id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.214 Rolnummer: A. 134154/XIV-14211 Zaak: Arrest 165214 - - 28/11/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-12-08 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-01 10:25 Fiche Arrest nr 165.214 van 28 november 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 165.214 van 28 november 2006 in de zaak A. 134.154/XIV-14.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat M. ELLOUZE, kantoor houdende te 4020 LUIK, quai du Roi Albert 77b tegen : De Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 18 mei 1954 en van Joegoslavische nationaliteit, op 27 februari 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 31 januari 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 24 oktober 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op dezelfde datum; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 25 maart 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, d.d. 27 juni 2005, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-14.211-1/9 Gelet op de beschikking van 24 augustus 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 25 oktober 2006 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad Ch. BAMPS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat Y. MALOLO, die loco Advocaat M. ELLOUZE verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché D. HANOULLE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij komt België binnen op 6 oktober 2000 en verklaart zich vluchteling op 9 oktober
- 1.
- Op 24 oktober 2000 neemt de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 31 januari 2003 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.). (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: Volgens uw verklaringen hebt u de Joegoslavische nationaliteit en bent u een Slavische moslim, afkomstig uit Sjenica (Servië). U zou op 24 maart 1999 vanuit Ponorac - waar u als reservist uw dienstplicht vervulde in een afdeling van de fabriek waar u werkte - gevlucht zijn naar Sarajevo (Bosnië-Herzegovina) omdat u zich zou hebben bedreigd gevoeld door de in de fabriek aanwezige nationalistische paramilitairen. Na twee maanden zou u zijn teruggekeerd naar Sjenica. Eind mei 1999 zou u door uw werkgever zijn ontslagen omdat u tijdens uw dienst uw werkplaats in Ponorac zou hebben verlaten. U zou tussen juni 1999 en augustus 2000 tussen Sjenica en Sarajevo hebben gependeld omdat u in Bosnië een Bosnisch staatsburgerschap XIV-14.211-2/9 probeerde te verkrijgen om u er permanent te vestigen. U zou zich in Bosnië als vluchteling geregistreerd hebben. In januari 2000 zou de politie van Sjenica samen met militairen een huiszoeking hebben gehouden op zoek naar wapens die u, volgens hun informatie, zou hebben ontvangen van uw broer Serif, die beroepsmilitair bij het Joegoslavische leger zou zijn geweest, waaruit hij naar Bosnië zou zijn gedeserteerd. U zou op het moment van de huiszoeking niet aanwezig zijn geweest. Midden maart 2000 zou u tijdens een soortgelijke huiszoeking wel thuis zijn geweest waarbij u zou zijn gearresteerd en meegenomen naar de politie van Sjenica. U zou er gedurende 24 uur zijn vastgehouden en ondervraagd omtrent de wapens die u volgens hen zou hebben gehad. U zou bovendien door uw buren zijn beledigd omwille van uw Bosnische afkomst. Ook zouden ze de ruiten en de voordeur van woning hebben beschadigd. In april 2000 zou u hebben beslist om samen met uw gezin naar Bosnië te vluchten. In mei 2000 zou uw echtgenote, die op dat moment uw huis in Sjenica ging bezoeken, telefonisch zijn gecontacteerd door Murat Baltic, die rechter zou zijn geweest bij de gemeentelijke rechtbank van Sjenica. Hij zou hebben gemeld dat hij een aanklacht tegen u zou hebben gezien, opgesteld door uw vroegere werkgever, omdat er goederen uit de fabriek zouden zijn verdwenen. Ook zou u van uw buren hebben vernomen dat er een bode van de rechtbank zou zijn langsgeweest. U zou in augustus 2000 vanuit Bosnië naar Slovenië zijn vertrokken. Een maand later zou u doorgereisd zijn naar België, waar u op 5 oktober 2000 aankwam. Op 9 oktober 2000 heeft u hier een asielaanvraag ingediend. U bent in het bezit van uw Joegoslavische identiteitskaart, uw diploma van technisch ingenieur en een attest van uw werkgever dat u van 1 september 1983 tot 1 juli 1999 bij de textielfabriek ‘Vesna’ werkte. Er dient te worden opgemerkt dat u geen feiten of elementen heeft aangehaald waaruit zou kunnen blijken dat u uw land van herkomst heeft verlaten omwille van een gegronde vrees in de zin van de Vluchtelingenconventie of dat u bij een eventuele terugkeer naar Joegoslavië een dergelijke vrees zou dienen te koesteren. Wat betreft uw vermoeden dat uw vroegere werkgever een klacht tegen u zou hebben ingediend, dient vooreerst gesteld te worden dat u deze bewering aan de hand van geen enkel document kunt staven. Hoe dan ook hebt u niet aannemelijk gemaakt dat u zich in geval van een daadwerkelijke klacht door uw ex-werknemer niet zou kunnen verdedigen op een eerlijk proces. U verklaarde immers dat u nooit eerder problemen kende met de autoriteiten (verhoorverslag CGVS p. 10) en dat u voor uw desertie buiten vervolging werd gesteld door toepassing van een amnestiewet (verhoorverslag CGVS p.13). Wel verklaarde u in maart 2000 ondervraagd te zijn in verband met wapens die u van uw broer zou hebben gekregen, en gedurende 24 uur vastgehouden te zijn (CGVS p.8-9). Er dient echter te worden opgemerkt dat u over dit incident geen enkel gewag maakte op de Dienst Vreemdelingenzaken. Gevraagd naar de mogelijkheid van een eventuele opsluiting, antwoordde u ook negatief (verhoorverslag DVZ vraag 44). Aan dit element van uw vluchtrelaas kan dan ook geen geloof worden gehecht. Voorts dient te worden opgemerkt dat de door u aangehaalde problemen met uw buren (verbale beledigingen en vernieling van uw ramen en deur) van lokale, interpersoonlijke (tussen privé-personen) en gemeenrechtelijke (strafrechtelijke) aard zijn. Bovendien hebt u geen enkele poging gedaan om de bescherming van de Joegoslavische autoriteiten in te roepen (CGVS p.12). Ook van deze problemen hebt u op de Dienst Vreemdelingenzaken overigens niet het minste gewag gemaakt. Ten slotte dient vastgesteld te worden dat u alvorens naar België te komen gedurende één jaar hoofdzakelijk in Bosnië hebt verbleven en daar bent vertrokken zonder enige vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie (CGVS p.3). U verklaarde geen problemen te hebben gekend in Bosnië (CGVS p.15). Het door u neergelegde document, namelijk een attest van uw vroegere werkgever, de firma ‘Vesna’ doet geen afbreuk aan bovenstaande vaststellingen. Het kan enkel een bevestiging geven dat u van 1 september 1983 tot 1juli 1999 werkzaam zou zijn geweest voor deze firma in de hoedanigheid van afdelingshoofd. In het document wordt trouwens geen enkel gewag gemaakt van een rechtszaak die tegen u zou zijn aangespannen of van het feit dat u ontslagen zou zijn. (...).”. 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert dat als volgt luidt: “II. DISCUSSION ATTENDU que le CGRA motive sa décision en recourant à quatre types de motifs contestables. 9- Les motifs liés à l'absence d'une crainte fondée au sens de la convention de Genève. 10- Les Motifs liés aux faits que certaines informations fournies par le requérant au CGRA ne l'étaient pas à l'Office des Etrangers. XIV-14.211-3/9 11- Certaines persécutions d'ordre privés ou relevant davantage de droit commun ne rencontrent pas le critère de la convention. 12- Le manque d'empressement pour quitter la Bosnie. Quant au premier type de motif : ATTENDU que le CGRA soutient: « il convient de remarquer que vous n'avez mentionné aucun fait ou élément faisant apparaître que vous avez quitté votre pays d'origine en raison d'une crainte fondée dans le sens de la Convention sur les réfugiés ou que lors d'un éventuel retour en Yougoslavie vous devriez nourrir une semblable crainte. En ce qui concerne votre supposition que votre ex-employeur aurait déposé une plainte contre vous. Il faut, avant tout, dire que vous ne pouvez étayer cette affirmation par aucun document. Quoi qu'il en soit vous n'avez pas convaincu qu'en cas de réalité de cette plainte de la part de votre ex-employeur vous n'auriez pas pu vous défendre au cours d'un procès équitable. Vous avez en effet déclaré n'avoir jamais auparavant eu aucun problème avec les autorités et que vous n'avez pas été poursuivi pour désertion en raison en application d'une loi d'amnistie . ATTENDU que la preuve documentaire aurait pu conforter la déclaration d'un requérant. Que toute fois l'absence de l'écrit n'affecte pas de plein droit la crédibilité du récit. Que d'ailleurs, en l'espèce, l'absence de cette preuve n'enlève pas au récit toute sa cohérence. Qu'ayant, par personne interposé, appris qu'une plainte était déposée contre lui, le requérant ne pourrait fournir de preuve écrite et ne pouvait que se contenter de faire référence à Monsieur BALTIC. Que le requérant, ayant vécu les atrocités de la guerre menée par les serbes, a pu, raisonnablement, croire qu'il ne pouvait bénéficier d'un procès équitable. Que le requérant a pris la décision de fuir son pays vers la Belgique suite à l'accumulation de plusieurs problèmes. Que la plainte déposée par son employeur constitue un problème parmi d'autres certainement pas l'unique raison de la fuite. Quant au deuxième type de motif: ATTENDU que le CGRA prétend : « vous avez déclaré avoir été interrogé en mars 2000 en relation avec des armes que vous auriez reçues de votre frère, et avoir été détenu pendant 24heures. Il convient toutefois de remarquer que vous avez fait nulle mention de cet incident à l'Office des Etrangers. Interrogé sur la possibilité d'une éventuelle détention, vous avez répondu négativement. On ne peut donc accorder aucun crédit à cet élément de votre récit ». ATTENDU que le requérant, lors de son audition au CGRA, répond à la question « avez - vous été accusé officiellement de quelques choses ? ». Que sa réponse ne concerne que le caractère officiel des poursuites. Que d'ailleurs, il a fait l'objet de visite de police militaire en son domicile à deux reprises pour une question d'armes envoyées aux Bosniaques. Qu'en tant que musulman et compte tenu de l'expérience vécue le requérant avait raisonnablement pu craindre qu'un emprisonnement suite à une plainte concernant un fait commis en temps de guerre aurait exposé sa vie à un péril grave. ATTENDU que si le requérant n'a pas fait mention de la question des armes à l'Office des Etrangers, il n'avait pas fait des déclarations contraires. Qu'en effet, la brièveté qui est de rigueur lors de l'audition à l'Office des Etrangers, le requérant a présenté les éléments qui l'ont davantage marqué. Que d'ailleurs, le requérant répond par l'affirmative à la question no 46 (d'autres types d'intimidations). Qu'il en va de même pour l'arrestation de 24 heures liée aux problèmes des armes. Quant au troisième type de motif : ATTENDU que le CGRA soutient: « en outre, il convient de remarquer que les problèmes de voisinages que vous avez mentionnés (insultes verbales et destructions de vos fenêtres et porte) sont de nature locale, interpersonnelle et relèvent du droit commun (droit pénal) . De plus , vous n'avez fait aucune tentative pour invoquer la protection des autorités Yougoslaves. Du reste, vous n'avez fait nulle mention de ces problèmes auprès de l'Office des Etrangers. » ATTENDU que derrière ces problèmes à caractère privé ou local, il faut discerner des persécutions liées au seul fait de l'appartenance ethnique du requérant. Qu'étant minoritaire, la pression de ses voisins l'a exposé à un péril de plus en plus grave vue les suspicions qui planaient sur lui (trafic d'arme), le requérant ne pouvait prendre le risque d'aller aviser les autorités du pays. Quant au quatrième motif : ATTENDU que le CGRA soutient: « Pour terminer, il faut constater qu'avant de venir en Belgique, vous avez séjourné pendant un an principalement en Bosnie et que vous en êtes partis sans aucune crainte de persécution au sens où l'entend la Convention sur les réfugiés . Vous avez déclaré n'avoir eu aucun problème en Bosnie. » ATTENDU que le requérant émet des réserves quant au caractère contradictoire des notes prises à l'audition au CGRA. Qu'en effet, ces notes ne lui ont pas été relues et il ne les a pas signées. XIV-14.211-4/9 ATTENDU que le requérant n'a pas séjourné d'une manière ininterrompue durant une année en Bosnie, il retournait lui ou son épouse en Serbie en cachette. Il n'est pas resté plus que trois mois en Bosnie après son dernier départ de Serbie. Il faut dans ces types de circonstances trouver des filières et des fonds. Quant à tous ces types de motifs : Vue qu'il apparaît clairement que pour tous ces motifs la décision du CGRA est non valablement motivée. Qu'elle viole donc les art. 1,2 et 3 de la loi du 29/7/91.”; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij in de nota repliceert als volgt: “III. Subsidiair: Onderzoek van de middelen Enige middel : schending van de artikelen 1 tot 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. 1.
- Wat betreft de formele motivering antwoordt verweerder dat de bestreden beslissing op een correcte wijze werd genomen en gemotiveerd. Naast een uiteenzetting van het vluchtrelaas door verzoeker uiteengezet tijdens zijn interview op het Commissariaat-generaal, bevat de bestreden beslissing gedetailleerde overwegingen die de beslissing afdoende motiveren. Een schending van de algemene motiveringsplicht, vervat in de Wet van 29 juli 1991, kan niet worden vastgesteld. Deze motiveringsplicht heeft tot doel ten opzichte van diegene die bij een bestuurshandeling betrokken is, een zodanig inzicht te verschaffen in de motieven van de handeling dat hij/zij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die handeling te verweren met de middelen die het recht verschaft. Uit het verzoekschrift blijkt dat verzoeker de motieven van de bestreden beslissing wel degelijk kent waardoor het doel van de uitdrukkelijke motivering in casu is bereikt. 1.
- Wat betreft de materiële motivering antwoordt verweerder dat artikel 52 van de Vreemdelingenwet de Commissaris-generaal de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering van de Minister te bevestigen. In casu heeft de Commissaris-generaal op grond dit artikel geoordeeld dat de asielaanvraag van verzoeker kennelijk ongegrond is omdat verzoeker geen ernstige feiten of elementen heeft aangehaald waaruit blijkt dat hij zijn land van herkomst heeft verlaten omwille van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie of dat hij bij een eventuele terugkeer een dergelijke vrees zou dienen te koesteren. 1.
- In het voorliggend verzoekschrift tracht verzoeker de overwegingen van de bestreden beslissing één voor één te weerleggen. Verweerder wijst er op dat de bestreden beslissing als geheel moet worden gelezen en niet als van elkaar losstaande zinnen. Het is het geheel van de in de bestreden beslissing aangehaalde motieven die de Commissaris-generaal hebben doen besluiten tot de onontvankelijkheid van de asielaanvraag. 1.
- Inzake de problemen met zijn werkgever werpt verzoeker op dat de afwezigheid van enig geschreven bewijsstuk (van de tegen hem ingediende klacht) de coherentie van zijn asielrelaas niet kan ondermijnen, dat - gelet op het oorlogsverleden van de Serviërs - zijn vrees geen eerlijk proces te zullen krijgen wel aannemelijk is en dat de in de bestreden beslissing vastgestelde omissie omtrent zijn problemen met de autoriteiten in verband met de verdenking van wapensmokkel, te wijten is aan de korte vraagstelling op de Dienst Vreemdelingenzaken. Verweerder antwoordt dat verzoeker zich louter beperkt tot de weerlegging van de in de bestreden beslissing aangehaalde motieven met algemene blote beweringen. Verzoeker brengt echter geen concrete of relevante elementen aan waaruit blijkt dat de Commissaris-generaal zich bij de beoordeling van zijn asielaanvraag op onjuiste feitelijke gegevens of op kennelijk onredelijke gronden heeft gebaseerd. In casu kon de Commissaris-generaal op grond van de gegevens van het administratief dossier in alle redelijkheid oordelen dat verzoekers vrees voor vervolging omwille van de klacht die tegen hem zou zijn ingediend, louter gebaseerd is op een mondelinge informatie die niet gestaafd wordt door enig schriftelijk document en dat verzoeker geen concrete feiten of elementen aanhaalt waaruit blijkt dat hij omwille van één van de criteria van de Vluchtelingenconventie geen eerlijk proces zou krijgen. Inzake de vastgestelde omissie omtrent zijn vasthouding gedurende 24 uur wegens verdenking van wapensmokkel, merkt verweerder op dat dit niet te wijten kan zijn aan de vraagstelling op de Dienst Vreemdelingenza- ken. Het gehoorverslag van de Dienst Vreemdelingenzaken bevat precieze en gedetailleerde gegevens. Noch bij de uiteenzetting van zijn asielrelaas (vraag 42) noch bij de uitdrukkelijke vraagstelling omtrent eventuele opsluitingen (vraag 44) heeft verzoeker enige melding gemaakt van dit incident waardoor de Commissaris-generaal terecht de geloofwaardigheid van dit element, dat voor het eerst voor het Commissariaat-generaal werd opgeworpen, in twijfel kon trekken. 1.
- Inzake zijn problemen met de buren werpt verzoeker op dat deze te wijten zijn aan zijn origine en dat hij - gelet op de verdenking van wapensmokkel die reeds op hem rustte - geen risico wou lopen door zich tot de autoriteiten te wenden. XIV-14.211-5/9 Verweerder merkt op dat gelet op de gegevens van het administratief dossier de Commissaris-generaal in alle redelijkheid kon oordelen dat verzoekers problemen met zijn buren van lokale, interpersoonlijke en gemeenrechtelijke aard zijn waarvoor verzoeker geen enkele poging heeft ondernomen om bescherming van de Joegoslavische autoriteiten te bekomen. 1.
- Inzake zijn verblijf in Bosnië werpt verzoeker op dat hij gedurende het jaar voor zijn vlucht naar België daar niet ononderbroken heeft verbleven maar enkele keren in het geheim is teruggekeerd naar Joegoslavië. Verweerder merkt op dat uit het administratief dossier duidelijk blijkt dat verzoeker - alvorens naar België te komen - gedurende een jaar hoofdzakelijk in Bosnië heeft verbleven en dit land heeft verlaten zonder enige vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingencon- ventie. 1.
- Verzoeker toont niet met concrete of relevante elementen dat de Commissaris-generaal zijn wettelijk toegekende discretionaire appreciatiebevoegdheid zou hebben overschreden. De bestreden beslissing is afdoende gemotiveerd. Ze wordt gedragen door in rechte en in feite aanvaardbare motieven. Het enige middel is niet gegrond.”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel de schending aanvoert van de artikelen 1, 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat de verzoekende partij in een eerste onderdeel aanvoert dat het feit dat ze niet beschikt over een document om haar bewering te staven, geen afbreuk doet aan haar verklaringen; dat de verzoekende partij terecht mocht verwachten dat ze geen eerlijk proces zou krijgen, gelet op wat ze reeds had meegemaakt; dat de klacht van haar werkgever niet de enige reden is waarom ze is gevlucht; dat de verzoekende partij in een tweede onderdeel aanvoert dat haar negatief antwoord op de vraag of zij officieel beschuldigd werd van bepaalde zaken, enkel betrekking had op het “officieel” karakter van de vervolgingen; dat het niet vermelden van het feit met betrekking tot de wapens geen tegenstrijdigheid uitmaakt en dat de verhoren bij de Dienst Vreemdelingenzaken beknopt zijn; dat de verzoekende partij wel bevestigend antwoordde op de vraag of zij nog andere types van intimidatie had ondergaan; dat de verzoekende partij in een derde onderdeel aanvoert dat de problemen met de buren kaderen in het geheel van problemen die zij kende omwille van haar etnische afkomst; dat zij tevens omwille van haar afkomst niet de hulp van de autoriteiten durfde in te roepen; dat de verzoekende partij in een vierde onderdeel aanvoert dat het verhoorverslag van het Commissariaat-generaal haar niet kan worden tegengeworpen omdat dit haar niet werd voorgelezen en omdat zij dit niet heeft ondertekend; dat de verzoekende partij uiteenzet dat zij niet ononderbroken in Bosnië verbleef maar in het geheim naar Servië terugging, zodat zij niet meer dan drie maanden in Bosnië heeft verbleven; 2.
- Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiverings- plicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem verschaft; dat uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat de verzoekende partij bijgevolg de XIV-14.211-6/9 schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat de bestreden beslissing steunt op volgende motieven: - de verzoekende partij heeft geen feiten of elementen aangehaald waaruit zou kunnen blijken dat ze haar land van herkomst heeft verlaten omwille van een gegronde vrees in de zin van de Vluchtelingenconventie of dat ze bij een eventuele terugkeer naar Joegoslavië een dergelijke vrees zou moeten hebben; wat betreft haar vermoeden dat haar vroegere werkgever een klacht tegen haar zou hebben ingediend, kan ze deze bewering aan de hand van geen enkel document staven; hoe dan ook heeft de verzoekende partij niet aannemelijk gemaakt dat zij zich in geval van een daadwerkelijke klacht door haar ex-werkgever niet zou kunnen verdedigen op een eerlijk proces; zij verklaarde immers dat ze nooit eerder problemen kende met de autoriteiten en dat ze voor haar desertie buiten vervolging werd gesteld door toepassing van een amnestiewet; wel verklaarde zij in maart 2000 ondervraagd te zijn in verband met wapens die ze van haar broer zou hebben gekregen, en gedurende 24 uur vastgehouden te zijn; over dit incident maakte zij echter geen melding op de Dienst Vreemdelingenzaken; gevraagd naar de mogelijkheid van een eventuele opsluiting, antwoordde ze ook negatief; aan dit element van haar vluchtrelaas kan dan ook geen geloof worden gehecht; - de door haar aangehaalde problemen met de buren (verbale beledigingen en vernieling van ramen en deur) zijn van lokale, interpersoonlijke en gemeenrechtelijke (strafrechtelijke) aard; bovendien heeft de verzoekende partij geen enkele poging gedaan om de bescherming van de Joegoslavische autoriteiten in te roepen; ook van deze problemen maakte zij op de Dienst Vreemdelingenzaken niet het minste gewag; - alvorens naar België te komen, verbleef de verzoekende partij gedurende één jaar hoofdzakelijk in Bosnië; zij is daar vertrokken zonder enige vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; ze verklaarde geen problemen te hebben gekend in Bosnië; - het door haar neergelegde attest van haar vroegere werkgever, de firma “Vesna” doet geen afbreuk aan bovenstaande vaststellingen en bevestigt enkel dat zij van 1 september 1983 tot 1juli 1999 voor deze firma werkte in de hoedanigheid van afdelingshoofd; in het document wordt trouwens geen enkel gewag gemaakt van een rechtszaak die tegen haar zou zijn aangespannen of van het feit dat ze ontslagen zou zijn; Overwegende dat de verzoekende partij zich in het eerste onderdeel van het enig middel beperkt tot een herhaling van haar asielmotieven en een eigen standpunt naar voor brengt zonder dit met concrete gegevens te staven; dat zij in wezen aan de Raad van State vraagt om de feiten opnieuw te beoordelen; dat het niet aan de Raad van State toekomt om zich bij de beoordeling van de feiten in de plaats te stellen van de bevoegde overheid; dat de Raad van State er bij de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel toe gehouden is na te gaan of de betrokken overheid bij de beoordeling van het dringend beroep uitgegaan is van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en op grond daarvan in alle XIV-14.211-7/9 redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de Commissaris-generaal bij het nemen van zijn beslissing rekening hield met alle concrete en relevante gegevens van de zaak; dat de verzoekende partij geen schriftelijk bewijs heeft, dat zij meent dat haar relaas coherent is, dat zij na hetgeen zij had meegemaakt niet meer geloofde in een eerlijk proces en dat de klacht van de werkgever niet de enige reden is waarom zij is gevlucht, niet aantoont dat de vaststellingen van de Commissaris-generaal kennelijk onredelijk zijn; Overwegende dat, wat het tweede onderdeel van het middel betreft, van de verzoekende partij kan worden verwacht dat zij de feiten die de oorzaak waren van haar vlucht uit haar land van herkomst nauwkeurig, zorgvuldig en op een coherente en geloofwaardige manier weergeeft aan de asielinstanties, zodat op grond van dit relaas kan worden nagegaan of er aanwijzingen bestaan om te besluiten tot het bestaan van een gevaar voor vervolging in de zin van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie); dat in de bestreden beslissing wordt vermeld dat de verzoekende partij over de wapens die zij van haar broer zou ontvangen hebben en haar opsluiting daarom, geen melding maakte bij de Dienst Vreemdelingenzaken; dat deze vaststelling steunt op de gegevens van het dossier; dat de uiteenzetting van de verzoekende partij geen verantwoording inhoudt voor het feit dat zij deze belangrijke elementen niet heeft vermeld; Overwegende dat, wat het derde onderdeel van het middel betreft, de verzoekende partij aanvoert dat haar etnische afkomst haar problemen heeft veroorzaakt; dat dit evenwel geen afbreuk doet aan de vaststelling van de Commissaris-generaal dat de problemen van de verzoekende partij van gemeenrechtelijke aard zijn, tussen privé-personen plaatsvonden, dat zij de hulp van de autoriteiten niet heeft ingeroepen en dat zij van bepaalde problemen geen melding heeft gemaakt tijdens het verhoor bij de Dienst Vreemdelingenza- ken; Overwegende dat, wat het vierde onderdeel betreft, de verhoorverslagen voor het Commissariaat-generaal niet worden ondertekend door de kandidaat-vluchtelingen; dat dit verhoorverslag geen authentieke akte of proces-verbaal uitmaakt; dat het niettemin, tot bewijs van het tegendeel, een vermoeden van wettigheid en overeenstemming met de werkelijkheid geniet; dat de verzoekende partij mag bewijzen dat hetgeen in het verhoorver- slag werd neergeschreven, op een andere manier door haar werd gezegd; dat de verzoekende partij haar beweringen evenwel dient te ondersteunen met concrete en pertinente gegevens; dat, gelet op het feit dat de verzoekende partij zich in casu beperkt tot loutere beweringen die zij niet uitwerkt aan de hand van concrete gegevens, geen afbreuk wordt gedaan aan het vermoeden van wettigheid en overeenstemming met de werkelijkheid van het verhoorverslag voor het Commissariaat-generaal; dat uit dit verhoorverslag blijkt dat de verzoekende partij zelf verklaarde dat zij, na haar vertrek uit Bosnië, waar zij één jaar verbleef, naar België XIV-14.211-8/9 vertrok, en dat zij geen problemen had met de Bosnische autoriteiten; dat de vaststellingen van de Commissaris-generaal in dit verband steun vinden in het dossier, en dat de uitleg post factum van de verzoekende partij hieraan geen afbreuk doet; Overwegende dat het enig middel, in al zijn onderdelen, ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig november tweeduizend en zes, door : Mevr. Ch. BAMPS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. Ch. BAMPS. XIV-14.211-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.214 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.