← België

Arrest 165223 - - 28/11/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.223 Rolnummer: A. 131022/XIV-13183 Zaak: Arrest 165223 - - 28/11/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-12-08 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-01 10:26 Fiche Arrest nr 165.223 van 28 november 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 165.223 van 28 november 2006 in de zaak A. 131.022/XIV-13.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat D. MONFILS, kantoor houdende te 1090 BRUSSEL, R. Soetensstraat 12 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- - DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 7 augustus 1973 en van Oekraïense nationaliteit, op 24 december 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 4 december 2002 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 5 maart 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op dezelfde dag; Gelet op de beschikking van 9 januari 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN, d.d. 2 mei 2006, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; XIV-13.183-1/11 Gelet op de beschikking van 24 augustus 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 25 oktober 2006 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad Ch. BAMPS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. HAEGEMANS, die loco Advocaat D. MONFILS verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché D. HANOULLE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
  3. De verzoekende partij komt België binnen op 7 juni 2000 en verklaart zich vluchteling op 9 juni
  4. 1.
  5. Op 5 maart 2001 neemt de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  6. Op 4 december 2002 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd: “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. (...) Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag onontvankelijk is. U heeft immers, zonder geldige reden, geen gevolg gegeven binnen de maand aan de oproeping vervat in de brief die u aangetekend werd verstuurd op 28 oktober 2002 op uw gekozen woonplaats. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de vijf dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.). (...)”.
  7. Over de gegrondheid van de zaak. XIV-13.183-2/11 2.1.
  8. Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert, dat als volgt luidt: “= schending van het algemeen beginsel van goed beheer dat de publieke autoriteit oplegt een redelijke termijn te respecteren in de behandeling van de aanvragen die haar toevertrouwd worden Verzoeker ziet een eerste middel in de schending van het algemeen beginsel van goed beheer dat de publieke overheid oplegt een redelijke termijn te respecteren in de behandeling van de aanvragen die haar worden toevertrouwd. Volgens dit beginsel dient men het verloop van een te lange tijdsperiode tussen de inleiding van een dringend beroep en een oproeping in het kader van een dringend beroep te sanctioneren. In casu heeft verzoeker zijn dringend beroep ingeleid op 16 maart 2001 en is het slechts op 25 oktober 2002 (hetzij negentien maanden nadien) dat hij een oproeping van het C.G.V.S. heeft gekregen in het kader van zijn beroep. Zulke termijn moet beschouwd worden als abnormaal, in het kader van de behandeling van een « dringend » beroep. Een beslissing is zulke omstandigheden genomen is dus door gebreken aangetast.”; 2.1.
  9. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord als volgt repliceert: “
  10. In het eerste middel beroept verzoeker zich op een schending van het algemeen beginsel van goed beheer dat de publieke autoriteit oplegt een redelijke termijn te respecteren in de behandeling van de aanvragen die haar toevertrouwd worden. Verweerder merkt eerst en vooral op dat de termijnen die in artikel 63/3 van de Vreemdelingenwet worden opgelegd aan het Commissariaat-generaal, termijnen van orde zijn. De niet-naleving van deze termijnen leidt aldus niet tot de nietigheid van de bevestigende beslissing van weigering van verblijf. Bovendien merkt verweerder op dat de termijn die verlopen is sinds de beslissing tot weigering van verblijf van de gemachtigde van de Minister op 5 maart 2001 niet onredelijk lang is (zie o.m. R.v.St., nr. 88.956 van 13 juli 2000 waarin de Raad stelde dat drie jaar voor de behandeling van een asielaanvraag lang, doch niet excessief lang is). Bovendien merkt verweerder op dat verzoeker niet aantoont op welke manier de duur van de procedure hem enig nadeel heeft berokkend. Het eerste middel is niet gegrond.”; 2.1.
  11. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord verwijst naar het initieel verzoekschrift; 2.1.
  12. Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending aanvoert van “het algemeen beginsel van goed beheer dat de publieke autoriteit oplegt een redelijke termijn te respecteren in de behandeling van de aanvragen die haar toevertrouwd worden”; 2.1.
  13. Overwegende dat de verzoekende partij niet kan worden gevolgd; dat de periode tussen het instellen van het dringend beroep en de oproeping in het kader van het dringend beroep negentien maanden bedroeg; dat de Commissaris-generaal elke asielaanvraag afzonderlijk dient te behandelen; Overwegende dat de termijn bepaald in artikel 63/3, §1, van de Vreemdelingenwet een termijn van orde is en geen vervaltermijn; dat het niet naleven van deze termijn op zich de bestreden beslissing niet onwettig maakt; XIV-13.183-3/11 Overwegende dat, wat de schending van de redelijke termijn betreft, de verzoekende partij niet aantoont welk belang zij heeft bij het aanvoeren dat de bestreden beslissing eerder had moeten worden genomen; dat zij alvast niet kan beweren benadeeld te zijn door de lange duur van de asielprocedure, daar zij gelet op het bepaalde in artikel 63/5 van de Vreemdelingenwet door dit feit geruime tijd langer bescherming genoot tegen de beweerde vervolging en, in afwachting van de behandeling van het dringend beroep, in de mogelijkheid werd gesteld om aanvullende stukken ter staving van haar asielaanvraag te verzamelen; dat zij, voor zover zij beweert nadeel te lijden bij een eventuele terugkeer naar haar land van herkomst, niet aantoont welk belang zij er bij zou hebben indien de bestreden beslissing eerder was genomen; dat zij voor het overige rekening diende te houden met het precaire karakter van haar statuut; dat het eerste middel ongegrond is; 2.2.
  14. Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel aanvoert, dat als volgt luidt: “= schending van het motiveringsbeginsel en in het bijzonder van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van administratieve akten en het artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (materiële onjuistheid van de feitelijke motieven) en = schending van het principe van goede bestuur = schending van het artikel 57.8 van de wet van 15 december 1980 Verzoeker werpt een tweede middel op wegens schending van het motiveringsbeginsel en in het bijzonder van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van administratieve akten en het artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Deze middel is in casu versterkt door middelen wegens schending van het principe van goede bestuur en ook schending van het artikel 57.8 van de wet van 15 december 1980 De Raad van State is inderdaad belast met het onderzoeken van het feit of ‘l'autorité dont l'acte administratif émane n'a pas tenu pour établis desfaits quine résultent pas de son dossier, si elle a donné à ceux-ci une interprétation non déraisonnable et si cette interprétation ne procède pas d'une erreur manifeste d'appréciation’ (F. Bernard, La procédure belge de reconnaissance de la qualité de réfugié à l'épreuve de la censure du Conseil d'Etat, R.D.E., 1999, p. 114). In casu, is het ten onrechte dat het Commissariaat-Generaal heeft gedacht objectieve elementen uit het dossier te moeten afleiden, nl. ‘U heeft immers, zonder geldige reden, geen gevolg gegeven binnen de maand aan de oproeping vervat in de brief die u aangetekend werd verstuurd op 23 juli 2001 op uw gekozen woonplaats’. Uit het administratief dossier blijkt inderdaad dat verzoeker woonstkeuze had gedaan op het volgende adres te 2140 Antwerpen . Nochtans werd de oproeping van 25 oktober 2002 verzonden naar het volgende adres - 1080 Brussel » - hetgeen dus een onjuist gekozen woonplaats (zie daarom verso van bijlage 26bis en akte van betekening van dit bijlage) opgestuurd. Daarna heeft verzoeker geen andere gekozen woonplaats gegeven en in het dringend beroep van zijn vorige advokaat was het adres - 1080 Brussel alleen als verblijfplaats gegeven en niet als gekozen woonplaats (cfr : « wonende te - 1080 Brussel » en niet « waar mijn client woonplaats heeft gekozen »). Het C.G.V.S. moest de oproeping bij aangetekend schrijven aan verzoeker te 2140 Antwerpen’ opsturen. In deze omstandigheden is het niet juist dat de oproeping van 25 oktober 2002 op de gekozen woonplaats van verzoeker werd opgestuurd. De aangevochten beslissing is aldus manifest aangetast met een schending van het motiveringsbeginsel (dubbele materiële onjuistheid van de feitelijke motieven). Bovendien gaat het hier om een schending van artikel 57.8 van de wet van 15 december 1980 dat voorziet dat elke vraag om inlichtingen, oproeping of beslissing naar de woonplaats van keuze van de betrokkene wordt verzonden - hetgeen veronderstelt dat de verzending naar het juiste adres van gekozen woonplaats, aangeduid door de kandidaat, gebeurt. XIV-13.183-4/11 Dit is eveneens een schending van de verplichting tot goed beheer die de administratie verplicht de elementaire regels van voorzichtigheid en nauwkeurigheid na te leven in al haar verzendingen.”; 2.2.
  15. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord als volgt repliceert: “2.
  16. In het tweede middel beroept verzoeker zich op de schending van het motiveringsbeginsel en in het bijzonder van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van administratieve akten, alsook van artikel 62 van de Vreemdelingenwet. Eveneens beroept verzoeker zich op een schending van het principe van behoorlijk bestuur en op een schending van het artikel 57.8 van de Vreemdelingenwet. 2.
  17. l. Verweerder antwoordt dat uit het administratief dossier blijkt dat aan verzoeker bij aangetekende brief van 25 oktober 2002 werd gevraagd om op 7 november 2002 de motieven van zijn asielaanvraag te komen toelichten of deze schriftelijk over te maken aan het CGVS. Deze oproepingsbrief werd gestuurd naar de door verzoeker gekozen woonplaats, zijnde 1080 Brussel, (zie dringend beroepschrift van 16 maart 2001, opgesteld door verzoekers toenmalige raadsman Meester Renaat Quintelier). Verzoeker kwam niet naar het interview, noch deelde hij een geldige reden van overmacht voor zijn afwezigheid mee. Aangezien verzoeker binnen de maand na verzending van deze oproepingsbrief, zonder geldige reden geen gevolg heeft gegeven aan deze oproeping, heeft de Commissaris-generaal op grond van artikel 52, § 2, al. 4 van de Vreemdelingenwet besloten dat verzoekers asielaanvraag onontvankelijk is. Ook heden laat verzoeker na een geldige verklaring voor zijn afwezigheid te geven. Immers, verzoekers stelling dat het voor hem onmogelijk was op het CGVS te verschijnen aangezien hij altijd angst heeft gehad voor ondervragingen, nerveus is en in dergelijke situatie steeds zijn bewustzijn verliest kan bezwaarlijk beschouwd worden als een geldige reden van overmacht voor zijn afwezigheid. Verweerder benadrukt dat op een kandidaat-vluchteling de verplichting rust om ten volle zijn medewerking te verlenen aan de asielprocedure. De bestreden beslissing is afdoende gemotiveerd. Zowel de feitelijke als de juridische overwegingen die aan de beslissing ten grondslag liggen werden kenbaar gemaakt. 2.2.
  18. Verzoeker meent dat de oproeping voor het verhoor op het Commissariaat-generaal niet naar de door hem gekozen woonplaats werd gestuurd. Verzoeker stelt dat de oproepingsbrief moest verstuurd worden naar het kantoor van zijn voormalig raadsman, Meester Renaat Quintelier, aangezien hij aan het begin van de procedure woonplaatskeuze deed op diens kantoor en sedertdien geen adreswijziging doorgaf. Verweerder antwoordt dat de oproepingsbrief werd verstuurd naar de door verzoeker gekozen woonplaats, zijnde 1080 Brussel. Uit het administratief dossier blijkt dat verzoekers voormalige raadsman, Meester Renaat QUINTELIER, in het dringend beroepsschrift van 16 maart 2001 uitdrukkelijk stelde dat verzoeker woonde te 1080 Brussel.. De Commissaris-generaal kon er redelijkerwijze van uitgaan dat deze melding van effectieve woonplaats van verzoeker overeenstemde met zijn gekozen woonplaats. Nergens uit dit beroepschrift blijkt immers dat verzoekers gekozen woonplaats afwijkt van zijn effectieve woonplaats. Verweerder benadrukt bovendien dat, kort na het instellen van het dringend beroep en alvorens de oproepingsbrief naar verzoeker verstuurd werd, de Commissaris-generaal bericht kreeg dat verzoeker werd vertegenwoordigd door een ander raadsman, zijnde Meester Monfils. Een kopie van de oproepingsbrief werd verstuurd naar het kantoor van Meester Monfils. Verweerder ziet niet in welk belang verzoeker er zou bij gehad hebben indien de oproepingsbrief verstuurd werd naar een raadsman die hem op dat ogenblik niet meer vertegenwoordigde (zijnde Meester Quintelier). De oproeping voor het gehoor in dringend beroep werd op het correcte adres betekend. De Commissaris-generaal handelde in overeenstemming met de zorgvuldigheidsplicht. Het tweede middel is niet gegrond.”; 2.2.
  19. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord verwijst naar het initieel verzoekschrift; 2.2.
  20. Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending aanvoert van “het motiveringsbeginsel”, van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van de artikelen 57/8 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de XIV-13.183-5/11 vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van “het principe van goede bestuur”; 2.2.
  21. Overwegende dat artikel 57/8 van de Vreemdelingenwet betrekking heeft op het onderzoek door de Commissaris-generaal naar de gegrondheid van een asielaanvraag; dat de schending van voormeld artikel 57/8 derhalve niet dienstig kan worden aangevoerd; 2.2.
  22. Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiveringsplicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij of zij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem of haar verschaft; dat uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat hetzelfde geldt voor de aangevoerde schending van artikel 62 van de Vreemdelingenwet; dat de verzoekende partij bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat de verzoekende partij aanvoert woonplaatskeuze te hebben gedaan op volgend adres: te 2140 Antwerpen; dat uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat dit het adres is van de vorige raadsman van de verzoekende partij, Advocaat R. QUINTELIER; dat Advocaat D. MONFILS op 2 oktober 2001 per brief aan het Commissariaat-generaal meedeelde dat hij de nieuwe raadsman van de verzoekende partij was; dat niet kan worden ingezien welk belang de verzoekende partij er bij zou gehad hebben dat de oproepingsbrief werd verstuurd naar een raadsman die haar op dat ogenblik niet meer vertegenwoordigde; dat artikel 51/2 van de Vreemdelingenwet overigens luidt als volgt: “Onverminderd een kennisgeving aan de persoon zelf, is elke kennisgeving geldig wanneer ze naar de gekozen woonplaats van betrokkene verstuurd wordt bij een ter post aangetekende zending (of per bode tegen ontvangstbewijs. Wanneer de vreemdeling woonplaats heeft gekozen bij zijn raadsman, kan de kennisgeving ook geldig worden verstuurd per faxpost). De oproepingen en de aanvragen om inlichtingen kunnen eveneens geldig verstuurd worden naar de gekozen woonplaats bij een ter post aangetekende zending (of per bode tegen ontvangstbewijs. Wanneer de vreemdeling woonplaats heeft gekozen bij zijn raadsman, kunnen de oproepingen en aanvragen om inlichtingen ook geldig worden verstuurd per faxpost, onverminderd een kennisgeving aan de persoon zelf).”; Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat oproeping d.d. 25 oktober 2002 niet enkel werd verstuurd naar het adres, 1080 Brussel, waar de verzoekende partij volgens het verzoek tot dringend beroep d.d. 16 maart 2001 woonachtig was, doch eveneens per faxpost naar de raadsman van de verzoekende partij, Advocaat D. MONFILS; dat aldus is voldaan aan de voorwaarden vervat in artikel 51/2 van de Vreemdelingenwet; dat het tweede middel ongegrond is; XIV-13.183-6/11 2.3.
  23. Overwegende dat de verzoekende partij een derde middel aanvoert, dat als volgt luidt: “= schending van het motiveringsbeginsel en in het bijzonder van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van administratieve akten en het artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Verzoeker werpt een derde middel op wegens schending van het motiveringsbeginsel en in het bijzonder van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van administratieve akten en het artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. - Eerste deel van het middel: Volgens J. Salmon, ‘une décision administrative est dépourvue de base juridique (et est par conséquent entachée d'un vice de motivation) lorsque celle sur laquelle a cru pouvoir se fonder l'autorité administrative était inapplicable en l'espèce’ (J. Salmon, Le Conseil d'Etat, Bruylant, 1994, tome 1, p. 474). In casu heeft het Commissariaat-Generaal haar beslissing uitdrukkelijk gegrond op artikel 52 (paragraaf 2, alinea 4) van de wet van 15 december
  24. Dit artikel kan in casu nochtans niet worden toegepast, daar het slechts betrekking heeft op de Minister van Binnenlandse Zaken of zijn aangestelde (cfr : ‘de Minister die de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onder zijn bevoegdheid heeft...’) en geenszins op het Commissariaat-Generaal. De Commissaris Generaal is niet de aangestelde van de Minister van Binnenlandse Zaken en handelt in volledige onafhankelijkheid, overeenkomstig artikel 57-2 van de wet van 15 december
  25. De bepalingen, welke toepasselijk zijn op zijn handeling, bevinden zich niet in artikel 52 van de wet, maar wel verder in de wet. De aangevochten beslissing is aldus manifest aangetast door een eerste schending van het motiveringsbeginsel (motieven naar recht). - Tweede deel van het middel: De Raad van State is ook belast met het onderzoeken van het feit of ‘l'autorité dont l'acte administratif émane n'a pas tenu pour établis des faits qui ne résultent pas de son dossier, si elle a donné à ceux-ci une interprétation non déraisonnable et si cette interprétation ne procède pas d'une erreur manifeste d'appréciation’ (F. Bernard, La procédure belge de reconnaissance de la qualité de réfugié à l'épreuve de la censure du Conseil d'Etat, R.D.E., 1999, p. 114). In casu heeft het Commissariaat-Generaal in haar beslissing ten onrechte de verzending van verzoeker d.d. 26 november 2002 niet in overweging genomen. In zijn brief had verzoeker nochtans uitgelegd waarom het voor hem onmogelijk was naar het C.G.V. S. te gaan (cfr ‘j'ai toujours peur des interrogatoires. Maintenant, je suis très nerveux et je perds connaissance á chaque fois que je m'énerve’) en zijn problemen schriftelijk te beschrijven. In dezelfde verzending heeft hij ook een samenvatting van zijn problemen in Oekraine gegeven. Volgens het motiveringsbeginsel moest het C.G.V.S. ten minste een verwijzing maken naar dit schrijven in de aangevochten beslissing, bijvoorbeeld om te zeggen in hoeverre dit schrijven niet kon beschouwd worden als een antwoord van verzoeker op de oproeping of op de vraag tot inlichtingen. Door niet de minste verwijzing te maken naar het schrijven d.d. 26 november 2002 van verzoeker, heeft het C.G.V.S. het motiveringsbeginsel geschonden. - Derde deel van het middel In casu is het ook ten onrechte dat het Commissariaat-Generaal heeft gedacht objectieve elementen uit het dossier te moeten afleiden, nl. ‘U heeft immers, zonder geldige reden, geen gevolg gegeven binnen de maand aan de oproeping’. Inderdaad de verzending van verzoeker van 26 november 2002 is wel degelijk een gevolg, gegeven naar aanleiding van de oproeping van 25 oktober 2002 - zodat het Commissariaat niet kan besluiten tot de afwezigheid van enig gevolg op deze oproeping.. - Vierde deel van het middel Verzoeker verwijt het Commissariaat Generaal tenslotte zijn beslissing op artikel 52 van de wet van 15 december 1980 gebaseerd te hebben, zonder verder te verduidelijken welk van de onderdelen van dit erg lang artikel van toepassing is in concreto. Welnu, dit artikel omvat ongeveer twintig verschillende toepassingsgevallen - zodat het noodzakelijk is te specifiëren welk van toepassing is, opdat een lezer die buitenstaander is de betwiste beslissing zou begrijpen. Het Commissariaat Generaal was tot voor kort trouwens duidelijker in zulke zaken, waarbij het met meer precisie artikel 52.2.4 van de wet beoogde.”; XIV-13.183-7/11 2.3.
  26. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord als volgt repliceert: “2.
  27. In het derde middel beroept verzoeker zich op een schending van het motiveringsbeginsel, in het bijzonder van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van administratieve akten en het artikel 62 van Vreemdelingenwet. 2.3.
  28. In een eerste onderdeel stelt verzoeker dat artikel 52 van de Vreemdelingenwet niet kan worden toegepast door de Commissaris-generaal vermits dit artikel enkel betrekking heeft op de Minister van Binnenlandse Zaken of zijn aangestelde. Verweerder antwoordt dat artikel 6312 §1 van de Vreemdelingenwet een ‘dringend beroep’ voorziet bij de Commissaris-generaal tegen de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken, waarbij deze laatste, bij toepassing van artikel 52 van de Vreemdelingenwet het verblijf aan de kandidaat-vluchteling kan weigeren. Artikel 6312 van de Vreemdelingenwet bepaalt dat de Commissaris-generaal de beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken kan bevestigen of kan beslissen dat verder onderzoek noodzakelijk is. Artikel 6312 van de Vreemdelingenwet bepaalt echter niet uitdrukkelijk op welke gronden de Commissaris-generaal de bij dringend beroep bij hem aanhangig gemaakte beslissing kan bevestigen, doch het is een kenmerk van een georganiseerd beroep dat door de beroepsinstantie zowel de opportuniteit als de rechtmatigheid van de bestreden beslissing kan worden onderzocht. De Commissaris-generaal beschikt bijgevolg over dezelfde beoordelingsbevoegdheid als de Dienst Vreemdelingenzaken en kan zich, bij het bevestigen van de beslissing, steunen op de onontvankelijkheidsgronden voorzien in artikel 52 van de Vreemdelingenwet. (R.v.St., nr. 98.758 van 10 september 2001, onuitg.) 2.3.
  29. In een tweede en derde onderdeel stelt verzoeker dat hij wel gevolg heeft gegeven aan haar oproeping voor het Commissariaat-generaal zodat er niet kan besloten worden tot de afwezigheid van enig gevolg aan de oproeping. Verweerder antwoordt dat de oproeping duidelijk stelt: ‘Indien een geval van overmacht belet gevolg te geven aan deze oproeping, dient u mij binnen de maand die volgt op de datum van dit schrijven, de reden hiervoor, alsook een document dat hiervan het bewijs levert, per aangetekend schrijven te bezorgen.’ Verzoeker claimt omwille van psychische redenen (angst, nervositeit) niet aanwezig te kunnen zijn op het Commissariaat-generaal op de voorgestelde datum zonder hier evenwel een medisch bewijs ter staving voor te leggen. De vermelding in de bestreden beslissing dat hij ‘zonder geldige reden, geen gevolg heeft gegeven binnen de maand aan de oproeping’ is dan ook terecht. 2.3.
  30. In een vierde onderdeel stelt verzoeker dat de Commissaris-generaal de bestreden beslissingen heeft gebaseerd op artikel 52 van de Vreemdelingenwet zonder verder te verduidelijken welk van de onderdelen van dit lang artikel van toepassing is in concreto. Verweerder antwoordt dat uit het verzoekschrift duidelijk blijkt dat verzoeker begrepen heeft dat de bestreden beslissing steunt op § 2, 40 van artikel 52 van de Vreemdelingenwet. Deze precisering van artikel 52 van de Vreemdelingenwet wordt in de bestreden beslissing dan ook op afdoende duidelijke wijze aangegeven door de vaststelling dat verzoeker ‘zonder geldige reden, geen gevolg heeft gegeven binnen de maand aan de oproeping vervat in de brief die hem aangetekend werd verstuurd op 25 oktober 2002 op zijn gekozen woonplaats’. Het derde middel is niet gegrond.”; 2.3.
  31. Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord verwijst naar het initieel verzoekschrift; 2.3.
  32. Overwegende dat de verzoekende partij in een derde middel de schending aanvoert van “het motiveringsbeginsel”, van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, en van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); 2.3.
  33. Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste onderdeel van het derde middel aanvoert dat de Commissaris-generaal zijn beslissing uitdrukkelijk heeft gegrond op artikel 52 van de Vreemdelingenwet, hoewel dit artikel niet kan worden toegepast vermits het slechts betrekking heeft op de minister van Binnenlandse Zaken of diens aangestelde; dat artikel 63/3 van de Vreemdelingenwet aan de Commissaris-generaal XIV-13.183-8/11 de mogelijkheid biedt hetzij de (weigerings)beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen, hetzij de asielaanvraag ontvankelijk te verklaren; dat, hoewel de Vreemdelingenwet geen uitdrukkelijke wetsartikelen bevat die bepalen welke criteria de Commissaris-generaal hierbij dient te hanteren, hij zijn beslissing neemt in het kader van een dringend beroep dat gericht is tegen de weigeringsbeslissing van de minister van Binnenlandse Zaken; dat bijgevolg de Commissaris-generaal dezelfde criteria hanteert en dezelfde bevoegdheid bezit bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van de asielaanvraag als de minister van Binnenlandse Zaken; dat deze criteria worden omschreven in artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat artikel 52, §2, 4/ van voornoemde wet bepaalt dat een asielaanvraag onontvankelijk kan worden verklaard wanneer de vreemdeling binnen de maand na de verzending geen gevolg heeft gegeven aan de oproeping of een verzoek om inlichtingen en daarvoor geen geldige reden kan opgeven; dat de Commissaris-generaal op grond van deze bepaling zijn bevestigende beslissing heeft genomen; dat hij immers oordeelt in beroep en door het devolutieve karakter van het beroep kennis neemt van het geheel van de zaak, zoals de asielinstantie in eerste aanleg; dat hij precies daarom voornoemde criteria mag, kan en moet hanteren; dat de verzoekende partij in haar verzoekschrift geen elementen aanbrengt die afbreuk doen aan de beslissing van de Commissaris-generaal; dat de Commissaris-generaal zijn bevoegdheid niet heeft overschreden en dat zijn beslissing wettig is; dat het eerste onderdeel van het derde middel ongegrond is; Overwegende dat de verzoekende partij niet kan worden gevolgd waar zij, in een tweede en een derde onderdeel van het derde middel, aanvoert dat “het Commissariaat-Generaal in haar beslissing ten onrechte de verzending van verzoeker d.d. 26 november 2002 niet in overweging (heeft) genomen.”; dat de oproeping d.d. 25 oktober 2002 uitdrukkelijk vermeldt dat, indien een geval van overmacht de verzoekende partij belet gevolg te geven aan deze oproeping, zij, op grond van artikel 52, §2, 4/ van de Vluchtelingenwet, binnen de maand die volgt op de datum van dit schrijven, de reden hiervoor alsook een document dat hiervan het bewijs levert, per aangetekend schrijven aan de Commissaris-generaal dient te bezorgen; dat de verzoekende partij niet aan deze voorwaarden heeft voldaan; dat zij in haar brief d.d. 26 november 2002 geen geval van overmacht aanhaalt, doch enkel stelt dat zij schrik heeft van ondervragingen, dat zij zenuwachtig is en dat zij het bewustzijn verliest wanneer zij zich opwindt; dat de Commissaris-generaal bijgevolg, steunend op artikel 52 van de Vluchtelingenwet, niet kennelijk onredelijk heeft gehandeld wanneer zij de asielaanvraag van de verzoekende partij onontvankelijk heeft verklaard, op grond van de overweging dat zij “zonder geldige reden, geen gevolg (heeft) gegeven binnen de maand aan de oproeping vervat in de brief die (...) (haar) aangetekend werd verstuurd op 28 oktober 2002 op (...) (haar) gekozen woonplaats.”; dat het tweede en het derde onderdeel van het derde middel ongegrond zijn; XIV-13.183-9/11 Overwegende dat, wat het vierde onderdeel van het derde middel betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij of zij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem of haar verschaft; dat artikel 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen bepaalt dat de bestuurshandelingen van de administratieve overheden, bedoeld in artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd; dat artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 bepaalt dat de motivering de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de bestreden beslissing ten grondslag liggen en dat de motivering afdoende moet zijn; dat het begrip “afdoende” impliceert dat de opgelegde motivering in rechte en in feite evenredig moet zijn aan het gewicht van de genomen beslissing; dat de verzoekende partij niet kan worden gevolgd waar zij stelt dat het Commissariaat-generaal zijn beslissing heeft gebaseerd op artikel 52 van de Vluchtelingenwet, zonder verder te verduidelijken welk onderdeel van dit artikel in concreto van toepassing is; dat de Commissaris-generaal, door te stellen dat de verzoekende partij “zonder geldige reden, geen gevolg (heeft) gegeven binnen de maand aan de oproeping vervat in de brief die (...) (haar) aangetekend werd verstuurd op 28 oktober 2002 op (...) (haar) gekozen woonplaats.”, de grond vermeldt waarop hij de bestreden beslissing steunt; dat de verzoekende partij daarenboven zelf artikel 52, §2, 4/ van de Vluchtelingenwet vermeldt; dat uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partij de juridische grond van de bestreden beslissing kent; dat de bestreden beslissing derhalve afdoende is gemotiveerd; dat het derde middel, in al zijn onderdelen, ongegrond is;
  34. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  35. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  36. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-13.183-10/11 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig november tweeduizend en zes, door : Mevr. Ch. BAMPS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. Ch. BAMPS. XIV-13.183-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.223 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.