← België

Arrest 165189 - - 28/11/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.189 Rolnummer: A. 82445/VII-17772 Zaak: Arrest 165189 - - 28/11/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-12-08 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-01 10:22 Fiche Arrest nr 165.189 van 28 november 2006 - Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 165.189 van 28 november 2006 in de zaak A. 82.445/VII-17.772. In zake : de n.v. KESTENS GAS, die woonplaats kiest bij Advocaten J. DURNEZ, I. IMPENS en E. GOFFIN, kantoor houdende te OUD-HEVERLEE, Waversebaan 134 A tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaat J. BERGÉ, kantoor houdende te LEUVEN, Naamsestraat 165. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE RAAD VAN STATE, VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. KESTENS GAS op 11 februari 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 16 december 1998 van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling waarbij haar beroep tegen het besluit van 9 juli 1998 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant houdende weigering van de vergunning voor het exploiteren van een gasopslagplaats gelegen te Tienen, Industriepark 45, ongegrond wordt verklaard en het beroepen besluit wordt bevestigd; Gelet op het arrest nr. 80.145 van 7 mei 1999 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door de verzoekende partij; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. SOURBRON ; VII-17.772-1/8 Gelet op de beschikking van 7 september 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 28 september 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 oktober 2006; Gehoord het verslag van staatsraad R. STEVENS ; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. DAMMEKENS die, loco advocaat J. DURNEZ verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat D. SWARTENBROUCKX die, loco advocaat J. BERGÉ verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. SOURBRON ; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Feiten Overwegende dat de feiten als volgt kunnen worden samengevat: 1.1. De verzoekende partij, die een handel uitbaat in gassen en aanverwante producten, dient op 9 januari 1998 bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant een vergunningsaanvraag in voor de exploitatie van een opslagplaats voor 20.000 liter gassen in verplaatsbare recipiënten, gelegen aan het Industriepark 45 te Tienen. 1.2. Tijdens het openbaar onderzoek van de aanvraag worden geen bezwaarschriften ingediend. 1.3. Met een besluit van 9 juli 1998 weigert de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant de gevraagde vergunning, onder meer omdat de inrichting niet voldoet aan de afstandsregels met betrekking tot open opslagplaatsen voor gasflessen vervat in bijlage 5.16.1. van Vlarem II en omdat niet VII-17.772-2/8 wordt tegemoet gekomen aan de vereiste van een veiligheidsscherm, zoals opgelegd in artikel 5.16.5.2. van hetzelfde besluit. 1.4. Op 22 juli 1998 stelt de verzoekende partij bij de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling beroep in tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant tot weigering van de gevraagde milieuvergunning. 1.5. Het beroep wordt ontvankelijk verklaard op 17 augustus 1998. 1.6. De verzoekende partij richt op 18 augustus 1998 een aangetekend schrijven aan de “Gemeenschapsminister voor Leefmilieu en Tewerkstelling - afdeling Milieuvergunningen”, waarbij zij verzoekt om “persoonlijk gehoord te worden bij de behandeling van het dossier en dit in aanwezigheid van Afgevaardigd Bestuurder Kestens en/of Milieuconsulent Clymans”. Dit schrijven werd -getuige daarvan het afgiftebewijs van de aangetekende zending- verstuurd naar het adres Belliardstraat 4-6 te 1040 Brussel. 1.7. Nadat de vereiste adviezen werden uitgebracht, wordt het beroep van de verzoekende partij met het bestreden besluit van 16 december 1998 van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling ongegrond verklaard en wordt de beroepen beslissing tot weigering van de gevraagde vergunning bevestigd; 2. Ten gronde 2.1. Standpunten van de partijen 2.1.1. Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel opwerpt dat luidt als volgt : "

  1. a)eerste middel: schending van de hoorplicht; Aangezien schending van het beginsel van de hoorplicht moet vastgesteld worden nu de overheid een beslissing heeft genomen welke een particuliere rechtspersoon in ernstige mate in haar belangen heeft aangetast; Dat verzoekster niet individueel is uitgenodigd geworden, zodat dan ook de hoorplicht werd geschonden; Dat verzoekster nochtans bij aangetekend schrijven dd. 18/08/98 uitdrukkelijk verzocht had gehoord te worden; (stuk 9) Dat de Raad van State meermaals heeft gewezen dat zelfs zo daartoe geen wettelijke verplichting bestaat, het behoort dat de gelegenheid wordt geboden aan de persoon in kwestie om gehoord te worden; (...) VII-17.772-3/8 Dat indien verzoekster had gehoord geworden, misverstanden omtrent het dossier hadden vermeden geworden"; 2.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord als volgt repliceert : "In hoofdorde Verzoekster roept de schending in van de hoorplicht. Daarmee duidt zij echter niet aan welke wetsbepaling geschonden is, daar waar het middel steeds voldoende precies moet worden omschreven door verzoekende partij. Het middel dient dan ook onontvankelijk te worden verklaard. In ondergeschikte orde Allereerst kan opgemerkt worden dat geen enkele wetsbepaling de verplichting oplegt aan de overheid om de beroepsindiener te horen. Het recht om gehoord te worden is m.a.w. zeker niet absoluut, zodat de eventuele schending ervan niet kan volstaan om het bestreden besluit nietig te verklaren. Dit geldt des te meer nu de ratio van de hoorplicht gelegen is in, enerzijds te vermijden dat de overheid zonder kennis van zaken zou oordelen, en anderzijds de betrokkene de kans te geven zijn standpunt kenbaar te maken over een ernstige maatregel die hem nadeel berokkent. In casu heeft verzoekster al de feitelijke gegevens van de zaak vermeld in haar beroepsschrift, zodat de overheid al de relevante gegevens om te beslissen reeds kende. Daarenboven heeft verzoekster al haar argumenten reeds uiteengezet in haar beroepsschrift, en heeft zij op dat ogenblik haar standpunt zeer duidelijk naar voren gebracht. Verzoekster toont niet aan dat de overheid bepaalde gegevens of bepaalde argumenten niet kende omdat zij niet gehoord werd. Verzoekster preciseert niet welke informatie, van aard om de situatie alsnog anders te beoordelen, zij nog had kunnen bijbrengen. Dat zij al haar gegevens en argumenten reeds in haar beroepsschrift heeft uitgewerkt, blijkt overigens uit het feit dat de feiten en middelen die thans worden aangehaald in het verzoekschrift tot schorsing identiek dezelfde zijn als de argumenten aangehaald in de beroepsprocedure bij de verwerende partij. Moest verzoekster effectief iets nieuws hebben kunnen bijbrengen tijdens een hoorzitting, zou zij deze elementen toch minstens vermeld hebben in haar huidig verzoekschrift, quod non. Verzoekster toont niet aan, maakt zelfs niet aannemelijk, dat, moest zij gehoord zijn geworden, "misverstanden omtrent het dossier hadden kunnen worden vermeden". De verwerende partij vraagt zich overigens af over waarin deze zogezegde misverstanden dan wel zouden bestaan. Zij kan enkel vaststellen dat verzoekster hier zelf niet verder op ingaat. De verwerende partij meent in ieder geval dat verzoekster geen enkel belang heeft bij het inroepen van dit middel. Tenslotte kan opgemerkt worden dat het verzoek om gehoord te worden werd gericht aan de Minister, daar waar dit verzoek dient te worden gericht aan de voorzitter van de gewestelijke milieuvergunningscommissie. Het middel is niet gegrond"; 2.1.3. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord nog doet gelden wat volgt : VII-17.772-4/8 "Aangezien verweerster in hoofdorde stelt dat dit middel onontvankelijk is omdat niet wordt meegedeeld welke wetsbepaling werd geschonden; Dat verweerster toch niet kan ontkennen dat zij niet weet dat de hoorplicht behoort tot de algemene beginselen van behoorlijk bestuur; Dat de algemene beginselen uiteraard ook dienen nageleefd te worden in rnilieuvergunningsprocedures; (GHYSELS J. en FLAMEY P., “Milieuvergunningen Anno 1998, Kluwer, pag.201, nr.64) Dat dit middel wel degelijk ontvankelijk is; Aangezien verder de Raad van State meermaals heeft gewezen dat zelfs zo daartoe geen wettelijke verplichting bestaat, het behoort dat de gelegenheid wordt geboden aan de persoon in kwestie om gehoord te worden; (...) Dat terzake wel degelijk de schending van het beginsel van de hoorplicht moet vastgesteld worden nu de Overheid een beslissing heeft genomen welke een particuliere rechtspersoon in ernstige mate in haar belangen heeft aangetast; Dat verzoekster niet individueel is uitgenodigd geworden terwijl zij nochtans bij aangetekend schrijven dd. 18/08/98 uitdrukkelijk verzocht had gehoord te worden; (stuk 9) Dat verweerster dit verzoek eenvoudigweg naast zich heeft neergelegd; Aangezien uit de verplichting van de Overheid tot zorgvuldigheid bij de feitenvinding (hetgeen het doel is van de hoorplicht) voortvloeit dat in beginsel geen feiten als bewezen of niet bewezen kunnen worden beschouwd zonder bij de betrokken persoon direct en persoonlijk inlichtingen te vragen of hem in de gelegenheid (te stellen) stukken over te leggen die naar zijn oordeel zijn voorstelling van de feiten geloofwaardig maken; (...) Dat de Minister wel stelt dat Kestens Montage en Kestens Gas een milieutechnische eenheid lijken te vormen, doch dat het aanvraagdossier onvoldoende gegevens bevat inzake de activiteiten van de NV KESTENS MONTAGE. Dat de Bestendige Deputatie daarentegen in haar beslissing op pagina 3 stelde: ‘Dat deze operationele samenhang niet belet dat de aanvraag van Kestens Gas beoordeeld wordt als een aparte entiteit vermits het een afzonderlijke naamloze vennootschap is; dat dit ondermeer voor gevolg heeft dat de aanvraag de afstandsregels van Vlarem II t.o.v. een vreemde inrichting dient te respecteren.' Dat verder de Minister stelt dat dergelijke informatie (gegevens omtrent Kestens Montage) een vereiste is om het risico van de opslagplaats te beoordelen; Dat de Minister het verzoek van verzoekster afwijst terwijl hij moet toegeven dat hij over onvoldoende gegevens beschikt; Dat hij nochtans nadere gegevens had kunnen vragen en krijgen bij het horen van verzoekster; Dat in plaats om in te gaan op het verzoek van verzoekster om gehoord te worden, hij eenvoudigweg op basis van afwezigheid van (volgens hem vereiste) informatie, is overgegaan tot het afwijzen van het beroep; Dat zulke houding bezwaarlijk als behoorlijk bestuur kan worden ervaren; Dat de Overheid haar beslissing moet baseren op feiten waarvan ze zich genoegzaam heeft vergewist dat ze er een correcte voorstelling van heeft; Dat verweerster medio pagina drie van haar memorie van antwoord, stelt : '...zodat de overheid al de relevante gegevens om te beslissen reeds kende'. Dat zulks totaal in tegenspraak en op generlei wijze te verzoenen is met hetgeen hierboven werd uiteengezet; Dat tenslotte verzoekster nog laat opmerken dat indien verweerster verzoekster niet persoonlijk wenste te horen, zij minstens het aangetekend VII-17.772-5/8 verzoek om gehoord te worden had moeten overmaken aan de Voorzitter van de gewestelijke milieuvergunningscommissie; Dat indien verzoekster had gehoord geworden, de door de Minister gevraagde inlichtingen hadden kunnen gegeven worden; Dat het algemeen rechtsbeginsel van de hoorplicht manifest geschonden is"; 2.2. Beoordeling 2.2.1. Overwegende dat de uiteenzetting van het middel duidelijk te kennen geeft dat -en hoe- de hoorplicht wordt geschonden geacht door de verzoekende partij, zoals dat overigens blijkt uit het “in ondergeschikte orde” ontwikkelde verweer van de verwerende partij; dat er geen twijfel of onduidelijkheid bestaat over de strekking van het aangevoerde middel, zodat de exceptie van de verwerende partij niet kan worden aangenomen; 2.2.2. Overwegende dat artikel 13, § 3, derde lid, van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning bepaalt dat “op zijn verzoek de aanvrager wordt gehoord door de commissies bedoeld in § 1 en § 2", zijnde respectievelijk de provinciale en de gewestelijke milieuvergunningscommissie; dat blijkens het bepaalde in artikel 28, § 4, van Vlarem I de aanvrager van de milieuvergunning dit verzoek moet indienen “uiterlijk twintig kalenderdagen na de datum van de verzending van de kennisgeving tot ontvankelijkheid van het beroep bedoeld in artikel 52, 1/, c)”, en dat luidens diezelfde bepaling dat verzoek schriftelijk dient gericht te worden tot de voorzitter van de gewestelijke milieuvergunningscommissie; 2.2.3. Overwegende dat de verwerende partij niet betwist dat de raadsman van de verzoekende partij -zoals reeds gesteld sub 1.6- op 18 augustus 1998, en dus tijdig, een verzoek om te worden gehoord heeft gericht aan de “Gemeenschapsminister voor Leefmilieu en Tewerkstelling - Afdeling Milieuvergunningen” op het adres “Belliardstraat 4-6 te 1040 Brussel”; dat evenmin wordt betwist dat de verzoekende partij niet werd gehoord; dat aldus vaststaat dat het decretaal aan de vergunningsaanvrager toegekende hoorrecht werd miskend, zodat het bestreden besluit, dat met de miskenning van dat recht tot stand is gekomen, onwettig is; dat het argument van de verwerende partij dat via het ingediende beroepschrift haar reeds alle relevante gegevens bekend waren om tot een uitspraak over het beroep te kunnen komen en het horen van de exploitant in de gegeven context niets kon bijbrengen, niet dienend is om deze vaststelling te ontkrachten; dat immers de op de beroepsinstantie rustende verplichting om op een door de vergunningsaanvrager geformuleerd verzoek om gehoord te worden in te VII-17.772-6/8 gaan, die beroepsinstantie niet toelaat zelf te beoordelen of dat verzoek wel zinvol is; dat overigens slechts op het ogenblik dat de aanvrager van de vergunning effectief wordt gehoord kan blijken of het hoorrecht aangegrepen wordt om nieuwe of meer uitgewerkte argumenten te ontwikkelen; dat, ten slotte, wat betreft de opmerking van de verwerende partij dat het verzoek om gehoord te worden in casu aan de Minister en niet aan de voorzitter van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie werd gericht, kan opgemerkt worden dat de verwerende partij niet betwist dat het verzoek verstuurd werd aan het adres van de afdeling Milieuvergunningen waar ook de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie gevestigd is; dat het schrijven van 18 augustus 1998 van de verzoekende partij niet anders dan beschouwd kan worden als een vraag om gehoord te worden in het kader van de administratieve beroepsprocedure; dat de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie aan dat verzoek passend gevolg diende te geven; dat het middel gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van 16 december 1998 van de Vlaamse minister van leefmilieu en tewerkstelling waarbij het beroep van de n.v. KESTENS GAS tegen het besluit van 9 juli 1998 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant houdende weigering van de vergunning voor het exploiteren van een gasopslagplaats gelegen te Tienen, Industriepark 45, ongegrond wordt verklaard en het beroepen besluit wordt bevestigd. Artikel 2. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. VII-17.772-7/8 Artikel 3. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig november tweeduizend en zes, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-17.772-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.189 Gerelateerde publicatie(
  2. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1999:ARR.80.145 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.