaatsbezoeken (door andere instanties) na het verslag van de deskundige gebeurden. De deskundige maakt evenmin melding van de goede verzorging van de dieren, dit was ook niet zijn taak, laat staan bevoegdheid, om dit vast te stellen. De deskundige maakt wel melding van het feit dat de honden de ganse nacht en het overgrote deel van de dag binnenblijven, maar koppelt in zijn conclusie hieraan geen enkel gevolg. Dit is bovendien ook niet nuttig. De honden zouden + _ 4 uur per dag buiten mogen en het is uiteraard het geluid op dit ogenblik dat van belang is en ook door de deskundige diende te worden onderzocht"; dat hij, ten vierde, nog het volgende doet gelden : "Wat het gebruik van de verkeerde parameter door de deskundige Verhas betreft, stelt de eerste verwerende partij dat de deskundige de correcte parameter zou gebruikt hebben, maar dit niet als dusdanig in zijn verslag heeft opgenomen. Dit kon zij trouwens pas bevestigen na navraag bij deze deskundige in het kader van voorliggende procedure, wat inhoudt dat de bestreden beslissing genomen werd op basis van onvolledige gegevens"; VII-23.127-11/16 dat verzoeker bijgevolg als volgt concludeert: "De stelling van de verzoeker dat de gunstige conclusie van het deskundige- nonderzoek uitgaat van verkeerde of achterhaalde veronderstellingen en onjuiste overwegingen, wordt door de eerste verwerende partij derhalve niet weerlegd. Zij brengt geen enkele gegeven aan waaruit zou blijken dat de stellingen van de verzoeker foutief zijn, integendeel bevestigt zij zelfs enkele ervan. De tweede verwerende partij antwoordt niet op dit onderdeel"; 3.
- Overwegende dat het beperkt akoestisch onderzoek werd opgelegd in de beslissing van de eerste verwerende partij van 5 november 1998, meer bepaald in artikel 3: "De exploitant dient een beperkt akoestisch onderzoek te laten uitvoeren, conform de voorwaarde VO2 van Vlarem II. Indien daaruit blijkt dat de normen worden overschreden moet binnen de proefperiode tot sanering worden overgegaan"; dat het doel van het onderzoek en dus de inzet van de proefperiode uit de motivering van voornoemde beslissing blijkt: "Overwegende dat, rekening houdend met de ligging van de dichtste buurwoningen in een woongebied en in de veronderstelling dat het oorspron- kelijk omgevingsgeluid tijdens de nacht gelijk is aan de geldende richtwaarde of er zeer nauw bij aansluit, krachtens art. 4.5.2.
- par. 1 van het huidige Vlarem II het specifiek geluid moet beperkt worden tot 30 dB(A); dat dit een vrij strenge norm is die snel kan worden overschreden, wanneer de honden zelfs een relatief kort tijd blaffen; dat dit inhoudt dat aan de norm van 30 dB(A) net kan worden voldaan indien het specifiek geluid van het geblaf gedurende 36 seconden per uur 50 dB(A) zou bedragen; dat mits passende maatregelen worden genomen om vnl. tijdens de nachtperiode de dieren zo rustig mogelijk te houden, waardoor het specifiek geluid wordt beperkt tot het strikte minimum (kleiner of gelijk aan 30 dB(A)), de geluidshinder tot een aanvaardbaar niveau kan beperkt worden; Overwegende dat de frequentie en de duur van het blaffen hierbij zeer belangrijk zijn; dat, indien het geblaf naar de toekomst toe incidenteel blijft, de hinder voor de buurt zeer beperkt zal blijven; dat een proefperiode waarin een akoestisch onderzoek kan uitgevoerd worden, waarbij de frequentie en duur van het blaffen nader kan onderzocht worden, in dit geval nuttig en wenselijk is; dat zo’n onderzoek en de eventuele aanpassingen die daarna zouden dienen te gebeuren de nodige tijd vragen; dat het derhalve aangewezen is om de vergunning te verlenen voor een proefperiode van 2 jaar"; Overwegende dat, volgens de definities in artikel 1.1.
- van Vlarem II, een "beperkt akoestisch onderzoek" een "onderzoek (is) dat enkel de technische controle omvat, bedoeld in artikel 62, §4, van titel I van het VLAREM, en uitgevoerd (wordt) door of onder de verantwoordelijkheid van de toezichthoudende ambtena- ren"; dat uit de motivering van het besluit van de bestendige deputatie van 5 VII-23.127-12/16 november 1998 blijkt dat bedoeld werd een "volledig akoestisch onderzoek"; dat dit ook zo door de exploitant werd begrepen; 3.4.
- Overwegende dat, wat vooreerst de duur van de meetperiode betreft, de inhoud van een volledig akoestisch onderzoek bepaald wordt in bijlage 4.5.
- bij Vlarem II, artikel 1; dat daarin voor de meetomstandigheden verwezen wordt naar bijlage 4.5.1.; dat artikel 1, §2, derde lid, van die bijlage bepaalt dat de meetduur voor een volledig akoestisch onderzoek ten minste 24 uur bedraagt; dat daarvan kan worden afgeweken onder voorwaarden (artikel 1, §2, vierde lid), maar dat de meetduur dan in elk geval de volledige dagelijkse werkduur van de inrichting dient te omvatten, en deze bovendien voldoende lang dient te zijn om het omgevings- geluid te kunnen beoordelen volgens artikel 4 van de bijlage; dat volgens dat artikel 4, §3, gemiddelde waarden voor het oorspronkelijk omgevingsgeluid moeten worden bepaald voor de dag-, de avond- en de nachtperiode; Overwegende dat, aangezien voor het akoestisch onderzoek geluidsmetingen werden gedaan op één enkele dag van 16.15 uur tot 17.30 uur, de meetduur vanzelfsprekend niet de volledige dagelijkse werkduur van de inrichting - die uit haar aard continu in werking is- omvat en de meetperiode enkel op de dagperiode betrekking heeft; Overwegende dat het akoestisch onderzoek dus geenszins aan de voorwaarden van Vlarem II voldoet, en meer bepaald niet aan voorwaarden die overeenstemmen met de bezwaren die verzoeker aanvoert in zijn uiteenzetting over de te korte meetperiode; dat zelfs in de hypothese dat met het opgelegde 'beperkt akoestisch onderzoek' niet het ('beperkt' of 'volledig') 'akoestisch onderzoek' in de definities van Vlarem II bedoeld was, maar enkel een eigensoortig akoestisch onderzoek, het onmiskenbaar zo blijft dat "de frequentie en duur van het blaffen" onderzocht moesten worden, en dat in het bijzonder gevreesd werd voor een overschrijding van de normen gedurende de nacht; dat het akoestisch onderzoek geen enkele nachtelijke meting bevat, noch van het oorspronkelijk omgevingsgeluid, noch van het specifieke geluid van de inrichting; dat alleen al in het licht van de inzet van de proefperiode verzoeker terecht aanvoert dat de meetperiode te kort was; Overwegende dat de plaatsbezoeken waarop de eerste verwerende partij zich in de memorie van antwoord beroept, hieraan niet kunnen verhelpen; dat, immers, verzoeker terecht opmerkt dat de motivering van het bestreden besluit deze VII-23.127-13/16 plaatsbezoeken niet vermeldt; dat, voorts, plaatsbezoeken, waarvan geen enkel ‘s nachts plaatsvond, de opgelegde geluidsmetingen niet kunnen vervangen; dat de tabel in de memorie van antwoord laat uitschijnen dat bij een plaatsbezoek op 1 augustus 2000 metingen werden verricht ("sporadisch geblaf, geluidsdrukniveaus ver beneden de norm (60 dBA)"), maar dat daarvan verder in het dossier geen spoor terug te vinden is; dat tenslotte, het advies van de provinciale milieudeskundige het plaatsbezoek vermeldt, maar niets zegt over een geluidsmeting; 3.4.
- Overwegende dat, wat de relevantie van de gekozen meetpunten betreft, op bijlage 1 bij het verslag van het akoestisch onderzoek de twee meetpunten zijn aangeduid; dat de gebouwen van de inrichting zich tussen de open ren van de honden en meetpunt 2 bevinden; dat er evenwel geen gebouwen tussen de open ren en de woning nr. 54 staan, en dat verzoekers tuin gedeeltelijk rechtstreeks aan de open ren grenst; dat, voor de hinder die verzoeker ondervindt wanneer de honden buiten zijn, meetpunt 1 veel meer relevant is dan meetpunt 2; dat het verweer dat de gegevens van meetpunt 1 niet gebruikt konden worden omdat het zich op het terrein van de inrichting bevond, naast de kwestie is; dat als de meetpunten in een geluidsonderzoek slecht gekozen zijn, het bestuur een nieuw of aanvullend onderzoek kan vragen; 3.4.
- Overwegende dat, wat de als uitzonderlijke, buiten beschouwing gelaten situaties betreffen, de geluidsdeskundige in het verslag het volgende schrijft: "Enkel wanneer [de honden] van buiten uit verstoord worden en hierdoor hun waakinstinct wordt geprikkeld, mag worden verwacht dat de honden heviger zullen blaffen dan wat normaal bij hun rustig gedrag voorkomt. In die uitzonderlijke situaties mag wel worden aangenomen dat de geluidscriteria zullen overschreden worden. Doch dit geldt niet als de gewone regel en dient bijgevolg buiten beschouwing te worden gelaten"; dat als motivering voor het opleggen van een akoestisch onderzoek, in de vergunning op proef het volgende werd geschreven: "Overwegende dat, rekening houdend met de ligging van de dichtste buurwoningen in een woongebied en in de veronderstelling dat het oorspronk- elijk omgevingsgeluid tijdens de nacht gelijk is aan de geldende richtwaarde of er zeer nauw bij aansluit, krachtens art. 4.5.2.
- par. 1 van het huidige Vlarem II het specifiek geluid moet beperkt worden tot 30 dB(A); dat dit een vrij strenge norm is die snel kan worden overschreden, wanneer de honden zelfs een relatief kort tijd blaffen; dat dit inhoudt dat aan de norm van 30 dB(A) net kan worden voldaan indien het specifiek geluid van het geblaf gedurende 36 seconden per uur 50 dB(A) zou bedragen [...]"; VII-23.127-14/16 dat uit het samenlezen van beide passages niet anders kan worden geconcludeerd, dan dat het akoestisch onderzoek precies datgene wat diende te worden onderzocht, buiten beschouwing heeft gelaten; 3.4.
- Overwegende, ten slotte, dat, wat het gebruik van verkeerde meetresultaten betreft, de eerste verwerende partij toegeeft dat de bij het verslag gevoegde tabellen niet de gemeten waarden tijdens 1 seconde bevatten, maar gemiddelden over periodes van 300 seconden (behalve bij begin en einde van de meting); dat ze dit blijkbaar niet heeft opgemerkt bij het nemen van het bestreden besluit; dat ze in de memorie van antwoord, na consultatie van de geluidsdeskundige, niet verder komt dan de verzekering dat de deskundige wel degelijk de juiste gegevens heeft gehanteerd, ook al zijn de grafieken "moeilijk, zoniet onmogelijk" leesbaar, en is "een aparte tabel met de relevante maxima van LAeq, 1s- waarden, die deze verwarring had kunnen voorkomen [...] in het verslag van dhr. Verhas evenmin aanwezig"; dat dan toch minimaal zou worden verwacht dat alsnog leesbare grafieken en correcte tabellen zouden worden voorgelegd; 3.
- Overwegende dat, gelet op het voorgaande, de kritiek van verzoeker op het verslag van het akoestisch onderzoek gegrond is en bovendien van aard is om te besluiten dat uit het onderzoek niet kan worden afgeleid dat aan de inzet van de proefperiode is voldaan; dat het eerste onderdeel van het enig middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 21 september 2000 waarbij de definitieve milieuvergunning, na een vergunning op proef, wordt verleend aan Alfons DE DECKER voor het exploiteren van een hondenkennel, gelegen aan de Rooien 36 te Lebbeke. Artikel
- Het beroep wordt voor het overige verworpen. VII-23.127-15/16 Artikel
- Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig november tweeduizend en zes, door de VIIe kamer, die was sameng- esteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-23.127-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.007 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div