← België

Arrest 165124 - Tucht (openbaar ambt) - 27/11/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.124 Rolnummer: A. 172994/IX-5314 Zaak: Arrest 165124 - Tucht (openbaar ambt) - 27/11/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-12-15 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-01 10:13 Fiche Arrest nr 165.124 van 27 november 2006 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 165.124 van 27 november 2006 in de zaak A. 172.994/IX-

  1. In zake : Jan VERLOOY, die woonplaats kiest bij advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te BRUSSEL, Keizerslaan 3 tegen :
  2. het Universitair Ziekenhuis Antwerpen (U.Z.A.), dat woonplaats kiest bij advocaat A. COOLSAET, kantoor houdende te ANTWERPEN, Arthur Goemaerelei 69,
  3. de Universiteit Antwerpen (U.A.), die woonplaats kiest bij advocaten C. COEN en J. DERIDDER, kantoor houdende te ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 210 A. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Jan VERLOOY op 15 mei 2006 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 13 maart 2006 van de raad van bestuur van het Universitair Ziekenhuis Antwerpen tot ontheffing van verzoeker uit zijn functie als diensthoofd neurochirur- gie in het Universitair Ziekenhuis Antwerpen; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota’s van de verwerende partijen; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur D. MAREEN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; IX-5314-1/7 Gelet op de beschikking van 2 oktober 2006 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op 6 november 2006, datum waarop de zaak wordt uitgesteld tot de openbare terechtzetting van 13 november 2006; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. HONNAY die, loco advocaten D. LINDEMANS en L. LENAERTS verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat A. COOLSAET, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van advocaat C. COEN, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. MAREEN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  5. Op 1 oktober 1994 wordt verzoeker aangesteld als diensthoofd van de afdeling neurochirurgie bij het Universitair Ziekenhuis Antwerpen (hierna : UZA) en voor 60 % benoemd als lid van het zelfstandig academisch personeel in de faculteit geneeskunde van de Universiteit Antwerpen. 1.
  6. Met het oog op de behandeling van zijn vraag in september 2005 om een wijziging van zijn statuut aan het UZA van 8/10 naar 10/10 wordt een evaluatie uitgevoerd. Op 9 februari 2006 formuleert de evaluatiecommissie een gemotiveerde negatieve evaluatie. 1.
  7. De raad van bestuur van het UZA beslist op 13 maart 2006 verzoeker met onmiddellijke ingang te ontheffen van zijn functie als diensthoofd neurochirurgie. Dit is de bestreden beslissing. IX-5314-2/7 1.
  8. Met ingang van 14 maart 2006 wordt verzoeker aangesteld als adjunct-kliniekhoofd. 1.
  9. Achteraf blijken problemen te zijn gerezen met betrekking tot een aantal goederen toebehorend aan het UZA en die verzoeker had overgebracht naar zijn thuisadres. 1.
  10. Bij brief van 12 mei 2006, die verwijst naar die problemen, wordt verzoekers aanstelling als staflid neurochirurgie onmiddellijk beëindigd.
  11. Over de bevoegdheid van de Raad van State. 2.
  12. Overwegende dat de eerste verwerende partij in haar nota opwerpt dat zij een private instelling zonder winstoogmerk is, dat de bestreden beslissing een handeling is uitgaande van de bestuursorganen van een private rechtspersoon en bijgevolg geen beslissing is die vatbaar is voor een beroep bij de Raad van State; 2.
  13. Overwegende dat, alhoewel die stelling steun zou kunnen vinden in de stukken van het administratief dossier die aangebracht zijn door die verwerende partij, het in dit stadium van de procedure evenwel voorbarig is om, in de beperkte tijd toebedeeld in de fase van een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging, een exceptie die de bevoegdheid van de Raad van State in vraag stelt aan een diepgaand onderzoek te onderwerpen omdat de door de eerste verwerende partij voorgehouden stelling door verzoeker reeds in zijn inleidende verzoekschrift is tegengesproken; dat de bevoegdheidsexceptie in die omstandig-heden slechts moet worden onderzocht indien zou blijken dat aan de beide cumulatieve voorwaarden van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State is voldaan, wat zoals zal blijken in deze niet het geval is;
  14. Over de ontvankelijkheid van de vordering. 3.
  15. Overwegende dat de eerste verwerende partij aanvoert dat de vordering niet ontvankelijk is wegens gebrek aan belang omdat de tewerkstelling van verzoeker bij het UZA met onmiddellijke ingang definitief werd beëindigd op 12 mei 2006, zodat de schorsing en/of de vernietiging van de bestreden beslissing hem geen voordeel meer kan opleveren; dat een schorsing en/of vernietiging van de bestreden beslissing er niet toe kan leiden dat verzoeker opnieuw moet worden tewerkgesteld IX-5314-3/7 bij het UZA; dat er geen enkele rechtsverhouding meer bestaat tussen verzoeker en het UZA zodat wie niet langer verbonden is aan het UZA onmogelijk nog tot diensthoofd kan worden aangesteld; 3.
  16. Overwegende dat verzoeker tegen de beslissing waarbij zijn aanstelling als staflid neurochirurgie met ingang van 12 mei 2006 onmiddellijk wordt beëindigd, zowel een vordering tot schorsing als een annulatieberoep heeft ingesteld bij de Raad van State; dat er weliswaar wel een uitspraak is over de vordering tot schorsing, doch dat dit niet het geval is over het beroep tot vernietiging; dat die beslissing bijgevolg niet definitief is; dat verzoeker bijgevolg zijn belang behouden heeft;
  17. Over de aanduiding van de tweede verwerende partij. 4.
  18. Overwegende dat met betrekking tot de tweede verwerende partij verzoeker in zijn verzoekschrift stelt wat volgt : “Voor het weinig waarschijnlijke geval dat uw Raad zou oordelen dat de rechtsverhouding van de verzoekende partij ten aanzien van het UZA geheel beheerst zou worden door de statutaire rechtsverhouding van de verzoekende partij ten aanzien van de UA - hoewel de bestreden beslissing genomen werd door de raad van bestuur van het UZA, die een van de UA afgescheiden rechtspersoonlijkheid heeft - wordt onderhavige vordering eveneens gericht tegen de UA.”; 4.
  19. Overwegende dat de tweede verwerende partij in haar nota daarop antwoordt dat de raad van bestuur van het UZA de auteur is van de bestreden beslissing; dat met het decreet van 7 mei 2004 houdende wijziging van het decreet van 4 april 2003 houdende bepalingen tot de oprichting van een Universiteit Antwerpen en tot wijziging van het decreet van 22 december 1995 houdende wijziging van diverse decreten met betrekking tot de Universiteit Antwerpen, wat het Universitair Ziekenhuis betreft, een volledige scheiding is doorgevoerd tussen de eerste en tweede verwerende partij wat hun beleidsstructuren, personeelsbeleid en rechtspersoonlijkheid betreft; dat de eerste verwerende partij optreedt als administratieve overheid en de enige bevoegde overheid is wat haar personeelsbeleid betreft; dat verzoeker met de eerste verwerende partij verbonden is middels een statutair dienstverband; dat alle organen die advies- of beslissingsbevoegdheid hadden in het raam van de bestreden beslissing, deel uitmaken van de eerste verwerende partij, met name de evaluatiecommissie, de gedelegeerd bestuurder, de medische raad en de raad van bestuur; dat deze organen rechtens vreemd zijn aan de tweede IX-5314-4/7 verwerende partij, die terzake over geen enkele advies- of beslissingsbevoegdheid beschikt; dat de tweede verwerende partij evenmin enig administratief dossier terzake heeft en dat het feit dat zij louter administratief tussenkomt in het betalingsverkeer ten aanzien van verzoeker, die ook aan de tweede verwerende partij is verbonden met een academische opdracht, hieraan geen afbreuk doet; dat de tweede verwerende partij vraagt om buiten de zaak te worden gesteld; 4.
  20. Overwegende dat voor de aanwijzing van de verwerende partij in het kader van de procesvoering, het vooral van belang is welke rechtspersoon gehouden kan zijn tot de uitvoering van een gebeurlijk vernietigingsarrest en de daaraan verbonden verplichting tot rechtsherstel; dat met de tweede verwerende partij kan worden aangenomen dat de rechtspersoon waarvan de bestreden beslissing uitgaat, de eerste verwerende partij is en ook deze partij desgevallend ertoe kan gehouden zijn rechtsherstel te verlenen zodat op de vraag van de tweede verwerende partij om buiten de zaak te worden gesteld, wordt ingegaan;
  21. Over de gegrondheid van de vordering. Overwegende dat luidens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de akte of het reglement een moeilijk te herstellen en ernstig nadeel kan berokkenen; 5.
  22. Overwegende dat verzoeker met betrekking tot de tweede voorwaarde aanvoert dat de sector van de neurochirurgie een kleine wereld is; dat van de ongeveer honderd neurochirurgen in België er zeven diensthoofd zijn in een universitaire dienst; dat de afzetting als diensthoofd groot nieuws zal zijn in deze kleine gemeenschap; dat verzoekers reputatie als arts en professor - en als professor is er een reëel risico gelet op het statuut van zelfstandig academisch personeel van de UA - dreigt onherstelbaar te worden aangetast; dat de afzetting ten onrechte ernstige fouten doet vermoeden en de verdere loopbaan ernstig in het gedrang brengt; dat ook voor het patiëntenbestand van de privépraktijk van verzoeker dit ernstige gevolgen heeft; dat verzoeker het risico loopt na jaren bij de nietigverklaring niet langer een rechtstreeks belang te hebben; dat verzoeker stagemeester is voor de opleiding IX-5314-5/7 neurochirurgie en dat zijn afzetting leidt tot een onzekere situatie voor assistenten in opleiding; 5.
  23. Overwegende dat de eerste verwerende partij daarop antwoordt dat het gezichtsverlies in de kleine wereld van de neurochirurgie een louter moreel nadeel is en gemakkelijk herstelbaar is door een gebeurlijk vernietigingsarrest, dat een even groot nieuws kan zijn; dat de bestreden beslissing verzoekers verdere tewerkstelling niet hypothekeert, ook al is die om andere redenen beëindigd; dat verzoekers patiëntenrelaties niet beïnvloed worden; dat de duur van de annulatie- procedure evenmin een moeilijk te herstellen ernstig nadeel is; dat de hypotheek die zou worden gelegd op de kansen om nog elders als neurochirurg aan de slag te gaan, louter hypothetisch is net als de eventuele gevolgen voor een aanstelling als lid van het zelfstandig academisch personeel, zeker gelet op de expliciete andersluidende indicaties in de notulen; dat ten slotte het nadeel van de assistenten geen persoonlijk nadeel is; 5.
  24. Overwegende dat op het ogenblik dat verzoeker zijn vordering heeft ingesteld, de maatregel van ontslag sinds een paar dagen aan hem was betekend; dat een moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat had kunnen voortvloeien uit de bestreden beslissing, bijgevolg thans niet meer wordt weggenomen; dat immers een schorsing van de tenuitvoerlegging van een beslissing beoogt te verhinderen dat de rechtsgevolgen door de bestreden beslissing teweeggebracht, zich door de tenuitvoerlegging ervan, bestendigen; dat een schorsing in casu nooit het door verzoeker verhoopte gevolg kan teweegbrengen aangezien verzoeker hoe dan ook niet voorlopig in zijn functie van diensthoofd kan worden hersteld; dat wat het door verzoeker aangevoerde aangaat, met name dat zijn afzetting als diensthoofd groot nieuws zal zijn in deze kleine gemeenschap, dit een moreel nadeel is dat in de regel wordt hersteld door een gebeurlijke vernietiging van de bestreden beslissing; dat wat het in het gedrang komen van verzoekers verdere loopbaan betreft, het gevreesde verlies van reputatie als arts en professor, mede gelet op het statuut van het zelfstandig academisch personeel van de UA en de weerslag op het patienten-bestand van de privé-praktijk van verzoeker deze gevolgen te hypothetisch zijn en derhalve niet in aanmerking kunnen worden genomen; dat ten slotte de omstandigheid dat verzoeker stagemeester is voor de opleiding neurochirurgie en dat zijn afzetting zou leiden tot een onzekere situatie voor assistenten in opleiding, zulks in voorkomend geval een louter door derden geleden nadeel is en derhalve evenmin in aanmerking kan worden genomen, IX-5314-6/7 BESLUIT: Artikel
  25. De Universiteit Antwerpen wordt buiten de zaak gesteld. Artikel
  26. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  27. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig november 2000 en zes, door : de HH. L. HELLIN, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. L. HELLIN. IX-5314-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.124 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.