id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.203 Rolnummer: A. 137001/XIV-15225 Zaak: Arrest 165203 - - 28/11/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-12-08 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-01 10:24 Fiche Arrest nr 165.203 van 28 november 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 165.203 van 28 november 2006 in de zaak A. 137.001/XIV-15.
- In zake :
- XXX,
- XXX, wonende te L. tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 13 december 1969 en XXX, geboren op 22 december 1971, beiden van Joegoslavische nationaliteit, op 21 mei 2003 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 17 april 2003 tot bevestiging van de beslissingen van de minister van Binnenlandse Zaken van 28 december 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partijen aangetekend verstuurd op 23 april 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 16 juni 2003 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN, d.d. 2 maart 2006, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 24 augustus 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 25 oktober 2006 om 14.00 uur; XIV-15.225-1/11 Gehoord het verslag van Staatsraad Ch. BAMPS; Gehoord de opmerkingen van de eerste verzoekende partij, die in persoon verschijnt, en van Attaché D. HANOULLE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partijen komen België binnen op 19 november 1999 en verklaren zich vluchteling op 23 november
- 1.
- Op 28 december 2000 neemt de minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 17 april 2003 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissingen. Dit zijn de bestreden beslissingen. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, genomen ten opzichte van XXX, hierna genoemd eerste verzoekende partij, is als volgt gemotiveerd: “(...) A. Vluchtrelaas Volgens uw verklaringen bent u een etnische Albanees, afkomstig uit Prishtinë, Kosovo. Omwille van uw etnische origine zou u regelmatig problemen hebben gekend met vertegen- woordigers van het Servische regime in Kosovo. Na het einde van uw legerdienst in september 1989 zou u aan verschillende manifestaties en andere acties tegen de Servische repressie in Kosovo hebben deelgenomen. U zou vervolgens actief zijn geweest binnen de LDK-partij (Democratische Liga van Kosovo) en zou voor deze partij allerlei functies hebben uitgeoefend. U zou ook binnen de studentenbeweging van uw faculteit actief zijn geweest. U zou ook als vrijwilliger hebben gewerkt voor de humanitaire organisatie 'Moeder Tereza'. Eind 1991 zou de Servische politie als gevolg van de desertie van uw broer Beqir een huiszoeking in uw woning hebben uitgevoerd. Uw broer zou toen echter Kosovo al zijn ontvlucht. Uw andere broer Fadil zou twee maanden na de vlucht van Beqir ook naar het buitenland zijn vertrokken. In augustus of september 1995 zou de Servische politie uw woning zijn binnengedrongen. Ze zou op zoek zijn geweest naar wapens en zou u een tijdje in de badkamer hebben opgesloten. De politiemannen zouden een convocatie hebben achtergelaten waarop stond dat u zich de volgende dag diende aan te melden op het politiebureau. Via een familielid die een politie-inspecteur kende zou u echter hebben kunnen regelen dat u niet op deze convocatie diende in te gaan. U zou wel definitief uw politieke activiteiten voor de LDK hebben gestaakt, u zou enkel nog uw lidmaatschap hebben behouden. In januari 1998 zou u op de markt door een hoofdinspecteur van de politie zijn gearresteerd. Door de tussenkomst van een familielid die in de Bosnische oorlog aan Servische kant had gestreden, zou u echter XIV-15.225-2/11 onmiddellijk opnieuw zijn vrijgelaten. In de daaropvolgende periode zou de oorlog in Kosovo zijn losgebarsten en zou u bijna nooit meer thuis hebben verbleven. Op 16 maart 1998 zou uw vader tijdens een manifestatie door de Servische politie op zijn hoofd zijn geslagen. Een paar dagen daarna zou hij als gevolg van deze slagen een herseninfarct hebben gekregen, waarna hij zou zijn overleden. Na de dood van uw vader zou u regelmatig telefoontjes hebben ontvangen waarin uw familie met de dood werd bedreigd. Omdat u vreesde voor uw veiligheid zou u in juli 1998 hebben besloten Kosovo te ontvluchten. U zou uw geboorteland hebben verlaten op 11 juli 1998 en op 30 juli 1998 zou u in Duitsland zijn aangekomen. Daar zou u een asielaanvraag hebben ingediend en zijn ondergebracht in een vluchtelingenkamp. De Duitse autoriteiten zouden uw aanvraag negatief hebben beoordeeld, waarop u een beroep zou hebben ingediend. Door de slechte levensomstandigheden in het kamp en omdat u problemen zou hebben gehad met nazi-aanhangers zou u in november 1999 zijn verder gereisd naar België, waar u op 19 november 1999 zou zijn aangekomen. Op 23 november 1999 hebt u hier een asielaanvraag ingediend. U bent in het bezit van volgende documenten: een Joegoslavische identiteitskaart, uitgereikt te Prishtinë op 11 september 1986; uw Joegoslavische geboorteakte; de geboorteaktes van uw twee zonen; attesten over de opleidingen die u en uw gezinsleden in België hebben gevolgd en een artikel uit een Belgisch tijdschrift waarin u en uw echtgenote een interview hebben gegeven. B. Motivering Vooreerst dient vastgesteld te worden dat u geen feiten of elementen hebt aangehaald waaruit zou kunnen blijken dat u momenteel bij een eventuele terugkeer naar Kosovo een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie dient te hebben. Sinds uw vertrek uit uw geboortestreek in juli 1998 is de situatie daar ondertussen gevoelig gewijzigd en is er een einde aan de oorlog gekomen. Overeenkomstig resolutie 1244, aangenomen door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties op 10 juni 1999, zijn het bestuur en de controle van Kosovo in de handen van de internationale gemeenschap, die ernstige inspanningen levert om de orde en de rust te herstellen met het oog op de normalisering van het dagelijks leven aldaar. Bovendien hebben de Servische autoriteiten en ordetroepen zich sinds juni 1999 uit Kosovo teruggetrokken. De ingeroepen elementen waarop u zich baseert om niet naar Kosovo te kunnen terugkeren, o.a. het feit dat er over het toekomstig statuut van Kosovo nog grote onzekerheid bestaat en u niet akkoord gaat met het huidige beleid in Kosovo, geven geen aanleiding tot het hebben van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. Zoals reeds verduidelijkt kan de algemene situatie voor etnische Albanezen Kosovo anno 2003 niet meer weerhouden worden om zonder meer te besluiten tot het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging. De andere door u ingeroepen elementen, meer bepaald dat u uw mond niet zou kunnen houden en daardoor problemen zou kunnen krijgen en dat u eventueel op basis van valse getuigenissen zou kunnen vervolgd worden (CGVS-gehoorverslag p. 21-22), zijn louter speculatief van aard en geenszins op enig objectief criterium gebaseerd. Bovendien is de partij waarvoor u actief was, zijnde het LDK, op dit ogenblik met 47 van de 120 zetels de grootste partij in Kosovo en werd de leider van deze partij, Ibrahim Rugova, op 28 februari 2002 tot president van Kosovo verkozen. Over uw vrees vervolgd te kunnen worden omdat u nooit actief was binnen het UÇK (Kosovaars Bevrijdingsleger) (CGVS-gehoorverslag p. 22) dient gesteld dat na het einde van het Kosovo-conflict duizenden etnische Albanezen die nooit iets te maken hebben gehad met het UÇK probleemloos naar Kosovo zijn teruggekeerd. Bij eventuele problemen met de passeurs die uw reis naar het buitenland hebben geregeld (CGVS-gehoorverslag p. 22) of met burgers die van oordeel zouden zijn dat u veel geld heeft (CGVS-gehoorverslag p. 22), kan u steeds een beroep doen op de in Kosovo aanwezige internationale autoriteiten en/of hun lokale vertegenwoordigers. Verder dient nog te worden toegevoegd dat u na uw vlucht uit Kosovo een lange tijd, meer bepaald van 30 juli 1998 tot 19 november 1999, een periode van één jaar en vier maanden, in Duitsland hebt verbleven. U hebt in dit land op 13 augustus 1998 een asielaanvraag ingediend, die op 20 november 1999 werd geweigerd, een beslissing waartegen u daarna een beroep hebt ingediend. U hebt Duitsland in november 1999 verlaten zonder een definitief antwoord inzake uw asielaanvraag te hebben afgewacht. Bovendien dient gesteld dat u dit land niet hebt verlaten uit een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie van Genève. Eén van de motieven voor uw vertrek uit Duitsland naar België, meer bepaald de slechte levensomstandigheden in het kamp waar u was ondergebracht (CGVS-gehoorverslag p. 18-19), is louter economisch van aard en ressorteert als dusdanig niet onder het toepassingsgebied van de Conventie van Genève. Uw problemen met een aantal neo-nazi's (CGVS-gehoorverslag p. 18-19) in dat kamp waren louter interpersoonlijk (tussen privé-personen) en strafrechtelijk van aard en ressorteren als dusdanig evenmin onder het toepassingsgebied van de Conventie van Genève. Bovendien kon u bij problemen met bepaalde burgers steeds beroep doen op de Duitse autoriteiten. Het artikel waarin u geïnterviewd werd en de opleidings- en schoolattesten tonen aan dat u grote inspanningen levert om geïntegreerd te geraken in de Belgische maatschappij, maar zijn niet van die aard dat ze bovenstaande vaststellingen kunnen wijzigen. C. Conclusie XIV-15.225-3/11 Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Bovendien ben ik de mening toegedaan: dat uw asielaanvraag onontvankelijk is omdat u, nadat u uw land hebt verlaten, meer dan drie maanden in een ander land hebt verbleven en dit hebt verlaten zonder vrees voor vervolging in de zin van artikel 1, A van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen; Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.). (...)”. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, genomen ten opzichte van XXX, hierna genoemd tweede verzoekende partij, is als volgt gemotiveerd: “(...) A. Vluchtrelaas U werd op 12 maart 2003 door mijn diensten uitgenodigd om u op 27 maart 2003 op de zetel van het Commissariaat-generaal aan te bieden om uw asielmotieven nader te verklaren. U bood zich op voornoemde datum echter niet aan. U bezorgde mij op 5 april 2003 schriftelijk uw motieven ter ondersteuning van uw asielaanvraag. Volgens uw opeenvolgende verklaringen bent u een etnisch Albanese, afkomstig uit Prishtinë, Kosovo. Tijdens uw hele leven in Kosovo zou u voortdurend het slachtoffer zijn geworden van allerlei vormen van discriminatie. Als gevolg van de politieke activiteiten van uw echtgenoot zou uw familie voortdurend in het oog zijn gehouden. Na het losbarsten van de oorlog in Kosovo zou uw echtgenoot gezocht zijn door de Servische politie. Uw schoonvader zou tijdens een manifestatie door de Servische politie zodanig zijn toegetakeld dat hij zou zijn overleden. Door de dreigtelefoontjes van de politie zou u zijn gedwongen om uw woning te verlaten en bij uw familie in te trekken. Op 11 juli 1998 zou u Kosovo samen met uw echtgenoot hebben verlaten en naar Duitsland zijn gevlucht, waar u een asielaanvraag hebt ingediend. U zou er zijn ondergebracht in een centrum in Bellin, waar u afschuwelijke tijden zou hebben doorgemaakt. U zou lange tijd in onwetendheid zijn gebleven over het lot van uw familie. U zou er ook zijn bedreigd door nazi-aanhangers. Op 19 november 1999 zou u Duitsland hebben verlaten en naar België zijn gereisd. Op 23 november 1999 hebt u hier een asielaanvraag ingediend. Bij een eventuele terugkeer naar Kosovo op dit ogenblik vreest u de algemene onveiligheidstoestand. Bovendien zou de toekomst er uiterst onzeker zijn. Kosovo zou een staat zijn zonder wetten, waar alle morele regels zouden zijn verdwenen en waar vrouwen weinig rechten hebben. U bent in het bezit van een Joegoslavisch nationaliteitsbewijs en van de geboorteakten van uw twee kinderen. B. Motivering Er dient te worden vastgesteld dat u zich volledig aansluit bij de eveneens door uw echtgenoot, XXX, aangehaalde asielmotieven. Aangezien ik in hoofde van deze laatste een bevestigende beslissing van weigering van verblijf nam, kan ten aanzien van u evenmin gesteld worden dat u een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie dient te hebben bij een eventuele terugkeer naar uw land van herkomst. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 1910511993: artikel 17, par. 2, al.2.). (...).”. XIV-15.225-4/11
- Overwegende dat de verzoekende partijen een enig middel aanvoeren dat luidt als volgt: “IV. ENIG MIDDEL TOT NIETIGVERKLARING VAN DE BESTREDEN BESLISSING Schending van artikel 1, al. 2 van Het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951, goedgekeurd en bekrachtigd bij Wet van 14 juli 1987, van artikel 52 en 62 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, artikels 1,2 en 3 van de uitdrukkelijke motiveringswet van 29 juli 1991, de manifeste appreciatiefout en tenslotte de algemene rechtsbeginselen meer bepaald het zorgvuldigheidsbeginsel en de rechten van de verdediging. Doordat de bestreden beslissingen manifest inbreuk maken op het principe van een goede administratie en eveneens op de principes vastgelegd in de Conventie van Genève, aangezien het bestuur de verplichting heeft om haar beslissingen te nemen met kennis van zaken en gebaseerd of de feitelijke en juridische elementen van de zaak. Doordat, zonder enige tegenstrijdigheden te weerhouden, de asielaanvragen ongegrond werden verklaard. Doordat de bestreden beslissingen hoofdzakelijk genomen werden op basis van een algemene Resolutie van de Veiligheidsraad en andere algemene documentatie zonder rekening te houden met de concrete gegevens van de zaak. Doordat verzoekster zelfs niet werd gehoord. Doordat geen rekening wordt gehouden met de concrete redenen aangevoerd door verzoekers. Doordat de asielaanvraag van verzoeker ten onrechte onontvankelijk wordt verklaard. Terwijl de Conventie van Genève en in het minst de procedureregeling vereist dat er een individueel onderzoek geval per geval dient plaats te vinden met betrekking tot elke asielaanvraag die ingediend wordt bij de bevoegde autoriteiten. Terwijl in casu slechts wordt verwezen naar een algemene resolutie van de Verenigde Naties en naar andere algemene informatie. Terwijl het van belang is kennis te hebben van alle feitelijke en juridische elementen van de zaak. Terwijl het van belang is de aandacht te vestigen op het feit dat een resolutie van de veiligheidsraad geen bindende kracht heeft, terwijl het eveneens van belang is te weten dat het gaat om een intentieverklaring. Terwijl het ten slotte van belang is te weten dat de zelfs de massale aanwezigheid van UNMIK niet in staat is om honderd procent de veiligheid te garanderen nu de spanningen nog steeds hoog oplopen in het gebied. Terwijl verzoeker duidelijk heeft aangeduid waarom hij in zijn concreet geval bang is om terug te keren en zich dus onderscheidt van de duizenden andere Kosovaren die zijn teruggekeerd. Terwijl de bestreden beslissingen zonder gegronde argumenten geen rekening willen houden met deze concrete elementen. Terwijl het niet opgaat te stellen dat verzoekers Duitsland hebben verlaten zonder vrees voor vervolging in de zin van de Conventie en dat de problemen met de neo-nazi's van privé-aard waren aangezien deze problemen manifest etnisch geïnspireerd waren.”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partijen in een enig middel de schending aanvoeren van artikel 1, A
(2), van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie), van de artikelen 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdeling- enwet), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van de algemene rechtsbeginselen meer bepaald de zorgvuldigheidsverplichting en de rechten van verdediging; dat de verzoekende partijen tevens een manifeste appreciatiefout aanvoeren; 2.2. Overwegende dat, waar de verzoekende partijen aanvoeren dat hun rechten van verdediging werden geschonden, vaststaat dat de procedure voor het XIV-15.225-5/11 Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen vooralsnog een administra- tieve en geen jurisdictionele procedure is; dat het volstaat te stellen dat de rechten van verdediging op het administratiefrechtelijke vlak alleen in tuchtzaken bestaan; dat derhalve de rechten van verdediging niet van toepassing zijn op administratieve beslissingen die worden genomen in het raam van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); Overwegende dat, wat de aangevoerde schending van de hoorplicht betreft, dit als beginsel van behoorlijk bestuur inhoudt dat tegen niemand een ernstige maatregel kan worden getroffen die gegrond is op zijn persoonlijk gedrag en die van aard is om zijn belangen zwaar aan te tasten, zonder dat hem de gelegenheid wordt geboden om zijn standpunt op nuttige wijze te doen kennen; dat de bevestigende beslissingen van de Commissaris-generaal, van de beslissingen van weigering van verblijf van de minister van Binnenlandse Zaken, om reden dat de aanvraag van de verzoekende partijen bedrieglijk en kennelijk ongegrond is omdat zij geen gegevens hebben aangebracht dat er, wat hen betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie, niet als zulk een maatregel kan worden gezien; dat deze beslissingen immers voortvloeien uit de toepassing van artikel 52 van de Vreemdelingenwet en niet gestoeld zijn op het persoonlijk gedrag van de kandidaat-vluchteling zoals begrepen in het voornoemd beginsel van behoorlijk bestuur; dat derhalve niet voldaan is aan één van de twee cumulatieve grondvoorwaarden van de hoorplicht; dat dit onderdeel van het middel faalt naar recht; Overwegende dat niettegenstaande de gangbare praktijk van een verhoor door het Commissariaat-generaal, er geen wettelijke verplichting bestaat om de kandidaat- vluchteling te horen alvorens een beslissing te nemen; dat de Commissaris-generaal telkens individueel beslist of een verhoor dienstig en onmisbaar is voor het nemen van zijn beslissing; dat hij van een verhoor kan afzien indien hij van oordeel is dat hij voldoende ingelicht is omtrent de gegevens van de zaak om een gemotiveerde beslissing te kunnen nemen; dat enkel vereist is dat de kandidaat-vluchteling nuttig voor zijn belangen kan opkomen; dat uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat in casu de tweede verzoekende partij niet is ingegaan op de uitnodiging om op het Commissariaat-generaal haar asielmotieven nader toe te lichten; dat ze evenwel schriftelijk haar motieven ter ondersteu- ning van haar asielaanvraag heeft overgemaakt aan het Commissariaat-generaal; dat de Commissaris-generaal derhalve op grond van de stukken die zich in het administratief dossier bevinden zijn beslissing kon nemen; dat de tweede verzoekende partij niet aantoont welke verklaringen zij had wensen af te leggen tijdens een verhoor op het Commissariaat- generaal en op welke wijze deze verklaringen de bestreden beslissing in positieve zin hadden kunnen ombuigen; dat dit onderdeel van het middel feitelijke grondslag mist; XIV-15.225-6/11 Overwegende dat, waar de verzoekende partijen de Commissaris- generaal een gebrek aan zorgvuldigheid ten grieve duiden, hun betoog niet kan worden bijgetreden; dat het zorgvuldigheidsbeginsel aan de Commissaris-generaal de verplichting oplegt zijn beslissingen zorgvuldig voor te bereiden en te stoelen op een correcte feitenvinding; dat uit het administratief dossier blijkt dat de verzoekende partijen werden gehoord op de Dienst Vreemdelingenzaken en op het Commissariaat-generaal, voor wat de eerste verzoekende partij betreft; dat de tweede verzoekende partij niet is ingegaan op de uitnodiging om op het Commissariaat-generaal haar asielmotieven nader toe te lichten; dat ze evenwel schriftelijk haar motieven ter ondersteuning van haar asielaanvraag heeft overgemaakt aan het Commissariaat-generaal; dat de verzoekende partijen de mogelijkheid hebben gehad om alle inlichtingen te verschaffen die zij noodzakelijk achtten; dat de Commissaris-generaal de bestreden beslissingen pas heeft genomen na kennis te hebben genomen van het asielrelaas van de verzoekende partijen en na dit verhaal nauwkeurig te hebben geanalyseerd; dat de verzoekende partijen daarenboven nalaten concreet aan te tonen welke elementen van hun relaas niet met de vereiste zorgvuldigheid werden onderzocht; dat bijgevolg niet kan worden aangenomen dat de Commissaris-generaal het zorgvuldigheidsbe- ginsel heeft geschonden; dat dit onderdeel van het middel niet kan leiden tot de nietigverkla- ring van de bestreden beslissingen; Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiverings- plicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem verschaft; dat uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partijen de motieven van de bestreden beslissingen kennen, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat hetzelfde geldt voor de aangevoerde schending van artikel 62 van de Vreemdelingenwet; dat de verzoekende partijen bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoeren, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat het bij de beoordeling van de motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie) aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor XIV-15.225-7/11 wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat artikel 1, A
(2), van de Vluchtelingenconventie ertoe strekt de criteria vast te leggen op grond waarvan de verdragsstaten het vluchtelingen- statuut dienen te verlenen; dat de staten die partij zijn bij de Vluchtelingenconventie de verplichting hebben om in hun nationale wetgeving een procedure uit te werken, waarin wordt vastgelegd onder welke voorwaarden een kandidaat-vluchteling het verblijf kan worden geweigerd, en onder welke voorwaarden hij of zij kan worden teruggeleid naar zijn of haar land van herkomst, of kan worden uitgezet; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat één van de onontvankelijkheidsgronden de “kennelijke ongegrondheid” is; dat een asielaanvraag kennelijk ongegrond is wanneer de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging; dat, zoals blijkt uit de integrale weergave van de bestreden beslissingen onder punt 1.
- van huidig arrest, de Commissaris-generaal in casu tot de kennelijke ongegrondheid van de asielaanvraag van de verzoekende partijen heeft besloten; Overwegende dat de Vluchtelingenconventie, zoals reeds hoger werd gesteld, aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat de minister op grond van artikel 52, §2, 2/ van de Vreemdelingenwet kan beslissen dat de vreemdeling die het Rijk is binnengekomen zonder te voldoen aan de in artikel 2 van voormelde wet gestelde voorwaarden, die zich vluchteling verklaart en vraagt als dusdanig erkend te worden, niet zal worden toegestaan in die hoedanigheid in het Rijk te verblijven wanneer de vreemdeling zich bevindt in één van de gevallen bedoeld in artikel 52, §1, 2/ tot 5/ en 7/ van voormelde wet; dat de Commissaris-generaal, die een dringend beroep tegen een dergelijke beslissing behandelt, moet nagaan of voormelde bepaling op correcte wijze is toegepast; dat artikel 63/3 van de Vreemdelingenwet aan de Commissaris-generaal de mogelijkheid biedt hetzij de (weigerings)beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen, hetzij de asielaanvraag ontvankelijk te verklaren; dat, hoewel de Vreemdeling- enwet geen uitdrukkelijke wetsartikelen bevat die bepalen welke criteria de Commissaris- generaal hierbij dient te hanteren, hij zijn beslissing neemt in het kader van een dringend beroep dat gericht is tegen de weigeringsbeslissing van de minister van Binnenlandse Zaken; dat bijgevolg de Commissaris-generaal dezelfde criteria hanteert en dezelfde bevoegdheid bezit bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van de asielaanvraag als de minister van Binnenlandse Zaken; dat deze criteria worden omschreven in artikel 52 van de Vreemdeling- enwet; dat hij immers oordeelt in beroep en door de devolutieve werking van het beroep XIV-15.225-8/11 kennis neemt van het geheel van de zaak, zoals de asielinstantie in eerste aanleg; dat de Commissaris-generaal in casu op grond van de hem toegekende bevoegdheid in de ontvankelijkheidsfase heeft besloten tot de kennelijke ongegrondheid van de asielaanvraag van de verzoekende partijen; dat de Commissaris-generaal in het kader van het onderzoek van de asielaanvragen over de mogelijkheid beschikt alle objectieve gegevens na te gaan die hij noodzakelijk acht om met kennis van zaken een beslissing te nemen; dat een onderzoek door de Commissaris-generaal in de ontvankelijkheidsfase, dat betrekking heeft op de waarachtigheid van de asielaanvraag, noodzakelijkerwijze een vergelijking inhoudt van de verhoren waaraan de betrokken asielzoeker werd onderworpen, samen met een onderzoek naar de geloofwaardigheid van de door hem afgelegde verklaringen; dat tijdens de ontvankelijkheidsfase dient te worden onderzocht of er redelijkerwijze vanuit mag worden gegaan dat de feiten aangevoerd door de asielaanvrager, waarachtig zijn en beantwoorden aan de criteria van de Vluchtelingenconventie en dat deze verklaringen niet tegenstrijdig zijn met eerdere verklaringen of met verklaringen van vergezellende familieleden of kennissen; dat dit een onderzoek veronderstelt waarbij de door de kandidaat-vluchteling verstrekte gegevens aan deze verklaringen en aan algemeen bekende feiten worden getoetst; Overwegende dat uit de lezing van de bestreden beslissingen blijkt dat zij vooreerst een gedetailleerde uiteenzetting van de feiten bevatten; dat de Commissaris- generaal de verklaringen van de verzoekende partijen zorgvuldig heeft onderzocht en getoetst aan de wettelijke criteria, rekening houdende met de situatie in hun land van herkomst; dat hij op grond hiervan tot de onontvankelijkheid van hun asielaanvraag heeft besloten; dat de bestreden beslissingen steunen op omstandige overwegingen; Overwegende dat de verzoekende partijen geen enkel concreet element aanbrengen ter staving van hun argumenten; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de asielaanvraag van de verzoekende partijen op een individuele wijze heeft beoordeeld en zijn beslissing heeft genomen met inachtneming van alle relevante feitelijke gegevens van de zaak; dat de Commissaris-generaal in casu de bestreden beslissingen heeft genomen omdat de verzoekende partijen geen elementen hebben aangehaald waaruit zou blijken dat zij hun land hebben verlaten uit een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat, waar de verzoekende partijen de overwegingen van de bestreden beslissingen trachten te weerleggen, ze een verklaring post factum geven, maar dat zij het niet aannemelijk maken dat de Commissaris-generaal niet op goede gronden tot de bestreden beslissingen is gekomen; dat het niet is omdat er ondermeer in de eerste bestreden beslissing wordt verwezen naar de resolutie 1244 van de Veiligheids- raad, dat hun asielaanvragen niet individueel zouden zijn onderzocht; dat waar de verzoekende partijen aanvoeren dat de spanningen nog steeds hoog oplopen in hun land van herkomst en dat ze duidelijk hebben aangeduid waarom ze bang zijn om terug te keren, deze algemene stellingname, die gebaseerd is op een blote bewering, niet volstaat om aan te tonen dat ze onder de Vluchtelingenconventie vallen; dat de verzoekende partijen door deze loutere XIV-15.225-9/11 beweringen, en zonder in te gaan op de diverse door de Commissaris-generaal in aanmerking genomen motieven, het niet aannemelijk maken dat de als geschonden opgegeven rechtsregels zouden zijn miskend; dat de verzoekende partijen zich voor het overige beperken tot het summier herhalen van hun asielmotieven, en hun verweer in essentie louter baseren op het ontkennen van de motieven, zonder een poging te ondernemen om de vaststellingen in de bestreden beslissingen, die steun vinden in de gegevens van het administratief dossier, te weerleggen; dat het feit dat ze het niet eens zijn met de gevolgtrek- kingen van de Commissaris-generaal, evenwel niet volstaat om de motieven te weerleggen; dat zij dienvolgens geen concrete elementen aanvoeren die wijzen op het bestaan van een gegronde vrees voor systematische en persoonlijke vervolging in de zin van de Vluchteling- enconventie; dat de verzoekende partijen er dienvolgens niet in slagen aan te tonen dat de Commissaris-generaal derhalve niet in redelijkheid kon vaststellen dat hun asielaanvragen kennelijk ongegrond zijn; dat het enig middel, in zoverre het ontvankelijk is, ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partijen geen middel hebben aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissingen kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig november tweeduizend en zes, door : Mevr. Ch. BAMPS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, XIV-15.225-10/11 A. DE SMET. Ch. BAMPS. XIV-15.225-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.203 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div