← België

Arrest 165130 - - 27/11/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.130 Rolnummer: A. 171823/XII-5130 Zaak: Arrest 165130 - - 27/11/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-12-14 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-01 10:15 Fiche Arrest nr 165.130 van 27 november 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 165.130 van 27 november 2006 in de zaak A. 171.823/IX-

  1. In zake : Gonda COCK, die woonplaats kiest bij advocaat D. MATTHYS, kantoor houdende te GENT, Sint-Annaplein 34 tegen : de Universiteit GENT, die woonplaats kiest bij advocaat P. DEVERS, kantoor houdende te GENT, Kouter 71-
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Gonda COCK op 18 mei 2006 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van : “
  3. de beslissing waarbij het mandaat van verzoekster als directeur van de directie Financiën aan de Universiteit Gent niet wordt hernieuwd;
  4. de beslissing waarbij de procedure voor de aanduiding van een directeur Financiën wordt opgestart;
  5. de beslissing waarbij akkoord wordt gegaan om een waarnemend directeur Financiën aan te stellen;
  6. de beslissing waarbij de heer Geert Van de Gucht wordt aangesteld als waarnemend directeur van de directie Financiën”. Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. VAN DER GUCHT; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; IX-5295-1/14 Gelet op de beschikking van 26 oktober 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 20 november 2006; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat D. MATTHYS, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat H. VERMEIRE die, loco advocaat P. DEVERS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. VAN DER GUCHT; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  7. De gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  8. Bij besluit van 26 oktober 2001 van het bestuurscollege van de Universiteit Gent wordt verzoekster, sinds 1 oktober 1999 vast benoemd ATP - personeelslid in graad 11, voor de periode van 1 november 2001 tot en met 31 december 2005 aangewezen voor het mandaat van directeur bij de directie Financiën. 1.
  9. Tussen verzoekster en de rector van de Universiteit Gent wordt op 25 februari 2002 een eerste managementovereenkomst gesloten en dit voor de periode gaande tot 31 december
  10. Aan die overeenkomst wordt respectievelijk op 7 maart 2003, 12 november 2003, 24 maart 2004 en 30 juni 2005 een bijvoegsel toegevoegd. 1.
  11. Verzoekster wordt door de rector, de vice-rector en de twee beheerders tussentijds positief geëvalueerd voor de periode van 1 november 2001 tot 31 december 2002 en 1 januari 2003 tot 31 december
  12. IX-5295-2/14 1.
  13. Op 14 december 2004 vindt er tussen verzoekster en de logistiek beheerder een functioneringsgesprek plaats. 1.
  14. Voor het kalenderjaar 2004 wordt verzoekster op 17 mei 2005 opnieuw positief geëvalueerd. 1.
  15. Op 20 december 2005 wordt tussen verzoekster en de rector voor de periode van 1 januari 2006 tot 31 maart 2006 een nieuwe management- overeenkomst gesloten. In die overeenkomst wordt in artikel 3 gestipuleerd dat aan het eind van die periode een formele evaluatie door de rector, de vice-rector en de twee beheerders volgt en dat “(...) deze evaluatie wordt uitgedrukt in een positieve of negatieve beoordeling die aan de Directeur zal worden betekend. De onder artikel 3 bedoelde prestatie-indicatoren zullen de basis vormen voor deze evaluatie. Bij een positieve beoordeling wordt de aanstelling als Directeur gecontinueerd en wordt een premie toegekend waarvan het bedrag 10 % bedraagt van het salaris dat verbonden is aan de graad die de Directeur tijdelijk bekleedt. Onverminderd het bepaalde in artikel 13 van het besluit van 31 mei 2001 tot instelling van mandaatfuncties bij de Universiteit Gent zal bij een negatieve beoordeling op het einde van een werkingsjaar aan het Bestuurscollege worden voorgesteld de aanstelling als Directeur te beëindigen en betrokkene terug in zijn graad te plaatsen en met een nieuwe opdracht te belasten, tenzij er aanwijzingen zijn dat de disfuncties op korte termijn kunnen worden bijgestuurd, hetgeen in de evaluatie door de Rector, de Vice-rector en de Beheerders dient te zijn opgenomen”. 1.
  16. Voor het kalenderjaar 2005 wordt verzoekster “rekening houdend met de verwezenlijkingen op het vlak van de algemene en specifieke doelstellingen en het in balans brengen van positieve en negatieve punten” op 17 maart 2006 andermaal positief geëvalueerd. 1.
  17. De rector, de vice-rector en de beheerders stellen voor om verzoekster niet te hernieuwen op grond van de volgend overwegingen : “De prestaties van mevrouw Gonda Cock gedurende haar mandaat als directeur van de directie Financiën werden globaal gunstig geëvalueerd. Maar, gelet op de duidelijk toenemende negatieve evolutie in haar communicatief optreden en haar sociale vaardigheden over de hele periode van haar mandaat IX-5295-3/14 als directeur, stellen de rector, de vice-rector en de beheerders voor om het mandaat van mevrouw Gonda Cock niet te hernieuwen en dit op grond van volgende concrete overwegingen : - in de evaluatie voor de periode 1 november 2001 tot 31december 2002 staat dat mevrouw Cock aan haar communicatiestijl met de gebruikers en de collega*s nog wat zou kunnen werken, dat ze soms impulsief overkomt en hierdoor de dialoog en samenwerking met collega*s bemoeilijkt; - in de evaluatie voor de periode 1 januari 2003 tot 31 december 2003 wordt vermeld dat zij in de contacten met de gebruikers steeds zou moeten beseffen dat de hoofdopdracht van die gebruikers op het vlak van onderwijs en onderzoek ligt; - in de evaluatie voor de periode 1 januari 2004 tot 31december 2004 wordt opnieuw gesuggereerd dat de communicatie van mevrouw Cock een blijvend probleem stelt door aan te geven dat de communicatie met de professoren en de andere directies soms met wisselend succes verloopt; - in de evaluatie voor de periode 1 januari 2005 tot 31 december 2005 wordt meegedeeld dat de communicatie met het academisch personeel nog steeds met wisselend succes verloopt; dat de collega*s directeurs en medewerkers uit andere directies en bepaalde ZAP-leden soms hard aangepakt worden; dat in sommige gevallen de directeur de dossiers naar zich toe trekt en ze de houders van deze dossiers op een andere manier behandelt dan wat in de directie gebruikelijk is: dat sommige ZAP-leden niet de minste dienstver- lening bekomen en dat ze geen antwoord krijgen wanneer ze om informatie vragen om de dossiers in orde te brengen; dat ze soms willekeurig optreedt ten aanzien van budgethouders, haar collega*s en van medewerkers uit andere directies en dat er gevallen bekend zijn in zes directies van vernederende of culpabiliserende uitlatingen ten aanzien van medewerkers uit andere directies dan DFIN; - niettegenstaande mevrouw Cock meerdere malen opmerkzaam werd gemaakt op deze steeds terugkerende aandachtspunten, zowel in de evaluaties als in verschillende gesprekken met haar hiërarchische oversten, kon geen positieve evolutie vastgesteld worden. Op basis van al deze overwegingen wordt aan het bestuurscollege gevraagd het besluit te treffen waarbij het mandaat van mevrouw G. Cock als directeur Financiën, niet hernieuwd wordt. Mevrouw Cock werd, conform artikel 15 van het Besluit van de Universiteit Gent van 31 mei 2001 houdende instelling van mandaatfuncties bij de Universi- teit Gent, op 17 maart 2006 door de rector gehoord. In geval het Bestuurscollege beslist het mandaat van mevrouw G. Cock niet te hernieuwen zal, conform artikel 14 van het Besluit van de Universiteit Gent van 31 mei 2001 houdende instelling van mandaatfuncties bij de Universiteit Gent, mevrouw Cock met een nieuwe opdracht belast worden. Verder dient een nieuwe procedure opgestart te worden voor de aanduiding van een nieuwe directeur. Ondertussen kan, volgens artikel 9 van het besluit van de Universiteit Gent van 31 mei 2001 houdende instelling van mandaatfuncties bij de Universiteit Gent, een waarnemend directeur aangesteld worden.” 1.
  18. Op 27 maart 2006 beslist het bestuurscollege om aan verzoekster, gelet op de positieve evaluatie van 17 maart 2006 de reglementaire premie toe te kennen, om haar mandaat als directeur van de directie Financiën niet te hernieuwen en om de procedure voor de aanduiding van een directeur Financiën op te starten en IX-5295-4/14 Geert Van de Gucht als waarnemend directeur van de directie Financiën aan te stellen.
  19. De gegrondheid van de vordering. Overwegende dat luidens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de akte of het reglement een moeilijk te herstellen en ernstig nadeel kan berokkenen; 2.1.
  20. Overwegende dat verzoekster in een eerste middel de schending aanvoert van artikel 3 van de managementovereenkomst van 20 december 2005 en van het beginsel ‘patere legem quam ipse fecisti*; dat zij hierbij uiteenzet dat zij luidens artikel 3 van de managementovereenkomst van 20 december 2005 als directeur is aangesteld voor een periode tot 31 maart 2006, en dat op het einde van deze periode een formele evaluatie zal volgen door de rector, de vice-rector en de beheerders; dat die evaluatie zal worden uitgedrukt in een positieve of negatieve beoordeling die aan die directeur zal worden betekend, en dat de prestatie- indicatoren de basis zullen vormen voor deze evaluatie; dat bij “een positieve beoordeling (...) de aanstelling als directeur gecontinueerd (wordt) en (...) een premie (wordt) toegekend waarvan het bedrag 10 % bedraagt van het salaris dat verbonden is aan de graad die de directeur tijdelijk bekleedt”; dat de evaluatie plaatsvond op 17 maart 2006 en positief was; dat zij geschiedde op basis van het activiteitenverslag 2005 en werd uitgevoerd met in achtname van de in artikel 2 van de management- overeenkomst bedoelde prestatie - indicatoren die stuk voor stuk werden beoordeeld door de rector, de vice-rector en de beide beheerders; dat gelet op de positieve beoordeling, in uitvoering van artikel 3 de aanstelling van verzoekster als directeur gecontinueerd diende te worden; dat alle andere directeurs zonder uitzondering werden herbevestigd in hun mandaat op grond van de positieve evaluaties die werden uitgebracht; dat de verwerende partij daarover in de procedure tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid heeft aangevoerd dat het in feite te maken heeft met een “(tekstverwerkings)abuis”, dat “erin bestaat dat in de overeenkomst van 20 december 2005 het tweede deel van het tweede lid van het artikel 3 van de oorspronkelijke managementovereenkomst van 25 februari 2002 quasi ongewijzigd werd overgenomen (minstens onvoldoende aangepast aan de gewijzigde situatie)”; IX-5295-5/14 dat volgens de verwerende partij de door verzoekster in haar middel bedoelde paragraaf enkel de bedoeling heeft om een evaluatie mogelijk te maken over de reglementaire verlenging van het mandaat met drie maanden, namelijk de maanden januari, februari en maart 2006, die “de enige maanden (zijn) waarop deze tweede managementovereenkomst betrekking heeft”, zodat ook over die periode, bij positieve beoordeling, aan de mandaathouders een premie kan worden toegekend; dat verzoekster van oordeel is dat dit argument helemaal niet overtuigt omdat in tegenstelling tot wat door verwerende partij wordt beweerd, de gunstige evaluatie het doorslaggevend motief vormde om alle andere directeurs wel in hun mandaat te hernieuwen; dat het voorstel aan het bestuurscollege onder agendapunt 1.
  21. immers als volgt luidt : “Op 31 maart 2006 lopen de huidige mandaten af. Op grond van de positieve eindevaluaties die werden uitgebracht, gelieve het bestuurscollege de besluiten te treffen waarbij volgende directeurs opnieuw worden aangesteld voor de periode van (...)”; dat de verwerende partij, steeds volgens verzoekster, aldus bezwaarlijk kan loochenen dat de evaluaties door haar als determinerend werden aanzien en opgevat, behalve voor verzoekster; dat ondanks de bewering van de verwerende partij dat de managementovereenkomst geen bedingen kan bevatten die een automatische vernieuwing van het mandaat voor gevolg hebben, de overeenkomst van 20 december 2005 nochtans een clausule bevat die “continuering” garandeert bij positieve evaluatie; dat het niet zo vanzelfsprekend is dat die clausule strijdig is met het toepasselijke reglement: de bedoelde clausule waarborgt immers “geen automatische continuering”, “maar wel een voorwaardelijke” en dat die voorwaarde te maken heeft met een evaluatie door rector, vice-rector en de beheerders; dat dit dan weer aansluit bij wat de verwerende partij zelf betoogt, met name dat de hernieuwing van het mandaat voornamelijk een zaak is van goede samenwerking met de nieuwe rector en vice-rector; dat indien de verwerende partij meent dat de ganse problematiek van het eerste middel te maken heeft met een “zetfout”, het “dan toch maar al te onbillijk (zou) zijn indien deze ‘zetfout’ ten aanzien van verzoekster een rechtzetting behoeft, maar kennelijk niet ten aanzien van alle andere directeurs, die hun hernieuwing gemotiveerd zien op het motief van een gunstige evaluatie”; 2.1.
  22. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota antwoordt dat de managementovereenkomst van 20 december 2005 tot stand is gekomen na wijziging door het bestuurscollege op 15 december 2005 van het toepasselijke reglement; dat bij die wijziging in het tweede lid van het artikel 3 van deze managementovereenkomst de “zetduivel” aan het werk is geweest door de onterechte IX-5295-6/14 ongewijzigde overname van de tekst uit hetzelfde lid en artikel van de managementovereenkomst van 25 februari 2002; dat het bijgevolg “een loutere reglementaire verlenging van de lopende mandaten van de directeurs na 31 december 2005 (betrof)”; dat dit luidens artikel 16 van het reglement de initiële datum is van het einde van de eerste mandaatperiode; dit het evident is dat de foutieve bepaling met betrekking tot de “continuering” van het mandaat na positieve tussentijdse jaarevaluatie, helemaal geen uitstaans heeft met de al dan niet hernieuwing van het mandaat op het einde van de -in principe - vierjarige periode; dat de door de verzoekster bedoelde paragraaf in die context, de enkele bedoeling heeft een evaluatie mogelijk te maken over de reglementaire verlenging van het mandaat met drie maanden, namelijk de maanden januari, februari en maart 2006, die de enige maanden zijn waarop deze tweede managementovereenkomst betrekking heeft, zodat ook over die periode, in het geval van positieve beoordeling, aan de mandaathouders een premie kan worden toegekend; dat het ook evident is dat niet de beperkte evaluatie van drie maanden, in het geval van positieve beoordeling, ipso facto de hernieuwing van het mandaat voor de volgende mandaatperiode van vier jaar met zich zou meebrengen; dat, steeds volgens de verwerende partij, overigens kan worden opgemerkt dat de evaluatie van de verzoekster en de andere mandaathouders over het eerste trimester van 2006 “op heden niet eens voorligt, zodat ze daaruit ook geen rechten (te weten van automatische hernieuwing van haar mandaat) vermag te putten”; dat de lezing door de verwerende partij van de bedoelde en door de verzoekster geciteerde paragraaf ook de juiste is, uit de omstandigheid blijkt dat niet de rector, die de ondertekenaar is van de managementovereenkomsten, al dan niet bijgestaan door de vice-rector en de beheerders, de mandaathouders aanstelt, doch dat alleen het bestuurscollege daartoe bevoegd is krachtens het toepasselijke reglement en bij toepassing van het bijzonder decreet van 26 juni 1991; dat zulks ook geldt voor de al dan niet hernieuwing voor een volgende vierjarige mandaatperiode; dat zulks in de stelling van verzoekster precies wel het geval zou zijn, aangezien rector, vice-rector en beheerders samen evalueren en dat die stelling zou meebrengen dat een positieve evaluatie ipso facto de vierjarige hernieuwing van het mandaat zou meebrengen, zonder mogelijke andere beslissing van het bestuurscollege; dat in een managementovereenkomst, reglementair en van de kant van de verwerende partij te ondertekenen door de rector alleen, natuurlijk niet kan worden afgeweken van het toepasselijke reglement dat door het bestuurscollege is vastgesteld, terwijl het aan het bestuurscollege toekomt te beslissen over de al dan niet hernieuwing van het mandaat en terwijl de managementovereenkomst, reglementair, het contract is waarin de verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de directeur zijn vastgelegd en op grond van welke criteria het functioneren van de IX-5295-7/14 directeur, mandaathouder, zal worden beoordeeld; dat in een managementovereenkomst bijgevolg geen bedingen kunnen voorkomen die de automatische hernieuwing van het vierjarige mandaat, zelfs bij positieve eindevaluatie, zouden teweegbrengen op gevaar af het toepasselijke reglement te schenden; dat overigens niets er op wijst dat dit bij de aanpassing van het reglement door het bestuurscollege van 15 december 2005 wat de overgangsbepaling betreft, ook maar de bedoeling was gelet op de toegevoegde tekst van artikel 16, vierde lid, waarin de verbinding van gunstige eindevaluatie voor de op 31 december 2005 afgelopen periode alleen bestaat voor de toekenning van de premie; dat indien andere mandaathouders, op grond van positieve evaluaties gedurende de initiële mandaatperiode, dit is tot 31 december 2005, wel werden hernieuwd, het hun verdienste is en met het middel, dat het over de nog niet bestaande evaluatie over het eerste trimester van 2006 heeft, “niets van doen” heeft; dat verzoekster ten slotte verwarring zaait aangaande de tekst van het voorstel van beslissing aan het bestuurscollege; dat immers in de voorstellen van beslissing tot toekenning van de premie zonder onderscheid tussen de mandaathouders directeurs, op grond van de uitgebrachte positieve evaluaties over het jaar 2005, voorgesteld wordt de premie aan alle betrokkenen toe te kennen en in de voorstellen van beslissing tot hernieuwing van de mandaten zelf het onderscheid wordt gemaakt tussen de zes mandaathouders wier mandaat wordt verlengd op grond van hun positieve eindevaluaties en verzoekster, waarvan gezegd wordt dat haar prestaties “globaal gunstig geëvalueerd” werden, doch gemotiveerd wordt waarom, desondanks, geen hernieuwing tussenkomt; dat uit die teksten helemaal niets af te leiden valt ter ondersteuning van het middel of ter weerlegging van het gevoerde verweer; 2.1.
  23. Overwegende dat de beslissing van 27 maart 2006 van het bestuurscollege met betrekking tot verzoekster als volgt luidt : “Overwegende dat de leden van het Bestuurscollege kennis hebben genomen van de verschillende evaluatieverslagen van Mevrouw G. Cock, de kans hebben gekregen om alle documenten in te kijken en de verwijzingen over de communicatieproblemen in hun context hebben kunnen plaatsen en beoordelen, dat op alle elementen ter zitting verheldering werd gegeven, dat de leden van het Bestuurscollege zich in eer en geweten voldoende geïnformeerd achten over de verschillende aspecten van het functioneren van mevr. G. Cock, waaronder het aspect communicatie en interactie met het afnemend en hiërarchische veld”; dat artikel 3 van de managementovereenkomst gesloten op 20 december 2005 als volgt luidt : IX-5295-8/14 “De directeur is aangesteld voor een periode tot 31.03.
  24. Op het einde van deze periode volgt een formele evaluatie door de rector en de vice-rector en de beheerders. De directeur stelt daartoe een activiteitenverslag op dat de basis zal vormen voor deze beoordeling door de rector en de vice- rector en de beheerders. Deze evaluatie wordt uitgedrukt in een positieve of negatieve beoordeling die aan de Directeur zal worden betekend. De onder artikel 3 bedoelde prestatie-indicatoren zullen de basis vormen voor deze evaluatie. Bij een positieve beoordeling wordt de aanstelling als Directeur gecontinueerd en wordt een premie toegekend waarvan het bedrag 10 % bedraagt van het salaris dat verbonden is aan de graad die de Directeur tijdelijk bekleedt. Onverminderd het bepaalde in artikel 13 van het besluit van 31 mei 2001 tot instelling van mandaatfuncties bij de Universiteit Gent zal bij een negatieve beoordeling op het einde van een werkingsjaar aan het Bestuurscollege worden voorgesteld de aanstelling als Directeur te beëindigen en betrokkene terug in zijn graad te plaatsen en met een nieuwe opdracht te belasten, tenzij er aanwijzingen zijn dat de disfuncties op korte termijn kunnen worden bijgestuurd, hetgeen in de evaluatie door de Rector, de Vice-rector en de Beheerders dient te zijn opgenomen”; dat de samenlezing van die geciteerde teksten noopt tot de conclusie dat de bedoelde evaluatie een formele evaluatie is die wordt gegeven op het einde van de periode van de managementovereenkomst en dat dergelijke evaluatie bijgevolg slechts kan worden gegeven op het einde van de betrokken periode van de managementovereenkomst, bijgevolg ten vroegste op 31 maart 2006; dat dergelijke evaluatie niet voorligt; dat uit de nota van de rector, de vice-rector en de beheerders aan het bestuurscollege blijkt dat uit de jaarlijkse evaluaties over verzoekster over de periodes 1 november 2001 tot 31 december 2002, 1 januari 2003 tot 31 december 2003, 1 januari 2004 tot 31 december 2004, 1 januari 2005 tot 31 december 2005, telkens gewezen wordt op minder positieve aandachtspunten die volgens die nota klaarblijkelijk geen positieve evolutie kenden; dat bijgevolg aan de grondslag van de bestreden beslissing inzonderheid die jaarevaluaties liggen over verzoekster over de activiteitenperiode tot en met eind 2005; dat daaruit voortvloeit dat het bestuurscollege de in artikel 3 van de managementovereenkomst bedoelde formele evaluatie van verzoekster door de rector, de vice-rector en de beheerders te geven op of na 31 maart 2006 zelfs niet heeft afgewacht, maar op 27 maart 2006 - en derhalve voordat de lopende managementovereenkomst was beëindigd - beslist heeft om het mandaat van verzoekster, dat haar bij beslissing van 26 oktober 2001 tot en met 31 december 2005 was verleend en nadien met drie maanden verlengd, niet te hernieuwen; dat aldus geen schending van artikel 3 van de management- overeenkomst van 20 december 2005, noch van het beginsel “patere legem quam ipse fecisti” waar te nemen is; dat het middel niet ernstig is; 2.2.
  25. Overwegende dat verzoekster in haar tweede middel de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de IX-5295-9/14 uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van het beginsel van de motiveringsverplichting; dat zij hierbij, samengevat, uiteenzet dat alhoewel de bestreden beslissingen een aantal formele motieven bevatten, zij toch niet weet welke de ware reden is van de te haren opzichte getroffen beslissingen; dat de uitgedrukte motieven “niet draagkrachtig zijn en overigens in diverse opzichten materieel onjuist”; dat zij na kennisname van de voorbereidende documenten die als onderbouwing zouden moeten dienen voor de vergadering van het bestuurscollege van 27 maart 2006, bij monde van haar raadsman op 24 maart 2006 aan de rector een aantal belangrijke opmerkingen heeft medegedeeld, “stellend dat de inhoud van de tekst in de voorbereiding de teksten van de aangevoerde evaluaties uit de voorbije jaren geweld aandeed”; dat zij verwezen heeft naar “verdraaiingen van de waarheid” in deze voorbereidende teksten, waarin “zowel de evaluatie 2001 - 2002 als (...) de evaluaties 2003, 2004 en 2005 een tendentieuze weergave waren die de inhoud van de evaluaties zeker niet vertolkten”; dat in het bestuurscollege ook “geweigerd werd kennis te nemen van opmerkingen die enkel tot doel hebben de neutraliteit en de objectiviteit van de besluitvorming te waarborgen”; dat “het bestuurscollege zich kennelijk uitsluitend heeft geïnspireerd of laten inspireren door uittreksels van teksten waarvan zonder enige twijfel kan worden gesteld dat ze gericht en zelfs tendentieus zijn”; dat er niet genoeg kan benadrukt worden dat van jaar tot jaar de evaluaties tot een positieve conclusie hebben geleid”; dat in het verslag van het bestuurscollege van 27 maart 2006 te lezen is dat in de vier voorbije jaren slechts één enkel functioneringsgesprek heeft plaatsgevonden, en wanneer de tekst hiervan wordt nagelezen slechts kan worden besloten dat ook daarvan de conclusie zonder meer positief was; dat voorts de motieven die in het verslag zijn opgenomen helemaal niet draagkrachtig zijn, en aangezien motivering door verwijzing slechts geoorloofd is wanneer het document waarnaar verwezen wordt bij de akte gevoegd wordt of indien de akte de draagwijdte ervan weergeeft, onmogelijk kan worden teruggegrepen naar documenten die geen deel hebben uitgemaakt van de vertrouwelijke voorbereidende stukken die ook op haar eigen vraag aan verzoekster vóór de vergadering werden overgemaakt; 2.2.
  26. Overwegende dat verzoekster in een derde middel de schending van de zorgvuldigheidsplicht en het redelijkheidsbeginsel aanvoert; dat zij hierbij, samengevat, uiteenzet dat indien zij de aangevochten beslissingen goed begrijpt, deze hun grondslag vinden in een beweerd falen op het vlak van communicatie en interactie; dat op welke wijze die communicatie en die interactie - concreet ingevuld - zou hebben gefaald, heel wat minder duidelijk is toegelicht; dat zij stelt dat de beslissingen onredelijk en onzorgvuldig zijn omdat de conclusies van evaluaties IX-5295-10/14 gunstig waren en dat wanneer daarover werd gedebatteerd de negatieve punten werden aangebracht door leden van het bestuurscollege die verzoekster niet kenden, terwijl slechts een enkel functioneringsgesprek plaatsvond, dat voor verzoekster gunstig was; 2.2.
  27. Overwegende dat de verwerende partij op het tweede en derde middel antwoordt dat het mandaat van verzoekster een tijdelijke aanwijzing is voor een periode van vier jaar en dat het kan worden hernieuwd; dat het bestuur bijgevolg discretionair beslist over al dan niet hernieuwing, zonder dat de mandaathouder, op het einde van een mandaatperiode op zulke hernieuwing rechtens aanspraak kan maken; dat, meer nog, het mandaatstelsel zo ontworpen is dat het gaat om mandaten die organiek ingaan op 1 januari volgend op de installatie van een nieuw rectoraat en eindigen op 31 december na het einde van dit rectoraat; dat het bijgevolg een stelsel is dat organiek verbonden is met een rectoraatperiode; dat de nieuwe rector en de nieuwe vice-rector geïnstalleerd zijn op 1 oktober 2005; dat die verbondenheid van de mandaathouders met de zittende rector, voor de volledige periode van het rectorschap, inhoudelijk bevestigd wordt doordat het de rector is - en niet de beheerders - die bij de aanvang van het mandaat met het voor een mandaat aangewezen personeelslid een managementovereenkomst sluit, waarin, op initiatief van de rector, de verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de directeur zijn vastgelegd en waarin tevens staat ingeschreven op grond van welke criteria het functioneren van de mandaathouder zal worden beoordeeld; dat het reglement niet zo te lezen is dat jaarlijkse globaal positieve beoordelingen van de mandaathouder omtrent zijn functioneren in het algemeen, noodzakelijk moeten leiden tot de hernieuwing van het desbetreffende mandaat op het einde van de mandaatperiode; dat het disfunctioneren van de mandaathouder op één of meerdere deelgebieden, al brengt het een globale positieve jaarbeoordeling niet in gevaar, binnen de gezegde discretionaire bevoegdheid van het bestuur, kan leiden tot het niet hernieuwen van het mandaat; dat aldus het enige rechtsgevolg van een positieve jaarbeoordeling de toekenning is door het bestuurscollege, als het ware bij gebonden bevoegdheid, van de premie zoals vermeld in artikel 6 van dat reglement; dat alle evaluatieverslagen over verzoekster veelvuldige positieve commentaar bevatten aangaande haar functioneren, op quasi alle andere domeinen, zowel wat de specifieke doelstellingen als de resultaatgebieden betreft; dat die positieve appreciatie telkens weer, globaal gezien, de doorslag heeft gegeven voor een positieve jaarbeoordeling; dat evenwel het bestuurscollege in zijn verslag van 27 maart 2006 heeft vastgesteld dat er een “duidelijk toenemende negatieve evolutie” in het communicatief optreden en “de sociale vaardigheden” van verzoekster vastgesteld werd “over de gehele periode van IX-5295-11/14 haar mandaat” en dat daarom werd voorgesteld om haar mandaat niet te hernieuwen, te meer daar er “geen positieve evolutie vastgesteld (kon) worden”; dat die vaststellingen van het bestuurscollege volstaan opdat zou voldaan zijn aan de formele motiveringsplicht; dat dit des te meer geldt omdat met betrekking tot de al dan niet hernieuwing van een mandaat geen hoorplicht geldt; dat het bovendien niet nodig is, gezien vanuit het redelijkheids- of zorgvuldigheidsbeginsel, dat elk lid van het bestuurscollege betrokkene en haar functioneren zelf kent omdat beslist wordt op grond van een dossier, opgesteld en samengesteld vanuit de reglementaire vereisten, hetgeen in casu voorlag; dat negatieve commentaren met betrekking tot de communicatieve en sociale vaardigheden van de verzoekster in het laatste evaluatieverslag, voornamelijk steunen op eigen bevindingen en gezegdes van de beheerder; dat formeel met verzoekster slechts één functioneringsgesprek werd gehouden einde 2004 maar dat zulks in deze niet doorslaggevend is aangezien er geen kritiek is op het financieel-technisch functioneren van verzoekster of op het niet halen van specifieke doelstellingen maar wel op een ernstig en vooral in toenemende mate falende attitude van verzoekster die bij elke evaluatie aan bod is gekomen, zodat verzoekster over dat falen niet onwetend was; 2.2.
  28. Overwegende dat verzoekster, om de onwettigheid van de motieven van de eerste beslissing aan te tonen, niet kan volstaan met het louter ontkennen of in vraag stellen van de feitelijke elementen waarop de beoordeling door het bestuurscollege berust; dat het immers zaak is van een verzoekende partij om aanwijzingen te verschaffen die het vermoeden wettigen of aantonen dat de door het bestuur in aanmerking genomen gegevens niet juist zijn; dat de Raad van State daarenboven, wanneer hij in het kader van een annulatieberoep geroepen wordt om uitspraak te doen over de rechtmatigheid van een beslissing, niet tot taak heeft om in de plaats van het bestuur uit te maken wat naar zijn oordeel als de juiste toedracht van de aan die beslissing ten grondslag liggende feiten moet worden beschouwd; dat hij enkel vermag na te gaan of de administratieve overheid rechtmatig tot haar voorstelling van de feiten is kunnen komen; dat in inzonderheid wat de motiveringsplicht betreft een verzoeker op afdoende wijze aanwijzingen dient te verschaffen die het vermoeden wettigen of aantonen dat de door het bestuur in aanmerking genomen gegevens niet juist zijn; dat in deze vastgesteld wordt dat uit de opeenvolgende evaluatieverslagen over verzoekster, steeds gewag wordt gemaakt van een onvoldoende communicatief functioneren en dat zij geen bewijs aanbrengt dat zij die vaststellingen in de evaluatieverslagen over de periodes van 1 november 2001 tot 31 december 2002, 1 januari 2003 tot 31 december 2003 en 1 januari 2004 tot 31 december 2004 te gelegener tijd heeft betwist; dat immers in het IX-5295-12/14 evaluatieverslag over de periode 1 november 2001 tot 31 december 2002 sprake is van het bijwerken van haar communicatiestijl met de gebruikers en de collega’s, in het verslag over de periode 1 januari 2003 tot 31 december 2003 over haar contacten met gebruikers waarbij zij zou moeten beseffen dat de hoofdopdracht van die gebruikers onderwijs en onderzoek is, in het verlag over de periode 1 januari 2004 tot 31 december 2004 over de communicatie met de professoren en andere directies die soms “met wisselend succes” verloopt en in het verslag over de periode van 1 januari 2005 tot 31 december 2005 opnieuw over de communicatie met de professoren en andere directies met soms “met wisselend succes”; dat het bestuurscollege bijgevolg op basis van het dossier en voornamelijk op basis van de jaarlijkse evaluatieverslagen een eindoordeel heeft kunnen maken en in redelijkheid heeft kunnen besluiten om haar mandaat niet te hernieuwen op grond van verzoeksters falende communicatieve en sociale vaardigheden; dat ten slotte de omstandigheid dat slechts één functioneringsgesprek heeft plaatsgevonden daaraan niets afdoet aangezien verzoekster precies omwille van die evaluaties tijdig heeft kunnen inschatten dat er iets schortte met haar vermogen om te communiceren; dat het tweede en het derde middel evenmin ernstig zijn; Overwegende dat uit wat voorafgaat blijkt dat aan een van de voorwaarden van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet is voldaan, dat die vaststelling volstaat om verzoeksters vordering af te wijzen, BESLUIT: Artikel
  29. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  30. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. IX-5295-13/14 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zevenentwintig november 2000 en zes, door : de HH. L. HELLIN, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. L. HELLIN. IX-5295-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.130 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.157.866 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.205 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.