← België

Arrest 165192 - - 28/11/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.192 Rolnummer: A. 89195/VII-20405 Zaak: Arrest 165192 - - 28/11/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-12-08 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-01 10:23 Fiche Arrest nr 165.192 van 28 november 2006 - Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 165.192 van 28 november 2006 in de zaak A. 89.195/VII-20.405. In zake : de b.v.b.a. JANSSENS, gevestigd te BOCHOLT, Hoekstraat 2 tegen : de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (R.S.Z.), die woonplaats kiest bij advocaat M. van DIEVOET, kantoor houdende te BRUSSEL, Boomstraat 14, bus 3. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de b.v.b.a. JANSSENS op 24 december 1999 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van "de beslissing dd. 27.10.99 genomen door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (hierna 'RSZ' genoemd) aangaande de ontheffing van bijdrageopslagen en verwijlintresten"; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de beschikking van 26 september 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 15 september 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 oktober 2006; Gehoord het verslag van staatsraad R. STEVENS ; VII-20.405-1/7 Gehoord de opmerkingen van zaakvoerder P. NEYENS, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat T. DE KETELAERE die, loco advocaat M. van DIEVOET verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Feiten Overwegende dat de feitelijke gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. De verzoekende partij is actief in het plaatsen van metalen constructies (o.a. voor industriële gebouwen). Zij ressorteert onder de metaalsector. Zij stelt dat zij sedert 1994 met betrekking tot haar activiteiten veel concurrentie ondervindt van de bouwsector. Een van de redenen daarvan is dat haar arbeiders die zich naar de werf begeven soms hoge verplaatsingsvergoedingen krijgen uitbetaald, die evenwel als loon moeten worden beschouwd, en waarop dus R.S.Z.-bijdragen moeten worden betaald. Voor verplaatsingsvergoedingen in de bouwsector is dat niet het geval. Om dit concurrentieel nadeel weg te nemen wil de verzoekende partij dat haar arbeiders die zich naar de werf verplaatsen, onder de bouwsector zouden gaan ressorteren. Zij onderneemt hiertoe een aantal stappen bij het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid, maar in een schrijven van 22 maart 1996 deelt de administrateur-generaal haar namens de minister mee dat haar arbeiders onder de metaalsector ressorteren. In afwachting van de voornoemde beslissing beschouwt de verzoekende partij de door haar toegekende mobiliteitsvergoedingen reeds vanaf het tweede kwartaal 1995 niet langer als loon, en onderwerpt zij die vergoedingen niet langer aan R.S.Z.-bijdragen. 1.2. Met een brief van 23 december 1998 deelt de verwerende partij aan de verzoekende partij mee dat zij zal overgaan "tot de regularisatie van de mobiliteits- premie en dit voor de periode 2 kwartaal 1995 tot en met 4 kwartaal 1996". VII-20.405-2/7 1.3. Op 15 januari 1999 deelt de verzoekende partij aan de verwerende partij mee dat zij geenszins akkoord kan gaan met de vooropgestelde regularisaties, vermits de verplaatsingsvergoedingen in feite het karakter hebben van mobiliteitspre- mies uit de bouwsector. 1.4. De verwerende partij gaat evenwel over tot de ambtshalve regularisatie van de mobiliteitspremies. 1.5. In een brief van 12 juli 1999 schrijft de verzoekende partij aan de verwerende partij wat volgt : "betreft : verzoek om vrijstelling van bijdrage-opslagen en intresten Geachte heren Wij behartigen de personeelszaken van Janssens BVBA, Hoekstraat 2, 3950 Bocholt, en handelen in opdracht. Bij deze willen wij u verzoeken om aan voormelde werkgever een volledige vrijstelling te verlenen aangaande de bijdrage-opslagen ten belope van 149.952 Bfr en intresten ten belope van 301.018 Bfr., zoals aangerekend via uw rekeninguittreksels dd. 26.01.99 en 04.08.99. Deze opslagen en intresten vloeiden voort uit een ambtshalve regularisatie van mobiliteitsvergoedingen die de werkgever in de periode gaande van het tweede kwartaal 95 tot en met het vierde kwartaal 96 aan arbeiders werkzaam op diverse werven, had toegekend. Zoals u wellicht weet bestaat in de bouwsector de mogelijkheid om aan arbeiders voor de verplaatsingen tussen woonplaats en werkplaats (d.i. de diverse bouwwerven) een mobiliteitsvergoeding toe te kennen, vrijgesteld van RSZ-bijdragen. Feit is dat de betrokken arbeiders de facto onder de bouwsector ressorteerden in plaats van de toegepaste metaalsector, en dat voormelde werkgever reeds sedert het tweede kwartaal 95 heeft geprobeerd om de arbeiders van haar plaatsingsploegen onder de bouwsector te laten ressorteren. Uiteindelijk is dit gelukt vanaf 01.01.97. Voor zover als nodig verwijzen wij naar ons aangetekend schrijven van 15.01.99 t.a.v. mevrouw Bascour van de controledienst, waarin het hele relaas uit de doeken werd gedaan, en waarvan u een kopie in bijlage kan aantreffen. Mag ik u vragen om bij uw beslissing om geheel of gedeeltelijk vrijstelling te verlenen, rekening te houden met het feit dat deze regularisatie het gevolg is van het aanslepen gedurende bijna twee jaren (begin 1995 tot begin 1997) van het wijzigen van het toepasselijke RSZ-kengetal voor de arbeiders van de plaatsings- ploegen, en dat het geenszins de bedoeling was van voormelde werkgever om RSZ-onderwerping te ontduiken. U dankend voor het nodige gevolg dat u aan onderhavig schrijven wil verlenen, tekenen wij met de meeste hoogachting". 1.6. Op 28 september 1999 stuurt de verzoekende partij een herinneringsschrijven. VII-20.405-3/7 1.7. Met een brief van 27 oktober 1999 deelt de verwerende partij de bestreden beslissing aan de verzoekende partij mee. Deze luidt als volgt : "BETREFT : VERZOEK TOT HET BEKOMEN VAN ONTHEFFING VAN DE BURGERLIJKE SANCTIES. Mijnheer, mevrouw, Wij delen u hierbij mede dat, ingevolge de in uw verzoekschrift aangehaalde redenen een gedeeltelijke (50%) vermindering van de aangerekende bijdrageop- slag(

  1. en)aan u werd toegekend, conform artikel 55, paragraaf 2 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 voor : 1995 : tweede, derde, vierde kwartaal 1996 : jaarlijks verlof, eerste kwartaal Ingeval u meent dat de met dit schrijven meegedeelde beslissing een onjuiste toepassing van de hierboven aangehaalde wettelijke bepalingen zou inhouden, kan een beroep tot nietigverklaring worden aangetekend bij de Raad van State. Het verzoek tot nietigverklaring moet in voorkomend geval aangetekend worden verstuurd aan de Raad van State, Wetenschapsstraat 33 te 1040 BRUSSEL, binnen 60 dagen na deze kennisgeving. Op 21/10/1999, het tweede kwartaal 1999 inbegrepen, was uw rekening gesaldeerd. Het volgende bedrag werd verrekend : ontheffing bijdrageopslag(
  2. en)50 %:39.997 BEF Zodoende vertoont uw rekening thans een saldo van 39.997 BEF (991,50 EUR) in uw voordeel; dit bedrag mag u in mindering brengen van uw volgende betaling. Als bijlage vindt u, per kwartaal, gedetailleerde informatie over de bij deze toegekende ontheffing. Hoogachtend (...) P.S. Aan uw verzoek om gedeeltelijke ontheffing te bekomen van de aangerekende bijdrageopslagen voor het resterend gedeelte van de wijziging dd. 15/01/99, kunnen wij geen gunstig gevolg verlenen. (...) Kwartaal Ontheffing bijdrageOpslagen Totaal 50% 100% wijz. 2/95 8.375 8.375 wijz. 3/95 8.646 8.646 wijz. 4/95 12.065 12.065 w.jv 5.105 5.105 wijz. 1/96 5.806 5.806 Totaal 39.997 39.997 BEF 991,50 EUR Belangrijk bericht - De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid maakt uitdrukkelijk voorbehoud voor de verschuldigde sommen die niet in onderhavig document zouden vermeld zijn en meer bepaald voor de te berekenen bijdrageopslagen en intresten alsook de gemaakte doch nog niet geboekte gerechtskosten"; 2. Ontvankelijkheid van het beroep Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord bij wege van exceptie opwerpt dat het beroep onontvankelijk is, omdat op VII-20.405-4/7 het verzoekschrift aanvankelijk geen fiscale zegels werden aangebracht, en deze zegels pas met een aangetekend schrijven van 25 januari 2000 aan de Raad van State werden bezorgd; dat zij aanvoert dat de redelijke termijn om de zegels aan te brengen verstreken was, nu deze termijn op vijftien dagen dient bepaald te worden; Overwegende dat de verzoekende partij hierop in haar memorie van wederantwoord repliceert dat zij binnen vijftien dagen nadat zij een vraag van de griffie van de Raad van State om haar verzoekschrift te zegelen had ontvangen, de nodige zegels heeft bezorgd; Overwegende dat uit de gegevens van de zaak blijkt dat de verzoekende partij inderdaad de nodige fiscale zegels heeft bezorgd binnen vijftien dagen nadat zij daartoe door de griffie was aangemaand; dat zij de desbetreffende verplichting derhalve heeft vervuld binnen een redelijke termijn; dat de exceptie wordt verworpen; 3. Gegrondheid van het beroep 3.1.1. Overwegende dat de verzoekende partij in haar eerste middel betoogt dat de bestreden beslissing onwettig is: "Vooreerst omdat de RSZ in haar beslissing een gedeeltelijke (50%) ontheffing verleent van de aangerekende bijdrage-opslagen mbt 4 van de 7 betrokken RSZ-kwartalen, en geen ontheffing verleent voor de 3 overige RSZ- kwartalen, zonder dat in haar beslissing gemeld, laat staan gemotiveerd, wordt waarop dit onderscheid in behandeling van de betrokken RSZ-kwartalen steunt"; Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord repliceert dat de werkgever de bewijslast draagt van de gegevens op grond waarvan ontheffing van de bijdrageopslagen en verwijlintresten kan worden verleend, dat in het verzoek van 12 juli 1999 de verzoekende partij evenwel zeer vaag blijft over de rechtsgrond waarop zij vrijstelling van sancties wil zien toepassen, doch alleen verwijst naar de problemen nopens het bepalen van het ressort van het paritair comité voor de bouwsector; dat zij vervolgt dat zij een gebonden bevoegdheid heeft om de ingeroepen motieven te kwalificeren en dat zij op grond daarvan kon beslissen dat er van uitzonderlijke omstandigheden sprake is, hetgeen aanleiding kan geven tot een ontheffing van de bijdrageopslagen met 50 %, en kwijtschelding van de verwijlintresten met 25 %; dat zij ten slotte stelt dat aangezien de bestreden beslissing VII-20.405-5/7 betrekking heeft op geldsommen, als motivering kan volstaan worden met de berekeningswijze; Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord nog doet gelden dat de berekeningswijze niets leert over de vraag waarom er voor drie kwartalen geen vermindering werd toegekend; Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie voor het eerst betoogt dat de vermindering enkel kan worden toegestaan nadat de werkgever alle vervallen sociale zekerheidsbijdragen heeft betaald, en dat voor drie kwartalen niet aan deze voorwaarde was voldaan; 3.1.2. Overwegende dat uit de bestreden beslissing geenszins blijkt waarom voor sommige kwartalen waarop de aanvraag tot vermindering van de verzoekende partij betrekking had geen vermindering wordt toegestaan, daar waar voor andere kwartalen wel een gedeeltelijke vermindering werd verleend; dat de verwerende partij niet vermag voor het eerst in haar laatste memorie voor de Raad van State een motivering in de plaats van die van de bestreden beslissing te stellen; dat het middel gegrond is; 3.2. Overwegende dat, hoewel het tweede en het derde aangevoerde middel gebeurlijk tot een voor de verzoekende partij gunstiger vernietiging zouden kunnen leiden, omdat dergelijke vernietiging aanleiding zou kunnen geven tot een heroverweging van haar aanvraag tot kwijtschelding die een volledige kwijtschelding zou kunnen meebrengen, zij, na de verwerping van die middelen in het auditoraats- verslag geen laatste memorie heeft ingediend; dat hieruit moet worden afgeleid dat zij zich vergenoegt met een vernietiging op grond van het eerste middel, BESLUIT: Artikel 1. Vernietigd wordt de beslissing van 27 oktober 1999 van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid in zoverre aan de b.v.b.a. JANSSENS geen vermindering van de intresten wordt toegekend voor de laatste drie kwartalen van 1995 en alle kwartalen van 1996. VII-20.405-6/7 Artikel 2. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel 3. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig november tweeduizend en zes, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-20.405-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.192 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.