id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.191 Rolnummer: A. 107058/VII-24076 Zaak: Arrest 165191 - - 28/11/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-12-08 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-01 10:23 Fiche Arrest nr 165.191 van 28 november 2006 - Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 165.191 van 28 november 2006 in de zaak A. 107.058/VII-24.
- In zake : Joris CAURA, die woonplaats kiest bij advocaat P. D’HOOGHE kantoor houdende te BRUGGE, Altebijstraat 21 tegen : de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, die woonplaats kiest bij advocaat M. van DIEVOET kantoor houdende te BRUSSEL, Boomstraat
- ---------------------------------------------------------------------------------------------------- --- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Joris CAURA op 6 juli 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 9 mei 2001 van de administrateur-generaal van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid "waarbij aan verzoeker slechts in beperkte mate gedeeltelijke kwijtschelding werd toegestaan van aangerekende bijdrageopslagen over de periode 1985 tot 2000 (kwartalen 2/1985 tot 4/2000)"; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op de beschikking van 27 maart 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 15 september 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 oktober 2006; VII-24.076-1/12 Gehoord het verslag van staatsraad R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. HERZEEL die, loco advocaat P. D'HOOGHE verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat T. DE KETELAERE die, loco advocaat M. van DIEVOET verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Feiten Overwegende dat de feitelijke gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- Op 27 maart 2001 vraagt de verzoeker , die een constructiebedrijf uitbaat, met een aangetekende brief om "teruggave van de bijdrageopslagen of een gedeelte daarvan". In deze brief wordt het volgende gesteld : "Volgens uw rek. uittrekstel van 29/01/01 en ons telefonisch onderhoud van 23/3/01 is alles betaald en daarom verzoeken wij U thans om teruggave van de bijdrageopslagen of een gedeelte ervan. Hierbij gevoegd vindt U een volledige detail. Onze moeilijkheden zijn het gevolg geweest van 2 faillissementen, samen 5.000.000 F., nl. in '84 P. Gevens en 16 maanden later N.V. Bépie. (...) Mogen wij u vragen die teruggave te gebruiken voor de bijdragen van het eerste kwartaal samen met de Jaarl. vak. bijdrage, want de inspanning om de R.M.Z. te kunnen betalen is enorm zwaar geweest (...)". De verzoeker legt fiscale attesten van de oninbare schuldvorderingen ingevolge de vermelde faillissementen neer, samen goed voor een bedrag van 4.052.500 BEF. Rekening houdend met intresten en niet leverbare afgewerkte bestellingen, raamt hij het verlies ingevolge de faillissementen op bijna 5.000.000 BEF. 1.
- Volgens de gecorrigeerde staat die de verwerende partij neerlegt, werden aan de verzoeker voor de periode 1985 tot en met 2000, voor 1.830.921 VII-24.076-2/12 BEF bijdrageopslagen aangerekend (naast 1.304.631 BEF verwijlintresten, waarvoor geen ontheffing werd gevraagd). 1.
- Volgens de verzoeker heeft de verwerende partij hem op 26 oktober 1987 in faling gedagvaard. Door de inspanningen van de verzoeker werd deze procedure in faling gedurende meer dan tien jaar telkens uitgesteld en werd deze procedure uiteindelijk beëindigd met een vonnis van doorhaling van 24 september
- De verzoeker kreeg van de verwerende partij een rekeninguittreksel van 29 januari 2001 waaruit bleek dat alle achterstallen (bijdragen, opslagen, intresten) betaald waren, met de handgeschreven mededeling "Het staat u vrij om na betaling der bijdragen ontheffing der bijdrageopslagen aan te vragen". De verwerende partij betwist deze gegevens niet. 1.
- Bij brief van 9 mei 2001 deelt de verwerende partij aan de verzoeker het volgende mee : "Wij brengen u hiermede ter kennis dat ingevolge redenen aangehaald in uw verzoekschrift en steunend op artikel 55, paragraaf 2 van het koninklijk besluit van 28 november 1969, gedeeltelijke ontheffing (50%) werd verleend van de aangerekende bijdrageopslagen voor : - de jaarlijkse vakantiebijdragen dienstjaar 1984; - het tweede, derde en vierde kwartaal 1985; - de jaarlijkse vakantiebijdragen dienstjaar 1985; - het dienstjaar 1986; - het tweede en derde kwartaal 1987; - de eerste wijziging betreffende het derde kwartaal 1987; - het vierde kwartaal
- Voor de andere beboete periodes wijzen wij erop dat de aangehaalde argumenten geen verklaring vormen voor de laattijdigheid van de bijdragen voor deze periodes. Derhalve kan hiervoor geen toepassing gemaakt worden van hogervernoemd artikel. De nieuwe stand van de rekening, in uitvoering van deze beslissing, zal u worden medegedeeld. Indien hieruit een debetsaldo blijkt, dient het nog verschuldigde bedrag binnen de maand te worden gestort op postrekening nr. (...) met vermelding op de betaalstrook van het inschrijvingsnummer. Ingeval u meent dat de met dit schrijven meegedeelde beslissing een onjuiste toepassing van de hierboven aangehaalde wettelijke bepalingen zou inhouden, kan een beroep tot nietigverklaring worden aangetekend bij de Raad van State. Het verzoek tot nietigverklaring moet in voorkomend geval aangetekend worden verstuurd aan de Raad van State, Wetenschapsstraat 33 te 1040 Brussel, binnen 60 dagen na deze kennisgeving". Dit is de bestreden beslissing. De toegekende ontheffing van bijdrageopslagen bedraagt volgens de berekening van de verwerende partij, die zij bij brief van 11 juni 2001 aan de verzoeker overmaakt, 47.368 BEF; VII-24.076-3/12
- Ontvankelijkheid Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord een exceptio obscuri libelli opwerpt omdat de verzoeker niet echt een middel aanduidt en dit middel "danig verwarrend, onduidelijk en inconsistent" is opgesteld; Overwegende dat de verzoeker in zijn memorie van wederantwoord volhardt dat de middelen in het verzoekschrift wel degelijk op duidelijke wijze werden aangeduid; Overwegende dat, hoewel het verzoekschrift niet geheel duidelijk is gesteld, niettemin wel uitdrukkelijk wordt verwezen naar "artikel 55, § 2 van het K.B. van 28 november 1969" en uitdrukkelijk wordt gesteld dat de verwerende partij niet of niet afdoende motiveert waarom zij slechts de zeer beperkte ontheffingen heeft verleend en voor het overige geen toepassing kon maken van de voormelde bepaling; dat hieruit een voldoende duidelijk middel blijkt, waarop de verwerende partij ook in haar memorie van antwoord heeft gerepliceerd; dat de exceptie niet kan worden aangenomen;
- De grond van de zaak 3.
- Standpunten van de partijen 3.1.
- Overwegende dat de verzoeker in zijn verzoekschrift in wezen als enig middel de schending inroept van artikel 55, § 2, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders; dat hij het middel als volgt uiteenzet : "(...) Dat de RSZ in haar schrijven d.d. 09/05/01 (stuk 6, niet aangetekend verstuurd) niet of op volstrekt onvoldoende wijze heeft gemotiveerd waarom zij slechts de bovenvermelde zeer beperkte ontheffingen heeft verleend en ten onrechte stelde dat voor de overige beboete periodes 'derhalve geen toepassing kan worden gemaakt van hogervernoemd artikel' (art. 55, § 2 van het K.B. van 28 november 1969). Dat de 'motivering' of veeleer stelling van de RSZ dat de door verzoeker aangehaalde argumenten 'geen verklaring vormen voor de laattijdigheid van de andere beboete periodes', niet kan aanvaard worden zonder enige motivering (...). VII-24.076-4/12 Dat niet stellig kan betwist worden dat de verleende ontheffingen (beperkt tot 47.368 BEF) in totale wanverhouding staan met de in het verzoek d.d. 27/03/01 aangehaalde en/of de hiernavolgende (door de RSZ gekende) elementen of gegevens :
(1)de door verzoeker ondergane tegenslagen (2 zware faillissementen, ziekte), welke als uitzonderlijke gebeurtenissen dienen beschouwd te worden, volledig vreemd aan de persoon van verzoeker en onafhankelijk van zijn wil en redelijkerwijze niet te voorzien;
(2)de ingevolge deze tegenslagen rechtstreeks geleden verliezen (rechtstreeks verlies ingevolge faillissementen t.b.v. bijna 5 miljoen BEF);
(3)de onrechtstreeks daaruit voortvloeiende verliezen ingevolge het ontstaan van achterstallen t.o.v. diverse schuldeisers (t.o.v. de RSZ alleen reeds betaalde verzoeker miljoenen BEF aan toebehoren en kosten, zijnde intresten, bijdrageopslagen en gerechtskosten, zie 68 p. bijlagen bij stuk 5);
(4)de geleverde inspanningen (o.m. leningen dienen aan te gaan; bv. de saldi kwartalen 2/1999 tem 4/2000 werden deels gefinancierd met een KBC-lening ad 1.473.361 BEF, zodat actueel nog steeds kosten (intresten) dienen gedragen door verzoeker);
(5)de uitzonderlijke inspanningen van verzoeker (van 1987 tot 1998 !) om een faillissement te vermijden (stuk 3);
(6)de goede trouw van verzoeker, zoals trouwens erkend werd door de RSZ in de opeenvolgende procedures voor de Arbeidsrecht bank (in de periode 1986 tot 2000), waarbij door de RSZ telkens werd ingestemd met afbetalingen, en in de procedure dagvaarding faillissement, waarbij vanaf 1987 tot 1998 telkens uitstel werd verleend door de RSZ. Dat al deze gegevens genoegzaam bekend waren aan de RSZ ingevolge de opeenvolgende procedures (diverse procedures Arbeidsrechtbank en procedure dagvaarding in faling lastens verzoeker) in de periode 1985 tot
- Dat de RSZ overigens zelf verzoeker heeft uitgenodigd om ontheffing van de bijdrageopslagen te vragen, dit middels de (handgeschreven) mededeling aan verzoeker op pag. 11 van RU 29/01/01 (stuk 4), als volgt : 'Het staat U vrij om na betaling der bijdragen ontheffing der bijdrageopslagen aan te vragen', wat toch de stellige indruk wekte dat een volledige ontheffing mogelijk was of minstens dat een dergelijk verzoek aangewezen of passend voorkwam. Dat niet kan betwist worden dat de zware financiële verliezen in de periode 1984-1986 tot een opeenvolging van achterstallige betalingen geleid hebben, welke achterstallen een spiraal van nieuwe schulden (intresten, bijdrageopslagen of schadebedingen, gerechtskosten, enz.) hebben doen ontstaan, dit over een periode tot het jaar
- Dat de beperking tot 1986 of 1987 volstrekt arbitrair voorkomt en op geen enkele wijze rekening houdt met de aangehaalde gegevens en de economische realiteit. Dat uit dit alles blijkt dat de beslissing van de RSZ d.d. 09/05/01 niet gemotiveerd en volstrekt arbitrair voorkomt en een schending uitmaakt van de rechten van verzoeker en de bovenvermelde wetsbepalingen en algemene rechtsbeginselen. Dat verzoeker alle bijdragen, intresten, bijdrageopslagen en gerechtskosten m.b.t. de (door de) bestreden beslissing omvatte periodes voldaan heeft en de RSZ voldoende vergoed is geworden voor de laattijdige betalingen door de ontvangen intresten en de helft van de bijdrageopslagen. Dat verzoeker ten bewijze van de gestelde feiten de genummerde en gebundelde stukken overlegt, waarvan hieronder de inventaris wordt opgegeven"; VII-24.076-5/12 3.1.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord betoogt : "(...) 5.
- De schending van artikel 55 §2 van het K.B. van 28 november 1969 & de motiveringsplicht De verzoekende partij beweert op niet ontvankelijke wijze dat de bestreden beslissing op onvoldoende wijze werd gemotiveerd nopens de redenen waarom slechts gedeeltelijke ontheffing van bijdrageopslagen werd verleend. Zij beweert nog dat de verleende ontheffingen in totale wanverhouding staan tot de volgende gegevens die werden aangehaald door de verzoekende partij : Zonder dit toe te lichten, beweert zij nog 'dat de 'motivering' of veeleer stelling van de RSZ dat de door verzoeker aangehaalde argumenten 'geen verklaring vormen voor de laattijdigheid van de andere beboete periodes', niet aanvaard kan worden zonder enige motivering en een schending uitmaakt van bovenvermelde artikel', waarmede waarschijnlijk artikel 55 § 2 van het K.B. van 28 november 1969 wordt bedoeld. Dit standpunt kan niet worden begrepen. De verwerende partij stelt vast dat de bestreden beslissing wel degelijk werd gemotiveerd. Enerzijds wordt rekening houdend met het schrijven van de verzoekende partij van 27 maart 2001 (STUK 2), gedeeltelijke ontheffing van bijdrageopslagen verleend voor de periode 1984 -
- De verzoekende partij blijkt inderdaad te verwijzen naar moeilijkheden in 1984 en korte tijd nadien. Voor het overige worden geen bijdrageopslagen kwijtgescholden, met de volgende motivering : 'Voor de andere beboete periodes wijzen wij erop dat de aangehaalde argumenten geen verklaring vormen voor de laattijdigheid van de bijdragen voor deze periodes. Derhalve kan hiervoor geen toepassing gemaakt worden van hogervernoemd artikel ...' Deze motivering is afdoende, en wordt minstens materieel gedragen door de vaststelling dat de overige bijdrageopslagen van recentere datum zijn, en bijgevolg niet in verband staan met de moeilijkheden van 1984 en kort nadien, waarnaar de verzoekende partij verwijst. In ieder geval wordt de toepasselijkheid van artikel 55 § 2 van het K.B. van 28 november 1969 niet betwist. Deze bepaling stelt het volgende: 'Wanneer de werkgever het bewijs levert dat de niet-betaling van de bijdragen binnen de reglementaire termijnen aan uitzonderlijke omstandigheden is toe te schrijven, kan de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid het bedrag van de bijdrageopslagen met ten hoogste 50 pct. en het bedrag van de nog verschuldigde verwijlintresten met ten hoogste 25 pct. verminderen. Dit kan hij nochtans enkel nadat de werkgever alle vervallen sociale-zekerheidsbijdragen heeft betaald.' VII-24.076-6/12 Meteen staat vast waarom slechts gedeeltelijke ontheffing van bijdrageopsla- gen werd verleend. De verwerende partij zou het voormelde artikel overtreden wanneer zij meer dan 50 % ontheffing zou toekennen. Aangezien artikel 55 §2 van het K.B. van 28 november 1969 kennelijk een uitzonderingsregel is, en derhalve strikt dient te worden geïnterpreteerd - en niet zozeer geapprecieerd -, beschikt de verwerende partij terzake niet over ruime discretionaire bevoegdheden. Bijgevolg kan worden volstaan met een beknopte, doch pertinente motivering"; 3.1.
- Overwegende dat de verzoeker in zijn memorie van wederantwoord repliceert : "
- Schending van de motiveringsplicht en art. 55 §2 van het K.B. van 28 november
- Verwerende partij weerlegt in haar memorie van antwoord geenszins dat zij manifest is tekort geschoten in de op haar rustende motiveringplicht en dat haar beslissing d.d. 09/05/2001 een schending uitmaakt van de motiveringplicht en art. 55 § 2 van het K.B. van 28 november
- In haar schrijven d.d. 09/05/01 (stuk 6, niet aangetekend verstuurd) heeft de verwerende partij niet (of op volstrekt onvoldoende wijze) gemotiveerd waarom zij slechts de bestreden zeer beperkte ontheffingen heeft verleend, en waarbij zij ten onrechte stelde dat voor de overige beboete periodes 'derhalve geen toepassing kan worden gemaakt van hogervernoemd artikel' (art. 55, §2 van het K.B. van 28 november 1969). De aangevoerde reden ('de aangehaalde argumenten vormen geen verklaring voor de andere beboete periodes', hetzij het kwartaal 1/87 en alle kwartalen vanaf 1998) is geen 'motivering', doch veeleer of louter een 'stelling' van de RSZ. De verwerende partij gaat niet of nauwelijks in op de door verzoeker in het verzoekschrift uiteengezette gegevens, minstens weerlegt zij niet de relevantie en de gegrondheid ervan. Dat niet stellig kan betwist worden dat de verleende ontheffingen (beperkt tot 47.368 BEF van een totaal ad 1.905.609 BEF !! aan betaalde bijdrageopslagen) in totale wanverhouding staan met de in het verzoek d.d. 27/03/01 (m.i.v. de bijlagen) aangehaalde en/of de hiernavolgende (door de RSZ genoegzaam gekende) elementen of gegevens :
(1)de door verzoeker ondergane tegenslagen (2 zware faillissementen, ziekte), welke als uitzonderlijke gebeurtenissen dienen beschouwd te worden, volledig vreemd aan de persoon van verzoeker en onafhankelijk van zijn wil en redelijkerwijze niet te voorzien; Ten onrechte houdt de verwerende partij in haar memorie voor dat verzoeker enkel moeilijkheden had 'in 1984 en korte tijd nadien' en/of dat de gevolgen van de faillissementen slechts beperkt bleven tot
- Vooreerst dateren de aangehaalde falingen van respectievelijk 26/03/1984 (stuk 1) en 13/10/1996 (stuk 2), wat dus een ruimere periode dekt dan '1984 en kort nadien'. Dat niet kan betwist dat deze tegenslagen aan uitzonderlijke omstandigheden waren toe te schrijven, doch bovenal dat deze tegenslagen dusdanig ernstig waren dat zij repercussies hebben gehad tot en met
- Dit totaal verlies betrof een veelvoud van de in die jaren betaalde sociale bijdragen (zie bijlagen bij stuk 5, bvb. over 1986 totaal aan bijdragen van ong. 500.000 BEF), wat voldoende op de enorme ernst/grootte van de financiële tegenslag voor de specifieke handelsactiviteiten van verzoeker wijst. VII-24.076-7/12
(2)de ingevolge deze tegenslagen rechtstreeks geleden verliezen (rechtstreeks verlies ingevolge faillissementen t.b. v. bijna 5 miljoen BEF); De verwerende partij betwist de ernst van dit financieel verlies niet, doch weigert de relevantie ervan te erkennen.
(3)de onrechtstreeks daaruit voortvloeiende verliezen ingevolge het ontstaan van achterstallen t.o.v. diverse schuldeisers (t.o. v. de RSZ alleen reeds betaalde verzoeker MILJOENEN BEF aan toebehoren en kosten, zijnde intresten, bijdrageopslagen en gerechtskosten, zie 68 p. bijlagen bij stuk 5); Andermaal blijkt dat de verwerende partij bij haar beslissing dd. 09/05/01 duidelijk geen rekening heeft gehouden met de uit de bijlagen blijkende gegevens.
(4)de geleverde inspanningen (o.m. leningen dienen aan te gaan; bv. de saldi kwartalen 2/1999 tem 4/2000 werden deels gefinancierd met een KBC-lening ad 1.473.361 BEF, zodat actueel nog steeds kosten (intresten) dienen gedragen door verzoeker) ; De spiraal van opeenvolgende RSZ-achterstallen werd uiteindelijk gestuit (of opgelost) in 2000-2001 met een KBC-lening, wat niettemin inhoudt dat verzoeker actueel nog steeds de gevolgen draagt. De RSZ negeert volledig dit relevant gegeven.
(5)de uitzonderlijke inspanningen van verzoeker (van 1987 tot 1998!) om een faillissement te vermijden (stuk 3); De verwerende partij negeert volledig dit uiterst belangrijke gegeven. Uit het feit dat in de procedure faillissement telkens uitstel werd verleend, blijkt voldoende dat de RSZ toen wel aanvaardde dat verzoeker ongelukkig en ter goeder trouw was.
(6)de goede trouw van verzoeker, zoals trouwens erkend werd door de RSZ in de opeenvolgende procedures voor de Arbeidsrechtbank (in de periode 1986 tot 2000), waarbij door de RSZ telkens werd ingestemd met afbetalingen, en in de procedure dagvaarding faillissement, waarbij vanaf 1987 tot 1998 telkens uitstel werd verleend door de RSZ. Om onbegrijpelijke redenen werd de goede trouw van verzoeker bij de beslissing tot ontheffing opeens blijkbaar niet meer weerhouden. Verzoeker herhaalt en benadrukt dat al deze gegevens genoegzaam bekend waren aan de RSZ ingevolge de opeenvolgende procedures (diverse procedures Arbeidsrechtbank en procedure dagvaarding in faling lastens verzoeker) in de periode 1985 tot 2000, en deze gegevens ook bleken uit de 68 p. bijlagen bij het verzoek dd. 27/03/2001 (stuk 5). Dat de RSZ overigens zelf verzoeker heeft uitgenodigd om ontheffing van de bijdrageopslagen te vragen, dit middels de (handgeschreven) mededeling aan verzoeker op pag. 11 van RU 29/01/01 (stuk 4), als volgt : 'Het staat U vrij om na betaling der bijdragen ontheffing der bijdrageopslagen aan te vragen', wat toch de stellige indruk wekte dat een volledige ontheffing mogelijk was of minstens dat een dergelijk verzoek aangewezen of passend voorkwam. Dat daarbij door de RSZ trouwens tevens de indruk werd gewekt dat een volledige ontheffing (i.p.v. 50 %) mogelijk was, en zij in haar beslissing geen enkele motivering gaf waarom slechts 50 % werd toegekend. Dat uit dit alles blijkt dat niet kan betwist worden dat de zware financiële verliezen in de periode 1984-1986 tot een opeenvolging van achterstallige betalingen geleid hebben, welke achterstallen een spiraal van nieuwe schulden (intresten, bijdrageopslagen of schadebedingen, gerechtskosten, enz.) hebben doen ontstaan, dit over een periode tot en met het jaar
- Dat de beperking tot 1986 of 1987 derhalve volstrekt arbitrair voorkomt en op geen enkele wijze rekening houdt met de aangehaalde gegevens en de economische realiteit. VII-24.076-8/12 Dat de RSZ er voor de andere beboete periodes toe gehouden was relevante redenen aan te duiden (= waarom) i.p.v. zich te beperken tot te stellen dat het geen waar is of niet zo is (zie niet volledig gelijkluidende rechtspraak, doch wel relevant, zie bvb. : R.v.St., 21 januari 1987, J.L.M.B., 1987, 1051, met noot Martens P.). Ten onrechte stelt de verwerende partij in haar memorie van antwoord dat art. 55 §2 een uitzondering(s)regel is en zij niet over ruime discretionaire bevoegdheden beschikt, waardoor een beknopte, doch pertinente (quod non in casu) motivering kan volstaan. Uit art. 55 § 2 ('kan', mits bewijs van uitzonderlijke omstandigheden) blijkt geenszins dat de RSZ over geen zekere vrije beoordeling macht beschikt (zie ook R.v.St., nr. 35.062, 7 juni 1990, T.S.R., 1990, 281) en bovenal ongegrond is de daarbij door de verwerende partij gemaakte deductie dat een beknopte, doch pertinente motivering kan volstaan. Wanneer het bestuur een ruime discretionaire bevoegdheid heeft, zal de motivering op meer stricte wijze beoordeeld worden (Arbrb. Gent, 25 februari 1993, Soc. Kron., 1995, 484-487, noot). De RSZ kan niet ontkennen (zie ook gelijkheid(s)beginsel) dat zij zich in casu niet ernstig heeft gekweten van de op haar rustende motiveringplicht, en bewijst geenszins dat zij voor elke vraag tot ontheffing dezelfde maatstaven hanteert. Ondergeschikt, dient er op gewezen dat de motivering van de RSZ geen enkele verklaring bevat voor de weigering tot ontheffing voor het kwartaal 1/87 (alsmede de jaarlijkse vakantiebijdragen 1987), waar voor de kwartalen 2-4/1987 wel ontheffing werd verleend ...
- Schending van de algemene rechtsbeginselen (o.m. behoorlijk bestuur, gelijkheidsbeginsel, motiveringplicht). Verzoekende partij volhardt dat bij de bestreden beslissing tevens de algemene rechtsbeginselen (o.m. behoorlijk bestuur, gelijkheidsbeginsel, motiveringplicht) werden geschonden. Verzoeker benadrukt dat de RSZ verzoeker zelf heeft uitgenodigd om ontheffing van de bijdrageopslagen te vragen, dit middels de (handgeschreven) mededeling aan verzoeker op pag. 11 van RU 29/01/01 (stuk 4), als volgt : 'Het staat U vrij om na betaling der bijdragen ontheffing der bijdrageopslagen aan te vragen'. Dat deze uitnodiging toch de stellige indruk wekte dat een volledige ontheffing van de aangerekende bijdrageopslagen mogelijk was of minstens dat een dergelijk verzoek aangewezen of passend voorkwam. Ook tijdens een telefonisch onderhoud dd. 23/03/2001 met de diensten van de RSZ (zie stuk 5) werd deze stellige mogelijkheid niet tegengesproken, noch werd verzoeker er op gewezen dat zijn verzoek bijzonder gemotiveerd diende te zijn, onverminderd het feit dat de RSZ uiteraard zelf perfect op de hoogte was van de jarenlange procedures (talloze procedures arbeidsrechtbank en procedure dagvaarding faillissement, pas beëindigd in 1998 - stuk 3). Dat de houding van de RSZ ontegensprekelijk indruist tegen de beginselen van behoorlijk bestuur. De verwerende partij was door de jarenlange procedures perfect op de hoogte van de financiële situatie van verzoeker, doch heeft dit volstrekt genegeerd, nu daaromtrent niets in de motivering in de bestreden beslissing is terug te vinden. Tevens kan niet redelijk aangenomen worden dat de verwerende partij voor iedereen dermate streng oordeelt als in het dossier van verzoeker (cf. slechts ontheffing voor 47.368 BEF van een totaal ad 1.905.609 BEF betaalde bijdrageopslagen, hetzij ongeveer 1/40ste ...), wat een schending van het gelijkheid(s)beginsel uitmaakt. Tenslotte dient er op gewezen dat de motiveringplicht niet alleen sinds lang aanvaard wordt als rechtsbeginsel van behoorlijk bestuur (R.v.St. nr. 16.468, VII-24.076-9/12 13 juni 1974, Arr. R.v. St., 1974, 648), doch tevens uitdrukkelijk wettelijk werd geregeld (Wet Motivering Bestuurshandelingen 29/07/91, zie o.m. art. 1-3). Met deze wet werd de van oudsher bestaande materiële motiveringsplicht van het bestuur aangevuld met een formele motiveringplicht (VAN ORSHOVEN P., 'De uitdrukkelijke motivering van administratieve handelingen', R.W., 1991-92, 488).
- Schending van art. 14 §1 van de Gecoördineerde Wetten op de Raad van State, hetzij wegens de overtreding van hetzij substantiële en/of op straffe van nietigheid voorgeschreven pleegvormen, en/of wegens overschrijding of afwending van macht. Verzoekende partij volhardt dat het gebrek aan motivering tevens een schending van de substantiële vormen en overschrijding of afwending van macht inhoudt, zoals bepaald in art. 14 §1 van de Gecoördineerde Wetten op de Raad van State. De uitdrukkelijke motiveringplicht is een substantiële vormvereiste. Het ontbreken van de motivering is grond voor vernietiging van de betrokken handeling (R.v.St. nr. 43.556, 30 juni 1993, Arr. R.v.St., 1993, z.p.). Inzake de aangevoerde machtsoverschrijding of machtsafwending beperkt de verwerende partij zich tot een exposé over het subsidiair karakter van het middel van machtsafwending. Relevant inzake is dat de bestreden beslissing gesteund is op onjuiste (of veeleer onbestaande) motieven, wat machtsoverschrijding inhoudt. De beslissing die steunt op onjuiste of op juridisch onaanvaardbare motieven is met machtsoverschrijding genomen (R.v.St., 4 maart 1960, Brinkhuysen, nr. 7681; R.v.St., 30 september 1960, Janssens, nr. 8.094, R.v.St., 23 november 1965, stad Oostende, nr. 11.519, info uit commentaar bij R.V.ST.-WET in Story-wetboek, Publiek recht deel 1). In casu is de beoordeling van het verzoek tot ontheffing, zoals uiteengezet bij aangetekend schrijven d.d. 27/03/2001, en waarvan de 68 blz. bijlagen integraal deel van uitmaakten (zie stuk 5), gesteund op onjuiste motieven, nu de motivering van de verwerende partij bij de bestreden beslissing zich louter beperkte tot de periode 1985-1987, en derhalve met machtsoverschrijding genomen. Subsidiair, gelden dezelfde argumenten inzake machtsafwending, gezien de discretionaire bevoegdheid van de RSZ, of waarbij zij de keuze heeft van de maatregel die het meest geschikt voorkomt om het gestelde doel te bereiken. Concluderend kan gesteld worden dat uit dit alles blijkt dat de beslissing van de RSZ d.d. 09/05/01 niet gemotiveerd en volstrekt arbitrair voorkomt en een schending uitmaakt van de rechten van verzoeker en de bovenvermelde wetsbepalingen en algemene rechtsbeginselen. (...) Dat verzoeker alle bijdragen, intresten, bijdrageopslagen en gerechtskosten m.b.t. de (door de) bestreden beslissing omvatte periodes voldaan heeft en de RSZ voldoende vergoed is geworden voor de laattijdige betalingen door de ontvangen intresten en de helft van de bijdrageopslagen"; 3.
- Bespreking Overwegende dat artikel 55, §2, van het voormelde koninklijk besluit ten tijde van de bestreden beslissing als volgt luidde : VII-24.076-10/12 "Art.
- §
- Wanneer de werkgever het bewijs levert dat de niet-betaling van de bijdragen binnen de reglementaire termijnen aan uitzonderlijke omstandigheden is toe te schrijven, kan de Rijksdienst voor maatschappelijke zekerheid het bedrag van de bijdrageopslagen met ten hoogste 50 pct. en het bedrag van de nog verschuldigde verwijlintresten met ten hoogste 25 pct. verminderen. Dit kan hij nochtans enkel nadat de werkgever alle vervallen sociale zekerheidsbijdragen heeft betaald"; Overwegende dat uit deze bepaling volgt dat, anders dan de verzoeker in zijn memorie van wederantwoord voorhoudt, de ontheffing van bijdrageopslagen wegens uitzonderlijke omstandigheden beperkt is tot 50 % zodat niet moet gemotiveerd worden waarom geen gehele ontheffing wordt toegekend; dat uit deze bepaling tevens volgt dat, anders dan de verwerende partij in haar memorie van antwoord voorhoudt, zij terzake over een discretionaire bevoegdheid beschikt, hetgeen een appreciatie of beoordeling van de uitzonderlijke omstandigheden inhoudt; Overwegende dat de weigering van de gedeeltelijke ontheffing voor de beboete kwartalen na 1987 in de bestreden beslissing slechts als volgt wordt gemotiveerd : "Voor de andere beboete periodes wijzen wij erop dat de aangehaalde argumenten geen verklaring vormen voor de laattijdigheid van de bijdragen voor deze periodes. Derhalve kan hiervoor geen toepassing gemaakt worden van hogervernoemd artikel"; dat, hoewel een summiere motivering op zich niet uitsluit dat zij afdoende is, in casu de voorliggende motivering de bestreden beslissing niet kan schragen, gezien o.m. het door de verzoeker in zijn verzoek tot ontheffing aangehaalde argument van de twee faillissementen, en de zeer beperkte ontheffing die werd toegekend; dat de verwerende partij blijkbaar is uitgegaan van het standpunt dat enkel voor de jaren waarin de faillissementen zich hebben voorgedaan een gedeeltelijke ontheffing kon worden toegekend, vanuit de veronderstelling dat de impact van deze faillissementen het jaar na het tweede faillissement (vanaf 1988) voor de verzoeker verdwenen was; dat dit niet evident is; dat het feit dat de verzoeker dientengevolge in een erg precaire situatie was terechtgekomen aan de verwerende partij bovendien voldoende bekend was vermits zij zelf in oktober 1987 de verzoeker in faling had gedagvaard; dat in die context de in de bestreden beslissing opgegeven summiere motivering niet voldoende draagkrachtig is; VII-24.076-11/12 Overwegende dat in de mate dat in het middelonderdeel wordt aangevoerd dat de bestreden beslissing artikel 55, § 2, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 schendt doordat geen afdoende motivering gegeven wordt waarom "voor de andere beboete periodes" niet aan de voorwaarden van die bepaling is voldaan, het middelonderdeel gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van 9 mei 2001 van de administrateur-generaal van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid in zoverre aan Joris CAURA slechts in beperkte mate gedeeltelijke kwijtschelding werd toegestaan van aangerekende bijdrageopslagen over de periode 1985 tot 2000 (kwartalen 2/1985 tot 4/2000). Artikel
- Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. VII-24.076-12/12 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig november tweeduizend en zes, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-24.076-13/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.191 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div