id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.111 Rolnummer: A. 56319/X-9571 Zaak: Arrest 165111 - - 24/11/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-12-13 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-01 10:11 Fiche Arrest nr 165.111 van 24 november 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 165.111 van 24 november 2006 in de zaak A. 56.319/X-
- In zake : de NV INTERSAN, die woonplaats kiest bij advocaat D. Van Heuven, kantoor houdende te Kortrijk, President Kennedypark 8 B tegen : het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij advocaat P. Taelman, kantoor houdende te Gent, Coupure
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de NV Intersan op 11 februari 1994 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “het besluit van de Vlaamse Minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden, houdende verwerping van het beroep van de particulier tegen de beslissing van 10 juni 1993 van de Bestendige Deputatie van de Provincieraad van Oost-Vlaanderen, waarbij de vergunning is geweigerd voor fabriekshallen en burelen aan de Groeneweg te Kruishoutem, kadastraal bekend sectie B, nr. 532 en 531d2; besluit genomen op 16.12.1993”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur F. De Buel; Gelet op de beschikking van 21 juni 2000 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van de procedure van de verzoekende partij; X-9571-1/6 Gelet op de beschikking van 3 oktober 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 14 november 2006; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat S. Ronse, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat I. Bockstaele, die loco advocaat P. Taelman verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd F. De Buel; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; De gegevens van de zaak
- Overwegende dat verzoekster op 30 december 1992 een vergunning vraagt voor het bouwen van fabriekshallen met bureelgebouw als uitbreiding van een bestaand bedrijf op een perceel, gelegen te Kruishoutem, Groeneweg, kadastraal bekend sectie B, nrs 532 en 531d2; Overwegende dat het College van burgemeester en schepenen van de gemeente Kruishoutem op 15 maart 1993 de aanvraag weigert; Overwegende dat de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen op 10 juni 1993 het beroep van verzoekster tegen voormelde weigering verwerpt; Overwegende dat de Vlaamse minister met de thans bestreden beslissing op 16 december 1993 insgelijks het door verzoekster ingesteld beroep verwerpt; dat de minister motiveert : “Overwegende dat het ontwerp strekt tot het oprichten van fabriekshallen en burelen ter uitbreiding van een bestaand bedrijf; dat de bestendige deputatie het ingestelde beroep heeft verworpen onder meer om reden dat nog uitbreidingsmogelijkheden bestaan binnen de geëigende zone; omdat het bestaand volume niet in plan is gebracht, zodat niet kan worden afgeleid of de volumevermeerdering binnen de toegelaten 100% valt en omdat de toegangsweg ‘Groenenweg’ als onvoldoende te beschouwen is; X-9571-2/6 Overwegende dat het betrokken perceel volgens de bepalingen van het bij koninklijk besluit dd.24 februari 1977 vastgesteld gewestplan Oudenaarde deels is gelegen in een gebied voor ambachtelijke bedrijven en kleine en middelgrote ondernemingen en deels in het woonuitbreidingsgebied; dat het bestaande bedrijf in bovengenoemd ambachtelijk gebied is gelegen, doch dat de geplande uitbreiding integraal is gesitueerd in het woonuitbreidingsgebied: dat luidens de bepalingen van artikel 5 van het koninklijk besluit dd. 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen deze gebieden uitsluitend bestemd zijn voor groepswoningbouw zolang de bevoegde overheid over de ordening van het gebied niet heeft beslist, en zolang, volgens het geval, ofwel die overheid geen besluit tot vastlegging van de uitgaven voor de voorzieningen heeft genomen, ofwel omtrent deze voorzieningen geen met waarborgen omklede verbintenis is aangegaan door de promotor; dat het projekt in se in strijd is met een dusdanige bestemming; Overwegende dat het projekt inhoudt dat het bestaande bedrijf wordt uitgebreid met fabriekshallen en burelen; dat deze hallen een gezamenlijke oppervlakte beslaan van ongeveer 140,77 meter op 96,44 meter en bedekt worden met een plat dak met een hoogte van 7,50 meter; dat de burelen een oppervlakte hebben van 55 meter op 15 meter en bedekt worden met een licht hellend zadeldak met een kroonlijsthoogte van ongeveer 7,20 meter en een nokhoogte van ongeveer 7,50 meter; dat de inplanting van deze uitbreiding gebeurt naar achter toe langsheen de Groenenweg en dat achteraan het terrein een bufferzone met groenscherm wordt voorzien met een diepte van ongeveer 80 meter; Overwegende dat in deze omstandigheden rekening dient gehouden met de bepalingen van het dekreet van 23 juni 1993, houdende wijziging van artikel 79 van de wet van 29 maart 1962 van de ruimtelijke ordening en de stedebouw; dat luidens de bepalingen van artikel 2 van dit dekreet afwijkingen van de voorschriften van een ontwerp-gewestplan of gewestplan aan welbepaalde voorwaarden zijn verbonden; dat het moet gaan om het verbouwen van een bestaand vergund gebouw op dezelfde plaats en dat deze verbouwing geen oppervlaktevermeerdering noch volumevermeerdering van dit gebouw kan inhouden; dat, in geval van uitbreiding, deze slechts het noodzakelijke gevolg mag zijn van overeenkomstig het dekreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning voorgeschreven algemene, sektoriële en bijzondere voorwaarden strekkende tot het bevorderen van de kwaliteit van het leefmilieu; dat de weigering van het verlenen van een afwijking tot het verbouwen of uitbreiden van een bestaand vergund gebouw geen aanleiding kan geven tot het verschuldigd zijn van een vergoeding als bedoeld in artikel 37; dat de aangehaalde afwijkingsbepalingen niet de daaraan verbonden voorwaarden, opgenomen in het artikel 79 van de bovengenoemde stedebouwwet, terzake niet dienend zijn; dat in deze omstandigheden de vraag naar het al dan niet voldoend uitgerust karakter van de Groenenweg en een door de partikulier voorgestelde toegang langs de Ommegangstraat evenmin relevant is; Overwegende dat betreffende de aanvraag zelf eveneens rekening dient gehouden met het ongunstig advies van het kollege van burgemeester en schepenen dd. 1 februari 1993 en de weigeringsbeslissing dd. 15 maart 1993; dat hierin wordt vermeld dat door het ontwerp het enige resterende stuk woonuitbreidingsgebied grotendeels ingepalmd wordt door een fabriekshal, waardoor de ontsluiting van de rest van het woonuitbreidingsgebied quasi onmogelijk en in elk geval onduidelijk wordt; dat in bijkomende orde dient vermeld dat tijdens het gehouden openbaar onderzoek 208 bezwaren werden ingediend en dat deze door het betrokken kollege van burgemeester en schepenen in zitting van 1 februari niet werden weerlegd; dat om alle bovengenoemde redenen dient gesteld dat het ontwerp de goede aanleg van de X-9571-3/6 plaats in het gedrang brengt en stedebouwkundig niet kan aanvaard worden; dat aldus het beroep van de partikulier niet voor inwilliging in aanmerking komt”; De gegrondheid van het beroep 2.
- Overwegende dat verzoekster in een eerste middel de schending aanvoert van de formele motiveringsplicht, van artikel 13 van het decreet van 23 oktober 1991 betreffende de openbaarheid van de bestuursdocumenten in diensten en instellingen van de Vlaamse Executieve en van de motiveringsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur; dat zij toelicht dat in de bestreden beslissing “wordt geargumenteerd” door een verwijzing naar de beslissing van de bestendige deputatie die evenwel feitelijke grondslag mist en door een verwijzing naar de beslissing van het college van burgemeester en schepenen die voorbijgaat aan de door haar tegen die beslissing opgeworpen grieven; dat zij voorts betoogt dat verwerende partij “zonder meer” toepassing maakt van de bepalingen van het decreet van 23 juni 1993 houdende wijziging van artikel 79 van de stedenbouwwet van 29 maart 1962 hoewel haar aanvraag “werd ingeleid op een ogenblik dat nog het ‘oude’ minidecreet van toepassing was”; dat zij ten slotte aanstoot neemt aan het ontbreken van de vermelding van de beroepsmogelijkheden; 2.
- Overwegende dat het ontbreken van de door de openbaarheids- wetgeving vereiste vermelding van de beroepsmogelijkheden niet de wettigheid van de beslissing zelf aantast, maar slechts een weerslag kan hebben op de beroepstermijnen; dat dit middelonderdeel rechtens niet relevant is; 2.
- Overwegende dat het bestreden besluit slechts de beslissing en de argumenten van de bestendige deputatie memoreert, maar die geenszins de hare heeft gemaakt; dat de kritiek op de motivering van de beslissing van de bestendige deputatie dienvolgens ook rechtens niet relevant is, aangezien de bestreden ministeriële beslissing in de plaats ervan is gekomen; 2.
- Overwegende dat verzoekster niet betwist dat, gelet op de planologische bestemming van de percelen waarop haar bouwaanvraag betrekking heeft, de vergunning ingevolge de bepalingen van het decreet van 23 juni 1993 houdende wijziging van artikel 79 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, diende te worden geweigerd; X-9571-4/6 Overwegende dat verzoekster wel betoogt, maar vergeefs, dat die wijzigingen vreemd moesten blijven aan de beoordeling van haar aanvraag omdat die nog werd “ingeleid” op een ogenblik waarop een eerdere regeling van kracht was; dat immers bij ontstentenis van anders luidende overgangsregels niet het ogenblik van de aanvraag, maar wel het ogenblik van de beslissing determineert welke regels de beslissende overheid moet toepassen; dat, die regel indachtig, aan het bestuur moeilijk verweten kan worden het bedoelde artikel “zonder meer” te hebben toegepast en er in het bestreden besluit op te hebben gesteund om de aanvraag van verzoekster te verwerpen; Overwegende dat aldus blijkt dat met het aanstippen van deze -het weze herhaald, door verzoekster ten gronde niet bestreden- weigeringsgrond is voldaan aan het vereiste om uitdrukkelijk de met de plaatselijke aanleg of ruimtelijke ordening verband houdende redenen op te geven waarop de beslissing is gesteund, derwijze dat het de aanvrager mogelijk is om met kennis van zaken tegen de bestreden beslissing op te komen; 2.
- Overwegende dat uit wat voorafgaat volgt dat de in het besluit opgenomen overwegingen in verband met de beslissing van het college van burgemeester en schepenen slechts een overtollig weigeringsmotief vormen; dat de kritiek van verzoekster op dit motief derhalve niet tot de nietigverklaring kan leiden; 2.
- Overwegende dat het middel ongegrond is;
- Overwegende dat verzoekster in een tweede middel aanvoert dat precies het ontbreken van overgangsbepalingen in het decreet van 23 juni 1993 onverenigbaar is met het gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel en verzoekt om daarover een prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof; Overwegende dat in het auditoraatsverslag wordt vastgesteld dat het Arbitragehof in het arrest nr. 40/95 van 6 juni 1995 reeds de voorgestelde vraag heeft onderzocht en beantwoord, dat het verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag “eigenlijk nutteloos is”, dat verzoekster, mocht zij “niettemin volharden in haar verzoek”, dit “uitdrukkelijk in haar laatste memorie [dient] te vermelden” en dat er onder dit voorbehoud van uit gegaan mag worden “dat verzoekster aan dit middel verzaakt”; X-9571-5/6 Overwegende dat van enige volharding bij verzoekster geen sprake is; dat verzoekster zelfs geen laatste memorie heeft ingediend; dat zij aldus geacht wordt afstand te hebben gedaan van het tweede middel, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig november 2006, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. J. BOVIN. X-9571-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.111 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.