← België

Arrest 165125 - Tucht (openbaar ambt) - 27/11/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.125 Rolnummer: A. 174784/IX-5367 Zaak: Arrest 165125 - Tucht (openbaar ambt) - 27/11/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-12-13 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-07-01 10:13 Fiche Arrest nr 165.125 van 27 november 2006 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 165.125 van 27 november 2006 in de zaak A. 174.784/IX-

  1. In zake : Jan VERLOOY, die woonplaats kiest bij advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te BRUSSEL, Keizerslaan 3 tegen :
  2. het Universitair Ziekenhuis Antwerpen (UZA),
  3. de Universiteit Antwerpen (UA), die woonplaats kiest bij advocaten C. COEN en J. DERIDDER, kantoor houdende te ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 210 A. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Jan VERLOOY op 11 juli 2006 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 12 mei 2006 van de gedelegeerd bestuurder van het Universitair Ziekenhuis Antwerpen waarbij de aanstelling van verzoeker als staflid van de dienst neurochirur- gie van het Universitair Ziekenhuis Antwerpen met onmiddellijke ingang wordt beëindigd; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota’s van de verwerende partijen; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur D. MAREEN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 2 oktober 2006 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op 6 november 2006, datum waarop de zaak wordt uitgesteld tot de openbare terechtzitting van 13 november 2006; IX-5367-1/11 Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. HONNAY die, loco advocaten D. LINDEMANS en L. LENAERTS verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat H. LANGE, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van advocaat C. COEN, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. MAREEN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  5. Op 1 oktober 1994 wordt verzoeker aangesteld als diensthoofd van de afdeling neurochirurgie bij het Universitair Ziekenhuis Antwerpen (hierna : UZA) en voor 60 % benoemd als lid van het zelfstandig academisch personeel in de faculteit geneeskunde van de Universiteit Antwerpen. 1.
  6. Met het oog op de behandeling van zijn vraag in september 2005 om een wijziging van zijn statuut aan het UZA van 8/10 naar 10/10 wordt een evaluatie uitgevoerd. Op 9 februari 2006 formuleert de evaluatiecommissie een gemotiveerde negatieve evaluatie. 1.
  7. De raad van bestuur van het UZA beslist op 13 maart 2006 verzoeker met onmiddellijke ingang te ontheffen van zijn functie als diensthoofd neurochirurgie. Dit is de bestreden beslissing. 1.
  8. Met ingang van 14 maart 2006 wordt verzoeker aangesteld als adjunct-kliniekhoofd. IX-5367-2/11 1.
  9. Op 9 mei 2006 wordt de gedelegeerd bestuurder van het UZA door de dienst Biotechniek ingelicht dat een reeks aankopen vanaf 2005 door verzoeker verricht met Persoonsgebonden Geneeskunde (hierna: PGG) middelen, niet meer in het ziekenhuis aanwezig zijn. Dit wordt op 10 mei 2006 vastgesteld door een gerechtsdeurwaarder. Verzoeker verklaart “dat hij deze (goederen) heeft ondergebracht in een wachtplaats in afwachting van de toewijzing van een nieuw bureel”. In antwoord op de vraag waar deze wachtplaats zich bevindt antwoordt hij “dat hij deze goederen bij hem thuis heeft gestockeerd”. 1.
  10. Bij brief van 12 mei 2006 stuurt verzoeker aan de gedelegeerd bestuurder van het UZA de volgende brief : “Tijdens de zitting van de medische raad van 10 mei 2006 werd ik bevraagd omtrent een aantal goederen, gekocht met de PGG middelen van het UZA en dus toebehorend aan het UZA. De goederen, waaromtrent u navraag deed, betreffen voornamelijk bureaumeubilair, dat ik te goeder trouw uit mijn bureel, kamer nr. 1307, heb verwijderd omwille van de nakende ontruiming van dit bureel, gezien mijn afzetting als diensthoofd UZA. Ze werden op mijn thuisadres in bewaring gesteld, waar ze te uwer beschikking bleven. Omwille van de vragen en om geen enkel misverstand te laten ontstaan heb ik de goederen waarvan sprake terug in mijn bureau gezet op 11 mei 2006, hetgeen werd vastgesteld door deurwaarder Jespers op 12 mei 2006 en waarvan u exploot wordt overhandigd.(...)” 1.
  11. Uit het proces-verbaal van 12 mei 2006 van de gerechtsdeur- waarder blijkt inderdaad dat een aantal meubelen en goederen werden teruggeplaatst, maar dat nog een hele reeks goederen ontbreken. 1.
  12. Bij een met gerechtsdeurwaarderexploot betekende brief van 12 mei 2006 wordt verzoeker de beëindiging van zijn aanstelling als staflid neurochirurgie betekend, wegens opzettelijke vervreemding van goederen eigendom van het UZA. Die brief luidt als volgt : “Geachte professor, Dinsdagmorgen 9 mei 2006 werd ik per e-mail door de dienst biotechniek van het UZA op de hoogte gebracht van het feit dat verschillende aankopen die u recent - vooral in 2005 - heeft gedaan voor de inrichting van uw bureau als diensthoofd, niet op de dienst neurochirurgie aanwezig waren. Deze goederen werden aangekocht met PGG en zijn, krachtens het PGG- reglement, eigendom van het ziekenhuis. U hebt onder uw handtekening bij de IX-5367-3/11 aankoop ook bevestigd dat de goederen voor beroepsdoeleinden worden gebruikt, aangekocht worden ten laste van de voorzieningen voor kosten eigen aan de werkgever en ten allen tijde eigendom blijven van het UZA. De totale waarde van de ontbrekende goederen bedraagt ongeveer 25.000 Euro. Volgende goederen waren niet aanwezig op de dienst : - Canon copier JR 1270F - Canon pedestal JR 12 XX - 4 x draaistoel CLB zwart, leder zwart met armsteun - 2 x driezitsbank leder - Pupiter /lezenaar - LCD - TV monitor - Hardware software en advies voor internet applicatie - 2 x Constanza tafellamp - 2 x Constanza staande lamp - Miss flo Klaptrap alu/grijs - El casco puntenslijper - Sony LCD projector XGA alu (vpl - cx2O) - Oki kleuren laser singlepass C5250N (printer transparanten) - Nikon p1 black euronics kit (fototoestel 8Mpixel) - Hardware software en advies voor internet applicatie Ik heb deurwaarder J. De Meuter deze verdwijningen laten vaststellen op woensdag 10 mei 2006, in uw en mijn aanwezigheid. U hebt aan de deur- waarder verklaard dat u deze goederen ofwel thuis hebt laten leveren, om daar in uw privé-praktijk ook voor het UZA te kunnen werken, ofwel dat u ze hebt overgebracht naar uw privé-woning om ze daar in depot te houden, aangezien u uw bureau als diensthoofd in het UZA toch zult moeten ontruimen. U hebt dit echter gedaan zonder overleg met de directie van het ziekenhuis, in de wetenschap dat deze goederen eigendom zijn van het ziekenhuis en goed wetende dat deze goederen per definitie niet uit het ziekenhuis mogen worden weggehaald om aangewend te worden voor persoonlijk gebruik, ongeacht dit persoonlijk gebruik privé of beroepsmatig is. U kunt hoe dan ook niet eigenmachtig beslissen deze goederen, waarvan u niet de eigenaar bent, over te brengen naar uw privéwoning. Sommige van deze goederen zijn, blijkens de timing die u gaf, trouwens in uw privéwoning geplaatst maanden voor de start van uw evaluatie als diensthoofd. Afgezien hiervan moeten deze goederen, in de hypothese dat u ze effectief zou hebben aangekocht voor de inrichting van uw kantoor van diensthoofd, in dit kantoor blijven. Het betreft immers het kantoor van het diensthoofd ingericht met goederen aangekocht door en eigendom van het UZA - ongeacht een eventuele wisseling in de persoon die deze functie uitoefent. Deze feiten, m.n. de opzettelijke vervreemding van goederen eigendom van het ziekenhuis, zijn een zeer ernstige tekortkoming, die het verderzetten van onze samenwerking definitief en onmiddellijk onmogelijk maken. Het noodzakelijke vertrouwen in u is definitief verloren. Alleszins behoud ik mij het recht voor een strafrechtelijke klacht neer te leggen. Op basis van de feiten aangehaald in deze brief wordt uw aanstelling als staflid neurochirurgie in het UZA met onmiddellijke ingang beëindigd. Een afschrift van het proces-verbaal van vaststelling dd. 11 mei 2006 van gerechtsdeurwaarder Jan de Meuter wordt bij deze brief gevoegd, om er één geheel mee uit te maken. Uit uw brief van heden, die u mij vandaag liet betekenen, blijkt eens te meer uw kwade trouw.” Dit is de bestreden beslissing; IX-5367-4/11
  13. Over de bevoegdheid van de Raad van State. 2.
  14. Overwegende dat de eerste verwerende partij in haar nota opwerpt dat zij een private instelling zonder winstoogmerk is, dat de bestreden beslissing een handeling is uitgaande van de bestuursorganen van een private rechtspersoon en bijgevolg geen beslissing is die vatbaar is voor een beroep bij de Raad van State; 2.
  15. Overwegende dat, alhoewel die stelling steun zou kunnen vinden in de stukken van het administratief dossier die aangebracht zijn door die verwerende partij, het in dit stadium van de procedure evenwel voorbarig is om, in de beperkte tijd toebedeeld in de fase van een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging, een exceptie die de bevoegdheid van de Raad van State in vraag stelt aan een diepgaand onderzoek te onderwerpen omdat de door de eerste verwerende partij voorgehouden stelling door verzoeker reeds in zijn inleidend verzoekschrift is tegengesproken; dat de bevoegdheidsexceptie in die omstandig-heden slechts moet worden onderzocht indien zou blijken dat aan de beide cumulatieve voorwaarden van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State is voldaan, wat zoals zal blijken in deze niet het geval is;
  16. Over de aanduiding van de tweede verwerende partij. 3.
  17. Overwegende dat met betrekking tot de tweede verwerende partij verzoeker in zijn verzoekschrift stelt wat volgt : “Voor het weinig waarschijnlijke geval dat uw Raad zou oordelen dat de rechtsverhouding van de verzoekende partij ten aanzien van het UZA geheel beheerst zou worden door de statutaire rechtsverhouding van de verzoekende partij ten aanzien van de UA — hoewel de bestreden beslissing genomen werd door de raad van bestuur van het UZA, die een van de UA afgescheiden rechtspersoonlijkheid heeft — wordt onderhavige vordering eveneens gericht tegen de UA.”; 3.
  18. Overwegende dat de tweede verwerende partij in haar nota daarop antwoordt dat de gedelegeerd bestuurder van het UZA de auteur is van de bestreden beslissing; dat met het decreet van 7 mei 2004 houdende wijziging van het decreet van 4 april 2003 houdende bepalingen tot de oprichting van een Universiteit Antwerpen en tot wijziging van het decreet van 22 december 1995 houdende wijziging van diverse decreten met betrekking tot de Universiteit Antwerpen, wat het Universitair Ziekenhuis betreft, een volledige scheiding is doorgevoerd tussen eerste en tweede verwerende partij wat hun beleidsstructuren, personeelsbeleid en IX-5367-5/11 rechtspersoonlijkheid betreft; dat de eerste verwerende partij de enige bevoegde overheid is wat haar personeelsbeleid betreft; dat verzoeker met de eerste verwerende partij verbonden is middels een statutair dienstverband; dat alle organen die advies- of beslissingsbevoegdheid hadden in het raam van de bestreden beslissing, deel uitmaken van de eerste verwerende partij, met name de gedelegeerd bestuurder en de medische raad; dat deze organen rechtens vreemd zijn aan tweede verwerende partij, die terzake over geen enkele advies- of beslissingsbevoegdheid beschikt; dat de tweede verwerende partij evenmin enig administratief dossier terzake heeft en dat het feit dat zij louter administratief tussenkomt in het betalingsverkeer ten aanzien van verzoeker, die ook aan tweede verwerende partij is verbonden met een academische opdracht, hieraan geen afbreuk doet; dat de tweede verwerende partij vraagt om buiten de zaak te worden gesteld; 3.
  19. Overwegende dat voor de aanwijzing van de verwerende partij in het kader van de procesvoering, het vooral van belang is welke rechtspersoon gehouden kan zijn tot de uitvoering van een gebeurlijk vernietigingsarrest en de daaraan verbonden verplichting tot rechtsherstel; dat met de tweede verwerende partij kan worden aangenomen dat de rechtspersoon waarvan de bestreden beslissing uitgaat, de eerste verwerende partij is en ook deze partij desgevallend ertoe kan gehouden zijn rechtsherstel te verlenen zodat op de vraag van de tweede verwerende partij om buiten de zaak te worden gesteld, wordt ingegaan;
  20. Over de gegrondheid van de vordering. Overwegende dat luidens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de akte of het reglement een moeilijk te herstellen en ernstig nadeel kan berokkenen; 4.1.
  21. Overwegende dat verzoeker met betrekking tot de eerste voorwaarde in een eerste middel de schending aanvoert van de artikelen 2 en 4 van het PGG-reglement en van het beginsel “patere legem quam ipse fecisti” omdat het reglement specifieke sancties voorschrijft bij fraude of oneigenlijk gebruik van de PGG-middelen; dat artikel 2.
  22. van het PGG-reglement onder meer bepaalt dat de IX-5367-6/11 mandaathouders zich het recht voorbehouden “ingeval (poging tot) fraude of een oneigenlijk gebruik van de middelen wordt vastgesteld : - (sanctie 1) : een einde te maken aan het voorrecht van een individueel budget van een arts (...) - (sanctie 2) : het individueel budget van een arts systematisch vrij ter beschikking te stellen (...) in dit laatste geval zal de arts geen enkel beroep meer kunnen doen op de kosten eigen aan de werkgever” en dat “de beide sancties worden genomen in overleg met de voorzitter van de PGG commissie van de Medische Raad en de betrokken arts en zijn diensthoofd hiervan schriftelijk op de hoogte (zullen) worden gebracht”, terwijl de verwerende partij deze bepaling naast zich heeft neergelegd; 4.1.
  23. Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat de omschrijving van de feiten en de daaraan verbonden sancties in een reglement als zodanig niet bindend zijn, noch in de ene noch in de andere zin; dat wanneer een arts het principe van goed beheer doorbreekt als sanctie erin is voorzien dat hij niet meer kan participeren en dat dit niet wegneemt dat wanneer de feiten gepleegd worden door het diensthoofd, zwaardere sancties kunnen worden toegepast als het vertrouwen in de arts grondig is verstoord; 4.1.
  24. Overwegende dat met de verwerende partij wordt aangenomen dat het niet is omdat, zoals het reglement voorschrijft, de mandaathouders “zich het recht voorbehouden”, sancties te nemen, dat zij alleen vermogen de in het reglement voorkomende sancties te nemen; dat zij aldus het recht hebben die sancties op te leggen, doch dat het reglement niet zo is geformuleerd dat zij verplicht zijn zich aan die sancties te houden; dat blijkens de bestreden beslissing de goederen werden aangekocht met PGG middelen en gedeeltelijk door verzoeker oneigenlijk gebruikt zijn en sommmige ervan zelfs ontvreemd; dat zulks een afwending is van het doel van de PGG-regeling; dat uit de bestreden beslissing ook blijkt dat verzoeker aanvankelijk de ‘wachtplaats’ van de goederen heeft willen verzwijgen, terwijl hij sommige ervan reeds maandenlang, dit is veel eerder dan de ontheffing van zijn functie als diensthoofd, in zijn eigen woning had geborgen of rechtstreeks naar zijn woning had laten leveren; dat dergelijk gedrag niet meer valt onder “(poging tot) fraude of een oneigenlijk gebruik”, doch veeleer moet worden gekwalificeerd als verduistering van goederen, die hem zijn overhandigd om ze voor een bepaald doel te gebruiken of aan te wenden; dat de verwerende partij uit de door haar gedane vaststellingen dan ook terecht vermocht af te leiden dat de feiten van die aard waren dat een verdere IX-5367-7/11 samenwerking definitief en onmiddellijk onmogelijk was geworden; dat het middel niet ernstig is; 4.2.
  25. Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending aanvoert van artikel 2 van het huishoudelijk reglement met betrekking tot de besteding van de PGG-middelen waarover het UZA beschikt, (hierna: het PGG- reglement), van de wet van 29 juli 1999 betreffende uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van het redelijkheids- en proportionaliteitsbeginsel doordat hij uit zijn ambt werd ontzet voor het vermeend onrechtmatig gebruik van de PGG- middelen terwijl hij die wel rechtmatig heeft aangewend en, indien dit niet het geval zou zijn, de sanctie kennelijk onredelijk en disproportioneel is; dat hij uiteenzet dat geen enkele bepaling van het PGG-reglement zich ertegen verzet dat de goederen die aangekocht worden met PGG-middelen ten laste van de “kosten eigen aan de werkgever”, ook buiten het ziekenhuis beroepsmatig zouden kunnen worden gebruikt, zolang deze goederen ingezet worden ten bate van het UZA; dat hij hierbij uiteenzet dat het PGG-reglement niet verduidelijkt welke kosten vallen onder “kosten eigen aan de werkgever”; dat het slechts specifieert dat het dient te gaan om kosten die worden gemaakt in “UZA-dienstverband”; dat de motivering dat “deze goederen per definitie niet uit het ziekenhuis mogen worden weggehaald” en niet mogen worden aangewend “zonder voorafgaand overleg met de directie van het ziekenhuis”, geen steun vindt in het reglement; dat de motivering van de bestreden beslissing ook onvoldoende draagkrachtig is omdat er in wordt gerefereerd naar het feit dat “het verder zetten van de samenwerking definitief en onmiddellijk onmoge- lijk” is gemaakt terwijl verzoeker herhaaldelijk werd voorgesteld om een dading aan te gaan zodat hij nog verscheidene maanden in het UZA aan de slag zou kunnen blijven; dat zelfs indien het reglement correct is toegepast, de sanctie onredelijk is; dat de verwerende partij uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven voor de aankoop van de goederen ten laste van de “kosten eigen aan de werkgever” en dat voor bepaalde goederen het thuisadres van verzoeker uitdrukkelijk vermeld werd als leveringsadres, zodat het kennelijk onredelijk is dat verzoeker thans van diefstal beschuldigd wordt; dat de afzetting dan ook disproportioneel is in verhouding tot de feiten; dat het niet gaat om een opzettelijke vervreemding, doch wel om een interpretatie van verzoeker van het PGG-reglement die overeenstemt met “een vast gebruik bij nagenoeg alle artsen in het UZA”; dat zij “de kosten eigen aan de werkgever” gedeeltelijk ook buiten het ziekenhuis aanwenden, naar mag worden aangenomen “zonder voorafgaand overleg met het ziekenhuis”; dat de indruk wordt gewekt dat de bestreden beslissing teruggaat op verzoekers “sinds vele jaren slechte IX-5367-8/11 verstandhouding - om redenen die hier niet ter zake doen - met de gedelegeerd bestuurder, en dat er sprake zou zijn van machtsafwending”; 4.2.
  26. Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat de stelling van verzoeker, dat niets hem zou verbieden goederen uit het ziekenhuis weg te halen, strijdt met de reglementaire verplichting tot inventarisering terwijl men bezwaarlijk kan spreken van een “beroepsmatig gebruik” wanneer het onder meer gaat om twee driezitsbanken in leder, vier armstoelen, twee staande lampen, twee tafellampen, een fototoestel, domotica voor bewakingscamera*s en er “ook voor de andere voorwerpen minstens dubbelzinnigheid is wat het beweerde gebruik betreft”; dat het verder onjuist is dat de gedelegeerd bestuurder verzoeker zou hebben aangeboden nog maanden in het ziekenhuis aan de slag te blijven; dat het enige voorstel tot dading er in bestond dat de gedelegeerd bestuurder bereid was, om verzoeker “te sparen”, niet de bestreden sanctie te nemen indien verzoeker bereid was onmiddellijk vrijwillig te vertrekken; dat wat het onredelijk karakter betreft, verwerende partij heeft geoordeeld, gezien de omvang en de waarde van de goederen waarvan gepoogd werd ze te ontvreemden, gezien de hoedanigheid van verzoeker als diensthoofd, die ook een voorbeeldfunctie heeft, dat de sanctie niet onredelijk of disproportioneel was; 4.2.
  27. Overwegende dat de verwerende partij een aantal goederen aanduidt die door verzoeker grotendeels privé werden aangewend; dat de normale bestemming van die goederen het bureau van het diensthoofd is; dat de motivering dat “deze goederen per definitie niet uit het ziekenhuis mogen worden weggehaald” en niet mogen worden aangewend “zonder voorafgaand overleg met de directie van het ziekenhuis”, op zich reeds steun vindt in de aard ervan; dat verzoeker over die goederen in zijn brief van 12 mei 2006 als uitleg geeft : “De goederen, waaromtrent u navraag deed, betreffen voornamelijk bureaumeubilair, dat ik te goeder trouw uit mijn bureel, kamer nr. 1307, heb verwijderd omwille van de nakende ontruiming van dit bureel, gezien mijn afzetting als diensthoofd UZA”; dat die uitleg evenwel voor sommige goederen wordt tegengesproken door de verklaringen van verzoeker aan de gerechtsdeurwaarder op 9 mei 2006; dat verzoekers uitleg met betrekking tot de voorgestelde dading evenzeer niet overeenkomt met wat in het proces-verbaal van 9 mei 2006 door de gerechtsdeurwaarder is geacteerd en waaruit blijkt dat enkel aan verzoeker werd voorgesteld om zelf ontslag te nemen, niet om hem nog een tijd in het UZA te laten fungeren; dat verzoekers argument dat de verwerende partij toestemming heeft gegeven voor de aankoop van de goederen ten laste van de IX-5367-9/11 “kosten eigen aan de werkgever” en voor bepaalde goederen het thuisadres van verzoekende partij werd vermeld als leveringsadres zodat het kennelijk onredelijk zou zijn hem thans van diefstal te beschuldigen, evenmin opgaat omdat uit de wijze waarop de aanvraag gedaan wordt tot het ten laste nemen van uitgaven voor de aankoop van bepaalde goederen, er wordt uitgegaan van een vermoeden van rechtmatige aanwending en dat, zoals de verwerende partij terecht stelt, zulks zeker van een diensthoofd mag verwacht worden; dat bovendien de tijdsduur van het “ter beschikking houden” van de goederen en de wijze waarop verzoeker ze heeft aangewend, omstandigheden zijn die niet ten tijde van de aanvraag kunnen worden vastgesteld en waarvoor bijgevolg bezwaarlijk een toestemming kan bestaan; dat verzoeker het ten slotte houdt bij een loutere bewering dat er een vast gebruik is bij nagenoeg alle artsen in het UZA en dat er sprake zou zijn van machtsafwending; dat de Raad van State bijgevolg ook geen disproportie onderkent tussen de gedane vaststellingen en de bestreden beslissing; dat het middel bijgevolg niet ernstig is;
  28. Overwegende dat uit wat voorafgaat blijkt dat aan een van de voorwaarden van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet is voldaan, dat die vaststelling volstaat om verzoeksters vordering af te wijzen, BESLUIT: Artikel
  29. De Universiteit Antwerpen wordt buiten de zaak gesteld. Artikel
  30. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  31. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. IX-5367-10/11 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig november 2000 en zes, door : de HH. L. HELLIN, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. L. HELLIN. IX-5367-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.125 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.