← België

Arrest 165222 - - 28/11/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.222 Rolnummer: A. 131018/XIV-13180 Zaak: Arrest 165222 - - 28/11/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-12-08 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-01 10:26 Fiche Arrest nr 165.222 van 28 november 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 165.222 van 28 november 2006 in de zaak A. 131.018/XIV-13.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat D. MONFILS, kantoor houdende te 1090 BRUSSEL, R. Soetensstraat 12 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- - DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 20 maart 1978 en van Oekraïense nationaliteit, op 24 december 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 25 november 2002 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 18 januari 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op dezelfde dag; Gelet op de beschikking van 9 januari 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN, d.d. 2 mei 2006, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; XIV-13.180-1/12 Gelet op de beschikking van 24 augustus 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 25 oktober 2006 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad Ch. BAMPS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. HAEGEMANS, die loco Advocaat D. MONFILS verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché D. HANOULLE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
  3. De verzoekende partij komt België binnen op 20 november 2000 en verklaart zich vluchteling op 21 november
  4. 1.
  5. Op 18 januari 2001 neemt de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  6. Op 25 november 2002 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd: “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag geen verband houdt met de criteria van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen noch met andere criteria die de toekenning van asiel wettigen. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de vijf dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.). (...) Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U, een Oekraïens staatsburger, verklaarde tijdens uw interview voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat u in 1993 afstudeerde aan de middelbare school. Vervolgens ging u naar uw oom in Moskou die werk voor u zocht. Twee maanden later keerde u terug naar Oekraïne. U ging in de boerderij van uw ouders werken. Van 1996 tot 1999 was u in het leger. Sinds 1999 zocht u opnieuw naar werk maar u vond niets. U hoorde van verschillende mensen dat het in België beter is en besloot naar België te komen. Op 18 november 2000 verliet u uw land. U reisde in de richting van België waar 21 november 2000 de status van vluchteling aanvroeg. In het kader van uw asielaanvraag legde u geen enkel document voor. XIV-13.180-2/12 Er dient, over het feit dat u geen werk had in Oekraïne, te worden vastgesteld dat deze problemen niet het gevolg waren van uw ras, nationaliteit, religie, politieke activiteiten of het feit dat u tot een bepaalde sociale groep zou behoren. Er moet dus worden gesteld dat de door u in het kader van uw asielverzoek aangehaalde vluchtmotieven niet binnen het toepassingsgebied van de Vluchtelingenconventie vallen. Bijgevolg kan er in uw hoofde niet worden besloten tot het bestaan van een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging omwille van één van de criteria voorzien in de Vluchtelingenconventie. Aangezien uit uw verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken duidelijk blijkt dat uw aanvraag kennelijk vreemd is, acht de Commissaris-generaal het niet nodig om u op te roepen voor een verhoor in dringend beroep. (...)”.
  7. Over de gegrondheid van de zaak. 2.1.
  8. Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert, dat als volgt luidt: “schending van het algemeen beginsel van goed beheer dat de publieke autoriteit oplegt een redelijke termijn te respecteren in de behandeling van de aanvragen die haar toevertrouwd worden Verzoeker ziet een eerste middel in de schending van het algemeen beginsel van goed beheer dat de publieke overheid oplegt een redelijke termijn te respecteren m de behandeling van de aanvragen die haar worden toevertrouwd. Volgens dit beginsel dient men het verloop van een te lange tijdsperiode tussen de inleiding van een dringend beroep en de betekening van de beslissing van de administratie omtrent de asielaanvraag te sanctioneren. In casu heeft verzoeker zijn dringend beroep ingeleid op 18 januari 2001 en is het slechts op 25 november 2002 - hetzij tweeëntwintig maanden nadien - dat een beslissing genomen is. Zulke termijn moet beschouwd worden als abnormaal, in het kader van de behandeling van een « dringend » beroep. Een beslissing is zulke omstandigheden genomen is dus door gebreken aangetast.”; 2.1.
  9. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord als volgt repliceert: “2.
  10. Eerste middel: schending van het algemeen beginsel van goed beheer (redelijke termijn). Verzoekende partij roept in dat een te lange tijdsperiode verliep tussen de inleiding van een asielaanvraag en de betekening van de bestreden beslissing. Verwerende partij antwoordt dat verzoeker op 21 november 2000 zijn asielaanvraag indiende, en op 25 november 2002 de beslissing werd verstuurd naar verzoeker. Geen wettelijke bepaling legt de Commissaris-generaal een dwingende termijn op bij het behandelen van asielaanvragen. Verzoekende partij roept in dat de termijn van 22 maanden buitensporig is en dat de administratie hierdoor dient gesanctioneerd te worden. Verzoekende partij geeft echter niet aan welke schade verzoeker concreet opliep door de bestreden beslissing later te ontvangen. Het eerste middel is niet gegrond.”; 2.1.
  11. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord verwijst naar het initieel verzoekschrift; 2.1.
  12. Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel aanvoert, dat als volgt luidt: “schending van artikel 52.1.2/ van de wet van 15 december 1980 over de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en verwijdering van vreemdelingen en gelijktijdige schending van het motiveringsbeginsel en in het bijzonder van de artikelen 1 en 2 van de wet XIV-13.180-3/12 van 29 juli 1991 met betrekking tot de formele motivering van de administratieve akten en van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 over de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en verwijdering van vreemdelingen De aangevochten beslissing berust op de omstandigheid dat de asielaanvraag van verzoeker kennelijk ongegrond is (toepassing van artikel 52 van de vreemdelingenwet - zie eerste bladzijde van de aangevochten beslissing : deze bepaling betreft asielaanvragen die kennelijk ongegrond zijn). Volgens de Raad van State , « est manifeste ce dont l'existence ou la nature s’impose à un esprit raisonnable avec une force de conviction telle que de plus amples investigations n'apparaissent pas nécessaires » (arresten van de Raad van State 51.555 d.d. 07 februari 1995, 60.091 d.d. 11 juni 1996, 69.760 d.d. 25 november 1997). Welnu, het is evident in casu dat de asielaanvraag van verzoeker niet « kennelijk » ongegrond kan zijn aangezien het C.G.V.S. bijna twee jaar heeft nodig gehad om het dossier van verzoeker te behandelen en dit zonder dat verzoeker zelfs maar het voorwerp uitmaakte van een verhoor bij de diensten van het Commissariaat Generaal. Hier bestaat een fundamentele tegenspraak, op het vlak van de motivering (schending van de regels omtrent de motivering) en een schending van de notie van manifest ongegronde aanvraag (schending van hoger vermeld artikel 52).”; 2.1.
  13. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord als volgt repliceert: “2.
  14. Tweede middel: schending van artikel 52, §1, 2/ van de Vreemdelingenwet, van het motiveringsbeginsel, in het bijzonder de artikelen 1 en 2 van de wet uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen en artikel 62 van de Vreemdelingenwet. Verweerder antwoordt hier enkel dat verzoekende partij stelt dat de asielaanvraag ‘kennelijk ongegrond’ werd beschouwd. Uit de bestreden beslissing blijkt evenwel duidelijk, zowel uit de aanhef op pagina 1 als uit de motieven op pagina 2, dat de asielaanvraag ‘geen verband houdt met de criteria van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen’. Bijgevolg is het middel op gebrekkige wijze ontwikkeld. Het tweede middel is niet gegrond.”; 2.1.
  15. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord verwijst naar het initieel verzoekschrift; 2.1.
  16. Overwegende dat de verzoekende partij een derde middel aanvoert, dat als volgt luidt: “= schending van de notie van dringend beroep zoals bedoeld in de artikelen 63.2 en volgende van de wet d.d. 15 december 1980 = gelijktijdige schending van het motiveringsbeginsel en in het bijzonder van de artikelen 1 en 2 van de wet d. d. 29 juli 1991 met betrekking tot de formele motivering van administratieve akten en van artikel 62 van de wet dd 15 december 1980 met betrekking tot de toegang op het grondgebied, het verblijf, de vestiging en verwijdering van vreemdelingen = gelijktijdige schending van het gelijkheidsbeginsel van burgers voor de administratieve overheid De aangevochten beslissing berust zeer duidelijk op het postulaat van het Commissariaat Generaal volgens hetwelk het dringend beroep slechts de betwisting zou zijn door de kandidaat vluchteling van de beslissing genomen door de Dienst Vreemdelingenzaken, in eerste aanleg. Indien het correct is dat de draagwijdte van het dringend beroep bedoeld in de voornoemde artikelen van de wet van 15 december 1980 effectief doelt op de vernietiging door het Commissariaat Generaal van de beslissing die in eerste aanleg werd genomen door de Dienst Vreemdelingenzaken, kan de draagwijdte van dit beroep met alleen daartoe herleid worden. Inderdaad, de exacte draagwijdte van het dringend beroep voorzien door de voornoemde beschikkingen is niet alleen de betwisting door de kandidaat van de eindbesfissM9 door de Dienst Vreemdelingenzaken toe te laten maar eveneens van het proces dat geleid heeft tot deze beslissing- wat met name impliceert de betwisting van de wijze waarop het verhoor geleid is, van de wijze waarop de woorden vertaald zijn of de wijze waarop de woorden gereproduceerd zijn. Door zo te stellen dat enkel de in het verslag van de Dienst Vreemdelingenzaken op schrift gestelde verklaringen moesten weerhouden worden (en dat bijgevolg het verhoor bij de Dienst XIV-13.180-4/12 Vreemdelingenzaken op zekere wijze de verklaringen van de kandidaat vaststelde op onomkeerbare wijze), zonder de in het dringend beroep vermelde elementen, heeft het Commissariaat Generaal de exacte notie van het dringend beroep geschonden. Bovendien heeft de administratie het dossier van verzoeker op discriminerende wijze behandeld, gegeven het feit dat het zeer frequent voorkomt dat de kandidaat, tijdens het verhoor in dringend beroep, bijkomende gegevens mag uitleggen die hij niet steeds mocht uitleggen tijdens zijn eerste verhoor bij de Dienst Vreemdelingenzaken en die nochtans soms worden hernomen door het Commissariaat Generaal om een ontvankelijkheidsbeslissing te rechtvaardigen.”; 2.1.
  17. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord als volgt repliceert: “2.
  18. Derde middel: schending van de notie van dringend beroep (cf. Art. 63/2 e.v. van de Vreemdelingenwet), van het motiveringsbeginsel, in het bijzonder de artikelen 1 en 2 van de wet uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen en artikel 62 van de Vreemdelingenwet; schending van het gelijkheidsbeginsel van burgers voor de administratief overheid. Verzoekende partij stelt dat de Commissaris-generaal de notie van dringend beroep heeft geschonden en verzoeker op discriminerende wijze heeft behandeld. Verwerende partij antwoordt dat geen enkel wetsartikel of rechtsbeginsel de Commissaris-generaal de verplichting oplegt kandidaat-vluchtelingen in het kader van het dringend beroep mondeling te horen. Op basis van de elementen van de Dienst Vreemdelingenzaken en het verzoekschrift kon de Commissaris-generaal besluiten dat de asielaanvraag vreemd was aan de Vluchtelingenconventie. Er is evenmin sprake van een ongelijke behandeling. Geen enkele kandidaat-vluchteling heeft de garantie in dringend beroep gehoord te worden. Naarmate de omstandigheden van het dossier kan de Commissaris-generaal besluiten tot het organiseren van een gehoor. Alleszins had verzoeker, zoals alle kandidaatvluchtelingen ruim de gelegenheid alle dienstige elementen neer te leggen in het kader van het dringend beroep. Verwerende partij stelt vast dat verzoeker naliet dit te doen. Hiervoor had verzoeker ruim de tijd. In voetnoot verwijst verzoekende partij naar hetgeen werd aangegeven in het dringend beroep. Verzoeker had het over de ‘moeilijkheden die hij heeft gekend in zijn land van oorsprong, meer bepaald op economisch vlak, welke verband houden meet (sic) zijn sociale statuut’. Verwerende partij kon enkel vaststellen dat dit een element was dat verschilde van hetgeen op de Dienst Vreemdelingenzaken werd verteld. Immers, hierover werd op de Dienst Vreemdelingenzaken niets gezegd. Evenmin gaf verzoeker in het dringend beroep dan wel te kennen welke discriminatie hij in zijn land van oorsprong zou gekend hebben. Dit alles blijft zeer vaag. Op basis van de gegevens waarover het Commissariaat-generaal beschikte op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing kon de Commissaris-generaal terecht tot het vreemde karakter van de asielaanvraag beslissen. In de bestreden beslissing wordt gemotiveerd waarom de Commissaris-generaal het niet nodig achtte verzoeker te horen. Tenslotte wenst verwerende partij op te merken dat verzoeker nalaat aan te geven welke genoteerde verklaringen in het verhoorverslag van de Dienst Vreemdelingenzaken door hem betwist worden. Het derde middel is niet gegrond.”; 2.1.
  19. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord verwijst naar het initieel verzoekschrift; 2.1.
  20. Overwegende dat de verzoekende partij een vierde middel aanvoert, dat als volgt luidt: “= schending van het beginsel van goed bestuur = schending van de rechten van de verdediging Uit wat voorafgaat blijkt dat het Commissariaat Generaal besloten heeft te weigeren verzoeker te verhoren terwijl het, terzelfdertijd, een periode van tweeëntwintig maanden heeft laten verlopen tussen de inleiding van het dringend beroep en het nemen van een beslissing door zijn diensten. XIV-13.180-5/12 Indien men kan aanvaarden dat het Commissariaat Generaal in bepaalde gevallen kan stellen dat het vrijgesteld is van het overgaan tot een verhoor van een kandidaat, komt het dan toe aan het Commissariaat Generaal onmiddellijk een beslissing te nemen. Bij gebreke daarvan ontneemt het Commissariaat Generaal de kandidaat de mogelijkheid nieuwe elementen die gebeurd zijn tijdens de abnormale periode van behandeling van zijn asielaanvraag (in casu tweeëntwintig maanden) uit te leggen tijdens een verhoor bij zijn diensten - nieuwe elementen die ofwel de oorspronkelijke aanvraag kunnen aanvullen, ofwel haar kunnen verduidelijken onder een ander daglicht.”; 2.1.
  21. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord als volgt repliceert: “2.
  22. Vierde middel: schending van het beginsel van goed beheer en schending van de rechten van de verdediging. Verwerende partij verwijst naar hetgeen onder het vorig middel werd geantwoord. Het vierde middel is niet gegrond.”; 2.1.
  23. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord verwijst naar het initieel verzoekschrift; 2.1.
  24. Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste, tweede, derde en vierde middel de schending aanvoert van “het algemeen beginsel van goed beheer dat de publieke autoriteit oplegt een redelijke termijn te respecteren in de behandeling van de aanvragen die haar toevertrouwd worden”, van de artikelen 52, §1, 2/ en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van de artikelen 1 en 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van “het motiveringsbeginsel”, van de rechten van verdediging, van “het beginsel van goed bestuur”, van “de notie van dringend beroep zoals bedoeld in de artikelen 63.2 en volgende van de wet d.d. 15 december 1980”, en van “het gelijkheidsbeginsel van burgers voor de administratieve overheid”; 2.1.
  25. Overwegende dat de procedure voor het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen vooralsnog een administratieve en geen jurisdictionele procedure is, zodat de rechten van verdediging niet onverkort van toepassing zijn; dat de verzoekende partij niet verduidelijkt welk beginsel van behoorlijk bestuur zou zijn geschonden; dat de verzoekende partij niet kan worden gevolgd waar zij een schending aanvoert van “de notie van dringend beroep zoals bedoeld in de artikelen 63.2 en volgende van de wet d.d. 15 december 1980”, van “het motiveringsbeginsel en in het bijzonder van de artikelen 1 en 2 van de wet d. d. 29 juli 1991 met betrekking tot de formele motivering van administratieve akten en van artikel 62 van de wet dd 15 december 1980 met betrekking tot de toegang op het grondgebied, het verblijf, de vestiging en verwijdering van vreemdelingen”, en van “het gelijkheidsbeginsel van burgers voor de administratieve overheid”; dat het feit dat de Commissaris-generaal zich baseert op de verklaringen die de verzoekende partij heeft afgelegd voor de Dienst Vreemdelingenzaken, niet betekent dat hij van oordeel is dat geen rekening moet worden gehouden met de elementen die de XIV-13.180-6/12 verzoekende partij eventueel heeft aangebracht in het kader van het dringend beroep; dat niettegenstaande de gangbare praktijk van een verhoor door het Commissariaat-generaal, er geen wettelijke verplichting bestaat om de kandidaat-vluchteling te horen alvorens een beslissing te nemen; dat de Commissaris-generaal telkens individueel beslist of een verhoor dienstig en onmisbaar is voor het nemen van zijn beslissing; dat hij van een verhoor kan afzien indien hij van oordeel is dat hij voldoende is ingelicht omtrent de gegevens van de zaak om een gemotiveerde beslissing te kunnen nemen; dat enkel vereist is dat de kandidaat- vluchteling nuttig voor zijn rechten en belangen kan opkomen; dat de verzoekende partij bij het indienen van haar dringend beroep de mogelijkheid had haar relaas uitvoerig schriftelijk uiteen te zetten; dat uit het administratief dossier blijkt dat zij van die mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt; dat het haar bovendien vrij stond een vragenlijst aan te vragen of een schriftelijke verklaring aan het Commissariaat-generaal over te maken; dat de Commissaris- generaal derhalve op grond van de stukken die zich in het administratief dossier bevinden zijn beslissing kon nemen zonder de verzoekende partij te horen; dat de Commissaris- generaal bovendien in de bestreden beslissing motiveert waarom hij van een verhoor heeft afgezien; dat de Commissaris-generaal het in casu niet nodig achtte de verzoekende partij op te roepen voor een verhoor in dringend beroep, aangezien uit haar verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken duidelijk blijkt dat haar aanvraag kennelijk vreemd is aan de criteria van de Vluchtelingenconventie; dat de verzoekende partij de mogelijkheid had om, tijdens de gehele duur van de asielprocedure, eventuele nieuwe elementen aan te brengen ter staving van haar asielrelaas; dat de verzoekende partij dit niet heeft gedaan; dat de verzoekende partij evenmin aantoont welke verklaringen zij had wensen af te leggen tijdens een verhoor op het Commissariaat-generaal en op welke wijze deze verklaringen de bestreden beslissing in positieve zin hadden kunnen ombuigen; dat de verzoekende partij het niet aannemelijk maakt dat de Commissaris-generaal onvoldoende was ingelicht over de feitelijke toedracht van de zaak; dat de verzoekende partij, waar zij stelt dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden omdat andere kandidaat-vluchtelingen wel worden gehoord, het niet aannemelijk maakt dat kandidaat-vluchtelingen in dezelfde omstandigheden, wél door de Commissaris-generaal zouden zijn gehoord; dat de verzoekende partij haar grief geenszins ondersteunt met concrete en pertinente gegevens en het derhalve niet aannemelijk maakt dat de Commissaris-generaal niet kennelijk onredelijk tot de bestreden beslissing is gekomen; Overwegende dat de verzoekende partij niet kan worden gevolgd waar zij een schending aanvoert van “het algemeen beginsel van goed beheer dat de publieke autoriteit oplegt een redelijke termijn te respecteren in de behandeling van de aanvragen die haar toevertrouwd worden”; dat de periode tussen het instellen van het dringend beroep en de beslissing van de Commissaris-generaal tweeëntwintig maanden bedroeg; dat de Commissaris-generaal elke asielaanvraag afzonderlijk dient te behandelen; XIV-13.180-7/12 Overwegende dat de termijn bepaald in artikel 63/3, §1, van de Vreemdelingenwet een termijn van orde is en geen vervaltermijn; dat het niet naleven van deze termijn op zich de bestreden beslissing niet onwettig maakt; Overwegende dat, wat de schending van de redelijke termijn betreft, de verzoekende partij niet aantoont welk belang zij heeft bij het aanvoeren dat de bestreden beslissing eerder had moeten worden genomen; dat zij alvast niet kan beweren benadeeld te zijn door de lange duur van de asielprocedure, daar zij gelet op het bepaalde in artikel 63/5 van de Vreemdelingenwet door dit feit geruime tijd langer bescherming genoot tegen de beweerde vervolging en, in afwachting van de behandeling van het dringend beroep, in de mogelijkheid werd gesteld om aanvullende stukken ter staving van haar asielaanvraag te verzamelen; dat zij, voor zover zij beweert nadeel te lijden bij een eventuele terugkeer naar haar land van herkomst, niet aantoont welk belang zij er bij zou hebben indien de bestreden beslissing eerder was genomen; dat zij voor het overige rekening diende te houden met het precaire karakter van haar statuut; Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiveringsplicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij of zij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem of haar verschaft; dat uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat hetzelfde geldt voor de aangevoerde schending van artikel 62 van de Vreemdelingenwet; dat de verzoekende partij bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat de Vluchtelingenconventie aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat de Commissaris-generaal een asielaanvraag onontvankelijk kan verklaren omdat zij geen verband houdt met de criteria van de Vluchtelingenconventie noch met andere criteria die de toekenning van asiel wettigen; dat de Commissaris-generaal in casu tot dit besluit komt omdat de verzoekende partij geen feiten of elementen heeft aangehaald waaruit blijkt dat zij haar land van herkomst verlaten heeft uit een gegronde vrees voor vervolging zoals XIV-13.180-8/12 voorzien in de Vluchtelingenconventie; dat de Commissaris-generaal in casu tot deze conclusie is gekomen omdat: - het feit dat de verzoekende partij geen werk had in Oekraïne, niet het gevolg was van haar ras, nationaliteit, religie, politieke activiteiten of het feit dat zij tot een bepaalde sociale groep zou behoren; dat de door de verzoekende partij in het kader van haar asielaanvraag aangehaalde vluchtmotieven niet binnen het toepassingsgebied van de Vluchtelingen- conventie vallen; - in hoofde van de verzoekende partij derhalve niet kan worden besloten tot het bestaan van een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging omwille van één van de criteria voorzien in de Vluchtelingenconventie; Overwegende dat de verzoekende partij niet kan worden gevolgd waar zij de schending aanvoert de artikelen 52, §1, 2/ en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van de artikelen 1 en 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, en van “het motiveringsbeginsel”, omdat “de aangevochten beslissing berust op de omstandigheid dat de asielaanvraag van verzoeker kennelijk ongegrond is”; dat de Commissaris-generaal niet heeft besloten tot de kennelijke ongegrondheid van het asielrelaas van de verzoekende partij; dat de Commissaris-generaal in de bestreden beslissing stelt dat de asielaanvraag van de verzoekende partij geen verband houdt met de criteria van de Vluchtelingenconventie; dat het eerste, het tweede het derde en het vierde middel ongegrond zijn; 2.2.
  26. Overwegende dat de verzoekende partij een vijfde middel aanvoert, dat als volgt luidt: “= schending van het motiveringsbeginsel en in het bijzonder van artikelen 1 en 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van administratieve akten en het artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen = schending van het beginsel van goed bestuur -Eerste deel van het middel : In casu heeft het C.G.V.S. een beslissing genomen waarbij het zich exclusief baseerde op de verklaringen die door verzoeker werden gedaan bij de D.V.Z. Het is eveneens in functie van deze verklaringen dat het C.G.V.S heeft gesteld dat het niet nodig was over te gaan tot het verhoor van verzoeker (cfr beslissing: ‘Aangezien uit uw verklaring voor de Dienst Vreemdelingenzaken duidelijk blijkt dat uw aanvraag vreemd is, acht de Commissaris Generaal het niet nodig om u op te roepen voor een verhoor in dringend beroep’). De loutere eenvoudige verwijzing van het C.G.V.S. naar de nota's van de D.V.Z. lijkt eerst en vooral geheel en al ongepast, rekening houdend met wat het verslag van de D.V.Z. - zoals het overgemaakt is aan het C.G.V.S. en het zich in het administratief dossier bevindt - geheel en al onvolledig is (maar 7 bladzijden van de 15 werden meegedeeld - de -vragen en antwoorden 17 tot 41 ontbreken). Bovendien heeft het Commissariaat Generaal in casu gehandeld alsof het uitging van het feit dat dit verslag de verklaringen van verzoeker perfect betrouwbaar weergaf. Door zich zo te baseren op het verhoorverslag van de Dienst Vreemdelingenzaken, heeft het Commissariaat Generaal een draagwijdte gegeven aan het verslag van de Dienst Vreemdelingenzaken die, dit laatste, rekening houdend met bepaalde objectieve elementen, niet had in casu!! XIV-13.180-9/12 Inderdaad, een gepaste lezing van de laatste bladzijde van het verslag van de D.V.Z. maakt duidelijk de weglating door de opsteller van de taal in dewelke het verslag gelezen werd aan verzoeker (« het verslag werd mij voorgelezen in het ... »). Men weet dus niet of het verslag wel is herlezen aan verzoeker en a fortiori of deze herlezing plaatsvond in de moedertaal van verzoeker. men kan dus slechts besluiten dat het verslag van de Dienst Vreemdelingenzaken, bij gebreke van deze vermelding die nochtans verplicht is, niet de waarborgen biedt die normaal gezien toelaten een bewijswaarde te verlenen aan de verklaringen die erin bevat zijn. Vermits deze bewijswaarde niet uit het verhoorverslag blijkt, kan het postulaat van een correcte reproductie van de woorden van verzoeker (postulaat waaraan het C.G.V.S. zich heeft overgeleverd), niet objectief blijken uit de lezing van het voornoemde verslag. De verwijzing die het Commissariaat Generaal maakt naar het verslag van de Dienst Vreemdelingenzaken is dus ongepast, rekening houdend met het feit dat dit verslag in casu niet over de bewijswaarde beschikte die het normaal heeft - wat het Commissariaat Generaal dankzij een grondige lezing van de voornoemde verslagen normaal gezien zelf had moeten vaststellen. Rekening houdend met deze lacunes, komt het dus toe aan het Commissariaat-Generaal, op grond van het beginsel van goed bestuur, zelf over te gaan tot een beter onderzoek van de zaak, door verzoeker te doen verhoren door zijn diensten. - Tweede deel van het middel : Vreemd genoeg, in vergelijking met zijn gewoonte, heeft het C.G.V.S. in de aangevochten beslissing niet de minste verwijzing gemaakt naar het dringend beroep ingeleid door verzoeker, d.d. 07 februari
  27. Nochtans had verzoeker in dit dringend beroep vermeld ‘de heer BARBOESA meent dat de beslissing van de D.V.Z. een beetje te snel is geweest ten aanzien van hem en dat de beslissing geen rekening heeft gehouden met de moeilijkheden die hij heeft gekend in zijn land van oorsprong, meer bepaald op economisch vlak, welke verband houden meet zijn sociale statuut - wat een discriminatie inhoudt in de zin van de Conventie van Geneve’. Op geen enkele plaats in de aangevochten beslissing heeft het C.G.V.S. dit argument in rekening genomen en het heeft er niet op geantwoord, noch in feite, noch in rechte.”; 2.2.
  28. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord als volgt repliceert: “2.
  29. Vijfde middel: schending van het motiveringsbeginsel, in het bijzonder de artikelen 1 en 2 van de wet uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen en artikel 62 van de Vreemdelingenwet; schending van het beginsel van goed bestuur. Verzoekende partij betwist hier de kwaliteit van het gehoorverslag zonder hiervoor enig concreet element aan te brengen. Wat de volledigheid ervan betreft wenst verwerende partij op te merken dat alle belangrijke elementen waarop de bestreden beslissing gebaseerd zijn zich in het administratief dossier bevinden. Het gehoorverslag van de Dienst Vreemdelingenzaken werd door verzoeker ondertekend na voorlezing. Betreffende de zinsnede uit het dringend beroep dat wordt geciteerd, wenst verwerende partij er op te wijzen dat verzoekende partij hierover zowel in dringend beroep als in voorliggend verzoekschrift zeer vaag blijft. Er wordt gesteld dat verzoekers economische problemen verband houden met zijn sociaal statuut. Dit zou een discriminatie inhouden in de zin van de Vluchtelingenconventie. Er wordt evenwel niets gezegd over welk sociaal statuut dit zou betreffen en welke discriminatie hieruit zou voortvloeien. Bovendien heeft verzoeker hierover niets gezegd op de Dienst Vreemdelingenzaken. De Commissaris-generaal kon bijgevolg terecht besluiten tot het vreemde karakter van de asielaanvraag zonder verzoeker hierover te horen. Verzoeker kreeg de kans op de Dienst Vreemdelingenzaken om zijn asielrelaas te doen, en vermeldde dit vermeende element nergens. Na zijn beslissing van weigering van verblijf geeft hij in dringend beroep, opgesteld door zijn raadsman, een andere wending aan het asielrelaas. Gezien uit verzoekers verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken kon de Commissaris-generaal terecht besluiten dat verzoekers opgeworpen problemen vreemd waren aan de Vluchtelingenconventie. Het vijfde middel is niet gegrond.”; 2.2.
  30. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord verwijst naar het initieel verzoekschrift; XIV-13.180-10/12 2.2.
  31. Overwegende dat de verzoekende partij in een vijfde middel de schending aanvoert van de artikelen 1 en 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van “het motiveringsbeginsel”, en van “het beginsel van goed bestuur”; 2.2.
  32. Overwegende dat de verzoekende partij niet kan worden gevolgd waar zij stelt dat “het verslag van de Dienst Vreemdelingenzaken, bij gebreke aan deze vermelding die nochtans verplicht is, niet de waarborgen biedt die normaal gezien toelaten een bewijswaarde te verlenen aan de verklaringen die erin bevat zijn”, en dat “vermits deze bewijswaarde niet uit het verhoorverslag blijkt, (...) het postulaat van een correcte reproductie van de woorden van verzoeker (postulaat waaraan het C.G.V.S zich heeft overgeleverd), niet objectief (kan) blijken uit de lezing van het voornoemde verslag.”; dat, wat betreft het verhoorverslag van de Dienst Vreemdelingenzaken, wordt opgemerkt dat alle elementen waarop de Commissaris-generaal de bestreden beslissing heeft gebaseerd, zich bevinden in het administratief dossier; dat, wanneer bepaalde vragen niet terug te vinden zijn, dit is omdat deze vragen niet aan de verzoekende partij werden gesteld; dat het enkele feit dat bepaalde gebruikelijke bladzijden en vragen ontbreken, niet betekent dat het verslag van het verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken onvolledig zou zijn; dat het door de verzoekende partij aangehaalde element, met name de taal waarin het verslag aan de verzoekende partij werd voorgelezen, geen substantieel vormvoorschrift is; dat de verzoekende partij het verslag van het verhoor voor de Dienst Vreemdelingenzaken zonder opmerkingen heeft ondertekend, en aldus te kennen heeft gegeven dat het overeenstemt met de inlichtingen die zij heeft verstrekt, en dat deze inlichtingen oprecht zijn; dat de Commissaris-generaal zich bijgevolg in redelijkheid kon baseren op dit verslag om te besluiten dat de asielaanvraag van de verzoekende partij kennelijk vreemd is aan de criteria van de Vluchtelingenconventie, en aan andere criteria die de toekenning van asiel wettigen; dat de verzoekende partij niet kan worden gevolgd waar zij een schending afleidt van voormelde bepalingen, omdat de Commissaris-generaal niet zou hebben geantwoord op bepaalde elementen in het dringend beroep; dat de verzoekende partij zich in het dringend beroep beperkt tot algemene en vage beweringen, doch nalaat deze te staven met een begin van bewijs; dat zij stelt dat haar problemen verband houden met haar sociaal statuut, maar dat zij niet verduidelijkt om welk sociaal statuut het precies gaat, noch welke discriminatie hieruit zou voortvloeien; dat de Commissaris-generaal bijgevolg in redelijkheid kon oordelen dat dergelijke vage verklaringen niets toevoegen aan hetgeen de verzoekende partij in het kader van haar verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken heeft verklaard; dat het vijfde middel ongegrond is; XIV-13.180-11/12
  33. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  34. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  35. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig november tweeduizend en zes, door : Mevr. Ch. BAMPS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. Ch. BAMPS. XIV-13.180-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.222 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.