← België

Arrest 165108 - - 24/11/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.108 Rolnummer: A. 178500/XIV-27321 Zaak: Arrest 165108 - - 24/11/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-11-27 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-01 10:10 Fiche Arrest nr 165.108 van 24 november 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 165.108 van 24 november 2006 in de zaak A. 178.500/XIV-27.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat P. ROBERT, kantoor houdende te 1030 BRUSSEL, Paleizenstraat 154 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. ------------------------------------------------------------------------------------------------------ DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 27 juli 1979 en van Afghaanse nationaliteit, op 15 november 2006 per fax heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 10 november 2006 tot weigering tot inoverwegingname van een vluchtelingenverklaring, en van het bevel van 10 november 2006 om het grondgebied te verlaten met beslissing tot terugleiding naar de grens en beslissing tot vrijheidsberoving te dien einde; Gelet op de beschikking van 16 november 2006 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op artikel 8 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 16 november 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op maandag 20 november 2006 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad Ch. BAMPS; XIV-27.321-1/8 Gehoord de opmerkingen van Advocaat P. ROBERT en van Advocaat E. SCHOUTEN, loco Advocaat S. BENKHELIFA, die verschijnen voor de verzoekende partij, en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN ; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen;
  2. Overwegende dat, wat de eerste cumulatieve voorwaarde van artikel 17, §§ 1 en 2 betreft, de verwerende partij op 16 november 2006 aan de Raad van State meedeelde: “hoewel verzoeker reeds van zijn vrijheid werd beroofd, werd tot op heden nog geen datum van repatriëring vastgelegd”; dat hieruit volgt dat de repatriëring van de verzoekende partij imminent is; dat de verzoekende partij tevens alert en diligent heeft gereageerd, vermits de bestreden beslissingen dateren van 10 november 2006 en zij het verzoekschrift heeft ingediend op 15 november 2006; dat is voldaan aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid;
  3. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota een exceptie van onontvankelijkheid opwerpt op grond van artikel 51/8 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), die als volgt luidt: “De bestreden beslissing werd genomen in toepassing van artikel 51/8 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, gewijzigd bij de wet van 6 mei 1993 en 15 juli 1996, als volgt gesteld: ‘De Minister of diens gemachtigde, kan beslissen de verklaring niet in aanmerking te nemen wanneer de vreemdeling voorheen reeds dezelfde verklaring heeft afgelegd bij een in het eerste lid bedoelde overheid en hij geen nieuwe gegevens aanbrengt dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli
  4. De nieuwe gegevens moeten betrekking hebben op feiten en situaties die zich hebben voorgedaan na de laatste fase in de procedure waarin de vreemdeling ze had kunnen aanbrengen. Een beslissing om de verklaring niet in aanmerking te nemen is alleen vatbaar voor een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State. Er kan geen vordering tot schorsing tegen deze beslissing worden ingesteld.’ XIV-27.321-2/8 De wetgever heeft de vordering tot schorsing uitgesloten wanneer er geen nieuwe gegevens werden aangebracht, hetgeen tot gevolg heeft dat de vordering zoals ingeleid niet ontvankelijk is.”; 2.
  5. Overwegende dat de eerste asielprocedure van de verzoekende partij werd afgesloten op 16 februari 2006 met een bevestigende beslissing van de Commissaris- generaal tot weigering van verblijf; dat bij koninklijk besluit van 3 oktober 2006 tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van artikel 77 van de wet van 15 september 2006 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en tot vaststelling van de data bedoeld in artikel 77 en in artikel 235, § 1, tweede lid, van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, artikel 77 van de wet van 15 september 2006 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, op 10 oktober 2006 in werking trad; Overwegende dat artikel 77, § 1 van voornoemde wet van 15 september 2006 luidt als volgt: “Art.
  6. §
  7. Vanaf de datum vast te leggen bij koninklijk besluit, zijn de bepalingen inzake de subsidiaire beschermingsstatus van toepassing op alle asielverzoeken die in behandeling zijn of die ingediend worden bij de minister of zijn gemachtigde en de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, met dien verstande dat deze asielverzoeken behandeld worden volgens de procedure die van toepassing is voor de inwerkingtreding van deze wet. Indien de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen vaststelt dat de voorwaarden vervuld zijn aangaande de subsidiaire beschermingsstatus zoals bedoeld in artikel 48/4 van de wet van 15 december 1980, kent hij deze status toe.”; Overwegende dat de Memorie van Toelichting (Parl. St., Kamer, Doc 51 2478/001, 126) het volgende stelt over voormelde paragraaf van betreffend artikel 77: “Voor de subsidiaire beschermingsstatus worden bijzondere overgangsbepalingen voorzien, gelet op de inwerkingtreding van richtlijn 2004/83/EG op 10 oktober
  8. Aangezien de nieuwe asielconstellatie op dat ogenblik nog niet in werking treedt, dienen bepalingen voorzien te worden die de situatie regelen van aanvragen van vreemdelingen waarbij om de subsidiaire beschermingsstatus verzocht wordt. Concreet wordt voorzien dat deze aanvragen door de nu reeds bestaande asielinstanties (DVZ-CGVS-VBC) volgens de nu reeds bestaande asielprocedure zullen behandeld worden overeenkomstig de (inhoudelijke) bepalingen voorzien in dit ontwerp aangaande de subsidiaire beschermingstatus. Dit betekent dus dat hangende asielaanvragen of aanvragen die ingediend worden na de inwerkingtreding van richtlijn 2004/83/EG zullen behandeld worden vanuit de invalshoek van subsidiaire bescherming. Dit laat dus toe dat de CGVS of de VBC de subsidiaire beschermingsstatus kan toekennen en dat op grond daarvan een verblijfsvergunning kan toegekend worden conform de bepalingen van dit ontwerp.”; Overwegende dat uit het voorgaande kan afgeleid worden dat alle asielaanvragen door de nu reeds bestaande asielinstanties volgens de nu reeds bestaande asielprocedure zullen behandeld worden overeenkomstig de (inhoudelijke) bepalingen aangaande de subsidiaire beschermingsstatus; dat zowel de hangende asielaanvragen of aanvragen die ingediend werden na de inwerkingtreding van richtlijn 2004/83/EG, met name XIV-27.321-3/8 10 oktober 2006, zullen behandeld worden vanuit de invalshoek van de subsidiaire bescherming; dat bijgevolg alle (inhoudelijke) bepalingen aangaande de subsidiaire beschermingsstatus vanaf voormelde datum van toepassing zijn; Overwegende dat hieruit volgt dat, overeenkomstig artikel 49/3 van de Vreemdelingenwet, zoals ingevoegd door artikel 30 van voornoemde wet van 15 september 2006, alle asielaanvragen, zowel de aanvraag om erkenning van de vluchtelingenstatus als de aanvraag om van de subsidiaire bescherming te kunnen genieten, eerst worden onderzocht in het kader van de Vluchtelingenconventie en indien dit tot een negatief resultaat leidt, vervolgens in het kader van de subsidiaire beschermingsregeling; dat, zoals voldoende blijkt uit de Memorie van Toelichting (Parl. St., Kamer, Doc 51 2478/001, 93- 94), het dienvolgens niet is vereist dat de kandidaat-vluchteling expliciet de subsidiaire beschermingsstatus aanvraagt om zijn asielaanvraag alzo te zien worden onderzocht; 2.
  9. Overwegende dat de verzoekende partij zich in casu een tweede maal vluchteling heeft verklaard op 23 oktober 2006; dat betreffende asielaanvraag dateert van na de inwerkingtreding op 10 oktober 2006 van artikel 77 van voornoemde wet van 15 september 2006 en de bepalingen betreffende de subsidiaire beschermingsstatus; Overwegende dat artikel 77, § 2 van voornoemde wet van 15 september 2006 luidt als volgt: “Art. 77.§
  10. Indien de asielprocedure van een vreemdeling afgesloten werd voor de in § 1 bepaalde datum, kan Richtlijn 2004/83/EG alsmede de omzetting van deze richtlijn naar Belgisch recht, niet als een nieuw element, in de zin van artikel 51/8 van de wet van 15 december 1980, ingeroepen worden door de betrokken vreemdeling, tenzij de aanvraag gebaseerd is op elementen die aanleiding kunnen geven tot de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus zoals voorzien in artikel 48/3 van de wet van 15 december 1980.”; Overwegende dat de Memorie van Toelichting (Parl. St., Kamer, Doc 51 2478/001, 126) het volgende stelt over paragraaf 2 van betreffend artikel 77: “Verder wordt specifiek voorzien dat vreemdelingen wier asielaanvraag werd afgewezen voordat de bepalingen betreffende de subsidiaire bescherming in werking treden via een koninklijk besluit, de richtlijn of de omzetting van de richtlijn 2004/83/EG naar Belgisch recht op zich niet als een nieuw element, in de zin van artikel 51/8, kunnen inroepen om hun asielaanvraag opnieuw te laten behandelen. Indien deze vreemdelingen echter elementen inroepen die aanleiding kunnen geven tot de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus, dan kunnen deze elementen beschouwd worden als nieuwe elementen in de zin van artikel 51/8.”; Overwegende dat het bij de wetten van 6 mei 1993 en 15 juli 1996 en bij artikel 42 van voornoemde wet van 15 september 2006 gewijzigde artikel 51/8 van de Vreemdelingenwet luidt als volgt: “Art. 51/
  11. De minister of diens gemachtigde kan beslissen de asielaanvraag niet in aanmerking te nemen wanneer de vreemdeling voorheen reeds dezelfde aanvraag heeft ingediend bij een door de Koning aangeduide overheid in uitvoering van artikel 50, eerste lid, XIV-27.321-4/8 en hij geen nieuwe gegevens aanbrengt dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Verdrag van Genève, zoals bepaald in artikel 48/3, of ernstige aanwijzingen bestaan van een reëel risico op ernstige schade zoals bepaald in artikel 48/
  12. De nieuwe gegevens moeten betrekking hebben op feiten of situaties die zich hebben voorgedaan na de laatste fase in de procedure waarin de vreemdeling ze had kunnen aanbrengen. Een beslissing om de verklaring niet in aanmerking te nemen is alleen vatbaar voor een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State. Er kan geen vordering tot schorsing tegen deze beslissing worden ingesteld.”; 2.
  13. Overwegende dat uit voorgaande bepalingen blijkt dat op de verzoekende partij bij het indienen van haar tweede asielaanvraag niet de verplichting rustte expliciet de subsidiaire beschermingsstatus aan te vragen om haar asielaanvraag alzo te zien worden onderzocht; dat zij in casu nieuwe gegevens diende aan te brengen die betrekking hebben op feiten of situaties die zich hebben voorgedaan na de laatste fase in de procedure waarin de betrokkene ze had kunnen aanbrengen, en dat er, wat haar betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie of ernstige aanwijzingen bestaan van een reëel risico op ernstige schade zoals bepaald in artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet; dat, voor wat dit laatste element betreft, de verwijzing naar de Richtlijn 2004/83/EG alsmede de omzetting van deze richtlijn naar Belgisch recht, op zich niet volstaan als nieuw element; dat in dit geval de aanvraag moet gebaseerd zijn op elementen die aanleiding kunnen geven tot de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus zoals voorzien in artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet; Overwegende dat artikel 51/8, tweede lid, van de Vreemdelingenwet bepaalt dat een beslissing om een verklaring niet in aanmerking te nemen, alleen vatbaar is voor beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State en er geen vordering tot schorsing tegen die beslissing kan worden ingesteld; dat in het arrest van het Arbitragehof nr. 61/94 van 14 juli 1994 in verband met artikel 51/8 van de Vreemdelingenwet (oorspronkelijk artikel 50, derde en vierde lid van voornoemde wet) wordt gesteld dat de Raad van State, “alvorens de vordering tot schorsing niet ontvankelijk te verklaren, zal (...) nagaan of de voorwaarden met betrekking tot die grond van niet-ontvankelijkheid zijn vervuld”; dat aldus de Raad van State slechts bevoegd is om van voorliggende vordering tot schorsing kennis te nemen zo hij van oordeel is dat de nieuwe vluchtelingenverklaring op nieuwe gegevens in de zin van artikel 51/8 van de Vreemdelingenwet is gesteund; 2.
  14. Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending aanvoert van de artikelen 48/4, 51/8 en 62 van de Vreemdelingenwet en van artikel 77 van de wet van 15 september 2006 tot wijziging van de Vreemdelingenwet, doordat zij wel degelijk nieuwe feitelijke gegevens heeft aangebracht, met name elementen die de toekenning van de subsidiaire bescherming toelaten; dat zij in een onderdeel van het tweede middel eveneens de schending van artikel 51/8 van de Vreemdelingenwet aanvoert; dat de bespreking van de exceptie bijgevolg verbonden is met het antwoord op de middelen; XIV-27.321-5/8 Overwegende dat de verzoekende partij in haar eerste asielaanvraag het volgende aanvoert: “Betrokkene verklaart: Ik ben gehuwd en heb 3 kinderen. Ik wens dat de Belgische Staat mijn 1ste AA behandelt. Ik had een klein kraampje (wisselkantoor) in Jalalabad. In Jalalabad waren de Mojaheddin aan de macht. Eén van de commandanten was Golkarim. Deze had verschillende groepen onder hem en één van de hoofden was Taher. Taher kwam regelmatig bij me langs om smeergeld te vragen. De reden waarom hij smeergeld vroeg was dat Taher zei dat wij communisten waren want in de tijd dat Dr. Najib president was, was mijn broer één van de leden van zijn partij en zei dat wij mee deden met de communisten tegen Mojaheddin. “Dus jullie zijn aanhangers van de communisten”. Daardoor had ik veel problemen met Taher. Ik verhuisde o.a. naar Konar, Kheiva. Telkens ik verhuisde werd in na een tijdje terug gevonden door de Mojaheddin. Soms ging ik en mijn familie ook naar Jalalabad. In mei 2004 was ik zaken aan het doen in Jalalabad en kwam Taher naar me toe. Taher zei dat Golkarim gezegd had dat hij van mij 1000 dollar eiste. Ik had zoveel geld niet en kon dit niet geven aangezien ik een kleinhandelaar ben. Het liep op tot ene hoge discussie en ik werd geslagen door soldaten die Taher vergezelden. De gewone mensen op straat kwamen tussen beide en probeerden me te redden. De soldaten zeiden dat ik communist was en dat ze me moesten meenemen. Ze namen me mee in de auto en brachten me naar één van de cellen in het privé huis van Golkarim. Ik zat daar 15 dagen vast en werd elke dag mishandeld. Ze vroegen me waar mijn broer en vader was. Ik zei telkens dat ik het niet wist. Ze bedreigden me zelfs met de dood indien ik niet de waarheid zou spreken. Mijn vader was op dat moment ook naar me op zoek en hij kwam naar mijn werkplaats en vernam daar van de mensen dat Taher me had meegenomen. Mijn vader wist dat Taher werkte voor Golkarim en dat deze laatste (Golkarim) een buitenverblijf had met verschillende cellen en wist ook waar deze zich bevond. Dus daardoor kon hij al vermoeden waar ik zou zitten. Mijn vader is naar de gevangenis in Kheiva gekomen en heeft de gevangenisbewaker 300 dollar gegeven om me vrij te kopen en deze zou dan zeggen dat ik zou ontsnapt zijn. Ik ben pas 3 dagen later ‘s nachts vrijgelaten door de omgekochte gevangenisbewaker. De avond van mijn vrijlating ben ik een moskee gaan slapen in Kheiva. De dag erna ben ik met de taxi naar Jalalabad gegaan bij mijn ouders thuis en vroeg aan mijn vader om me te helpen om het land te kunnen verlaten. Want indien ik nog een tweede keer zou opgepakt worden, zouden ze me vermoorden. Heb je intussen al contact gehad met je familie? Ja af en toe belt mij familie naar me en zeggen dat ze nog ze zich nog steeds hier en daar schuil houden. Wens je nog iets toe te voegen? Neen”; Overwegende dat de verzoekende partij in haar tweede asielaanvraag het volgende aanvoert: “Ik ben gehuwd en heb 3 kinderen. Ik vraag de Belgische staat om mijn 2de Asielaanvraag te behandelen. Heb je nieuwe elementen die je eerste asielaanvraag kunnen staven? Zoals ik reeds verklaarde is de commandant Gul Karim werkloos maar zijn gewapende mannen zijn nog steeds actief. Hij heeft geen macht meer maar is wel een invloedrijk persoon in ons gebied. Mijn familie moest al meerdere malen van adres veranderen. De problemen die ik destijds vertelde zijn nog steeds aanwezig in Afghanistan. Ik heb ongeveer anderhalve week geleden naar een ver familielid in Jalalabad en die vertelde me dat de situatie nog steeds onveilig is. Zelfs in Jalalabad op de luchthaven werd geschoten. De Amerikaanse regeringgroepen vechten nog steeds tegen de taliban in ons gebied. Waarvoor vrees je bij je terugkeer naar Afghanistan? Ik kan niet terugkeren want ik vrees voor mijn leven. Ik zal gedood worden. Vroeger werd ik gearresteerd en zat ik 15 dagen vast. Mijn vader kocht me toen vrij. Heb je nog contact met je vrouw en kinderen? Ik heb geen regelmatig contact maar na mijn aankomst in België belde mijn vrouw me 2 keer. Ik heb wel contact met mijn oom en neven. Wens je nog iets toe te voegen? Neen.”; XIV-27.321-6/8 Overwegende dat de motieven van de bestreden beslissing betreffende het ontbreken van “nieuwe gegevens” niet worden tegengesproken door de stukken uit het administratief dossier; dat bijgevolg de Raad van State niet bevoegd is om kennis te nemen van de vordering tot schorsing; dat weliswaar de verzoekende partij in haar middelen in essentie beweert dat zij wel degelijk nieuwe feitelijke gegevens heeft aangebracht, met name elementen die de toekenning van de subsidiaire bescherming toelaten; dat uit nazicht van haar tweede asielaanvraag blijkt dat zij enkel volgende verklaring heeft toegevoegd, met name: “ik heb ongeveer anderhalve week geleden naar een ver familielid in Jalalabad (gebeld) en die vertelde me dat de situatie nog steeds onveilig is. Zelfs in Jalalabad op de luchthaven werd geschoten. De Amerikaanse regeringstroepen vechten nog steeds tegen de Taliban in ons gebied”; dat dit evenwel geen nieuw gegeven uitmaakt, omdat betreffend element betrekking heeft op feiten en situaties die zich reeds voordeden ten tijde van haar eerste asielaanvraag; dat de verzoekende partij bijgevolg niet aantoont dat ze bij haar tweede asielaanvraag nieuwe gegevens heeft aangevoerd die betrekking hebben op feiten en situaties die zich hebben voorgedaan na de laatste fase van de procedure waarin ze deze gegevens had kunnen aanbrengen en die aantonen dat er, wat haar betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie of van een reëel risico op ernstige schade zoals bepaald in artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet; dat de vordering tot schorsing tegen de beslissing tot weigering van inoverwegingname dus niet ontvankelijk is; Overwegende dat, wat de tweede bestreden beslissing betreft, met name het bevel om het grondgebied te verlaten, met terugleiding naar de grens en vrijheidsberoving te dien einde, de verzoekende partij hiertegen geen middel aanvoert zoals voorzien in artikel 3, tweede lid, 4/, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State, (en zoals voorzien in de tweede cumulatieve voorwaarde van artikel 17 §§ 1 en 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State); dat bijgevolg de vordering, ook wat deze beslissing betreft, niet ontvankelijk is, XIV-27.321-7/8 BESLUIT: Artikel
  15. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  16. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig november tweeduizend en zes, door : Mevr. Ch. BAMPS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. Ch. BAMPS. XIV-27.321-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.108 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.