← België

Arrest 165008 - - 23/11/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.008 Rolnummer: A. 90485/VII-20806 Zaak: Arrest 165008 - - 23/11/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-12-11 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-01 09:58 Fiche Arrest nr 165.008 van 23 november 2006 - Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 165.008 van 23 november 2006 in de zaak A. 90.485/VII-20.806 In zake : de b.v.b.a. TRANSFURANS CHEMICALS, die woonplaats kiest bij advocaat P. MALLIEN, kantoor houdende te ANTWERPEN, Meir 24 tegen : het Vlaamse Gewest vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat H. LANGE, kantoor houdende te ANTWERPEN, Schermersstraat 30 tussenkomende partij : de OPENBARE AFVALSTOFFENMAATSCHAPPIJ VOOR HET VLAAMSE GEWEST (OVAM), die woonplaats kiest bij advocaten P. ENGELS en W. SLOSSE, kantoor houdende te ANTWERPEN, Amerikalei 73. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de b.v.b.a. TRANSFURANS CHEMICALS op 27 maart 2000 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 20 januari 2000 waarbij het beroep aangetekend tegen het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 15 juli 1999 houdende het gedeeltelijk verlenen van de vergunning om een chemisch bedrijf, gelegen te Geel, Leukaard 2, te veranderen door uitbreiding en wijziging, gegrond wordt verklaard en het beroepen besluit wordt gewijzigd; Gelet op het arrest nr. 88.466 van 29 juni 2000 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; VII-20.806-1/8 Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door de verzoekende partij; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 15 september 2000; Gelet op de beschikking van 19 september 2000 die de tussen- komst van OVAM toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT ; Gelet op de beschikking van 9 januari 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 6 september 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 oktober 2006; Gehoord het verslag van kamervoorzitter M.-R. BRACKE ; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. DEKETELAERE die, in eigen naam en loco advocaat P. MALLIEN verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat F. DE BRUYNE die, loco advocaat E. SLOSSE verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT ; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; VII-20.806-2/8 1. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.1. De verzoekende partij exploiteert te Geel, op het industriepark Leukaard 2, een chemisch bedrijf. Zij verkreeg hiertoe in het verleden een reeks exploitatie- en milieuvergunningen. 1.2. Op 8 januari 1999 dient zij bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen een milieuvergunningsaanvraag in met het oog op de verandering van de inrichting door uitbreiding en wijziging. Op 15 juli 1999 willigt de bestendige deputatie de aanvraag in, behoudens wat betreft "het verbranden van de afvalwaters". Met betrekking tot voorliggend dossier is het van belang te noteren dat de bestendige deputatie ook een vergunning verleende voor "het verbranden van destillatieresidu's in de stoomketel van 9 mW, de uitbreiding met een brander van 330 kW tot een totaal van 10.140 kW" (indelingsrubriek 43.1.3). 1.3. Met een beroepsschrift van 20 augustus 1999 stelt OVAM beroep in tegen het voormelde deputatiebesluit. OVAM is van oordeel dat het verbranden van destillatieresten een verwerking van afvalstoffen is, die dient vergund te worden onder rubriek 2 in de plaats van. rubriek 43 van Vlarem I. 1.4. Met een schrijven van 26 augustus 1999 wordt aan de verzoekende partij meegedeeld dat OVAM een ontvankelijk administratief beroep instelde tegen het voormelde deputatiebesluit van 15 juli 1999. 1.5. Met een schrijven van 10 september 1999, gericht aan de voorzitter van de Gewestelijke Milieuvergunningscommisse, vraagt de verzoekende partij om gehoord te worden door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie. Het schrijven is aangetekend en tegen ontvangstbewijs verzonden, en de "roze kaart" werd afgetekend. Uit niets blijkt dat de verzoekende partij gehoord werd. VII-20.806-3/8 1.6. Nadat een reeks adviezen werden ingewonnen, neemt de verwerende partij op 20 januari 2000 de thans bestreden beslissing. Het beroep van OVAM wordt gegrond verklaard. De beroepen beslissing wordt gewijzigd in die zin dat de vergunning wordt geweigerd voor het onderdeel "het verbranden van destillatieresidu's"; 2. De gegrondheid van het beroep 2.1. Overwegende dat de verzoekende partij als eerste middel aanvoert wat volgt: "5.1. Schending van artikel 13, §3 in fine van het decreet van 28.06.1985 betreffende de milieuvergunning, jo, artikel 28.§4 van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (VLAREM I) Dat overeenkomstig artikel 13, §3, in fine Milieuvergunningsdecreet juncto artikel 28,§4 VLAREM I de aanvrager van een milieuvergunning in de beroepsprocedure moet worden gehoord als hij erom verzoekt; Dat verzoekster naar aanleiding van de kennisgeving door AMINAL Afdeling Milieuvergunningen - bij brief van 26 augustus 1999 - van het door OVAM ingestelde beroep dd. 20 augustus 1999, bij aangetekend schrijven van haar raadsman dd. 10 september 1999 aan de Voorzitter van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie heeft gevraagd om gehoord te worden; (...) Dat voormeld verzoek door de diensten van AMINAL werd ontvangen op 13 september 1999; (...) Dat verzoekster echter geenszins werd uitgenodigd op een hoorzitting in het kader van de beroepsprocedure en haar verzoek dienaangaande aldus miskend is geworden; Dat de bestreden beslissing dan ook werd genomen zonder dat verzoekster de kans heeft gekregen (

  1. i)haar opmerkingen en standpunt ten aanzien van het door OVAM ingediend beroep te formuleren en toe te lichten, en (
  2. ii)haar aanvraagdossier te verdedigen, in de schoot van de Gewestelijke Milieuvergun- ningscommissie; Dat de decretaal en reglementair vastgelegde hoorplicht dan ook zonder meer werd geschonden; Dat uw Raad van State in het verleden reeds eerder als ernstig middel heeft aanvaard dat een aanvrager die erom verzocht had, niet werd gehoord tijdens de beroepsprocedure (Raad van State, arrest BVBA AUTOBEDRIJF CLAESSENS, nr. 46.831, 31 maart 1994)"; 2.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord volgend verweer voert: "Verzoekende partij houdt voor dat zij aan verwerende partij een verzoek om gehoord te worden heeft gericht per aangetekende zending met bewijs van ontvangst. Zij brengt dienaangaande bewijsstukken voor in haar dossier. In tegenstelling tot wat verzoekende partij beweert, is deze zending echter niet bij verwerende partij toegekomen, reden waarom geen verzoek om gehoord te worden bij het administratief dossier werd gevoegd. Bij de dienst milieuver- gunningen. van verwerende partij is deze brief niet gekend. VII-20.806-4/8 Mogelijk is deze zending nooit op haar bestemming toegekomen. In dit geval wordt verwerende partij met een geval van overmacht geconfronteerd, waarvoor zij niet aansprakelijk kan gesteld worden. Bovendien blijkt uit de bestreden beslissing dat met de argumentatie van verzoekende partij geformuleerd in haar milieuvergunningsaanvraag wel degelijk rekening werd gehouden: het beroepsschrift van OVAM en de bestreden beslissing waren er immers geheel op gericht deze argumentatie van verzoeken- de partij te weerleggen. Aangezien duidelijk is dat met de argumenten van verzoekende partij rekening werd gehouden, zijn geenszins de rechten van verdediging van verzoekende partij geschonden. Besluit: Het eerste middel is niet gegrond"; 2.3. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord volgende repliek geeft: "Verwerende partij betwist blijkbaar niet dat verzoekster bij aangetekend schrijven tegen ontvangstbewijs dd. 10 september 1999 gericht aan de Voorzitter van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie, p/a Afdeling Milieuvergunningen, heeft gevraagd om gehoord te worden. Zij beweert wel dat 'deze zending nooit op haar bestemming (
  3. is)toegekomen' en ze roept dan ook 'overmacht' in. Deze bewering strookt niet met de feiten: de door verzoekster op 10 september 1999 aangetekend tegen ontvangstbewijs verstuurde brief, werd wel degelijk door de geadresseerde in ontvangst genomen en voor ontvangst afgetekend op 13 september 1999. Verwerende partij kan dan ook niet staande houden dat voormelde zending haar niet heeft bereikt. Mogelijk is de zending bij de diensten van verwerende partij intern 'verloren' gegaan, doch dit is dan haar eigen verantwoordelijkheid en maakt uiteraard geen overmacht uit. Verwerende partij verwijst ook ten onrechte naar het arrest van uw Raad nr. 81.470 dd. 29 juni 1999 inzake 'Mechelen Container Terminal'. In de voormelde zaak werd immers vastgesteld dat door een fout van de postdiensten een aangetekend schrijven niet werd afgegeven aan de bestemmeling. Dit is hier echter geenszins het geval: het aangetekend schrijven werd wel degelijk afgegeven en er werd voor ontvangst ervan afgetekend. Artikel 13,§3, in fine Milieuvergunningsdecreet juncto artikel 28,§4 VLAREM I zijn dan ook geschonden, nu blijkt dat verzoekster geenszins werd uitgenodigd om gehoord te worden, noch werd gehoord. Verzoekster herhaalt dan ook dat uw Raad van State in het verleden reeds eerder als ernstig middel heeft aanvaard dat een aanvrager die erom verzocht had, niet werd gehoord tijdens de beroepsprocedure (Raad van State, arrest BVBA AUTOBEDRIJF CLAESSENS, nr. 46.831, 31 maart 1994). Er moet vastgesteld worden dat de bestreden beslissing werd genomen zonder dat verzoekster de kans heeft gekregen (
  4. i)haar opmerkingen en standpunt ten aanzien van het door OVAM ingediend beroep te formuleren en toe te lichten, en (
  5. ii)haar aanvraagdossier te verdedigen, in de schoot van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie. Verwerende partij merkt tevergeefs op dat in de bestreden beslissing met de argumentatie van verzoekster in haar milieuvergunningsaanvraag 'rekening werd gehouden'. Vooreerst is dit geenszins het geval. Vervolgens is de 'argumentatie' in de milieuvergunningsaanvraag een loutere 'toelichting' bij de aanvraag. Tenslotte heeft verzoekster zonder meer het recht haar opmerkingen te VII-20.806-5/8 formuleren ten aanzien van het beroepsschrift van OVAM in het kader van een hoorzitting. Dit recht werd zonder meer miskend. Het eerste middel is gegrond"; 2.4. Overwegende dat de tussenkomende partij in haar verzoekschrift tot tussenkomst verwijst naar de repliek die de verwerende partij in haar memorie van antwoord heeft ontwikkeld; 2.5.1. Overwegende dat artikel 13, §3, van het milieuvergunningsdecreet van 28 juni 1985 bepaalt dat "op zijn verzoek de aanvrager (wordt) gehoord door de commissies bedoeld in § 1 en § 2", zijnde respectievelijk de Provinciale en de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie; dat blijkens artikel 28, §4, vanVlarem I, de aanvrager dit verzoek bij de voorzitter van de Gewestelijke Milieuvergunnings- commissie moet indienen "uiterlijk twintig kalenderdagen na de datum van de verzending voor de kennisgeving tot ontvankelijkheid van het beroep bedoeld in artikel 52, 1/, c)"; 2.5.2. Overwegende dat uit de door de verzoekende partij neergelegde stukken blijkt dat het verzoek om gehoord te worden aangetekend en tegen ontvangstbewijs werd verzonden op 10 september 1999 - dat is binnen de in artikel 28, §4 van Vlarem I voorgeschreven termijn, dat de roze kaart op 13 september 1999 werd afgetekend en dat deze terug werd bezorgd aan de raadsman van de verzoeken- de partij; dat derhalve kan worden aangenomen dat de aangetekende zending van 10 september 1999 de diensten van de verwerende partij heeft bereikt; dat de verzoeken- de partij wel beweert die zending niet te hebben ontvangen doch dat zij die bewering met geen enkel concreet element hard maakt; dat daarenboven de verwerende partij zelf verantwoordelijk is voor de interne organisatie van haar diensten; 2.5.3. Overwegende dat de verwerende partij vruchteloos opwerpt dat de verzoekende partij niet in haar "rechten van verdediging" werd geschonden vermits rekening zou zijn gehouden met de argumenten geformuleerd in de milieuvergunningsaanvraag; dat immers, zulks geen afbreuk doet aan het feit dat de verzoekende partij zich niet heeft kunnen verweren tegen de grieven ontwikkeld door de tussenkomende partij in haar beroepsschrift, ondanks het feit dat zij uitdrukkelijk had verzocht om te worden gehoord; 2.5.4. Overwegende dat het middel gegrond is, BESLUIT: VII-20.806-6/8 Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 20 januari 2000 waarbij het beroep aangetekend tegen het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 15 juli 1999 houdende het gedeeltelijk verlenen aan de b.v.b.a. TRANSFURANS CHEMICALS van de vergunning om een chemisch bedrijf, gelegen te Geel, Leukaard 2, te veranderen door uitbreiding en wijziging, gegrond wordt verklaard en het beroepen besluit wordt gewijzigd. Artikel 2. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel 3. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. VII-20.806-7/8 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig november tweeduizend en zes, door de VIIe kamer, die was sameng- esteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-20.806-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.008 Gerelateerde publicatie(
  6. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2000:ARR.88.466 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.