id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.190 Rolnummer: A. 94540/VII-22425 Zaak: Arrest 165190 - - 28/11/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-12-08 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-01 10:22 Fiche Arrest nr 165.190 van 28 november 2006 - Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 165.190 van 28 november 2006 in de zaak A. 94.540/VII-22.425. In zake : de v.z.w. LAGERE SECUNDAIRE BEROEPSSCHOOL VOOR BUITENGEWOON ONDERWIJS-JONGENS-MEISJES, die woonplaats kiest bij advocaat G. VAN DEYCK, kantoor houdende te MECHELEN, Lakenmakersstraat 42 tegen : de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (R.S.Z.), die woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te BRUGGE, Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46, bus 1. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de v.z.w. LAGERE SECUNDAIRE BEROEPSSCHOOL VOOR BUITENGEWOON ONDERWIJS-JONGENS- MEISJES op 11 augustus 2000 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 27 juni 2000 van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, met name "inzoverre (
- de)RSZ alsdan weigerde over te gaan tot ontheffing/kwijtschelding van de gevorderde intresten"; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de beschikking van 9 januari 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; VII-22.425-1/12 Gelet op de beschikking van 15 september 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 oktober 2006; Gehoord het verslag van staatsraad R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat G. VAN DEYCK, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat I. VERHELLE die, loco advocaat B. STAELENS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Feiten Overwegende dat de feitelijke gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. De verzoekende partij organiseert een lagere secundaire beroepsschool voor buitengewoon onderwijs. Zij stelt onder meer een aantal busbegeleiders tewerk. 1.2. Voor de immatriculatie van de personeelsleden van de verzoekende partij bij de verwerende partij gold het kengetal 074. Met een brief van 4 november 1994 laat de dienst immatriculatie van de verwerende partij aan het sociaal bureau van de verzoekende partij weten dat haar vanaf 1 april 1994 de werkgeverscategorie 198 werd toegekend. Dientengevolge zou de inschrijving van de verzoekende partij als werkgever zich voortaan voordoen als volgt : categorie 074 voor het onderwijs, categorie 198 voor de busbegeleiding. Op 6 juni 1997 ontvangt het sociaal secretariaat van de verzoekende partij van de verwerende partij (directie immatriculatie) evenwel het bericht dat vanaf 1 april 1997 de werkgeverscategorie 198 terug geschrapt werd, zodat haar terug de werkgeverscategorie 074 werd toegekend. 1.3. In een brief van 16 augustus 1998 deelt de sociale inspectie aan de verzoekende partij evenwel mee dat de prestaties van de busbegeleiders die allen met VII-22.425-2/12 de school zelf verbonden zijn (geweest) door een arbeidsovereenkomst, onderworpen zijn aan alle regelingen van de sociale zekerheid, met inbegrip van de wetgeving op de jaarlijkse vakantie. De sociale inspectie wijst er op dat vanaf het tweede kwartaal 1994 tot en met het eerste kwartaal 1997 het vakantiegeld van de busbegeleiders berekend werd volgens dezelfde modaliteiten als deze die gelden voor het statutair personeel, hetgeen evenwel in strijd is met de wetgeving op de jaarlijkse vakantie. De sociale inspectie maakt haar standpunt kenbaar aan de verzoekende partij, waarbij deze wordt opgedragen de aangifte van loon- en arbeidstijdgegevens van de prestaties van de busbegeleiders ook voor de periode vanaf het tweede kwartaal 1994 tot en met het eerste kwartaal 1997 onder de correcte werkgeverscategorie te boeken, zodat de wetgeving op de jaarlijkse vakantie voor de werknemers ook voor die periode kan toegepast worden. 1.4. Hierop volgt een bericht van wijziging van de R.S.Z.-bijdragen met betrekking tot de kwartalen 02/94 - 01/95, doch het sociaal secretariaat van de verzoekende partij vraagt in een schrijven van 21 augustus 1998, gericht aan de dienst immatriculatie van de verwerende partij, om dit ongedaan te maken. 1.5. Op 2 september 1999 worden aan de verzoekende partij rekeninguittreksels gezonden met de nog verschuldigde bedragen aan bijdragen, bijdrageopslagen en intresten. 1.6. In een brief van 7 oktober 1999, gericht aan de verwerende partij, deelt de raadsman van de verzoekende partij mee wat volgt : "Ik ben de raadsman van de VZW Lagere Secundaire Beroepsschool voor Buitengewoon Onderwijs, St. Janstraat 6 te 2800 Mechelen. Tussen partijen is een geding hangende voor de arbeidsrechtbank Mechelen, thans voor behandeling vastgesteld ter zitting van 19 januari 2000. Het betreft een vordering uit hoofde van 'regularisatie' van de periode 1994- 1999, waaromtrent kliënte evenwel voor 100 % in aanmerking kwam voor subsidiëring. In die optiek werden de bijdragen dan ook voldaan, begin juni 1999, na uitbetaling door de subsidiërende overheid, zijnde de Vlaamse Gemeenschap. In bijlage laat ik U dan ook een verzoekschrift toekomen doelende op het bekomen van vrijstelling van bijdrageopslagen en rente, conform o.m. art. 55 van het K.B. 28.11.1969. Tevens bijgevoegd een dossier overtuigingsstukken, waaronder de originele attesten B.304, waaruit U kan afleiden dat de subsidies werden uitbetaald aan kliënte op 4 juni en vervolgens op 6 juni 1999 aan U de bijdragen werden voldaan. Ik verzoek U bij deze dan ook een gunstig gevolg te verlenen aan bijgaand verzoekschrift. In afwachting van Uw beslissing, verblijf ik". VII-22.425-3/12 1.7. Met een brief van 11 mei 2000, gericht aan de raadsman van de verzoekende partij, deelt de verwerende partij mee wat volgt : "Betreft : Lagere Secundaire Beroepsschool voor Buitengewoon Onderwijs VZW uw verzoek om kwijtschelding van de aangerekende bijdrageopslagen en intresten Meester , Wij melden u ontvangst van uw hogervermeld schrijven, waarbij u ons mededeelt dat uw cliënt schuldvorderingen heeft op overheidsdiensten. Ten einde ons toe te laten na te gaan of de VZW kan genieten van de beschikkingen voorzien bij artikel 55, paragraaf 3, 1/ van het Koninklijk besluit van 28 november 1969, die volledige kwijtschelding van de bijdrageopslagen voorzien, verzoeken wij u ons onverwijld een attest te laten geworden van elke overheidsdienst, opgesteld volgens bijgevoegd model. Dit attest moet vervolledigd en ondertekend worden door de bevoegde ambtenaar, en voorzien van de stempel van de overheidsdienst in kwestie. Gelieve ons tevens een kopie van de publicatie van de statuten van de VZW in het Belgisch staatsblad te bezorgen. Voor wat betreft uw verzoek om kwijtschelding van de aangerekende intresten delen wij u mede dat de Rijksdienst geen vermindering van de intresten toestaat aangezien de verhouding van de intresten berekend op de socialezekerheidsbijdragen en de intresten aangerekend door de banksector zodanig is, dat ingaan op dergelijk verzoek zou neerkomen op het aanmoedigen van de niet-betaling van de socialezekerheidsbijdragen. Uitzondering wordt gemaakt in het geval van overmacht, en in het geval van toepassing van artikel 55, § 3, 1/ van het Koninklijk besluit van 28.11.1969 (d.w.z. zo de werkgever, op het ogenblik dat de socialezekerheidsbijdragen eisbaar werden, een vaste en eisbare schuldvordering bezat op een overheidsinstelling zoals bedoeld in dit artikel en hiervan het bewijs werd geleverd), mits de werkgever bewijst dat hij zijn socialezekerheidsbijdragen betaald heeft binnen de maand volgend op de betaling van de schuldvordering door de betrokken overheidsdienst(en). In dit laatste geval betreft het slechts een gedeeltelijke ontheffing (20 %) van de aangerekende intresten. Het tijdig doorstorten dient bewezen te worden aan de hand van kopieën van bank en/of postrekeninguittreksels. Tenslotte vestigen wij er uw aandacht op dat in toepassing van artikel 55 van het Koninklijk besluit d.d. 28.11.1969 een kwijtschelding van de bijdrageopslagen slechts overwogen kan worden indien voorafgaandelijk alle verschuldigde bijdragen aangezuiverd werden". 1.8. Met een brief van 5 juni 2000, gericht aan de verwerende partij, schrijft de raadsman van de verzoekende partij wat volgt : "Uw brief van 11 mei jl. Staat U mij toe op te merken dat de inhoud ervan mij verbaast nu de stukken waarnaar U verwijst U tesamen met het verzoekschrift dd. 7 oktober 1999 toekwamen. Hoe dan ook, in bijlage vindt U opnieuw kopijen van de attestaties gedateerd op 22 september 1999. Eveneens in bijlage kopij van de statuten van mijn kliënte. Ingaande op de problematiek van de eventuele kwijtschelding van rente moet ik U opmerken dat de achterstallige rsz-bijdragen, opslagen en renten, gevorderd VII-22.425-4/12 worden op grond van het feit dat R.S.Z. in het verleden een verkeerde code had toegekend zoals blijkt uit de motivering van het verzoekschrift dat U toekwam op 7 oktober 1999. Graag werd ik dan ook in kennis gesteld van uw beslissing i.v.m. het verzoek tot kwijtschelding van de aangerekende bijdragen, opslagen en renten". 1.9. Met een brief van 27 juni 2000 wordt de thans bestreden beslissing aan de verzoekende partij betekend. Deze luidt als volgt : "Betreft : LAGERE SECUNDAIRE BEROEPSSCHOOL VOOR BUITENGEWOON ONDERWIJS VZW uw verzoek om kwijtschelding van de aangerekende bijdrageopslagen Meester, Wij brengen u hiermede ter kennis dat steunend op artikel 55, paragraaf 3,1/ van het Koninklijk besluit van 28 november 1969, volledige ontheffing (100%) wordt verleend van de aangerekende bijdrageopslagen voor : - de eerste wijziging van het tweede kwartaal 1994; - de tweede wijziging van het derde kwartaal 1994; - de eerste wijziging van het vierde kwartaal 1994; - de eerste wijziging betreffende de jaarlijkse vakantiebijdrage dienstjaar 1994; - de eerste wijziging van het dienstjaar 1995; - de tweede wijziging betreffende de jaarlijkse vakantiebijdrage dienstjaar 1995; - de eerste wijziging van het dienstjaar 1996; - de eerste wijziging betreffende de jaarlijkse vakantiebijdrage dienstjaar 1996; - de eerste wijziging betreffende het eerste kwartaal 1997; - de eerste wijziging betreffende de jaarlijkse vakantiebijdrage dienstjaar 1997. Deze ontheffing berust op de vorderingen vermeld in de derde kolom van bijlage 1. De nieuwe stand van de rekening, in uitvoering van deze beslissing, zal uw cliënt worden medegedeeld. Indien hieruit een debetsaldo blijkt, verzoeken wij u uw cliënt aan te manen het verschuldigde bedrag binnen de maand te willen storten op postrekening nr. (...) met vermelding op de betaalstrook van het inschrijvingsnummer. Voor wat betreft uw verzoek om kwijtschelding van de intresten verwijzen wij naar ons schrijven d.d. 11.5.2000. Ingeval u meent dat de met dit schrijven meegedeelde beslissing een onjuiste toepassing van de hierboven aangehaalde wettelijke bepalingen zou inhouden, kan een beroep tot nietigverklaring worden aangetekend bij de Raad van State. Het verzoek tot nietigverklaring moet in voorkomend geval aangetekend worden verstuurd aan de Raad van State, Wetenschapsstraat 33 te 1040 BRUSSEL, binnen 60 dagen na deze kennisgeving"; 2. Ontvankelijkheid van het beroep 2.1.1. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord in een eerste exceptie het volgende opwerpt : "II.1. De verzoekende partij draagt als benaming VZW SINT-JANSHOF BUITENGEWOON ONDERWIJS. Deze VZW is door verwerende partij niet gekend. Omtrent deze VZW bestaat evenmin enige publicatie in het Belgisch Staatsblad. VII-22.425-5/12 Wel bestaat de VZW 'Vrienden van het Sint-Janshof', eveneens met zetel te 2800 MECHELEN, Sint-Jansstraat 6. Deze VZW heeft tot doel de gehandicaptenzorg in de regio Mechelen te verzorgen door initiatieven te nemen ter ondersteuning van het Sint-Janshof, de vrije school voor buitengewoon secundair onderwijs te Mechelen. In elk geval is de verzoekende partij niet degene aan wie (
- de)beslissing is gericht. De beslissing betreft de VZW LAGERE SECUNDAIRE BEROEPSSCHOOL VOOR BUITENGEWOON ONDERWIJS (...) - JONGENS - MEISJES. De vordering van verzoekende partij is onontvankelijk. De verzoekende partij is niet de adressant van de betwiste beslissing. De verzoekende partij heeft dus geen belang"; Overwegende dat de verzoekende partij hierop in haar memorie van wederantwoord repliceert : "Men houdt voor dat de exacte benaming van de V.Z.W. de navolgende is : LAGERE SECUNDAIRE BEROEPSSCHOOL VOOR BUITENGEWOON ONDERWIJS - jongens/meisjes, St-Janstraat 6 te 2800 Mechelen. De naam die gebezigd wordt in de procedure is V.Z.W. SINT- JANSHOF BUITENGEWOON SECUNDAIR ONDERWIJS, St-Janstraat 6 te 2800 Mechelen. De V.Z.W. wordt gemeenzaam genoemd SINT-JANSHOF zoals ondermeer blijkt uit het document inhoudende de beslissing van de inrichtende macht om een annulatieberoep in te dienen bij de Raad van State gedateerd 1 augustus 2000. In alle briefwisseling met tegenpartij wordt bovendien diezelfde naam gebezigd die thans in de procedure wordt aangewend. Ook is het zo dat het aanvankelijke verzoekschrift gericht aan het beheerscomité van R.S.Z. en inhoudende de vraag tot vrijstelling van bijdragen, opslagen en verwijlrente, uitgaat van de V.Z.W. SINT-JANSHOF BUITENGEWOON SECUNDAIR ONDERWIJS, althans op die manier verwoord. Dat destijds n.a.v. de beslissing van het beheerscomité (in eerste aanleg) geen exceptie van onontvankelijkheid werd opgeworpen, zodoende minstens dient opgemerkt dat waar dergelijke exceptie niet in limine litis werd opgeworpen, ze thans niet toelaatbaar is. Dat bovendien uit alle briefwisseling tussen partijen blijkt dat beide benamingen door elkaar worden gebezigd hetgeen evenwel niet voor gevolg kan hebben dat een vordering zoals thans gesteld ontoelaatbaar wordt verklaard. Concluante is wel degelijk de geviseerde V.Z.W. Zij heeft ten andere de statuten van haar V.Z.W. neergelegd n.a.v. het annulatieberoep. Het betreft meerbepaald stuk nr. 16 inhoudende de publicatie bijlage Belgisch Staatsblad dd. 28.11.1963 waaruit de identiteit van de verzoekende partij blijkt. Niet alleen in briefwisseling tussen partijen maar ook in de procedurestukken wordt derhalve de benaming V.Z.W. SINT-JANSHOF BUITENGEWOON SECUNDAIR ONDERWIJS gebezigd. Dit betreft niet alleen het aanvankelijke verzoekschrift gericht aan het beheerscomité waartegen thans een annulatieberoep hangende is maar ook stukken die verband houden met de procedure thans hangende voor de Arbeidsrechtbank te Mechelen waarbij R.S.Z. overging tot dagvaarding in betaling van bijdragen, bijdragen-opslagen en rente ten overstaan van de V.Z.W. VII-22.425-6/12 Ook dit blijkt uit het geïnventorieerde bundel stukken dat gehecht werd aan het annulatieberoep. In zoverre de Raad van State zou oordelen, quod non, dat de ingeroepen onontvankelijkheid niet in limine litis diende opgeworpen n.a.v. de procedure gevoerd voor het beheerscomité R.S.Z, dient gesteld dat R.S.Z. minstens een belangenschade in haren hoofde dient aan te tonen vooraleer een dergelijke exceptie een kans op slagen zou bieden. R.S.Z. toont een dergelijke belangenschade niet aan hetgeen ondermeer moge blijken uit het door haar gevoerde verweer en meerbepaald de inhoud van haar memorie van antwoord. Het argument faalt derhalve naar recht"; 2.1.2. Overwegende dat uit de gegevens van de zaak afdoende blijkt dat het verzoekschrift is ingediend door de v.z.w. "Lagere Secundaire Beroepsschool voor Buitengewoon Onderwijs - Jongens - Meisjes", die de adressaat is van de bestreden beslissing; dat noch de rechten van verdediging van de verwerende partij, noch de eisen van een behoorlijke procesvoering, zijn geschonden door de onnauwkeurige vermelding door de verzoekende partij van haar benaming; dat de exceptie wordt verworpen; 2.2.1. Overwegende dat de verwerende partij een tweede exceptie opwerpt, die als volgt is geformuleerd in haar memorie van antwoord : "II.2. Er wordt overigens evenmin een beslissing voorgelegd van de raad van beheer van de VZW tot het instellen van het annulatieberoep. Evenmin wordt aangegeven door welk orgaan verzoekende partij wordt vertegenwoordigd"; Overwegende dat de verzoekende partij hier in haar memorie van wederantwoord op repliceert : "Dat nochtans bij een consultatie van het dossier zou moeten blijken dat een beslissing van de inrichtende macht van de V.Z.W. voorligt gedateerd 1 augustus 2000 waarbij werd beslist een annulatieberoep in te stellen bij de Raad van State"; 2.2.2. Overwegende dat uit de gegevens van de zaak blijkt dat de beslissing om in rechte te treden is genomen namens de inrichtende macht van de verzoekende partij, die krachtens de statuten van die partij ter zake bevoegd is; dat de exceptie wordt verworpen; 2.3. Overwegende dat de verwerende partij in een derde exceptie opwerpt dat in strijd met het algemeen procedurereglement het adres van de verzoekende partij niet is vermeld in het verzoekschrift tot nietigverklaring; VII-22.425-7/12 Overwegende dat het door de verwerende partij bedoelde procedurevoorschrift niet op straffe van nietigheid is opgelegd en ook niet substantieel is; dat noch haar rechten van verdediging, noch de eisen van een goede procesvoering, zijn geschonden door de onzorgvuldigheid van de verzoekende partij; dat de exceptie wordt verworpen; 3. Gegrondheid van het beroep 3.1. Standpunten van de partijen 3.1.1. Overwegende dat de verzoekende partij onder meer aanvoert : "Voor zover aldus de beslissing van 27 juni 2000 geen vrijstelling/kwijtschelding verleende van de rente, gaat verzoekster niet akkoord. Zoals hogerop betoogd is de betaalbaarstelling van de rente, het gevolg van het terugkomen (na verschillende jaren) op een eigen beslissing van RSZ. De rente werd met terugwerkende kracht berekend tot 1994, terwijl RSZ in 1998 haar zgz. 'herzieningsbeslissing' nam. De bijdragen tussen 1994-1997 werden derhalve nooit voorheen gevorderd, zodoende er uiteraard evenmin later met terugwerkende kracht rente over deze bedragen kan gevorderd worden. Dit laatste ook vooral om reden dat de zgz. 'herzieningsbeslissing' van RSZ uitsluitend voor gevolg had dat men een eerder genomen beslissing ivm. de toekenning van kengetallen wou aanpassen, zonder dat verzoekster eigenlijk een impact had op zowel de beslissing waarbij aanvankelijk twee kengetallen werden toegekend als op de latere beslissing waarbij opnieuw slechts één kengetal zou gaan gelden. (...) Bovendien wordt naar mening van verzoekster geen correcte toepassing gemaakt van art. 55 §1, lid 3 KB 28.11.1969, nu tevens op grond van behoorlijk bewezen overmacht, concluante uiteraard onmogelijk haar betalingen kon verrichten voor de kwartalen 1994-1997, waarvoor een regularisatie gold in 1998. Van belang is dat de regularisatie niet het gevolg is van enige handeling hetzij nalaten hetzij een fout in hoofde van verzoekster. Het betreft schijnbaar uitsluitend een 'nieuwe beleidsoptie' gehanteerd door RSZ. Het begrip 'overmacht' zoals hogerop bepaald omschrijft zich als het 'voorkomen van een gebeurtenis die volledig vreemd en onafhankelijk is van de wil van de schuldenaar' (zie en vgl. R.v.St., 7 juni 1990, T.S.R., 1990, 281). Nu de toekenning en later intrekking van een bijkomend immatriculatienummer geen enkele handeling of nalaten van verzoekster voor gevolg had en dus louter een gewijzigde beleidsbeslissing impliceerde, ligt het voor de hand dat deze beleidsbeslissing volledig vreemd en onafhankelijk is van de wil van verzoekster. Zodoende dient haar evenzeer vrijstelling/kwijtschelding van de gevorderde rente verleend"; 3.1.2. Overwegende dat de verwerende partij hierop antwoordt : VII-22.425-8/12 "III.3 De verwerende partij beschikt over een puur discretionaire bevoegdheid bij aanvraag tot kwijtschelding van bijdrageopslagen en intresten. Cfr. Uw arrest nr. 35.062, MPI KIS VZW, 7 juni 1990, waarbij volkomen terecht werd aangegeven dat art. 55 van het K.B. het aan de rijksdienst overlaat om op discretionaire wijze te oordelen of hij al dan niet afziet van de schuldvordering. De verwerende partij heeft het verzoek op uiterst gunstige wijze voor de betrokken VZW beoordeeld, door in toepassing van art. 55 § 2 K.B. 28 november 1969 rekening te houden met de regularisatie en de bijdrageopslagen volledig kwijt te schelden. Er werd ook uiteengezet dat er géén kwijtschelding, ook niet voor een procentueel gedeelte zou verleend worden van de aangerekende intresten aangezien de verhouding van de intresten berekend op de sociale zekerheidsbijdragen en de intresten aangerekend door de banksector zodanig is dat ingaan op dergelijk verzoek zou neerkomen op het aanmoedigen van de niet-betaling van de sociale zekerheidsbijdragen, in het algemeen. Binnen zijn puur discretionaire bevoegdheid, mag de Rijksdienst zich uiteraard zeer strikt opstellen. In het kader van de discretionaire beoordelingsbevoegdheid van de rijksdienst, is dit dus perfect aanneembaar en redelijk motief. Er werd bovendien geoordeeld dat de betrokken VZW geen overmacht bewees om de aangerekende intresten te betalen. Uit géén enkel argument in het verzoekschrift zou kunnen afgeleid worden dat deze motieven als onredelijk zouden kunnen omschreven worden, laat staan als onredelijk zouden kunnen aanzien worden door Uw Raad"; 3.1.3. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord stelt : "R.S.Z. vertrekt fundamenteel vanuit een fout standpunt. Het feit dat een regularisatie diende doorgevoerd was het uitsluitende gevolg van een aanvankelijke foutieve toekenning van het immatriculatienummer door R.S.Z. zelf. Schijnbaar ziet R.S.Z. na een aantal jaren haar eigen fout in en beslist zij over te gaan tot regularisatie. Nu concluant in aanmerking komt voor subsidiëring van het leerlingenvervoer heeft zij dit aan de bevoegde overheid voorgelegd en om evidente redenen subsidiëring bekomen voor de bijdragen voor zover ze betrekking hadden op de te regulariseren periode. Om even evidente reden heeft R.S.Z. dan ook kwijtschelding verleend van de bijdrage-opslagen nu deze uiteindelijk slechts gevorderd werd ingevolge een fout in hoofde van R.S.Z.. De fout van R.S.Z. is onverschoonbaar. Zijzelf ligt aan de basis van de later doorgevoerde regularisatie. Concluante heeft steeds conform aan het haar toegekende immatriculatienummer R.S.Z.-bijdragen betaald. Haar kan dus geen enkel verwijt gemaakt worden. Het argument dat er geen sprake kan zijn van kwijtschelding van de rente om reden dat ingaan op een dergelijk verzoek zou neerkomen op het aanmoedigen van een niet-betaling van sociale zekerheidsbijdragen (zie standpunt R.S.Z.,) raakt derhalve kant noch wal. Het gaat in concreto niet om het aanmoedigen van een niet-betaling van sociale zekerheidsbijdragen (die overigens steeds en stipt werden betaald), doch VII-22.425-9/12 om het feit dat hier een fout van R.S.Z. ter beoordeling voorligt waarbij men zijn eigen beslissing corrigeert en met terugwerkende kracht 'aanvullende' bijdragen vordert. Indien R.S.Z. oordeelt dat zij terzake een puur discretionaire bevoegdheid heeft dan kan hier enkel besloten worden (dat) de uitoefening van een dergelijke discretionaire bevoegdheid neigt naar misbruik van recht en minstens naar een daad van onbehoorlijk bestuur. Het is inderdaad uitgesloten dat R.S.Z. een eigen fout afwentelt op een rechtsonderhorige en een eigen fout tracht te vergoelijken door de verplichte invordering van (hoge) rente ten laste van de rechtsonderhorige die geen enkele fout en/of nalatigheid beging. In die optiek hoeft zelfs geen bewijs geleverd van het feit dat concluante zich bevond in een overmachtsituatie nu de enige basis voor de thans aangerekende rente ligt in een foutieve toekenning van een kengetal door R.S.Z. zelf. Hoe R.S.Z. het dan ook aandurft voor te houden als zouden de door haar ingeroepen motieven bezwaarlijk als onredelijk kunnen worden omschreven is een concreet raadsel"; 3.1.4. Overwegende dat het standpunt dat de verwerende partij in haar laatste memorie inneemt als volgt kan worden samengevat : Een manco in het administratief dossier heeft tot een verkeerde conclusie in het auditoraatsverslag geleid. Door de onduidelijkheid van het middel en omtrent de identiteit van de verzoekende partij, was het niet duidelijk welke stukken moesten worden voorgelegd. Bijdragen moeten op straffe van sanctie tijdig worden betaald, en bij later opgestelde ambtshalve wijzigingen is geen sprake van tijdige betaling in de zin van de wettelijke regeling. In zo'n geval evenwel wordt een bericht van wijziging van de bijdragen verstuurd zonder aanrekening van de bijdrageopslagen of intresten, weze het dat er een voorbehoud wordt geformuleerd. Er werden in casu wijzigende berichten opgestuurd naar de verzoekende partij, en dit zonder bijdrageopslagen of verwijlintresten. Er werd een tolerantietermijn van één of twee maanden toegepast. De verzoekende partij kon dus tijdig betalen. Zij betaalde evenwel te laat. Het niet betalen zonder bijdrageopslagen of intresten door de verzoekende partij is dus duidelijk niet zonder meer een vorm van overmacht. Het feit dat de verzoekende partij geen schuld had aan het wijzigend bericht bewijst uiteraard geen overmacht aangezien dit niet belette dat ze een tijdige betaling kon doen zonder bijdrageopslagen of verwijlintresten. De stelling van het auditoraat dat overmacht niet zou zijn onderzocht is niet verenigbaar met de bewoordingen van de brief van 11 mei 2000. In het aan de verwerende partij gericht verzoekschrift werd enkel verwezen naar subsidies die bijkomend ontvangen moesten worden van de Vlaamse Gemeenschap, en daarbij werd aangegeven dat er zo goed als onmiddellijk betaald werd na VII-22.425-10/12 ontvangst van de bijkomende subsidies. Van overmacht om te betalen na het wijzigingsbericht is in dit verzoek zelfs geen sprake; 3.2. Bespreking Overwegende dat de verzoekende partij om volledige kwijtschelding van de verwijlintresten had verzocht; dat, vermits dergelijke kwijtschelding slechts kan verkregen worden indien overmacht wordt aangenomen, de verwerende partij had moeten onderzoeken of in casu sprake was van overmacht, ook al maakt de verzoekende partij in concreto gewag van door overheidsinstellingen betaalde subsidies, en verleende de verwerende partij volledige ontheffing van bijdrageopslagen op grond van artikel 55, § 3, 1/; dat dit des te meer klemt nu de houding van de verwerende partij, die retroactief haar standpunt wijzigde omtrent de categorie waarin de werknemers moesten worden ingeschreven, minstens mede aan de basis van de achterstallen ligt; dat de bestreden beslissing er niet doet van blijken dat de verwerende partij zelfs maar heeft onderzocht of in casu overmacht kon worden aangenomen; dat hetgeen de verwerende partij in haar laatste memorie doet gelden dit gebrek niet kan verhelpen; dat het middel in die mate gegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt de beslissing van 27 juni 2000 van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid in zoverre het verzoek van de v.z.w. LAGERE SECUNDAIRE BEROEPSSCHOOL VOOR BUITENGEWOON ONDERWIJS- JONGENS-MEISJES om kwijtschelding van de aangerekende intresten wordt afgewezen. Artikel 2. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel 3. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. VII-22.425-11/12 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig november tweeduizend en zes, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-22.425-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.190 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div