id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.187 Rolnummer: A. 100692/VII-23188 Zaak: Arrest 165187 - - 28/11/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-12-08 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-01 10:21 Fiche Arrest nr 165.187 van 28 november 2006 - Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 165.187 van 28 november 2006 in de zaak A. 100.692/VII-23.
- In zake : Georges LAMBRECHT, die woonplaats kiest bij advocaat J. VANDEN ABEELE kantoor houdende te GENT, Brusselsesteenweg 39 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te OOSTENDE, E. Beernaertstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Georges LAMBRECHT op 20 februari 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 21 december 2000 waarbij het beroep aangetekend tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 29 oktober 1992, houdende het gedeeltelijk verlenen van de vergunning aan verzoeker om een inrichting te exploiteren aan de Bunderstraat 10 in Kruishoutem, ongegrond wordt verklaard; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. PROVOOST; Gelet op de beschikking van 27 maart 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; VII-23.188-1/13 Gelet op de beschikking van 2 oktober 2006 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op 26 oktober 2006; Gehoord het verslag van kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. THIEREN die, loco advocaat J. VANDEN ABEELE verschijnt voor verzoeker, en van advocaat P. LOUAGE die, loco advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. PROVOOST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- Verzoeker exploiteert een landbouwbedrijf in Kruishoutem. Het is gelegen in agrarisch gebied volgens het Gewestplan Oudenaarde. Er geldt geen goedgekeurd gemeentelijk plan van aanleg. 1.
- Op 10 mei 1978 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kruishoutem akte van de aangifte van de exploitatie van een "rundvee- en mestvarkensstapel", zonder verdere precisering. De aktename geldt als vergunning voor een termijn van dertig jaar. 1.
- Op 25 september 1978 meldt verzoeker de exploitatie van enerzijds een varkensfokkerij met 1.200 dieren en de opslag van 1.980 m³ dierlijke mest, en anderzijds een inrichting voor de productie van veevoeder. Op 13 mei 1991 weigert de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen akte te nemen van de aangifte, omdat de inrichting reeds vergunningsplichtig was vóór de wijziging van de indelingslijst waarnaar verzoeker verwees. 1.
- Op 15 juli 1992 dient verzoeker een milieuvergunningsaanvraag in. De vraag omvat twee grote onderdelen : enerzijds een varkensfokkerij met VII-23.188-2/13 1.200 mestvarkens (3 stallen van 400 dieren) en de opslag van 1.980 m³ dierlijke mest, anderzijds een inrichting voor de productie van veevoeders, met een totale geïnstalleerde drijfkracht van 127 kW, en de opslag ervan in 6 silo's (962 m³) en in zakken (40 m³). 1.
- Op 29 oktober 1992 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen vergunning voor 1.000 mestvarkens en de gevraagde mestopslag, en weigert ze de vergunning voor de productie en opslag van veevoeders. 1.
- Na een administratief beroep door verzoeker wordt door de Vlaamse minister van Leefmilieu en Huisvesting op 30 april 1993 beslist dat de vergunning voor de varkens beperkt blijft tot 1.000 dieren en dat de productie van veevoeders wordt geweigerd. 1.
- Bij arrest van de Raad van State. nr. 88.486 van 29 juni 2000 wordt deze beslissing vernietigd, overwegende, onder meer, "wat het stedenbouwkundig aspect betreft, dat het bestreden besluit als volgt is gemotiveerd : 'Gelet op de ligging van de inrichting in een agrarisch gebied volgens het gewestplan Oudenaarde (K.B. van 24/02/77); Overwegende dat vanuit het oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met voormelde ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften voor wat het varkensbedrijf betreft, maar niet voor wat het veevoederbedrijf betreft'; dat uit die motivering geenszins kan worden opgemaakt waarom de verwerende partij van oordeel is dat het veevoederbedrijf onverenigbaar is met de bestemming agrarisch gebied, terwijl die onverenigbaarheid nochtans geen evidentie uitmaakt; (...); dat het eerste middel gegrond is (...)". 1.
- Na het annulatie-arrest wordt de procedure hernomen. Volgende adviezen worden verleend : - de Vlaamse Landmaatschappij adviseert het aantal varkens te beperken tot 1.000 en adviseert gunstig voor de mestopslag; - de afdeling Milieuvergunningen adviseert het aantal varkens te beperken tot 1.000, en adviseert gunstig voor de productie en opslag van veevoeders; - de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie adviseert het aantal varkens te beperken tot 1.000, en adviseert ongunstig voor de productie en opslag van veevoeders; VII-23.188-3/13 - na de zittingen van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie bevestigt de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen het aldaar gegeven ongunstig advies. 1.
- Op 21 december 2000 wordt de bestreden beslissing genomen : de uitbreiding van het aantal dieren blijft geweigerd, evenals de productie en de opslag van veevoeders. Wat betreft dat laatste luidt de motivering in essentie : "(...) Overwegende dat vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten gesteld kan worden (en dit wordt bevestigd door de afgevaardigde van de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen op bovenvermelde datums van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie) dat de exploitatie van de inrichting die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt : - verenigbaar is met de toepasselijke ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften voor wat betreft de exploitatie van 1200 mestvarkens en bijbehorende mestopslagplaatsen binnen bestaande vergunde stallen; - niet verenigbaar is met de toepasselijke ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften voor wat betreft de exploitatie van een productie-eenheid van veevoeders met een geïnstalleerde totale drijfkracht van 127 kW en bijbehorende opslag van voeders en granen in silo’s en in zakken om volgende redenen : - de productie-eenheid van veevoeders (127 kW) en bijbehorende opslag van voeders en granen in silo's (962 m3) en zakken (40 m3) gebeurt op zulke schaalgrootte dat het hier zeker een niet-bedrijfsgebonden activiteit betreft en dat het veeleer gaat over een op zich staande, commerciële productie- eenheid; - de exploitatie van dit gedeelte van de inrichting vindt bovendien plaats in gebouwen welke stedenbouwkundig nooit werden vergund. Er is nu een regularisatievraag van de bouwvergunningen in behandeling na vast- stellingen voor de bouwovertredingen door de afdeling Bouwinspectie; (...) Overwegende dat door het toezenden van het arrest nr. 74.527 van 24 juni 1998 de exploitant poogt aan te tonen dat de inrichting in zijn geheel (met de productie-eenheid van veevoeders) wel verenigbaar is met de geldende stedenbouwkundige voorschriften; dat evenwel alle situaties niet zo maar met elkaar kunnen vergeleken worden; dat het in het arrest nr. 74.527 gaat over het afleveren van een bouwvergunning voor 3 silo’s voor chemische meststoffen en niet over het verkrijgen van een milieuvergunning voor een productie-eenheid van veevoeders met bijhorende opslag; dat de silo’s in voornoemde zaak (arrest nr. 74.527) gelegen zijn in woongebied met landelijk karakter terwijl hier de inrichting gelegen is in agrarisch gebied; dat ook de grootte van de twee inrichtingen verschillend is; dat tenslotte er vooral nogmaals moet op gewezen worden dat de productie-eenheid van veevoeders waar het hier om gaat, stedenbouwkundig nooit vergund is geweest; Overwegende dat het beroep enkel gericht is tegen het weigeringsgedeelte, dat deze weigering is gesteund op volgende gegevens : - de veevoederfabriek is planologisch onverenigbaar met de omgeving; - de exploitatie van een veevoederfabriek en de uitbreiding van de varkensstapel van 1000 tot 1200 mestvarkens is milieuhygiënisch niet in overeenstemming met de omgeving; VII-23.188-4/13 Overwegende dat het beroep is gesteund op volgende argumenten : - volgens artikel 11 van het koninklijk besluit van 28 december 1972, is de exploitatie van de inrichting verenigbaar met de omgeving; - de bezwaren van het openbaar onderzoek over geur-, stof-, geluids- en visuele hinder worden op doeltreffende wijze weerlegd; - de vereiste maatregelen werden getroffen om de risico’s tegen brandgevaar in te perken; - de productie van dierlijke mest wordt op een ecologisch verantwoorde wijze afgezet; Overwegende dat er bij het openbaar onderzoek 4 schriftelijke bezwaren werden ingediend; dat er zich in een straal van 100 meter, gemeten vanaf de perceelsgrenzen, een zestal woningen bevinden; dat de dichtstbijzijnde woning zich bevindt op circa 50 meter van de inrichting; dat de directe omgeving een uitgesproken landbouwkarakter heeft; dat de overheersende windrichting (NW- ZW) richting agrarisch gebied is; dat de toegang tot de inrichting gebeurt via een oprit van circa 100 meter lengte; dat hiervoor een strook werd aangekocht van 12 meter breedte ten zuiden van de inrichting voorzien van de nodige verharding; (...) Overwegende dat de aanspraken aangehaald door de beroepindiener als volgt kunnen worden geëvalueerd : - de uitbreiding met 200 mestvarkens tot 1200 mestvarkens voldoet aan de bepalingen van titel II van het Vlarem, doch is strijdig met de bepalingen van het meststoffendecreet; - de productie-eenheid van veevoeders en de opslag van voeders en granen in silo’s en zakken is planologisch onverenigbaar met de stedenbouwkundige voorschriften zoals werd aangetoond in voorgaande overwegingen en zoals tevens blijkt uit het mondeling ingenomen ongunstige standpunt uitgebracht door de vertegenwoordiger van de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen op de vergaderingen van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie van 16 oktober en 13 november 2000; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat het beroep ongegrond te verklaren en de bestreden beslissing te bevestigen; (...)". 1.
- Parallel aan de milieuvergunningsaanvraag loopt er ook een stedenbouwkundige procedure. Op 16 september 1993 dient verzoeker een bouwvergunnings- aanvraag in, ter regularisatie van onder meer de infrastructuur voor de productie en opslag van veevoeders. De vergunning wordt op 29 november 1993 geweigerd door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kruishoutem, op 17 maart 1994 door de bestendige deputatie en op 12 september 1994 door de bevoegde Vlaamse minister. Bij arrest van de Raad van State nr. 114.949 van 24 januari 2003 wordt deze weigering vernietigd. Na dit arrest wordt de vergunning opnieuw geweigerd; een nieuw annulatieberoep wordt bij arrest nr. 131.242 van 11 mei 2004 verworpen bij toepassing van artikel 21, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, omdat niet tijdig een memorie van wederantwoord werd ingediend; VII-23.188-5/13
- De ontvankelijkheid van het beroep 2.1.
- Overwegende dat de verwerende partij in de laatste memorie doet gelden wat volgt : "(...) Verwerende partij meent echter dat verzoekende partij sinds het arrest van Uw Raad van 11 mei 2004 met nr. 131.242 niet langer het noodzakelijk actueel belang heeft bij de vernietiging van het bestreden besluit. Huidige procedure betreft het annulatieberoep tegen de beslissing van 21 december 2000 inzake de milieuvergunningsaanvraag van verzoekende partij voor -onder meer- de exploitatie van een inrichting voor de productie van veevoeders en de opslag ervan in zes silo’s en in zakken. Een gebeurlijke vernietiging van deze bestreden beslissing heeft tot gevolg dat verwerende partij daaromtrent een nieuwe uitspraak moet doen, rekening houdend met het arrest van Uw Raad. Zoals gesteld in het auditoraatsverslag, diende verzoekende partij parallel aan de milieuvergunningsaanvraag eveneens een bouwaanvraag in ter regularisatie van onder meer de infrastructuur voor de productie en de opslag van de veevoeders, in het kader waarvan een eerste weigeringsbeslissing door Uw Raad werd vernietigd bij arrest nr. 114.949 van 24 januari
- Evenwel volgde daarna nogmaals een weigeringsbeslissing in laatste aanleg, waartegen verzoekende partij opnieuw een annulatieberoep instelde, dat echter bij arrest van Uw Raad nr. 131.242 van 11 mei 2004 werd verworpen. Aldus moet worden vastgesteld dat de bouwaanvraag voor de inrichting waarop het in huidige procedure bestreden besluit betrekking heeft in laatste aanleg is geweigerd, zodat verzoekende partij overeenkomstig artikel 5, §2 van het Decreet van 28 juli 1985 betreffende de milieuvergunning geen belang meer heeft bij de vernietiging van het bestreden besluit dat de milieuvergunning voor de inrichting met betrekking tot de productie en opslag van veevoeders weigert. Zelfs indien Uw Raad huidig annulatieberoep zou inwilligen, en verwerende partij een nieuwe uitspraak zou moeten doen omtrent de milieuvergunningsaanvraag voor de inrichting, rekening houdend met het arrest van Uw Raad, dan nog zou een gebeurlijke toekenning van de gevraagde milieuvergunning voor de productie en de opslag van de veevoeders geen effect kunnen ressorteren, gezien deze milieuvergunning zou moeten worden geacht van rechtswege te zijn vervallen, inachtgenomen de vaststelling dat de stedenbouwkundige vergunning voor de betrokken inrichting reeds definitief werd geweigerd. Het feit dat verzoekende partij ondertussen een nieuwe bouwaanvraag zou indienen voor de inrichting zou daaraan in principe geen afbreuk doen. Gezien een gebeurlijke vernietiging van het bestreden besluit verzoekende partij niet langer tot voordeel strekt, vermits de beslissing omtrent de milieuvergunningsaanvraag voor haar inrichting voor de productie en opslag van veevoeders de facto geen belang meer heeft wegens de definitieve weigering van de daaraan gelijklopende bouwaanvraag voor deze inrichting, is het annulatieberoep niet langer ontvankelijk"; 2.1.
- Overwegende dat de verwerende partij eraan voorbijgaat dat er in casu nooit een milieuvergunning werd verleend, zodat van een verval van rechtswege van een milieuvergunning geen sprake kan zijn; dat geen decreetsbepaling voorziet in een verplichting tot weigering van een milieuvergunning wegens VII-23.188-6/13 definitieve weigering van de stedenbouwkundige vergunning; dat, immers, in die situatie verzoeker nog een nieuwe bouwaanvraag kan indienen; dat de exceptie niet kan worden aangenomen; 2.2.
- Overwegende dat verzoeker op pagina 2 van het verzoekschrift het beroep beperkt tot hetgeen bij de bestreden beslissing werd geweigerd; dat, voorts, hij stelt wat volgt : "Wat de uitbreiding met 200 mestvarkens betreft, dringt verzoeker hic et nunc niet verder meer aan. Verzoeker wenst hiervan vooralsnog geen strijdpunt meer te maken. De beoogde uitbreiding van 1000 naar 1200 mestvarkens is niet van existentieel belang voor de levenskracht en de toekomstkansen van het bedrijf, in tegenstelling met het aspect veevoederfabricatie (...)"; 2.2.
- Overwegende dat de verwerende partij daarop als volgt reageert : "(...) dat verzoekende partij (...) bij haar uiteenzetting in rechte expliciet stelt dat ze de bepalingen uit het bestreden besluit, die betrekking hebben op de uitbreiding van het bedrijf met 200 mestvarkens, bij deze niet langer wenst aan te vechten. Zodoende kunnen, indien de middelen van verzoekende partij gegrond zouden worden bevonden, enkel de onderdelen van het bestreden besluit die betrekking hebben op de weigering van een vergunning voor een productie-eenheid van veevoeders met vijzels, mengers, hamermolens, afzuiginstallatie, een zuiger en een steekpomp met een totaal geïnstalleerd vermogen van 127 kW en op de opslag van voeders en granen in silo’s (962m3) en in zakken (40m3), aanleiding geven tot vernietiging, en kan niet het gehele bestreden besluit het voorwerp uitmaken van een vernietiging"; 2.2.
- Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord volgende repliek geeft : "Het Vlaams Gewest meent dan toch iets in haar voordeel gevonden te hebben waar verzoeker geschreven heeft 'wat de uitbreiding met 200 mestvarkens betreft, dringt verzoeker hic et nunc niet verder meer aan'. Dat wil niet zeggen dat verzoeker afziet van zijn beroep tegen het gehele bestreden besluit. Maar de verhoging van 1.000 naar 1.200 mestvarkens is van ondergeschikt belang. Tegenpartij dient te lezen wat er staat : 'Verzoeker wenst hiervan vooralsnog geen strijdpunt meer te maken. De beoogde uitbreiding van 1.000 naar 1.200 mestvarkens is niet van existentieel belang voor de levenskracht en de toekomstkansen van het bedrijf, in tegenstelling met het aspect 'veevoederfabricatie'. C'est tout"; 2.2.
- Overwegende dat niet meteen valt in te zien wat niet verder aandringen op de uitbreiding met 200 mestvarkens anders zou kunnen betekenen dan VII-23.188-7/13 dat verzoeker het betreffende onderdeel van de bestreden beslissing niet aanvecht met zijn annulatieberoep; dat, zelfs indien men uit de memorie van wederantwoord zou willen besluiten dat verzoeker met zijn verzoekschrift wel degelijk de gehele bestreden beslissing heeft willen laten vernietigen, men er niet omheen kan dat het verzoekschrift geen enkel middel bevat tegen de weigering van de uitbreiding met 200 mestvarkens, terwijl dit een afsplitsbaar onderdeel betreft, waarvoor het weigeringsmotief -bepalingen van het Meststoffendecreet- volledig vreemd is aan het stedenbouwkundig weigeringsmotief betreffende de productie en opslag van veevoeders; dat de verwerende partij dan ook terecht vraagt dat de eventuele nietigverklaring zou worden beperkt tot de weigering van het onderdeel productie en opslag van veevoeders;
- De gegrondheid van het beroep 3.
- Overwegende dat verzoeker in zijn verzoekschrift onder meer de schending aanvoert van artikel 11 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (inrichtingsbesluit); dat hij desbetreffend betoogt wat volgt : "De bestreden beslissing stelt ten onrechte dat de exploitatie van de productie-eenheid voor veevoeders en bijhorende opslag 'onverenigbaar zou zijn met de toepasselijke ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften, omdat dit gebeurt op zulke schaalgrootte dat het een niet bedrijfsgebonden activiteit zou betreffen en dat het veeleer over een op zich staande, commerciële productie- eenheid zou gaan'. Verzoeker vermoedt dat de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw (...) nog altijd (meent) dat een veevoederbedrijf geen para-agrarisch karakter zou hebben en dus niet zou passen in agrarisch gebied. De Raad van State heeft nochtans in het arrest De Wilde van 24.6.1998 (nr. 74.527) duidelijk bepaald dat veevoederbedrijven wel degelijk para- agrarische bedrijven zijn : '(...) Overwegende dat een veevoederbedrijf geen agrarisch of landbouwbedrijf is als bedoeld in de artikelen 6,1.2.2 en 11,4.1, maar een para-agrarisch bedrijf als bedoeld in de laatstgenoemde bepaling; dat immers een veevoederbedrijf wel bij de landbouw aansluit en erop afgestemd is, doch zich niet op de landbouw toelegt, evenmin op de landbouw in de ruime zin; (...)' Hieruit volgt ontegensprekelijk dat een veevoederbedrijf moet beschouwd worden als para-agrarisch en dus zijn bestemming vindt in het agrarisch gebied. Deze rechtspraak werd trouwens in tal van andere arresten bevestigd: (...)"; dat verzoeker vervolgens citeert uit het auditoraatsverslag over zijn annulatieberoep tegen de weigering van de stedenbouwkundige regularisatie, en dat hij zijn uiteenzetting als volgt voortzet : VII-23.188-8/13 "Uit de constante rechtspraak van de Raad van State volgt dus dat de productie-eenheid van verzoeker ontegensprekelijk dient beschouwd te worden als een para-agrarisch bedrijf, gelet op zijn nauwe verbondenheid met het landbouwproductieproces. Het betreft immers een eerste bewerking van restproducten, rechtstreeks afkomstig van het veld om vervolgens als veevoeder te worden verkocht aan de veeteeltsector, waaronder verzoekers eigen bedrijf. Het bedrijf heeft geenszins een industrieel karakter. Het betreft eerder een perfect geordend landbouwbedrijf in combinatie met een para-agrarische activiteit. Er werkt ook slechts één personeelslid. De bestreden beslissing miskent dan ook art. 11 van het K.B. van 28 december 1972 betreffende de inrichting en toepassing van de ontwerp- gewestplannen en de gewestplannen, dat de inplanting van para-agrarische bedrijven in agrarische gebieden toelaat"; 3.
- Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord als volgt reageert : "(...) 1.
- In het arrest Lesage overwoog Uw Raad dat noch artikel 11 van het K.B. van 28 december 1972, noch enige andere bepaling van dit K.B., het begrip 'para-agrarische bedrijven' definiëren, dat het de Raad van State toekomt te onderzoeken of de bestreden beslissing aan voormeld begrip zijn juiste draagwijdte heeft gegeven en dat aangezien het geven van de juiste interpretatie aan een begrip niet de opportuniteit, doch de wettigheid van de beslissing betreft, dergelijk onderzoek niet marginaal is en evenmin beperkt blijft tot wat kennelijk onredelijk lijkt. Verder overwoog Uw Raad in dit arrest dat bij ontstentenis van nadere omschrijving ter zake, de term 'para-agrarisch bedrijf' in zijn spraakgebruikelijke betekenis moet worden begrepen en daaronder moet worden verstaan, bedrijven waarvan de activiteit onmiddellijk bij de landbouw aansluit en er op afgestemd is. Bij de analyse en de interpretatie van artikel 11 van het K.B. van 28 december 1972 mag evenwel de totaliteit van dit K.B. niet uit het oog worden verloren, namelijk de optie om elke activiteit in het meest daartoe geschikt bestemmingsgebied te lokaliseren, zodat uitzonderingen hierop strikt dienen te worden geïnterpreteerd. Ambachtelijke en industriële bedrijven dienen dan ook bij voorkeur in de daartoe bestemde gebieden (cfr. industriegebieden) te worden ondergebracht, en niet in agrarische gebieden, die daar niet in de eerste plaats zijn toe voorzien, omdat hun bestemming of toch minstens hun hoofdbestemming blijkens de in het K.B. gebruikte bewoordingen anders is. Bedrijven kunnen met andere woorden als para-agrarisch worden beschouwd, wanneer het om redenen van goede ruimtelijke ordening is aangewezen om ze in agrarische gebieden onder te brengen, precies omwille van het feit dat hun activiteiten van zodanige aard zijn en de verbondenheid met de landbouw zo sterk is dat een uitoefening ervan in een industriegebied schier onmogelijk zou zijn. Wanneer een bedrijf even goed in een industriegebied kan worden ondergebracht, zoals dit te dezen het geval is, is het dan ook niet opportuun het als para-agrarisch te beschouwen. Een beperkte interpretatie van het begrip ‘para-agrarisch’ sluit ook aan bij een restrictieve interpretatie van artikel 11.4.
- van het K.B. van 28 december 1972, die agrarisch gebied bestemt voor 'landbouw in de ruime zin'. De eerste functie van een agrarisch gebied is immers begrijpelijkerwijze landbouw, en wat daarvan afwijkt kan slechts bij uitzondering worden toegestaan. 1.
- Het bestreden besluit neemt vooreerst het advies van de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen van 28 november 2000 integraal over. Hierin VII-23.188-9/13 wordt vastgesteld dat de uitzonderingsmogelijkheid die voorzien wordt in artikel 43 §2 van het Coördinatiedecreet van 22 oktober 1996 en die de overheid toelaat om bij het verlenen van een vergunning eventueel af te wijken van de bepalingen van het gewestplan, in casu niet van toepassing is, gezien het hier gaat over niet-vergunde gebouwen. Dit betekent dat zelfs indien de overheid die de veevoederfabriek niet beschouwt als een para-agrarisch bedrijf, en toch een vergunning zou willen toekennen aan dit bedrijf, teneinde de exploitatie ervan verder toe te laten in agrarisch gebied, dit hoe dan ook niet kunnen wegens het niet voldoen aan bepaalde voorwaarden door het bedrijf. Uit de aanhef van het bestreden besluit blijkt verder dat : 'Overwegende dat door het toezenden van het arrest nr. 74.527 van 24 juni 1998 de exploitant poogt aan te tonen dat de inrichting in zijn geheel (met de productie-eenheid van veevoeders) wel verenigbaar is met de geldende stedenbouwkundige voorschriften; dat evenwel alle situaties niet zo maar met elkaar kunnen vergeleken worden; dat het in het arrest nr. 74.527 gaat over het afleveren van een bouwvergunning voor 3 silo’s voor chemische meststoffen en niet over het verkrijgen van een milieuvergunning voor een productie-eenheid van veevoeders met bijhorende opslag; dat de silo’s in voornoemde zaak (arrest nr. 74.527) gelegen zijn in woongebied met landelijk karakter terwijl hier de inrichting gelegen is in agrarisch gebied; dat ook de grootte van de twee inrichtingen verschillend is; dat tenslotte er vooral nogmaals moet op gewezen worden dat de productie-eenheid van veevoeders waar het hier om gaat, stedenbouwkundig nooit vergund is geweest'; De motieven die in het bestreden besluit zijn aangehouden om tot de planologische onverenigbaarheid te besluiten van de exploitatie waarvoor vergunning werd gevraagd, zijn dan ook pertinent en voldoende geschraagd door gegevens voorkomend in het administratief dossier. Zo blijkt onder meer uit de nota van de N.V. Golufradi met betrekking tot de hoorzitting inzake de milieuvergunningsaanvraag voor de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie dd. 13 november 2000, dat er een belangrijke aanvoer is van grondstoffen naar het veevoederbedrijf in casu, en een analoge afvoer van eindproducten. De verkeersintensiteit op een gemiddelde dag bedraagt een 7-tal vrachtwagens, die komen laden of lossen. Voor de productie van de veevoeders werken momenteel drie personeelsleden, terwijl het transport (afvoer) van de veevoeders werk geeft aan vier personen. Het productieproces bestaat uit het mengen en malen van de aangeleverde grondstoffen zoals tarwe, gerst, maïs en melasse. De totale veevoederproductie heeft een omzet van 24.000 ton per jaar, waarvan slechts 1.650 ton bestemd is voor het varkensbedrijf van verzoekende partij. De enige band die het bedrijf van verzoekende partij met de landbouw vertoont, is dat de grondstoffen die worden aangevoerd landbouwproducten zijn. De bewering van verzoekende partij dat de aangevoerde grondstoffen uit de directe omgeving afkomstig zijn, terwijl de afzet gebeurt aan veehouders in de directe omgeving, lijkt niet geloofwaardig, nu de productie-omzet van het bedrijf van verzoekende partij 24.000 ton veevoeder per jaar bedraagt. Gezien deze schaalgrootte van de productie mag men aannemen dat de grondstoffen van het bedrijf niet allemaal worden aangevoerd uit de streek rond het bedrijf, maar ook van elders, tenzij natuurlijk verzoekende partij de directe omgeving zéér ruim begrijpt. Daarbij komt nog dat de aangevoerde grondstoffen tot een andere en totaal gewijzigde vorm worden verwerkt, zodat de inrichting conform de Ministeriële Omzendbrief dd. 8 juli 1997 dient te worden beschouwd als een louter industrieel bedrijf, dat niet thuishoort in agrarisch gebied"; VII-23.188-10/13 3.
- Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord niets wezenlijks meer toevoegt aan zijn argumentatie; 3.4.
- Overwegende dat het in casu gaat om een productie-eenheid voor veevoeders met bijhorende opslag; dat de grondstoffen afkomstig zijn uit de landbouw, dat de producten na verwerking uitsluitend zijn bestemd voor de landbouw en dat de verwerking bestaat in een eenvoudige mechanische behandeling; dat een veevoederbedrijf dan ook, wat de aard van de activiteiten betreft, als een para- agrarisch bedrijf te beschouwen is; 3.4.
- Overwegende dat in de bestreden beslissing verzoekers inrichting als niet para-agrarisch wordt beschouwd omdat de productie "gebeurt op zulke schaalgrootte dat het hier zeker een niet-bedrijfsgebonden activiteit betreft en dat het veeleer gaat over een op zich staande, commerciële productie-eenheid"; dat artikel 11 van het inrichtingsbesluit blijkbaar zo wordt geïnterpreteerd dat een para-agrarisch bedrijf verbonden moet zijn aan en rechtstreeks ten dienste moet staan van een landbouwbedrijf; dat evenwel deze interpretatie geen steun vindt in de tekst van het voormelde artikel 11 dat luidt als volgt : "De agrarische gebieden zijn bestemd voor de landbouw in de ruime zin. Behoudens bijzondere bepalingen mogen de agrarische gebieden enkel bevatten de voor het bedrijf noodzakelijke gebouwen, de woning van de exploitanten, benevens verblijfsgelegenheid voor zover deze een integrerend deel van een leefbaar bedrijf uitmaakt, en eveneens para-agrarische bedrijven. Gebouwen bestemd voor niet aan de grond gebonden agrarische bedrijven met industrieel karakter of voor intensieve veeteelt, mogen slechts opgericht worden op tenminste 300 m van een woongebied of op ten minste 100 m van een woonuitbreidingsgebied, tenzij het een woongebied met landelijk karakter betreft. De afstand van 300 m en 100 m geldt evenwel niet in geval van uitbreiding van bestaande bedrijven. De overschakeling naar bosgebied is toegestaan overeenkomstig de bepalingen van artikel 35 van het Veldwetboek, betreffende de afbakening van de landbouw- en bosgebieden"; dat nergens in het artikel op zich staande para-agrarische bedrijven worden uitgesloten; dat, voorts, een bedrijf dat als para-agrarisch kan worden beschouwd, niet ophoudt para-agrarisch te zijn doordat het te omvangrijk wordt; dat evenmin valt in te zien waarom een para-agrarisch bedrijf geen commercieel of industrieel karakter zou mogen hebben; dat, immers, in evengeciteerd artikel 11 met zoveel woorden is bepaald dat de niet aan de grond gebonden agrarische bedrijven een industrieel karakter kunnen hebben; dat hieruit volgt dat ook para-agrarische bedrijven met een industrieel karakter in een agrarisch gebied kunnen worden toegelaten; dat dan ook noch de omvang van de productie, noch het aantal vrachtwagenbewegingen, noch het aantal tewerkgestelden of de veronderstelde geografische afkomst van de VII-23.188-11/13 grondstoffen van aard zijn om verzoekers bedrijf de kwalificatie para-agrarisch te ontzeggen; 3.4.
- Overwegende dat het argument van de verwerende partij in haar memorie van antwoord dat de eerste functie van een agrarisch gebied begrijpelijkerwijze landbouw is en dat wat daarvan afwijkt slechts bij uitzondering kan worden toegestaan, zodat wanneer een bedrijf even goed in een industriegebied kan worden ondergebracht zoals volgens haar te dezen het geval is, het niet opportuun is dat bedrijf als para-agrarisch te beschouwen, daar de optie van het inrichtingsbesluit is om elke activiteit in het meest daartoe bestemmingsgebied te lokaliseren, niet opgaat; dat, immers, die argumentatie voorbijgaat aan het gegeven dat para-agrarische bedrijven in artikel 11 van het zogenaamde inrichtingsbesluit zijn opgenomen als behorende tot "landbouw in de ruime zin" en niet als uitzonderingen op of afwijkingen van die bestemming; dat het geven van de juiste interpretatie aan een begrip niet de opportuniteit, maar de wettigheid van de beslissing betreft; 3.4.
- Overwegende dat het gegeven dat de infrastructuur vooralsnog niet vergund is, niet relevant is vermits dit slechts het geval zou zijn indien de inrichting strijdig zou zijn met de gewestplanbestemming, aangezien alsdan een afwijking van die bestemming inderdaad slechts mogelijk zou zijn in geval voor de inrichting een stedenbouwkundige vergunning werd bekomen; 3.4.
- Overwegende dat uit hetgeen voorafgaat volgt dat het middel in de aangegeven mate gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 21 december 2000 waarbij het beroep aangetekend tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen van 29 oktober 1992, houdende het gedeeltelijk verlenen van de vergunning aan Georges LAMBRECHT om een inrichting te exploiteren aan de Bunderstraat 10 in Kruishoutem, ongegrond wordt verklaard. VII-23.188-12/13 Artikel
- Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig november tweeduizend en zes, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-23.188-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.187 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.