id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.009 Rolnummer: A. 116311/VII-25650 Zaak: Arrest 165009 - - 23/11/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-12-08 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-07-01 09:58 Fiche Arrest nr 165.009 van 23 november 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 165.009 van 23 november 2006 in de zaak A. 116.311/VII-25.
(1989)verkeerd werd ingelicht omtrent de vergunningsplicht; Overwegende dat deze bewering niet klopt met de werkelijke toestand. In 1989 werd een aanvraag tot het bekomen van een exploitatievergunning voor 580 varkens in behandeling genomen. Later werd deze op advies van de afdeling milieuvergunningen teruggestuurd met het verzoek de aanvraag aan te vullen en een eerste klasse aanvraag in te dienen. Hieraan werd echter geen gevolg gegeven door de aanvrager. Het is dan ook foutief om te stellen dat de aanvrager niet over een geldige vergunning beschikt ingevolge foutieve informatie van de gemeentelijke diensten. Bovendien wordt opgemerkt dat later nog een uitbreiding van 580 dieren naar 948 dieren werd doorgevoerd; Overwegende dat de aanvraag een stijging van het vergunde dierenaantal en derhalve ook een stijging van de vergunde mestproductie beoogt; Overwegende dat deze stijging niet verenigbaar is met de criteria gesteld in het Mestdecreet"; 1.
- Verzoeker gaat tegen deze beslissing in beroep bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen. Hij wijst er in essentie op dat hij ingevolge verkeerde inlichtingen in het verleden geen milieuvergunningsaanvraag indiende. VII-25.650-4/16 1.
- Na het uitbrengen van de vereiste adviezen wordt op 22 november 2001 de bestreden beslissing genomen. Het beroep wordt gedeeltelijk gegrond verklaard. De aanvraag wordt niet verenigbaar geacht met artikel 33ter, § 1, 1/, c, van het meststoffendecreet van 23 januari 1991 dat bepaalt dat in principe geen vergunningsaanvragen voor veeteeltinrichtingen kunnen worden ingewilligd indien dit aanleiding geeft tot een verhoging van de vergunde mestproductie. Op grond van billijkheidsoverwegingen wordt aan verzoeker evenwel een vergunning verleend voor de exploitatie van stallen voor 580 gespeende varkens. Desbetreffend wordt in het bestreden besluit overwogen wat volgt : "Overwegende dat uit het onderzoek van de Arab-reglementering door de PMVC blijkt dat het indienen van de aanvraag als klasse II in 1989, voor 580 varkens, juist was; dat bij de behandeling van deze aanvraag in 1993 de overheid zich gebaseerd heeft op de nieuwe indelingslijst en dat in principe in 1989 een vergunning kon afgeleverd worden voor 580 varkens op basis van de toen geldende reglementering; dat hiervoor dan ook billijkheidsoverwegingen kunnen in aanmerking genomen, gelet op de gegevens in dit dossier; dat het beroep dan ook deels gegrond is voor voornoemde 580 varkens, maar deels ongegrond voor 368 varkens (uitbreiding van 580 varkens naar 948 die nadien nog werd doorgevoerd)";
- De gegrondheid van het beroep 2.1.
- Overwegende dat het eerste middel wordt genomen uit de "schending van art. 14, §1 j/ art. 14 bis Wet Raad van State : de niet-naleving van substantiële vormen, namelijk foutieve informatieverstrekking en dito motivering en dwaling bij de toepassing van de wet waaraan de weigering van de aktename van 368 standplaatsen voor varkens en de daaraan verbonden vergunning ten grondslag liggen"; dat een eerste onderdeel is "afgeleid uit de schending van de ARAB- reglementering en de foute toepassing van de VLAREM-wet in combinatie met het Milieuvergunningsdecreet namelijk met betrekking tot het verkeerdelijk indelen van de exploitatie van verzoeker in een klasse 1-bedrijf en de gevolgen m.b.t. de weigering van 368 standplaatsen voor varkens"; dat verzoeker betoogt dat hij in 1989 de juiste vergunningsprocedure (klasse 2) inleidde, doch dat hij slechts in 1993 op foutieve gronden en op ongemotiveerde wijze ervan op de hoogte werd gebracht dat zijn bedrijf tot de eerste klasse zou behoren, hetgeen een andere procedure vergde, dat zijn bedrijf in agrarisch gebied ligt en dat het steeds een klasse 2-bedrijf was, dat op het ogenblik van zijn vergunningsaanvraag in 1989 verzoeker bovendien niet eens vergunningsplichtig was, hetgeen herhaaldelijk bevestigd is geweest, dat hij werd misleid en in het ongewisse bleef omtrent de mogelijkheden voor het verkrijgen van een vergunning, en dit niettegenstaande hij er recht op had, dat in de bestreden VII-25.650-5/16 beslissing wordt toegegeven dat een vergunning voor 580 varkens had kunnen zijn afgeleverd, doch dat de verwerende partij het feit dat verzoeker ook een aktename vroeg voor standplaatsen voor 948 varkens veronachtzaamt, dat aangezien de beschermingszone III voor het waterwingebied pas in 1991 werd ingesteld -en niet in 1989- het verzoek tot aktename van 948 standplaatsen ingewilligd kon geweest zijn, dat door de verkeerde informatie de thans bestreden weigering van de vergunning voor de standplaatsen van 368 varkens onwettig of toch minstens onbillijk voorkomt; dat in het tweede onderdeel, eerste subonderdeel, verzoeker stelt dat hij vóór 1990 een bestaande veeteeltinrichting met 948 standplaatsen had, waarvoor hij een aktename gevraagd had, zodat hij in 1989 in feite geen uitbreiding van het bedrijf op het voorgedrukt aanvraagformulier had moeten aankruisen, gezien hij in agrarisch gebied lag maar door het veronachtzamen van de aktename door de bevoegde overheid in de positie van de uitbreidingsaanvraag werd gedrongen, dat onder de oude ARAB-reglementering er geen vergunningsplicht was voor het houden van minder dan 1.000 varkens ouder dan tien weken gezien de ligging in agrarisch gebied en verzoekers inrichting pas vanaf 1991 in de beschermingszone III van het waterwinningsgebied terecht kwam, dat de verwerende partij de wijziging van de reglementering op 3 april 1990 onjuist heeft toegepast nu zij verzoekers aanvragen voor een vergunning of een aktename al te letterlijk als een uitbreiding zag, dat verkeerdelijk werd voorgehouden dat verzoeker ook reeds vóór de inwerkingtreding van Vlarem I aangifteplichtig zou zijn geweest, dat in dat verband moet worden benadrukt dat men een onderscheid moet maken tussen een waterwinning en een waterwinningsgebied, dat de wetgever de afstand van het bedrijf tot de waterwinning zelf wilde beschouwen, en niet de afstand tot het ingekleurde waterwinningsgebied, dat in casu de afstand tussen verzoekers bedrijf en de waterwinning meer dan 500 meter bedroeg, dat verzoeker aldus recht had op een vergunning, gezien in 1990 de 948 standplaatsen al waren opgegeven; dat in het tweede subonderdeel van het tweede onderdeel verzoeker aanvoert dat de Vlaamse Landmaatschappij ten onrechte besliste dat er een stijging van de vergunde mestproductie is, dat de Vlaamse Landmaatschappij uitgaat van de foutieve premisse dat er slechts een vergunning bestond voor 160 varkens, dat het evenwel gaat om een bestaande veeteeltinrichting sinds 1977 die telkens haar aantal standplaatsen correct heeft opgegeven en de vergunning destijds had bekomen in een tijd dat de fosfaten en nitrieten nog geen criterium uitmaakten, dat slechts toepassing mag worden gemaakt van de wetgeving die gold op het ogenblik van de vergunningsaanvraag; dat verzoekers aangifte als een bestaande veeteeltinrichting met 948 standplaatsen beschouwd moest zijn geweest, zoals in de mestbankaangifte stond, dat sinds 1995 verzoeker probleemloos een VII-25.650-6/16 notificatie als gezinsveeteeltbedrijf kreeg, gezien hij een gesloten varkenshouderij met 200 zeugen en bijbehorende mestvarkens had; 2.1.
- Overwegende dat in de memorie van antwoord door de verwerende partij wordt verwezen naar de nota die tijdens de schorsingsprocedure werd ingediend; dat in die nota de verwerende partij met betrekking tot het eerste onderdeel van het middel in essentie stelt dat verzoeker zich erover beklaagt dat hem ten onrechte werd meegedeeld dat voor zijn vergunningsaanvraag met betrekking tot 580 varkens een klasse 1-procedure moest worden gevolgd, doch dat zij in de bestreden beslissing omwille van billijkheidsredenen nu net rekening heeft gehouden met dit argument en de aanvraag heeft ingewilligd voor wat betreft 580 varkens, dat uit verzoekers beweringen blijkt dat de fouten zouden liggen in het verleden, tot tien jaar terug, en dan nog bij andere overheidsinstanties, dat een vernietiging van de bestreden beslissing dit niet zou kunnen goedmaken, dat aan de bestendige deputatie thans geen verwijt kan worden gemaakt, dat verzoeker allerlei fouten en nalatigheden in de schoenen van de overheid probeert te schuiven, maar dat dit slechts een deel van het verhaal is, dat uit verzoekers beroepschrift van 20 juli 2001 blijkt dat hij zelf stelt dat hij een vergunning zou hebben kunnen bekomen indien op de juiste tijdstippen de juiste aanvraag zou zijn ingediend, dat het duidelijk is dat in 1989 de exploitant voor 580 varkens een exploitatievergunning had moeten bekomen, dat het echter evenzeer duidelijk is dat dit voor het overige aantal varkens
(368)niet het geval was, dat in 1993 de bestendige deputatie geen akte nam van de gemelde 948 varkens omdat het bedrijf reeds een vergunning had moeten verkregen hebben in het kader van de ARAB-reglementering, dat verzoeker geen vergunningsaanvraag indiende, omdat niemand hem daar op wees, maar dat men van een exploitant kan verwachten dat hij als een redelijk en voorzichtig persoon zelf de stappen onderneemt om zich hierover te informeren, dat uit documenten die het studiebureau DLV Advies op 22 oktober 2001 stuurde blijkt dat de exploitant na de niet-aktename in 1993 nooit een aanvraag indiende, dat het probleem van verzoeker is dat hij gedurende al die jaren bij de Mestbank steeds aangifte deed van alle dieren, zodat hij voorlopig beschikte over een nutriëntenhalte voor 948 varkens die hij kost wat kost wil behouden, dat in tegenstelling tot de 580 varkens de exploitant de 368 bijkomende varkens nooit heeft aangevraagd, zodat deze 368 varkens hoe dan ook onder de huidige mestwetgeving, niet kunnen vergund worden, aangezien ze een uitbreiding van de vergunde mestproductie betekenen, dat voor dit deel van de regularisatieaanvraag geen billijkheidsredenen in acht konden genomen worden, dat verzoeker eigenlijk zelf nalatig is geweest, dat hij immers jarenlang bewust de 368 varkens illegaal heeft gehouden; dat, wat betreft het tweede onderdeel, eerste subonderdeel, de verwerende VII-25.650-7/16 partij herhaalt dat verzoeker na de niet-aktename van de 948 varkens in 1993 geen aanvraag heeft ingediend; dat, wat betreft het tweede subonderdeel, de verwerende partij stelt dat er alleszins een stijging van de vergunde mestproductie was, en dat verzoekers kritiek eigenlijk slaat op de motivering van een advies dat tijdens de beroepsprocedure werd uitgebracht; 2.1.
- Overwegende dat in de memorie van wederantwoord verzoeker samengevat nog betoogt dat zijn bedrijf reeds tot drie verschillende klassen heeft behoord, dat in het licht van "de eenheid van bestuur", de billijkheidsredenen niet hadden mogen beperkt blijven tot het inwilligen van de aanvraag voor 580 varkens, dat het door de verwerende partij geponeerde verweer dat een fout van tien jaar geleden haar niet kan toegeschreven worden, inacceptabel is, dat in acht genomen de equivalentieleer hij zonder foutieve beoordeling een vergunning voor 948 varkens zou hebben verkregen, zeker voor het jaar 1993, dat gelet op de fouten die van overheidswege waren gemaakt verzoeker geen andere houding kon aannemen dan deze die hij heeft aangenomen, dat het onredelijk is aan te nemen dat verzoeker had moeten weten dat hij voor zijn bedrijf een klasse 1-aanvraag had moeten indienen, en dit terwijl een nieuwe aanvraag eigenlijk een onredelijke aanvraag zou zijn geweest, omdat zij toch niet kon ingewilligd worden; dat, wat betreft het tweede onderdeel, eerste subonderdeel, verzoeker nog doet gelden dat hij, minstens tot 1993, niet illegaal exploiteerde; dat, wat betreft het tweede subonderdeel van het tweede onderdeel, verzoeker nog betoogt dat hij reeds in het productiejaar 1990 995 varkens opgaf aan de Vlaamse Landmaatschappij, dat daaruit blijkt dat de Vlaamse Landmaatschappij het tijdscriterium veronachtzaamde in haar advies, nu zij de uitbatingsvergunning van 1977 voor 160 varkens als criterium nam, dat de Vlaamse Landmaatschappij de mestbankaangiften veronachtzaamt, en dat dit bewijskrachtige stukken zijn, dat de Vlaamse Landmaatschappij ten onrechte stelt dat verzoeker pas later zijn dierenaantal verhoogde, nu hij het bewuste aantal reeds vóór 1991 hield en dat sinds 1990 er geen stijging is van de mestproductie; 2.1.
- Overwegende dat op vraag van het auditoraat verzoeker nog een aantal stukken neerlegde in verband met de afstand van de inrichting van verzoeker tot de waterwinning, aangezien ten tijde van de ARAB-reglementering in agrarisch gebied een loutere aktename die geldt als vergunning kon volstaan om tot maximum 1.000 dieren te houden voor zover de inrichting met meer dan tien gespeende dieren niet gelegen was op minder dan 500 meter van een drinkwaterwinning (rubriek 10 van de afdeling B in bijlage bij het ARAB); dat uit die voorgelegde stukken blijkt dat verzoekers bedrijf is gelegen op minder dan 500 meter van een waterwinning, VII-25.650-8/16 waarvan 2 watervangputten respectievelijk in 1964 en in 1985 werden geboord; dat verzoeker in zijn laatste memorie zelf toegeeft dat er drie watervangputten zijn gelegen op 480, 490 en 466 meter van zijn bedrijf; dat hij dienaangaande wel nog betoogt dat toen hij in 1990 om de aktename vroeg, hij niet kon weten of zijn inrichting in werkelijkheid al of niet 500 meter van de putten lag, aangezien de waterbeschermingszones pas in 1992 werden vastgesteld en in het Belgisch Staatsblad werden gepubliceerd en dat het wellicht de bedoeling was van de PIDPA, de maatschappij voor watervoorziening, om de putten op meer dan 500 meter te boren; 2.1.5.
- Overwegende dat het cruciaal uitgangspunt van het eerste middel is dat het bedrijf van verzoeker vóór de inwerkingtreding van het besluit van de Vlaamse Executieve van 21 maart 1990 houdende wijziging en aanvulling van titel I van het ARAB niet vergunningsplichtig was, vermits zijn bedrijf minder dan 1.000 varkens telde, in agrarisch gebied lag en op meer dan 500 meter van een waterwinning, hetgeen volgens verzoeker niet hetzelfde is als een waterwinningsgebied, zodat de bestendige deputatie op 15 april 1993 ten onrechte de aktename geldend als vergunning (artikel 25 ARAB) heeft geweigerd en de verwerende partij ertoe gehouden was op grond van billijkheidsredenen hem de vergunning voor de exploitatie van 948 varkens te verlenen in plaats van voor 580 varkens; 2.1.5.
- Overwegende dat in de versie die gold vóór het in werking treden van het VLAREM I de rubriek 10
(11)van de afdeling B in bijlage bij het Algemeen Reglement op de Arbeidsbescherming (ARAB) bepaalde wat volgt : "Varkensfokkerijen - installaties gelegen : (zones bepaald volgens de begrippen van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen) :
- a)in de woongebieden en in de andere gebieden behalve deze voorzien onder b, c en d, welke ook het aantal ondergebrachte dieren is;
- b)in de woongebieden met een landelijk karakter en in de agrarische gebieden, bosgebieden en groengebieden op minder dan 100 m van een woonuitbreidingsgebied of op minder dan 300 m van een woongebied in de parkgebieden en in de bufferzones of op minder dan 500 m van een drinkwaterwinning en die meer dan 10 gespeende dieren bevatten;
- c)in de agrarische gebieden, bosgebieden en groengebieden, met uitzondering van de gevallen voorzien in b, en in de landelijke gebieden, bij afwezigheid van afbakening op de plannen van de agrarische gebieden, op minder dan 50 m van een voor de nieuwe inrichting bestaande woning met meer dan 100 gespeende dieren en voor zover deze inrichtingen zijn opgericht na het van kracht worden van onderhavig besluit; VII-25.650-9/16
- d)in alle zones met meer dan 1 000 gespeende dieren. - Klasse : voor a),
- b)en
- c): 2; voor
- d): 1. - Aard van de hinder : voor a),
- b)en
- c): slechte reuk; afvoer van rottende en voor rotting vatbare faecale stoffen; gevaar voor ontsnapping van dieren; voortwoekeren van insekten; opstapeling van voor verrotting vatbare afval; lawaai van dieren; voor
- d): slechte reuk; afvoer van rottende en voor rotting vatbare faecale stoffen; gevaar voor ontsnapping van dieren; voortwoekeren van insekten; opstapeling van voor verrotting vatbare afval; lawaai van dieren; verontreiniging van het grond- en oppervlaktewater. - Diensten te raadplegen : voor a),
- b)en
- c): -; voor
- d): Ag."; dat uit die bepaling kan worden afgeleid dat er in agrarische gebieden in principe geen vergunningsplicht gold voor inrichtingen met minder dan 1.000 varkens (zie punt b juncto punt d); dat evenwel indien de inrichting op minder dan 500 meter van een drinkwaterwinning ligt, er dan toch een vergunningsplicht gold; dat uit de neergelegde stukken blijkt dat verzoekers bedrijf op minder dan 500 meter van een waterwinning lag, zodat zijn bedrijf dus ook reeds onder het ARAB vergunningsplichtig was; dat het argument van verzoeker dat toen hij in 1990 om de aktename vroeg niet kon weten of zijn inrichting in werkelijkheid al of niet op 500 meter van de putten lag, aangezien de waterbeschermingszones pas in 1992 werden vastgesteld en in het Belgisch Staatsblad werden gepubliceerd, niet opgaat om de eenvoudige reden dat, zoals verzoeker zelf herhaaldelijk heeft aangegeven, een onderscheid moet worden gemaakt tussen het waterwinningsgebied en de waterwinningsput; dat het ARAB het heeft over een afstand van minder dan 500 meter tot een drinkwaterwinning en de afstand tot een waterwinningsput een louter feitelijk gegeven betreft, dat losstaat van de latere afbakening van waterwinningsgebieden; dat de bewering van verzoeker dat het wellicht de bedoeling was van de PIDPA om de putten op meer dan 500 meter te boren geen afbreuk doet aan het feitelijk gegeven dat dit niet is gebeurd; dat, tenslotte, de mestbankaangiften van verzoeker niet betekenen dat hij geacht moet worden over een vergunning te beschikken voor het aantal varkens dat hij bij de Mestbank aangeeft; 2.1.5.3. Overwegende dat de vaststelling dat het uitgangspunt van verzoeker dat zijn inrichting vóór de inwerkingtreding van het besluit van de Vlaamse Executieve van 21 maart 1990 niet vergunningsplichtig was, niet correct is, op zich reeds volstaat om tot de ongegrondheid van het middel te besluiten; 2.2.1. Overwegende dat verzoeker als tweede middel de schending aanvoert van "de algemene beginselen van behoorlijk en zorgvuldig bestuur, het VII-25.650-10/16 vertrouwensbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel afgeleid uit een gebrekkige informatieverstrekking en de vaststelling dat herhaalde fouten voorkomen in de behandeling van het dossier van verzoeker, nu blijkt dat hij in een agrarisch gebied gelegen is met overdruk waterwingebied, en nu de bevoegde overheden herhaaldelijk in de fout zijn gegaan"; dat het middel bestaat uit zes onderdelen; dat in zijn laatste memorie verzoeker zich, wat het eerste, tweede, vierde en zesde onderdeel betreft, aansluit bij het standpunt van de auditeur dat deze onderdelen hetzij onontvankelijk hetzij ongegrond zijn en dat ter terechtzitting de raadsvrouw van verzoeker verklaart afstand te doen van die onderdelen; dat het derde onderdeel en het vijfde onderdeel luiden als volgt : "3.2.3. 3/ onderdeel : dat door de onredelijke termijn van drie à vier jaar - namelijk van 1989-1990 tot en met 1993 - te wachten alvorens antwoord te geven met betrekking tot de vergunningsaanvraag - een aangelegenheid waarvan de kostwinning van het gezin van verzoeker afhangt en tevens het openbaar belang (drinkwaterwinning) betrokken is - de bevoegde overheid - wat ook nog niet zeker is (Bestendige Deputatie of College van Burgemeester en Schepenen?) - het redelijkheidsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel schendt" en "3.2.5. 5/ onderdeel : dat ook van het feit of verzoeker al dan niet vergunningsplichtig was in 1989 met betrekking tot de afstand van de geëxploiteerde percelen kadastraal gekend onder (afdeling, sectie, perceelnummer) 01-A-153n, 01-A-153p gelegen te 2320 - Hoogstraten, Hemelrijk 3, tegenover de waterwinning de administratieve overheid blijkbaar geen kennis had of de afstand moest beschouwd worden tegenover het waterwingebied of de waterwinning zelf, en het dossier ongegrond werd teruggestuurd met de manifeste foute mededeling dat het om een klasse I-bedrijf ging, in plaats van een klasse II-bedrijf; dat men niet wist of het al dan niet om een verboden uitbreiding ging in dergelijk gebied, nu regelmatig de grenzen van het waterwinningsgebied hertekend werden en de bevoegde overheden noch ratione loci, noch ratione tempore enige correcte toelichting hebben gegeven en het vertrouwensbeginsel hebben geschonden"; dat het derde onderdeel als volgt wordt toegelicht : "doordat Het College van Burgemeester en Schepenen zich in haar brief van 19 april 1993 reeds excuseerde dat het niet haar schuld was dat zij zo laattijdig verzoeker op de hoogte bracht (stuk 8), doch dat het door tussenkomst van de Afdeling Milieuvergunningen was, die advies moest uitbrengen en het dossier heeft laten liggen, dat de termijn van antwoord zo onredelijk lang geduurd heeft. En doordat De 'boom' aan regelgeving op milieuvlak in Vlaanderen in het begin van de jaren negentig waarschijnlijk aan de basis ligt van het feit dat verzoeker vier jaar op antwoord heeft moeten wachten, om dan nu 10 jaar later, te moeten vast stellen dat de bevoegde overheid hem destijds slecht geadviseerd heeft en niet de juiste toepassing van de wet heeft gemaakt wat een ernstige tekortkoming is, VII-25.650-11/16 nu verzoeker zijn kostwinning van die informatie afhing en het gevolg ervan is dat de leefbaarheid van zijn bedrijf in het gedrang komt Terwijl De Provinciale Milieuvergunningscommissie nu na 10 jaar om billijkheidsredenen aan verzoeker een vergunning voor slechts 580 varkens verleent, evenwel een weigering van 370 standplaatsen gestand houdt, omdat dit een verhoging van de mestproductie zou betekenen, quod non, gezien de motieven van de Vlaamse Landmaatschappij niet gegrond zijn vermits de wetgeving in tijd verward wordt en geen toepassing kan gemaakt worden van latere wetgeving op toenmalige situaties. Dat de reglementering in 1989-1990 alvast de volledige vergunning aan verzoeker moet toestaan, zodat het onredelijk is om 'billijkheidsredenen' slechts deels de vergunning te verlenen, vooral ook omdat verzoeker bovendien intussen ook niet meer in de beschermingszone van het waterwingebied gelegen is en dit één van de basisargumenten geweest is om beroep aan te tekenen tegen de weigering van de vergunning zodat 'de billijkheidsoverwegingen' die de grond uitmaken van de bestreden beslissing om verzoeker een deel van de vergunning te verlenen, onredelijk overkomt nu ze op het geheel van de aktename had moeten slaan en derhalve zou moeten verantwoorden waarom de vergunning slechts verleend wordt voor de 580 standplaatsen en niet voor de 948 waarvoor nochtans in het jaar 1990 reeds aktename gevraagd was, wijze waarop toen het bedrijf onmiskenbaar reeds geëxploiteerd werd, zodat onaanvaardbaar is dat in casu geen plausibele redenen voorhanden zijn om slechts een vergunning voor maar 580 standplaatsen te staven"; dat het vijfde onderdeel als volgt wordt geadstrueerd : "Doordat Dit onderdeel samen hangt met het eerste onderdeel en de twijfel vanwege verzoeker omtrent de vigerende wetgeving en de dubieus verstrekte informatie vanwege de administratieve overheid gemaakt heeft dat verzoeker niet kon weten of hij al dan niet een vergunningsplichtig bedrijf was Terwijl De wisselende wetgeving met betrekking tot de bepaling van de afstand tot het waterwinnings'gebied' en later tot de waterwinning sensu stricto, samen met de wisselende afbakening van de grenzen op de plannen als gevolg van de reële uitoefening van grenswijzigingen van het waterwinningsbekken in de nabijheid van het bedrijf van verzoeker, er de zaken zeker niet eenvoudiger op maakten zodat verzoeker meermaals werd gezegd dat hij in feite niet vergunningsplichtig was, maar de zware financiële investeringen en de nabijheid van het waterwingebied, toch een bezwarend element waren ondanks de ideale ligging van verzoeker in agrarisch gebied, wat hem gedreven heeft tot het willen bekomen van een formele vergunning voor de 948 standplaatsen voor varkens, wat indertijd onterecht blijkt afgewezen te zijn en waarvoor verzoeker nog steeds niet in rechte is hersteld"; 2.2.2. Overwegende dat de verwerende partij betreffende het derde en vijfde onderdeel volgende repliek geeft : "Derde onderdeel : Dit dossier is een regularisatieaanvraag, geen vraag om herziening, en dient overeenkomstig de vigerende wetgeving behandeld te worden. VII-25.650-12/16 Voor het overige heeft dit onderdeel betrekking op de lange behandelingstijd van vorige dossiers door verschillende overheden. Uiteraard kan dit niet relevant zijn met betrekking tot het onderhavige bestreden deputatiebesluit" en "Vijfde onderdeel : Ook hiervoor kan volledig verwezen worden naar de weerlegging van het eerste onderdeel van het eerste middel"; 2.2.3. Overwegende dat in de memorie van wederantwoord verzoeker samengevat nog doet gelden wat volgt : Verweerster ontkent de eenheid van bestuur, zowel in tempore als de facto. Het is wel degelijk relevant dat verzoeker niet vergunningsplichtig was voor 1991, gezien hij op die basis bij wege van aktename een vergunning zou hebben verkregen. Er wordt toegegeven dat verzoeker aanspraak mocht maken op de 580 varkens in 1989, wat onmiskenbaar automatisch tot de vergunning van 948 varkens had geleid, gezien er geen verschil in klasse-indeling was tussen 580 en 948 varkens. Er kan geen betwisting over bestaan dat een niet- vergunningsplichtig bedrijf automatisch een vergunning zou verkrijgen op basis van de aktename in 1990. Verzoeker betoogt dat hij zichzelf niet in de illegaliteit werkte, maar dat de administratieve overheid de illegaliteit bewerkstelligde door foutief te adviseren in een procedure waartegen geen beroep mogelijk was. Verzoeker kreeg een bouwvergunning en kreeg van overheidswege steeds de informatie dat zijn bedrijf niet vergunningsplichtig was. Men kan niet staande houden dat verzoeker geen zorgvuldig burger was of dat hij schuld zou hebben aan allerlei tekortkomingen. Verzoeker somt integendeel een hele reeks tekortkomingen op van diverse overheden. Verzoeker beklemtoont dat hem niet verweten kan worden dat hij geen vergunningsaanvraag voor 948 varkens indiende, nu hij meende dat de akteneming daartoe ging leiden. Na de inwerkingtreding van het Vlarem I en vooral het Vlarem II was het veel moeilijker geworden om nog een vergunning te bekomen voor de uitbreiding van 160 naar 948 varkens. Verzoeker begrijpt niet in welk opzicht hij nalatig was, en bleef steeds de hoop koesteren dat hij een vergunning kon bekomen voor minder dan 1.000 dieren. VII-25.650-13/16 Verzoeker was in 1989 en 1990 niet vergunningsplichtig, hetgeen blijkt uit verschillende elementen. De formaliteit van de melding van het bedrijf hield in feite niet meer in dan dat de overheid de aangifte zou viseren. Zijn vergunning zou alsdan voor 30 jaar gelden. Bij verzoeker gebeurde die administratieve formaliteit evenwel niet. Verzoeker betoogt dat de wijzigingen er slechts kwamen met het besluit van de Vlaamse executieve van 21 maart 1990. Automatisch zou verzoeker van een klasse 2 een klasse 1-bedrijf zijn geworden door het viseren van de bedrijfstoestand. Automatisch zouden zijn 948 varkens moeten vergund geweest zijn. Men kan niet staande houden dat verzoeker heeft stil gezeten. Hij informeerde zich, doch hij zat in een impasse en liep het risico zijn uitbatingsvergunning te verliezen. Verzoeker vraagt zich af of er geen rechtsverwerking is gebeurd nu hij meer dan vier jaren moest wachten zowel op de aanvraag tot vergunning voor 580 varkens als op de weigering tot aktename. In de geest van de Vlarem-wetgeving dienen positieve gevolgen aan dit lange stilzitten van de overheid te worden verbonden. Verzoeker kon er dus op vertrouwen dat zijn vergunningsaanvraag zou goedgekeurd geweest zijn. Nadat verzoeker zijn vergunningsaanvraag van 1989 in 1993 teruggestuurd kreeg, diende hij geen nieuwe aanvraag meer in omdat de kans dat ze zou worden ingewilligd zeer klein was; 2.2.4. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie, wat het derde onderdeel betreft, nog stelt dat het in de periode 1990-1994 bijna een vanzelfsprekendheid was dat, indien een overheidsbeslissing onredelijk lang op zich liet wachten, de rechtsonderhorige mocht aannemen dat hij een vergunning had zodat de verwerende partij dan ook om billijkheidsredenen niet alleen vergunning voor 580 dieren, maar ook voor 948 dieren had moeten geven; dat, wat het vijfde onderdeel betreft, verzoeker stelt dat iedereen overtuigd was dat de bedrijven op meer dan 500 meter van de waterwinningsputten waren gelegen en dat minstens één bedrijf dat dichter bij de waterwinningsputten lag, wel een vergunning heeft bekomen; 2.2.5.1. Overwegende, wat het derde onderdeel betreft, dat vooreerst verzoeker voorbijgaat aan het gegeven dat zijn vergunningsaanvraag van 12 september 1989, waarvan hij stelt onredelijk lang op een antwoord vanwege de overheid te hebben moeten wachten, slechts sloeg op 580 varkens en niet op 948 varkens, zodat niet valt in te zien hoe het talmen van de overheid er toe had moeten leiden dat hij geacht moet worden stilzwijgend een vergunning van VII-25.650-14/16 948 varkens te hebben bekomen; dat, bovendien, op verzoekers vergunningsaanvraag, die diende te worden afgehandeld volgens de ARAB-procedure het systeem van de stilzwijgende vergunningen -systeem dat inmiddels door de decreetgever is verlaten- niet toepasselijk was; dat, tenslotte, het gegeven dat de overheid aan verzoeker op grond van billijkheidsredenen met het bestreden besluit een vergunning heeft verleend voor 580 varkens, geen enkele wettelijke verplichting inhoudt om deze gunst uit te breiden naar 948 varkens; dat het derde onderdeel niet gegrond is; 2.2.5.2. Overwegende, wat het vijfde onderdeel betreft, dat bij de bespreking van het eerste middel is gebleken dat het bedrijf van verzoeker op minder dan 500 meter van een waterwinning is gelegen, wat ook de bedoeling van de PIDPA zou zijn geweest, en dat de inrichting in 1989 aldus wel degelijk vergunningsplichtig was; dat het gegeven dat een buurman blijkbaar ten onrechte wel een aktename voor het houden van varkens in de wacht sleepte, terwijl zijn bedrijf op minder dan 500 meter van de waterwinningsput is gelegen, aan die conclusie geen afbreuk doet; 2.3.1. Overwegende dat verzoeker als derde middel de "schending van het non-discriminatiebeginsel vervat in de Grondwet" aanvoert; dat hij in essentie stelt dat velen die in een analoge situatie verkeerden in het verleden wel een vergunning verkregen; 2.3.2. Overwegende dat in de memorie van antwoord wordt verwezen naar de weerlegging van het eerste en het tweede middel en wordt gesteld dat het louter verwijzen naar een grondwetsartikel niet als een ontvankelijk middel kan aanvaard worden; 2.3.3. Overwegende dat in de memorie van wederantwoord verzoeker niet meer terugkeert op het middel; 2.3.4. Overwegende dat verzoeker in de laatste memorie bijkomende concrete inlichtingen verschaft omtrent de exploitant die in een analoge situatie wel een vergunning heeft verkregen; 2.3.5. Overwegende dat het gelijkheidsbeginsel niet kan worden toegepast om een voordeel te bekomen dat ingaat tegen de wetgeving; dat alleen reeds om die reden het middel niet gegrond is, BESLUIT: VII-25.650-15/16 Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig november tweeduizend en zes, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-25.650-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.009 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2002:ARR.107.444 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div