← België

Arrest 165109 - - 24/11/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.109 Rolnummer: A. 178607/XIV-27359 Zaak: Arrest 165109 - - 24/11/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-11-27 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-01 10:10 Fiche Arrest nr 165.109 van 24 november 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 165.109 van 24 november 2006 in de zaak A. 178.607/XIV-27.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat P. ROBERT, kantoor houdende te 1030 BRUSSEL, Paleizenstraat
  2. tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de minister van Binnenlandse Zaken. ------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Afghaanse nationaliteit, op 17 november 2006 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 14 november 2006 houdende weigering van inoverwegingname van een vluchtelingenverklaring; Gelet op de beschikking van 20 november 2006 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 17 november 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 november 2006 om 10.30 uur; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. SCHOUTEN, die loco advocaat S. BENKHELIFA verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat L. BRACKE die loco advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur M. VAN LIMBERGEN; XIV-27.359-1/4 Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat de verzoekende partij zich op 2 juni 2003 een eerste maal vluchteling heeft verklaard in België; dat die asielaanvraag werd afgesloten met een bevestigende beslissing tot weigering van verblijf commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 18 juli 2003; dat de verzoekende partij een tweede asielaanvraag heeft ingediend die werd afgesloten met een bevestigende beslissing tot weigering van verblijf van de commissaris-generaal van 30 november 2004; dat de verzoekende partij een derde asielaanvraag heeft ingediend die werd afgesloten met een beslissing van weigering tot in overwegingname van 21 december 2004; dat de verzoekende partij een vierde asielaanvraag heeft ingediend die werd afgesloten met een beslissing van weigering tot in overwegingname van 9 maart 2005; Overwegende dat de verzoekende partij zich op 23 oktober 2006 een vijfde maal vluchteling verklaart; dat de minister van Binnenlandse Zaken op 14 november 2006 een beslissing van weigering tot in overwegingname van een vluchtelingenverklaring neemt; dat dit de bestreden beslissing is;
  4. Overwegende, wat de ontvankelijkheid van de vordering tot schorsing betreft, dat artikel 51/8 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdeling- enwet) als volgt luidt: "De Minister of diens gemachtigde, kan beslissen de verklaring niet in aanmerking te nemen wanneer de vreemdeling voorheen reeds dezelfde verklaring heeft afgelegd bij een in het eerste lid bedoelde overheid en hij geen nieuwe gegevens aanbrengt dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli
  5. De nieuwe gegevens moeten betrekking hebben op feiten en situaties die zich hebben voorgedaan na de laatste fase in de procedure waarin de vreemdeling ze had kunnen aanbrengen. Een beslissing om de verklaring niet in aanmerking te nemen is alleen vatbaar voor een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State. Er kan geen vordering tot schorsing tegen deze beslissing worden ingesteld."; Overwegende dat de voornoemde bepaling aldus een specifiek geval voorziet waarin de vordering tot schorsing voor de Raad van State niet-ontvankelijk is; dat de Raad van State, alvorens de vordering tot schorsing niet-ontvankelijk te verklaren, nagaat of de voorwaarden met betrekking tot die grond van niet-ontvankelijkheid zijn vervuld; dat artikel 51/8 van de Vreemdelingenwet niet van toepassing is wanneer de vreemdeling nieuwe gegevens aanvoert maar de minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde oordeelt dat die gegevens niet van die aard zijn dat daardoor een gegronde vrees voor vervolging in de zin van het internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 wordt aangetoond; XIV-27.359-2/4 Overwegende dat artikel 77 van de wet van 15 september 2006 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, in werking getreden op 10 oktober 2006, als volgt luidt: “§
  6. Vanaf de datum vast te leggen bij koninklijk besluit, zijn de bepalingen inzake de subsidiaire beschermingsstatus van toepassing op alle asielverzoeken die in behandeling zijn of ingediend worden bij de minister of zijn gemachtigde en de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, met dien verstande dat deze asielverzoeken behandeld worden volgens de procedure die van toepassing is voor de inwerkingtreding van deze wet. Indien de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen vaststelt dat de voorwaarden vervuld zijn aangaande de subsidiaire beschermingsstatus zoals bedoeld in artikel 48/4 van de wet van 15 december 1980, kent hij deze status toe. §
  7. Indien de asielprocedure van een vreemdeling afgesloten werd voor de in § 1 bepaalde datum, kan Richtlijn 2004/83/EG alsmede de omzetting van deze richtlijn naar Belgisch recht, niet als een nieuw element, in de zin van artikel 51/8 van de wet van 15 december 1980, ingeroepen worden door de betrokken vreemdeling, tenzij de aanvraag gebaseerd is op elementen die aanleiding kunnen geven tot de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus zoals voorzien in artikel 48/3 van de wet van 15 december
  8. (...)” Overwegende dat ingevolge de inwerkingtreding van het voornoemde artikel 77 aldus een dubbel onderzoek is vereist inzake de ontvankelijkheid van de vordering tot schorsing, met name of de verzoekende partij nieuwe elementen in de zin van artikel 51/8 van de Vreemdelingenwet heeft ingeroepen en of de aanvraag is gebaseerd op elementen die aanleiding kunnen geven tot de toekenning van de subsidiaire beschermings- status zoals voorzien in artikel 48/3 van de Vreemdelingenwet; Overwegende dat de ingeroepen middelen in casu echter enkel betrekking hebben op het weigeren van de subsidiaire beschermingsstatus; dat derhalve niet hoeft te worden onderzocht of de verzoekende partij nieuwe elementen heeft aangevoerd voor wat betreft haar erkenning als vluchteling; dat de verzoekende partij voor wat betreft de subsidiaire bescherming enkel verwijst naar de toestand in Afghanistan en stelt dat zij aldaar gedood zal worden; dat in het nieuwe artikel 48/4 van de vreemdelingenwet enkel sprake is van een “ernstige bedreiging van het leven of de persoon” en niet, zoals in artikel 15 van richtlijn 2004/83/EG, van een “ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon”; dat, ook zonder de noodzaak van het bewijs van een “individuele” dreiging, de aanvrager niet louter naar een algemene toestand kan verwijzen doch enig verband met zijn concrete toestand aannemelijk moet kunnen maken; dat de verzoekende partij met dergelijke algemene stelling echter niet aannemelijk maakt dat zij bij een terugkeer naar het land van herkomst een reëel risico zou lopen op ernstige schade noch dat zij zich niet onder de bescherming van dat land kan of, wegens dat risico, wil stellen; dat de verzoekende partij derhalve niet aannemelijk maakt dat haar aanvraag is gebaseerd op elementen die aanleiding kunnen geven tot de toekenning van de subsidiaire beschermings- status; dat de vordering tot schorsing derhalve ingevolge het bepaalde in artikel 77 van de wet van 15 september 2006 juncto 51/8 van de Vreemdelingenwet niet-ontvankelijk is, XIV-27.359-3/4 BESLUIT: Artikel
  9. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  10. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwin- tig november tweeduizend en zes, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-27.359-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.109 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.