← België

Arrest 165110 - - 24/11/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.110 Rolnummer: A. 178675/XIV-27383 Zaak: Arrest 165110 - - 24/11/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-11-27 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-01 10:10 Fiche Arrest nr 165.110 van 24 november 2006 - Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 165.110 van 24 november 2006 in de zaak A. 178.675/XIV-27.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat A. TEMPELS RUIZ, kantoor houdende te 1060 BRUSSEL, Berckmansstraat
  2. tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de minister van Binnenlandse Zaken. ------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Ecuadoriaanse nationaliteit, op 20 november 2006 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 13 november 2006 houdende weigering tot inoverwegingname van een vluchtelingenverklaring; Gelet op de beschikking van 21 november 2006 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 21 november 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 november 2006 om 10.30 uur; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat L. LUYTENS, die loco advocaat A. TEMPELS RUIZ verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat L. BRACKE die loco advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur M. VAN LIMBERGEN; XIV-27.383-1/5 Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat de verzoekende partij volgens de gegevens van het administratief dossier sedert 1995 in België verblijft, met dien verstande dat zij na vier repatriëringen telkens terugkeert naar België; dat de verzoekende partij zich op 27 augustus 2003 een eerste maal vluchteling verklaart; dat die asielaanvraag wordt afgesloten met een bevestigende beslissing tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 12 september 2003; Overwegende dat er nadien nog twee repatriëringen plaatsvinden, waarna de verzoekende partij telkens terug België binnenkomt; dat de verzoekende partij, na meerdere aanvragen om machtiging tot verblijf, zich op 8 november 2006 een tweede maal vluchteling verklaart; dat die aanvraag wordt afgesloten met een beslissing van weigering tot in overwegingname van 13 november 2006; dat dit de bestreden beslissing is; 2.
  4. Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat er uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.
  5. Overwegende, wat de eerste voorwaarde betreft, dat de verzoekende partij aanvoert dat zij zich in het gesloten centrum nr. 127 bevindt met het oog op repatriëring; dat de verwerende partij dit bevestigt; dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing derhalve nakend is, ook al is nog geen concrete datum voor die tenuitvoerlegging bepaald; dat daaruit in casu voldoende blijkt dat de schorsing van de tenuitvoerlegging volgens de gewone procedure te laat zal komen; dat eveneens kan worden aangenomen dat de verzoekende partij in casu voldoende diligent en alert heeft gereageerd; dat derhalve aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid is voldaan; 2.3.
  6. Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat de verzoekende partij in het derde onderdeel van het enige middel de schending van artikel 51/8 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van artikel 77, § 2, van de wet van 15 september 2006 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdeling- en en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen opwerpt; dat zij in dat onderdeel aanvoert dat de XIV-27.383-2/5 vreemdeling, wiens vroegere asielaanvraag reeds werd afgewezen, zich op de inwerkingtre- ding van de voornoemde wet van 15 september 2006 kan beroepen als een nieuw element in de zin van artikel 51/8 van de Vreemdelingenwet, dat de verzoekende partij in haar asielaanvraag van 8 november 2006 uitdrukkelijk het voordeel van de subsidiaire bescherming heeft gevraagd, dat die vraag in de bestreden beslissing niet in overweging is genomen vermits nergens naar de subsidiaire bescherming wordt verwezen, dat die motivering niet afdoende of onbestaande is, gezien de uitdrukkelijke vermelding in de asielaanvraag en dat de voornoemde artikelen 51/8 en 77, § 2, met de bestreden beslissing zijn geschonden door nieuwe elementen te eisen zonder rekening te houden met de nieuwe wet; 2.3.
  7. Overwegende dat artikel 51/8 van de Vreemdelingenwet als volgt luidt: "De Minister of diens gemachtigde, kan beslissen de verklaring niet in aanmerking te nemen wanneer de vreemdeling voorheen reeds dezelfde verklaring heeft afgelegd bij een in het eerste lid bedoelde overheid en hij geen nieuwe gegevens aanbrengt dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli
  8. De nieuwe gegevens moeten betrekking hebben op feiten en situaties die zich hebben voorgedaan na de laatste fase in de procedure waarin de vreemdeling ze had kunnen aanbrengen. Een beslissing om de verklaring niet in aanmerking te nemen is alleen vatbaar voor een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State. Er kan geen vordering tot schorsing tegen deze beslissing worden ingesteld."; Overwegende dat artikel 77 van de wet van 15 september 2006 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, in werking getreden op 10 oktober 2006, als volgt luidt: “§
  9. Vanaf de datum vast te leggen bij koninklijk besluit, zijn de bepalingen inzake de subsidiaire beschermingsstatus van toepassing op alle asielverzoeken die in behandeling zijn of ingediend worden bij de minister of zijn gemachtigde en de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, met dien verstande dat deze asielverzoeken behandeld worden volgens de procedure die van toepassing is voor de inwerkingtreding van deze wet. Indien de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen vaststelt dat de voorwaarden vervuld zijn aangaande de subsidiaire beschermingsstatus zoals bedoeld in artikel 48/4 van de wet van 15 december 1980, kent hij deze status toe. §
  10. Indien de asielprocedure van een vreemdeling afgesloten werd voor de in § 1 bepaalde datum, kan Richtlijn 2004/83/EG alsmede de omzetting van deze richtlijn naar Belgisch recht, niet als een nieuw element, in de zin van artikel 51/8 van de wet van 15 december 1980, ingeroepen worden door de betrokken vreemdeling, tenzij de aanvraag gebaseerd is op elementen die aanleiding kunnen geven tot de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus zoals voorzien in artikel 48/3 van de wet van 15 december
  11. (...)”; Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat de verzoekende partij in haar asielaanvraag van 8 november 2006 uitdrukkelijk de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus heeft gevraagd; dat de verwerende partij in de bestreden beslissing prima facie op zijn minst moest nagaan, indien de aanvraag naar haar oordeel niet was gesteund op nieuwe elementen in de zin van artikel 51/8 van de Vreemdelingenwet om als vluchteling te kunnen worden erkend, of die aanvraag al dan niet was gebaseerd op XIV-27.383-3/5 elementen die aanleiding konden geven tot de toekenning van de subsidiaire beschermings- status; dat iedere motivering over dit laatste punt prima ontbreekt; dat het derde onderdeel van het middel in die mate ernstig is; 2.4.
  12. Overwegende, wat de derde voorwaarde betreft, dat de verzoekende partij aanvoert dat zij deel uitmaakt van een sociale groep in Ecuador en er als transsexueel wordt vervolgd, dat haar vrees voor vervolging blijkt uit hetgeen zij zelf heeft beleefd en hetgeen door mensenrechtenorganisaties wordt bevestigd, dat het actuele karakter van haar vrees blijkt uit een verslag uit 2005 van het “UN Secretary of State” en dat het door de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing veroorzaakte nadeel ernstig en moeilijk te herstellen is, gezien de ernst van de agressie met willekeurige arrestaties, collectieve verkrachtingen en zelfs moorden van travestieten en transseksuelen in Ecuador; 2.4.
  13. Overwegende dat de geaardheid van de verzoekende partij blijkbaar niet wordt betwist; dat, nu niet is nagegaan of de aanvraag is gebaseerd op elementen die aanleiding kunnen geven tot de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus, kan worden aangenomen dat de verzoekende partij voldoende in concreto de dreiging van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel, veroorzaakt door de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, aannemelijk maakt;
  14. Overwegende dat geen gronden van niet-ontvankelijkheid worden aangetroffen; dat voldaan is aan de drie krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineer- de wetten op de Raad van State bepaalde voorwaarden; dat de schorsing van de tenuitvoer- legging van de bestreden beslissing wordt bevolen, BESLUIT: Artikel
  15. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 13 november 2006 houdende weigering tot inoverwegingname van een vluchtelingenverklaring. Artikel
  16. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. XIV-27.383-4/5 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwin- tig november tweeduizend en zes, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-27.383-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.110 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.