id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.219 Rolnummer: A. 172044/XIV-25280 Zaak: Arrest 165219 - - 28/11/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-12-08 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-01 10:25 Fiche Arrest nr 165.219 van 28 november 2006 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 165.219 van 28 november 2006 in de zaak A. 172.044/XIV-25.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat I. JANSSEN, kantoor houdende te 1080 BRUSSEL, Paalstraat 14 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 12 december 1983 en van Bhutanese nationaliteit, op 23 maart 2006 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 31 januari 2006 tot weigering van regularisatie; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, d.d. 27 juli 2006, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 24 augustus 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 25 oktober 2006 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad Ch. BAMPS; XIV-25.280-1/9 Gehoord de opmerkingen van Advocaat B. BRIJS, die loco Advocaat I. JANSSEN verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat S. DE VRIEZE, die loco Advocaat E. MATTERNE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij komt België binnen op 22 april 1999 en verklaart zich vluchteling op 23 april
- 1.
- Op 30 september 1999 neemt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een bevestigende beslissing tot weigering van verblijf. De verzoekende partij stelt geen beroep in tegen deze beslissing. 1.
- Op 27 januari 2000 dient de verzoekende partijeen regularisatieaanvraag in op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet), meer in het bijzonder op basis van de artikelen 2, 2/ en 2, 4/. 1.
- Op 27 augustus 2001 heeft de Advocaat van de verzoekende partij bijkomende stukken ingediend bij de Commissie voor regularisatie. 1.
- Op 29 september 2005 is de verzoekende partij gehoord door de Commissie voor Regularisatie, in aanwezigheid van een Advocaat. 1.
- Op 22 december 2005 heeft de Kamer van de Commissie voor Regularisatie een ongunstig advies verleend betreffende de aanvraag van de verzoekende partij. Dit advies bevat de volgende overwegingen: “(...) Gelet op de beschikking van 01 september 2005 van de vice-Eerste Voorzitter Carla Vercammen met toewijzing van de behandeling van dit ingediende verzoek tot regularisatie aan de Nederlandstalige Kamer op de zitting van donderdag 29 september
- Na regelmatige uitnodigingen voor deze zitting verscheen de verzoekende partij in persoon en werd ter zitting bijgestaan door zijn raadsman mr. Ruben Wissing die verscheen loco mr. Kati Verstrepen beiden advocaat aan de balie van Antwerpen. De behandeling van het ingediende verzoek gebeurde in overeenstemming met artikel 10 van het koninklijk besluit van 5 januari
- XIV-25.280-2/9 Het verzoek werd te Antwerpen tijdig ingediend op 27 januari 2000 en hierbij verklaarde verzoeker dat hij ongehuwd was en geen partner noch kinderen had. Bij dit verzoek werden acht stukken geïnventariseerd tot ondersteuning van dat verzoek. Hierbij bevond zich geen voor deze procedure door verzoeker geschreven verklaring waarom hij persoonlijk van oordeel was naar zijn land van herkomst niet te kunnen terugkeren. De behandeling van zijn verzoek werd vertraagd door het in beslag nemen van zijn dossier door het Parket van de Procureur des Konings te Brussel (Notitie BR.21.97.4828/01) dat een onderzoek uitvoerde naar valsheid in geschriften. De Commissie heeft hiervan verder geen kennis. Aangezien de verzoekende partij moest kunnen kennis nemen hebben van de nota van het onderzoekssecretariaat van 29 maart 2005, waarin door het secretariaat tot het besluit werd gekomen dat het bij de aanvraag gevoegde dossier volledig was en dat de aanvraag prima facie kon leiden tot een gunstig advies zodat de aanvraag met een gunstig advies werd overgemaakt aan de Minister in overeenstemming met artikel 12 § 4 van de Wet van 22 december
- Na kennis te hebben genomen van dat advies in toepassing van artikel 12 § 4,1/ stuurde de Minister van Binnenlandse Zaken met zijn schrijven van 24 mei 2005 het dossier van betrokkene toch naar de Commissie voor Regularisatie omdat hij gebruik wenste te maken van alinea 2 van datzelfde artikel. De Commissie kon, zoals voorzien is in artikel 14 § 1 van het koninklijk besluit van 5 januari 2000 betreffende de samenstelling en de werking van de Commissie voor Regularisa- tie, toch kennis kunnen krijgen van een dossier van betrokkene bij de Dienst Vreemdelingenza- ken met het nummer 4.830.742 en waarin gegevens werden genoteerd die aan de Belgische overheid bekend geraakten tijdens zijn verblijf in het Rijk, gegevens die dus eveneens reeds bekend waren aan betrokkene en die ook ter zitting nog werden besproken. Verzoeker had zich in Brussel vluchteling verklaard op 23 april 1999 en had toen eveneens verklaard en ondertekend dat hij over geen identiteitsdocument beschikte en reeds op 22 april 1999 het Rijk voor het eerst was binnen gekomen. Daarna werd er op 5 mei 1999 een beslissing genomen tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten en waarin vermeld stond dat hij op aanraden van een oom zijn land verliet, zelf nooit te zijn veroordeeld of opgesloten, zijn verhaal bleef vaag en hij legde geen documenten over zijn identiteit, nationaliteit of gevolgde reisroute zodat zijn asielaanvraag onontvankelijk was. Tijdens zijn verhoor had hij verklaard een broer C. M. B. te hebben, landbouwerveehouder te zijn geweest, op doorreis in India te hebben vertoefd in Delhi en Chadichok en via India en Frankrijk naar België te zijn gekomen volgens de keuze van zijn reisagent. Hij tekende een dringend beroep aan tegen die beslissing van onontvankelijkheid en op 30 september 1999 werd daarop geoordeeld door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen (CG/99/14256/23D/S- 99-5802/J/dbp) en dit met een bevestigende beslissing van weigering van verblijf welke daarna definitief werd zodat ook op de daaraan voorafgaande gebruikte argumentatie niet opnieuw kan worden teruggekomen. Er werd in die bevestigende beslissing vastgesteld dat het relaas van betrokkene tegenstrijdigheden bevatte, dat zijn kennis over Bhutan dermate zwak was dat er kon getwijfeld worden over de werkelijke identiteit en nationaliteit van de betrokkene. Hij kon op concrete vragen over zijn voorgehouden land van oorsprong onvoldoende antwoorden en zijn kennis van het Dzonkha, de officiële taal in Bhutan, bleek eveneens heel zwak zodat er werd besloten dat het ontbreken van dergelijke elementaire kennis over het land waarvan hij beweerde de nationaliteit te bezitten de betrokkene in een bedrieglijk daglicht stelde. Zijn aanvraag werd als bedrieglijk beoordeeld en de Commissaris-generaal ontwaarde geen ernstige en aantoonbare gronden die lieten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Deze mocht bijgevolg worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht was. Betrokkene was toen nog minderjarig. Op 6 oktober 1999 ondertekende verzoeker een verbintenis tot vrijwillig vertrek. Maar daarna, ingevolge het indienen van de aanvraag tot regularisatie van verblijf, werd er beslist om de geldigheidsduur van het bevel het grondgebied te moeten verlaten te verlengen in afwachting van een beslissing van de Commissie voor Regularisatie. De aanvraag van de verzoekende partij was bij het indienen ervan gesteund op artikel 2,2/ van de Wet van 22 december 1999 hetzij omdat er om redenen onafhankelijk van de eigen wil niet kon teruggekeerd worden naar het land of de landen waar er voor de aankomst in België gewoonlijk verbleven werd, noch naar het land waarvan men de nationaliteit heeft, noch naar het land van herkomst. Gezien de verzoekende partij hiervoor ingevolge artikel 9,7/ van diezelfde wet een schriftelijke verklaring moest bezorgen die weergeeft waarom er onafhankelijk van de eigen wil niet kan teruggekeerd worden naar het land of de landen waar er voor de aankomst in België gewoonlijk verbleven werd, noch naar het land waarvan men de nationaliteit heeft noch naar het land van herkomst. Verzoeker persoonlijk heeft geen hem eigen schriftelijke verklaring gevoegd bij de stukken waarmee hij bij het indienen van zijn verzoek hiertoe verantwoordende stukken wilde bezorgen. Hij moest de redenen uiteen zetten waarom hijzelf meende persoonlijk niet te kunnen terugkeren naar het land waaruit hij naar België kwam zodat verzoeker niet echt voldaan heeft aan de bij dit criterium door de wetgever gestelde vereiste. XIV-25.280-3/9 Bij het indienen van zijn verzoek tot regularisatie van verblijf deed verzoeker eveneens beroep op hef artikel 2,4/ van de wet van 22 december
- hetzij humanitaire redenen kunnen laten gelden en duurzame sociale bindingen in het land ontwikkeld hebben. Bij het inroepen van dit artikel moest de betrokken vreemdeling Volgens artikel 9,9/ van de Wet van 22 december 1999 het bewijs leveren van een bestendige aanwezigheid in België die teruggaat tot meer dan zes jaar, of tot meer dan vijf jaar voor een gezin met minderjarige kinderen die op 1 oktober 1999 in België verblijven en die de leeftijd hebben om naar school te gaan, en/of in voorkomend geval het bewijs leveren van een wettig verblijf in België en/of een schriftelijke verklaring waaruit blijkt dat in de loop van vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag geen bevel gekregen was om het grondgebied te verlaten. Als een relevant wettig verblijf worden niet beschouwd, het verblijf op grond van een toeristenvisum, het verblijf waartoe de kandidaat-vluchtelingen in afwachting van een beslissing over de ontvankelijkheid van hun asielaanvraag zijn toegelaten en het verblijf waartoe studenten gemachtigd zijn. Uit de gegevens waarvan de Commissie kennis kon krijgen, moet er met zekerheid worden gesteld dat verzoeker de duur van een ononderbroken verblijf van zes jaar voorafgaand aan het indienen van zijn verzoek namelijk vanaf 22 april 1999 tot januari 2000 niet bereikt heeft en dat de duur van het werkelijk verblijf in het land te kort was om op basis van de duur ervan tot een regularisatie te kunnen komen. De door de wetgever voor regularisatie op deze rechtsgrond vereiste termijn van zes jaar continu verblijf in het Rijk werd derhalve dus toen door verzoeker niet bereikt. Hij kon derhalve voor toepassing van dit criterium niet in aanmerking komen wanneer hij dit verzoek in januari 2000 indiende en er was toen evenmin sprake van bestaande reeds in dit land ontwikkelde duurzame sociale bindingen. De stukken die verzoeker thans aan de Commissie voorlegde hebben betrekking op de periode die loopt na het indienen van zijn verzoek en konden in januari 2000 nog geen rol hebben gespeeld, Het blijft immers vanzelfsprekend dat alle tot einde januari 2000 ingediende aanvragen tot regularisatie door de Commissie op grond van gelijkheid dienen behandeld te worden hetgeen betekent dat er voor alle aanvragen rekening moet worden gehouden met de elementen van de situatie zoals deze zich eind januari 2000 voordeed voor de verzoekende partij zoniet zou er mogelijkheid bestaan dat verzoekers die op de eerste zittingen van de Commissie voor behandeling van hun verzoek werden opgeroepen in een nadeliger situatie zouden vertoefd hebben dan diegenen die veel later voor de Commissie konden verschijnen. Volgens de Raad van State is het immers essentieel dat de gehanteerde criteria voor iedere kandidaat dezelfde zijn en op iedere kandidaat op een objectieve en gemotiveerde wijze worden toegepast (arrest nr. 47.908 van 13 juni 1994 in de zaak A.56.802/X-3072 L. De Smet/Belgische Staat). Verzoeker werkte ondertussen reeds in het officiële arbeidscircuit. Het kon door de Commissie vastgesteld worden dat verzoeker inspanningen deed om de Nederlandse taal te leren en te gebruiken. Op 14 oktober 2005 stuurde de raadsman van verzoeker aan de Commissie nog kopij toe van briefwisseling welke gevoerd was met de ambassades van Nepal in Brussel en van Bhutan in Genève. In dat schrijven werd vermeld dat het voor de betrokkene zo goed als onmogelijk is een bewijs te leveren van zijn origine omdat deze als Bhutanees van Nepalese origine door geen van beide overheden bijgestaan wordt. Het is geen bevoegdheid van de Commissie daarover een verder oordeel te vellen maar de Commissie betreurt hierbij wel dat verzoeker zelf meegewerkt heeft bij zijn aankomst in België om alle reisdocumenten die hij gebruikt had om in het Rijk te kunnen geraken te laten verdwijnen. Het kan evenmin iets wijzigen aan de definitief geworden hoger aangehaalde beoordeling door het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen. Aangezien deze vaststellingen hebben geleid tot het hiernavolgend advies dat, na beraadslaging, uitgebracht wordt overeenkomstig artikel 17 van het Koninklijk Besluit van 5 januari 2000 betreffende de samenstelling en de werking van de Commissie voor Regularisa- tie en houdende de uitvoering van de Wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen, verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Belgisch Staa ESblad van 10 januari 2000 p. 588-592) en volgens artikel 19 in werking getreden op 10 januari
- OM DEZE REDENEN brengt de Nederlandstalige Kamer van de Commissie voor Regularisatie, na onderzoek op tegenspraak, een ongunstig advies betreffende de aanvraag tot regularisatie van verblijf ingediend door XXX. (...).”. XIV-25.280-4/9 1.
- Op 31 januari 2006 neemt de minister van Binnenlandse Zaken de beslissing tot verwerping van de regularisatieaanvraag door zich aan te sluiten bij de overwegingen van het advies van de Commissie voor regularisatie. Dit is de bestreden beslissing.
- Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert dat als volgt luidt: “(...) ‘ENIG MIDDEL: Schending van art. 1, 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijk motivering van de bestuurshandelingen, van art. 10 en 11 van de G.W., van art. 2 van de wet van 22 december 1999, van art. 3 en 8 EVRM en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur: A. Bestreden beslissing De bestreden beslissing werd als volgt gemotiveerd : ‘De Kamer van de Commissie voor Regularisatie heeft mij, overeenkomstig de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, gevat met een ongunstig advies voor beslissing inzake uw aanvraag tot regularisatie, door U ingediend bij de Burgemeester te KAPELLEN, op 27/01/2000 en dat het nummer draagt Ik heb beslist dit advies, waarvan ik de overwegingen onderschrijf en als de mijne overneem, en waarvan U in bijlage een kopie vindt, te volgen’. Gezien de Minister in zijn beslissing uitdrukkelijk verwijst naar het ongunstig advies van de Nederlandstalige Kamer van de Commissie voor Regularisatie en waarvan hij de overwegingen onderschrijft en als de zijne overneemt, dient in onderhavig verzoekschrift na te worden gegaan in welke mate de motivering weernomen zoals in het advies, hoger vermelde rechtsregels en algemene beginselen van behoorlijk bestuur schendt. B. Bespreking van het advies van de Commissie voor Regularisatie Het ongunstig advies van de Nederlandstalige Kamer van de Commissie voor Regularisatie werd als volgt gemotiveerd (...) Het ongunstig advies van de Nederlandse Kamer van de Commissie voor Regularisatie is gebaseerd op volgende argumenten : Er is geen toepassing van art. 2, 2/ van de wet van 22 december 1999 omdat verzoeker geen geschreven verklaring heeft ingediend waarin hij uiteenzet waarom hij niet kan terugkeren naar zijn land van oorsprong. Dat verzoeker geen schriftelijke verklaring heeft neergelegd waarin hij de redenen uiteenzet waarom hij niet kan terugkeren naar zijn land van oorsprong is manifest onwaar. Op 27 augustus 2001 maakt de voormalige raadsman van verzoeker, Meester Kati Verstrepen, een schrijven over aan de Commissie voor Regularisatie waarbij zij een aantal stukken overmaakt ter aanvulling van het regularisatiedossier van verzoeker. Eén van die stukken is een brief van verzoeker van 16 augustus 2001 waarin hij uitdrukke- lijk verteld waarom hij niet kan terugkeren naar Bhutan. In het gunstig advies van het Onderzoekssecretariaat van de Commissie voor Regularisatie van 29 maart 2005 wordt bijgevolg terecht gesteld dat het dossier van verzoeker een schriftelijke gemotiveerde verklaring bevat over de onmogelijkheid tot terugkeer. De Nederlandse Kamer van de Commissie voor regularisatie schendt de motiveringsver- plichting op twee niveau's en bijgevolg de Minister van Binnenlandse Zaken ook omdat hij uitdrukkelijk zijn beslissing motiveert op grond van het advies van de Commissie : 1.Door in haar advies af te doen of de brief van verzoeker van 16 augustus 2001 gewoon niet bestaat en met de inhoud ervan geen rekening te houden.
- Door niet alleen met de inhoud geen rekening te houden maar ook door na te laten om te motiveren waarom met deze inhoud geen rekening wordt gehouden. Voor de toepassing van art. 2, 2/ van de wet van 22 december 1999 wil de Commissie voor Regularisatie geen rekening houden met de argumenten die verzoeker heeft aangehaald tijdens zijn asielprocedure omdat deze asielprocedure werd afgesloten door een bevestigende beslissing van weigering van verblijf van de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen. In zijn schrijven van 16 augustus 2001 weerlegt verzoeker de argumentatie van de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen en legt hij uit waarom hij niet kan terug keren naar zijn land van oorsprong. XIV-25.280-5/9 De Commissie voor Regularisatie laat na om op de argumenten zoals die door verzoeker werden uiteengezet in zijn schrijven van 16 augustus 2001 te antwoorden waardoor ze weer op manifeste wijze de motiveringsverplichting schendt. Gezien de Minister verwijst naar het advies van de Commissie voor Regularisatie schendt ook hij hier de motiveringsverplichting. Voor de toepassing van art. 2, 4/ van de wet van 22 december 1999 wil de Commissie voor Regularisatie geen rekening houden met de periode waarin verzoeker op een definitieve beslissing heeft moeten wachten. Verzoeker wenst zich hier te baseren op het gelijkheidsbeginsel en op het discriminatiever- bod zoals verwoord in artikel 10 en 11 van de grondwet. Het gelijkheidsbeginsel en het beginsel van niet-discriminatie brengen met zich mee dat personen die zich in situaties bevinden die objectief van elkaar verschillen niet op dezelfde manier behandeld kunnen worden. Enerzijds zijn er de personen die hun aanvraag hebben ingediend in januari 2000 en die hun beslissing hebben ontvangen in de loop van het jaar 2001 of 2002 (ten laatste in oktober 2002). Aan de andere kant zijn er de personen die hun aanvraag hebben ingediend in januari 2000 en die hun beslissing hebben ontvangen lang na de redelijke termijn van twee jaar die door de Minister zelf werd vooropgesteld, m.n. oktober
- Tijdens deze langdurige periode hebben de personen, die pas een beslissing hebben ontvangen lang na de redelijke termijn vooropgesteld door de Minister, zich nog beter kunnen integreren in onze maatschappij en dit maakt een objectief verschil uit met de personen die wel een beslissing hebben ontvangen binnen de redelijke termijn van twee jaar. Ingevolge het gelijkheidsbeginsel en het non-discriminatie beginsel, die inhouden dat personen die zich in dezelfde vergelijkbare situatie bevinden op, een zelfde manier behandeld dienen te worden, meent verzoeker dat er zich een schending voordoet op een ander niveau, met name tussen de asielaanvragers enerzijds en de personen die een regularisatie hebben aangevraagd anderzijds. Aan de ene kant hebben we de asielaanvragers die op basis van art. 2, l/ van de wet van 22 december 1999 hun situatie geregulariseerd zien omdat zij binnen een termijn van vier jaar, voor personen met schoolgaande kinderen wordt deze termijn op drie jaar gebracht, geen definitieve beslissing hebben ontvangen in hun asielprocedure. De Belgische kamer van volksvertegenwoordigers stelt in het wetsontwerp van 8 november 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk dat : ‘de wetgever is enerzijds van mening dat de termijn van vier of drie jaar, de normale duur overschrijdt voor een procedure tot onderzoek van een aanvraag tot erkenning van de hoedanigheid van vluchteling en anderzijds dat, gedurende deze periode, een vreemdeling die op het Belgisch grondgebied verblijft, zich geleidelijk in de maatschappij heeft geïntegreerd, waardoor hij ernstig benadeeld dreigt te worden in geval van verwijdering. Dit gaat des te meer op voor kinderen bij wie de maatschappelijke aanpassing sneller verloopt...’ Aan de andere kant, vinden we personen die een regularisatieaanvraag hebben ingediend zonder een beslissing te hebben ontvangen in een periode van 6 jaar (situatie van verzoeker). Het is zo dat deze twee categorieën van personen een ander juridisch statuut hebben : enerzijds zijn er de asielaanvragers waarvan de aanvraag wordt behandeld op basis van internationale verplichtingen die België is aangegaan (Conventie van Genève) en anderzijds zijn er de personen die een regularisatieaanvraag hebben ingediend waarvan de aanvraag wordt behandeld door de Minister van Binnenlandse Zaken op basis van een louter eenmalige nationale procedure (m.n. operatie « one shot »). Maar het is ingevolge de duur van de behandeling van de aanvraag en de gevolgen (tijdens deze periode heeft de vreemdeling zich goed kunnen integreren in onze samenleving met als gevolg dat hij ingeval van uitwijzing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zal ondervinden) die deze lange behandelingsperiode met zich meebrengt, deze beide categorieën in vergelijkbare situaties plaatst: het onderzoek van hun aanvraag heeft een onredelijke termijn nodig gehad met als gevolg dat zij zich goed hebben kunnen integreren in onze maatschappij waardoor een verwijdering een moeilijk te herstellen nadeel tot gevolg zal hebben. Deze twee categorieën van vreemdelingen met een specifiek juridisch statuut bevinden zich de facto ingevolge de duur van de procedure in een objectief vergelijkbare situatie. Bijgevolg zal een ongelijke behandeling van deze twee categorieën van personen een schending inhouden van art. 10 en 11 an de G.W. De Minister van Binnenlandse Zaken beroept zich zelf op het algemeen principe dat volgt uit omzendbrieven 1997 en 1998 en uit de tijdelijke regularisatiewet om de regularisatie toe te staan, op basis van artikel 9, § 3 van de wet van 15 december 1980, van het verblijf van kandidaat-vluchtelingen die geen uitvoerbare beslissing hebben ontvangen binnen een termijn van drie jaar (voor families met schoolgaande kinderen) of vier jaar (voor alleenstaande of koppels zonder kinderen). De Minister preciseert dat de verlenging van de termijn van het 'bevel om het grondgebied te verlaten'(...) wordt meegeteld om te komen tot een termijn van drie of vierjaar
- Gezien de wet van 22 december 1999 voorziet eveneens een verlening van het bevel om het grondgebied te verlaten tijdens te behandeling van de regularisatieaanvraag (artikel 14 van de wet van 22 december 1999), verstaat verzoeker moeilijk waarom het «algemeen principe » dat door de Minister zelf wordt XIV-25.280-6/9 ingeroepen niet van toepassing zou zijn voor personen die een regularisatieaanvraag hebben ingediend en die gedurende een onredelijk termijn van 6 jaar op hun beslissing hebben moeten wachten. Wat de schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur betreft verwijst verzoeker naar de rechtspraak van de Commissie voor Regularisatie, die in gelijkaardige gevallen het volgende heeft beslist: « l'application du critère visé á l'article 2 4/ de la foi doit tenir compte de la période de présence du demandeur sur le territoire beige qui s'est écoulée jusqu'à l'examen du cas parla Commission lorsque cet examen intervient, comme en l'espèce, au-delà d'un délai raisonnable de bonne administration, puisque la prolongation de cette présence rend d'autant plus intense l'intégration de l'intéressé à la société belge » (zie het advies van de Franstalige kamer in het dossier n/ 1060 2000 0119 00120). Tenslotte stelt de Commissie voor Regularisatie dat er een probleem is met het bepalen van de identiteit van verzoeker. Op de briefwisseling die de voormalige raadsman van verzoeker heeft gevoerd met de Nepalese en de Bhutanese Ambassade in Brussel en Genève, en waarvan een kopie werd overgemaakt aan de Commissie voor Regularisatie, teneinde de identiteit van verzoeker vast te kunnen stellen, kwam geen enkele reactie. De brief die meester Kati Vertsrepen richtte aan de Nepalese Ambassade kwam zelfs terug met de mededeling « niet afgehaald ». Het ontbreken van enige reactie wijst er duidelijk op dat verzoeker onmogelijk kan terugkeren naar één van deze landen. Als men nog niet de moeite neemt om te antwoorden op de brief of om de brief af te halen hoe zal verzoeker er dan ooit in slagen om een reisdocument te bekomen. Het antwoord van de Commissie op de argumentatie die door meester Kati Verstrepen in haar briefwisseling aan de Commissie werd overgebacht is : « Het is geen bevoegdheid van de Commissie daarover een verder oordeel te vellen maar de Commissie betreurt hierbij wel dat verzoeker zelf meegewerkt heeft bij zijn aankomst in België om alle reisdocumenten die hij gebruikt had om in het Rijk te kunnen geraken te laten verdwijnen. Het kan evenmin iets wijzigen aan de definitief geworden hoger aangehaalde beoordeling door het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen ». Eerst en vooral werpt verzoeker op dat hij zijn reisdocumenten niet zelf heeft laten verdwijnen maar onder dwang heeft moeten afstaan aan de smokkelaar. Dit heeft hij ook verklaard in het kader van zijn asielprocedure en gezien de Commissie zijn asieldossier heeft geconsulteerd moet zij daarvan op de hoogte zijn. Daarnaast moet verzoeker besluiten dat een dergelijk antwoord, m.n. dat het geen bevoegdheid van de Commissie is om daarover een verder oordeel te vellen geen antwoord is en een manifeste schending inhoud van de motiveringsverplichting. (...).”; Overwegende dat de verwerende partij in de nota repliceert als volgt: “Er wordt een enig middel voorgesteld, geput uit de schending van de artikelen 1,2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, van artikel 10 en 11 van de grondwet, van artikel 2 van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van tiet Rijk, van artikel 3 van het Europees Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Verzoeker stelt dat wat de beoordeling van het tweede criterium betreft, vaststaat dat hij op 16 augustus 2001 een brief voegde aan zijn dossier waarin hij uitdrukkelijk vermeldt waarom hij niet terug kan. De verwerende partij heeft de eer daarop te antwoorden dat uit het advies van het onderzoekssecretariaat blijkt dat op de vraag of het dossier een schriftelijke gemotiveerde verklaring bevat over de onmogelijkheid tot terugkeer, blijkt dat positief wordt geantwoord. Er wordt niet vermeld van welke datum gezegde verklaring is, doch in het administratief dossier bevindt zich een in het Engels gestelde verklaring, opgesteld op 26 januari 2000 en met vermelding van het adres te 2950 Kapellen. Het is niet duidelijk of de Kamer in haar advies van 22 december 2005 dat geschrift beoordeelde door te stellen dat verzoeker ‘niet echt voldaan heeft aan de bij dit criterium door de wetgever gestelde vereiste.’ Van een schrijven van 16 augustus 2001 lijkt er geen kopij het dossier aanwezig te zijn. Het eerste onderdeel van het middel lijkt te zijn voorgesteld met verwijzing naar een stuk waarvan het bestaan niet is aangetoond. Wat het vierde criterium betreft, maakt verzoeker in een tweede onderdeel de vergelijking met de gevolgen van de lange duur van een asielprocedure. XIV-25.280-7/9 De regularisatiewet voorziet echter niet dat de voorwaarden om te genieten van het vierde criterium kunnen worden verenigd na het indienen van de aanvraag. De ratio legis van die bijzondere wet was immers een oplossing te bieden voor illegalen die op het ogenblik van de inwerkingtreding aan de criteria beantwoorden. Verzoeker bevindt zich duidelijk niet in die voorwaarden. Wat de onzekerheid betreft over zijn identiteit, wijst verzoeker op de verklaring die hij aflegde ter gelegenheid van de asielaanvraag. Uit het administratief dossier blijkt dat hij op 5 mei 1999 verklaarde dat de valse Indische reisdocumenten, die hij nooit zelf in handen zou hebben gehad, door de ‘agent’ werden teruggenomen na aankomst.”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel de schending aanvoert van de artikelen 1, 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 2 van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet); van de artikelen 3 en 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.); van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur; dat de verzoekende partij ondermeer aanvoert dat het motief van het advies, dat door de bestreden beslissing wordt onderschreven en overgeno- men, dat stelt dat de verzoekende partij geen geschreven verklaring heeft ingediend waarin zij uiteenzet waarom zij niet kan terugkeren naar haar land van oorsprong, manifest onwaar is, omdat de verzoekende partij dit stuk op 27 augustus 2001 heeft ingediend; dat dit stuk zelfs wordt vermeld in het advies van het Onderzoekssecretariaat van de Commissie voor regularisatie van 29 maart 2005; dat evenmin wordt gemotiveerd waarom met dit stuk geen rekening werd gehouden; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij terecht aanvoert dat er in het advies van de Commissie voor regularisatie, en in navolging in de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken, wordt overwogen dat zij geen schriftelijke verklaring overeenkom- stig artikel 9, 7/ van de Regularisatiewet heeft neergelegd, waarin de verzoekende partij de redenen weergeeft waarom er onafhankelijk van de eigen wil niet kan worden teruggekeerd naar het land of de landen waar er voor de aankomst in België gewoonlijk werd verbleven, noch naar het land waarvan men de nationaliteit heeft, noch naar het land van herkomst; dat in het advies wordt overwogen dat “verzoeker persoonlijk (...) geen hem eigen schriftelijke verklaring (heeft) gevoegd bij de stukken waarmee hij bij het indienen van zijn verzoek hiertoe verantwoordende stukken wilde bezorgen. Hij moest de redenen uiteen zetten waarom hij meende persoonlijk niet te kunnen terugkeren naar het land waaruit hij naar België kwam zodat verzoeker niet echt voldaan heeft aan de bij dit criterium door de wetgever gestelde vereiste”; Overwegende dat deze overweging in strijd is met de gegevens van het dossier, zoals de verzoekende partij aangeeft; dat uit het dossier blijkt dat de Advocaat van de verzoekende partij op 27 augustus 2001 bijkomende stukken heeft overgemaakt aan de XIV-25.280-8/9 Commissie voor regularisatie; dat zich in deze stukkenbundel een brief bevindt van 16 augustus 2001, ondertekend door de verzoekende partij, waarin zij stelt dat zij in Bhutan behoorde tot de Nepaleessprekende minderheid en deze mensen in Bhutan worden gediscrimineerd en vervolgd; dat zij deze brief besluit met het argument dat zij niet terug kan naar Bhutan omdat het daar voor haar te gevaarlijk is; Overwegende dat niet wordt ingezien hoe de voorgaande brief niet kan worden beschouwd als een schriftelijke verklaring in de zin van artikel 9, 7/, van de Regularisatiewet, zodat dient te worden vastgesteld dat het advies van de Commissie voor regularisatie, en in navolging de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken, foutief is gemotiveerd; dat bijgevolg de motiveringsplicht werd geschonden; dat het enig middel in die mate gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 31 januari 2006 tot weigering van regularisatie van de verzoekende partij. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig november tweeduizend en zes, door : Mevr. Ch. BAMPS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. Ch. BAMPS. XIV-25.280-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.219 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.