id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.239 Rolnummer: A. 178677/XII-4931 Zaak: Arrest 165239 - - 28/11/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-12-01 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-01 10:29 Fiche Arrest nr 165.239 van 28 november 2006 - Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 165.239 van 28 november 2006 in de zaak A. 178.677/XII-
- In zake : Sabine TIMMERS, die woonplaats kiest bij advocaat C. Gysen, kantoor houdende te Mechelen, Antwerpsesteenweg 18 tegen :
- de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie
- de KANSSPELCOMMISSIE bij de Federale Overheidsdienst Justitie, die woonplaats kiezen bij advocaat B. Bronders, kantoor houdende te 1000 Brussel, E. Beernaertstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Sabine Timmers op 20 november 2006 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van 13 november 2006 van de kansspelcommissie tot intrekking van haar vergunning voor de exploitatie van een kansspelinrichting klasse II te Genk, Hoevezavellaan 7; Gezien de nota van de verwerende partijen; Gelet op de beschikking van 21 november 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 24 november 2006, om 10.00 uur; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat T. Ryckhalts loco advocaat C. Gysen en van advocaat H. Porters, die verschijnen voor verzoekster, en van advocaat P. Louage, die loco advocaat B. Bronders verschijnt voor de verwerende partij; XII-4931-1/7 Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd W. Van Noten; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoer- legging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat verzoekster een vergunning klasse B bezit voor de exploitatie van een kansspelinrichting klasse II op het adres Hoevezavellaan 7 te Genk; dat met een brief van 6 juli 2005 de kansspelcommissie haar ter kennis brengt dat, bij controle ter plaatse en naar aanleiding van verhoren, feiten zijn vastgesteld -“mogelijke” tekortkomingen aan de bepalingen van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers (hierna: de kansspelwet), en de bepalingen van de uitvoeringsbesluiten ervan- waarvoor wordt overwogen als sanctie de intrekking van de vergunning op te leggen; dat de kansspelcommissie op 7 december 2005 beslist verzoeksters vergunning in te trekken; Overwegende dat de Raad van State bij arrest nr. 153.124 van 22 december 2005 de schorsing beveelt van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 7 december 2005, omdat verzoekster gehoord is geworden door slechts vier van de dertien leden van de kansspelcommissie en omdat er van de zeven leden die tot de intrekking besloten, maar drie ook bij de hoorzitting aanwezig waren; dat de kansspelcommissie op 4 januari 2006 beslist om haar beslissing van 7 december 2005 in te trekken en om een nieuwe sanctieprocedure tegen verzoekster te starten; dat de procedure resulteert in de intrekking van verzoeksters vergunning, bij beslissing van 29 maart 2006 van de kansspelcommissie; Overwegende dat de Raad van State de beslissing schorst bij arrest nr. 157.578 van 13 april 2006; dat het arrest onder meer in aanmerking neemt dat, XII-4931-2/7 bij het nemen van de beslissing, het mandaat van de voorzitter van de kansspelcom- missie vestreken was en de kansspelcommissie dus onwettig was samengesteld; dat de kansspelcommissie op 5 juli 2005 haar beslissing van 29 maart 2006 intrekt en, eens te meer, tot het instellen van een sanctieprocedure tegen verzoekster besluit; dat op 13 november 2006 de kansspelcommissie een derde keer verzoeksters vergunning voor de exploitatie van een kansspelinrichting klasse II intrekt; Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoer- legging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernieti- ging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden, dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen, en dat een uiterst dringende noodzake- lijkheid voorhanden is; Overwegende, met betrekking tot de eerste voorwaarde, dat verzoekster in een eerste middel de schending aanvoert van de artikelen 10, 11 en 22 van de kansspelwet, de onbevoegdheid van de stellers van de bestreden beslissing en de onwettige samenstelling van de kansspelcommissie; dat onder meer wordt uiteengezet dat de kansspelcommissie niet rechtsgeldig heeft beraadslaagd aangezien, op het ogenblik van de bestreden beslissing, de benoemingstermijn van zes van de zeven leden die de beslissing namen, verstreken was; Overwegende dat, in de nota, verwerende partijen in de eerste plaats toegeven dat de benoemingstermijn van de leden van de kansspelcomissie 29 dagen verstreken was; dat zij voorts menen dat verzoekster zonder belang is bij het middel omdat de bedoelde leden voldoen aan alle kwaliteiten zoals bepaald in artikel 11 van de kansspelwet; dat zij voorts doen gelden dat op basis van het principe van de continuïteit van de openbare dienst, de leden van de kansspelcommissie nog steeds bevoegd zijn om hun functie uit te oefenen, dat anders de werking van de kansspelcommissie sinds 15 oktober 2006 onmogelijk zou zijn geworden, dat de sanctieprocedure werd gestart toen de benoemingstermijn van de leden nog niet was verstreken, dat de kwestieuze leden derhalve de lopende procedure mochten afwerken “te meer ze reeds vertrouwd waren met het dossier”, dat bovendien het koninklijk besluit van 20 juni 2002 betreffende de sancties die de kansspel-commissie kan opleggen strikte termijnen voorschrijft “die evenzeer een XII-4931-3/7 rechtvaardging vormen voor de Kansspelcommissie om dergelijke procedure ondanks het verstrijken van hun benoemingstermijn nog verder af te werken”, dat de benoemingstermijn nog maar onlangs was verstreken “zodat minstens een redelijke termijn moet worden geboden om te voorzien in een nieuw benoemingsbesluit”, dat aan een wijziging van de kansspelwet wordt gewerkt waardoor alle leden van de commissie in functie zouden blijven tot hun opvolgers zijn benoemd, dat het bestreden besluit niet langer kon worden uitgesteld om reden van de vele en zwaarwichtige inbreuken door verzoekster, dat ten slotte moet worden vastgesteld “dat het door verzoekende partij aangevoerde middel door haarzelf werd gecreëerd”, dat zij namelijk tot twee keer toe om uitstel van de hoorzitting vroeg, “telkens aan de hand van medische attesten”, dat de noodzaak om in die omstandigheden de hoorzitting uit te stellen, voor de kansspelcommissie overmacht uitmaakt; Overwegende dat niet betwist wordt dat het middel feitelijke grond heeft; dat de bestreden beslissing genomen werd, benevens door de voorzitter, door drie gewone en drie plaatsvervangende leden van de kansspelcommissie; dat de termijn waarvoor dezen waren aangewezen op 14 oktober 2006 verstreek, hetzij dus vóór de zitting van 5 november 2006 waarop verzoekster werd gehoord en vóór het nemen op 13 november 2006 van de bestreden beslissing; Overwegende, aangaande de exceptie van gebrek aan belang bij het middel, dat de Raad geen reden ziet om terzake anders te oordelen dan hij reeds in het arrest nr. 157.578 deed; dat daarin werd overwogen dat verzoekster er “zeker” belang bij heeft om de onwettige samenstelling van de kansspelcommissie aan te voeren, aangezien zij mag verwachten dat zij slechts door een regelmatig samengesteld orgaan een sanctie krijgt opgelegd; Overwegende dat, zoals de verwerende partijen het konden lezen in het arrest nr. 157.578 van 13 april 2006, het vereiste van de continuïteit van de openbare dienst er niet van vrijstelt die continue werking in principe op een regelmatige wijze te verzekeren; dat om te dezen van dit principe af te wijken, verwerende partijen -weze het niet in de bestreden beslissing zelf, maar pas nadien- met een rist verantwoordingen komen aanzetten; dat in de huidige stand van zaken geen ervan kan overtuigen; Overwegende dat de verwerende partijen zeer wel bekend zijn met de risico’s van een deelname aan de besluiten van de kansspelcommissie door leden XII-4931-4/7 waarvan de benoemingstermijn verstreken is; dat in dat verband benevens naar voormeld arrest nr. 157.578, ook verwezen kan worden naar het arrest van de Raad van State nr. 127.482 van 27 maart 2004, inzake BVBA Playworld; dat het dan ook in de rede lijkt te liggen dat verwerende partijen een bijzondere aandacht opbrengen voor het verstrijken van de benoemingsperiode van de commissieleden, dat zij eventuele moeilijkheden die dat verstrijken voor de afhandeling van de lopende sanctieprocedures meebrengen, zouden voorzien en dat zij daar met gepaste voortvarendheid naar handelen; Overwegende dat in zoverre verwerende partijen niettemin verrast zouden zijn geweest door het verlopen op 14 oktober 2005 van de benoemingsperiode van de zes in het besproken middel bedoelde leden, zij volgens de bestreden beslissing zelf -op bladzijde 21- nog tot 20 februari 2007 de tijd hadden om de betreffende leden voor een nieuwe termijn te laten aanwijzen of te vervangen, en daarna een beslissing te nemen over een eventuele sanctie tegen verzoekster; dat niet wordt beweerd, noch aannemelijk gemaakt dat die tijdspanne van vier maanden onvoldoende was; dat, voorts, de Raad vooralsnog niet het argument volgt “dat het bestreden besluit niet langer kon worden uitgesteld” vanwege de vele en zwaarwichtige inbreuken door verzoekster; dat immers, eensdeels, verwerende partijen zelf er op wijzen dat de inbreuken “dateren van enige tijd geleden” en, anderdeels, de Raad van State al in zijn arrest nr. 157.578 moest vaststellen “dat door de verwerende partijen niet wordt betwist dat de gelaakte feiten thans zijn geregulariseerd”; dat, bovendien, de kansspelcommissie uit dertien leden en evenveel plaatsvervangende leden bestaat; dat er op het eerste gezicht dus nog voldoende andere leden overbleven, dan de zes waarover het middel gaat, om op een regelmatige wijze over de sanctie tegen verzoekster uitspraak te doen; dat niet wordt gezegd dat ook van die andere (plaatsvervangende) leden de benoemingstermijn was afgelopen; Overwegende dat de verwerende partijen voor de besproken onwettigheid evenmin een excuus lijken te kunnen vinden in de vragen van 18 en 29 september 2006 van verzoekster om de hoorzitting te verdagen; dat de vragen met een 16 september 2006, respectievelijk 22 september 2006 gedateerd medisch attest van een psychiater werden gestaafd en door de kansspelcommissie uitdrukkelijk zijn ingewilligd; XII-4931-5/7 Overwegende dat het, ten slotte, op het eerste gezicht niet terzake doet dat de benoemingstermijn “pas onlangs” was verstreken of dat “een op til staande wijziging van de Kansspelwet” het probleem binnenkort zou oplossen; dat zowel in het ene als het andere geval moet worden vastgesteld dat, hoe dan ook, de kansspelcommissie bij het nemen van de bestreden beslissing, op 13 november 2006, niet regelmatig was samengesteld; dat verwerende partijen ter verontschuldiging daarvan op het eerste gezicht geen overmacht of een andere toereikende reden laten gelden; dat het middel ernstig is; Overwegende dat verzoekster, met betrekking tot de tweede en de derde schorsingsvoorwaarde, uiteenzet dat zij op uiterst korte termijn in haar voortbestaan bedreigd wordt, dat een faillissement, met onder meer het verlies van aanzienlijke investeringen, onvermijdelijk is, dat zij ook een moeilijk te herstellen ernstig nadeel lijdt, en dat een schorsing volgens de gewone procedure “ontegensprekelijk te laat” zal komen; Overwegende dat de verwerende partijen ter terechtzitting verklaren zich naar de wijsheid van de Raad te gedragen; Overwegende dat, mede gelet op verzoeksters stavingsstukken, de Raad van State het wijs acht verzoeksters betoog bij te vallen en ook de tweede en derde schorsingsvoorwaarde als vervuld te beschouwen; Overwegende dat aan alle voorwaarden voor een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid voldaan is, BESLUIT: Artikel
- Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van 13 november 2006 van de kansspelcommissie tot intrekking van de aan Sabine Timmers verleende vergunning voor de exploitatie van een kansspelinrichting klasse II te Genk, Hoevezavellaan
- XII-4931-6/7 Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig november 2006, door : de HH. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. J. LUST. XII-4931-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.239 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.119 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.