← België

Arrest 165266 - - 29/11/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.266 Rolnummer: A. 174160/X-12899 Zaak: Arrest 165266 - - 29/11/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-12-17 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-01 10:34 Fiche Arrest nr 165.266 van 29 november 2006 - Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 165.266 van 29 november 2006 in de zaak A. 174.160/X-12.

  1. In zake : Paul SEYNNAEVE, die woonplaats kiest bij Advocaat W. VAN DER GUCHT, kantoor houdende te 9000 GENT, Sint-Denijslaan 201 tegen : de Bestendige Deputatie van de provincieraad van OOST-VLAANDEREN. tussenkomende partij: Frieda TIMMERMANS, die woonplaats kiest bij Advocaat I. VANDESCHOOR, kantoor houdende te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg
  2. DE VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Paul SEYNNAEVE op 20 juni 2006 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 10 februari 2005 van de Bestendige Deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen waarbij aan Frieda TIMMERMANS de stedenbouwkundige vergunning is verleend tot het oprichten van een meergezinswoning te Destelbergen (Heusden) aan de Blauwesteenwstraat, kadastraal gekend onder 4de afdeling, sectie A, nr. 640 n3; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 25 augustus 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 29 september 2006; X-12.899-1/9 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat W. VAN DER GUCHT die verschijnt voor de verzoekende partij, van bestuurssecretaris M.-A. DE GEEST die verschijnt voor de verwerende partij, en van Advocaat I. VANDESCHOOR die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat mevrouw Frieda TIMMERMANS met een op 30 juni 2006 ter post aangetekend verzoekschrift vraagt om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat er grond is om het verzoek in te willigen;
  4. Overwegende dat de tussenkomende partij een aanvraag heeft ingediend, ontvangen op 21 september 2004, strekkende tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van een meergezinswoning voor vier wooneenheden op een terrein gelegen te Destelbergen (Heusden), aan de Blauwesteenstraat 20, kadastraal gekend onder Destelbergen, 4de afdeling, sectie A, nr. 640 n3; dat het College van burgemeester en schepenen van de gemeente Destelbergen bij besluit van 9 november 2004 de gevraagde vergunning heeft geweigerd; dat de tussenkomende partij tegen dit besluit beroep heeft ingesteld bij de Bestendige Deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen; dat de aanvraag werd onderzocht door de dienst Ruimtelijke Ordening en Stedenbouw van de provincie; dat de dienst in zijn verslag van 24 januari 2005 een ongunstig advies gaf; dat de bestendige deputatie dit advies niet gevolgd heeft, en bij besluit van 10 februari 2005 het beroep heeft ingewilligd en de gevraagde vergunning heeft verleend; dat het college van burgemeester en schepenen tegen dat besluit beroep heeft ingesteld bij de Vlaamse regering; dat de Vlaamse Minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening bij besluit van 28 november 2005 het beroep onontvankelijk heeft verklaard, op grond dat het buiten de termijn is ingesteld; X-12.899-2/9 Overwegende dat de voorliggende vordering tot schorsing gericht is tegen het genoemde besluit van de bestendige deputatie van 10 februari 2005;
  5. Overwegende dat de tussenkomende partij een exceptie van onontvankelijkheid van de vordering opwerpt, op grond dat deze buiten de termijn is ingesteld; Overwegende dat uit hetgeen hierna volgt zal blijken dat in elk geval niet voldaan is aan de grondvoorwaarden voor het inwilligen van de vordering tot schorsing; dat het in die omstandigheden niet nodig is om de opgeworpen exceptie te onderzoeken;
  6. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen;
  7. Overwegende dat de verzoeker een enig middel inroept, afgeleid uit de schending van de artikelen 5,1.0., en 19, derde lid, van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen, van de motiveringsplicht volgend uit artikel 53, § 3, van het decreet Ruimtelijke Ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, en uit de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het zorgvuldigheids- en het vertrouwensbeginsel, doordat, eerste onderdeel, de bestreden beslissing het beroep ingesteld door de heer Frank Verplanken, architect, namens mevrouw Frieda Timmermans, inwilligt en derhalve de bouwvergunning verleent, zonder de toelaatbaarheid van het bouwproject effectief te toetsen aan de woondichtheid, het karakter en de aard van de bebouwing in de onmiddellijke omgeving, terwijl artikel 5,1.0., juncto artikel 19, derde lid, van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen, uitdrukkelijk stipuleert dat een bouwvergunning slechts mag worden afgegeven indien de uitvoering van de X-12.899-3/9 handelingen en werken verenigbaar is met de goede plaatselijke ordening, ook al is de aanvraag niet in strijd met het gewestplan; dit impliceert dat de overheid die zich over de bouwaanvraag buigt, de toelaatbaarheid van het bouwproject dient te toetsen aan de woondichtheid, het karakter en de aard van de bebouwing in de onmiddellijke omgeving, en doordat, tweede onderdeel, de verwerende partij in haar besluit d.d. 10 februari 2005 niet op afdoende wijze de motieven aanduidt waarop de beslissing om het beroep in te willigen, is gestoeld; terwijl artikel 53, § 3, van het decreet Ruimtelijke Ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, de bestendige deputatie een formele motiveringsplicht opleggen; deze motiveringsplicht inhoudt dat in de beslissing de juridische en feitelijke overwegingen moeten worden vermeld die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat deze motivering afdoende moet zijn; 5.
  8. Overwegende, over de twee onderdelen samen, dat uit het bestreden besluit blijkt dat er voor het gebied waarin het ontworpen gebouw gelegen is, geen goedgekeurd bijzonder plan van aanleg bestaat, en dat dit gebied evenmin gelegen is binnen een vergunde verkaveling; dat het in dat geval de taak is van de vergunningverlenende overheid om geval per geval te onderzoeken of de bouw- aanvraag beantwoordt aan de eisen van een goede plaatselijke ordening, overeen- komstig een beginsel dat kan worden afgeleid uit artikel 43, § 2, eerste lid, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996; dat het in het middel ingeroepen artikel 19, derde lid, van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewest- plannen en gewestplannen een bevestiging inhoudt van het bedoelde beginsel; Overwegende dat de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen bepalen dat eenzijdige rechtshandelingen met individuele strekking die uitgaan van een bestuur en die beogen rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd, dat in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moeten worden vermeld die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat deze afdoende moeten zijn; dat artikel 6 van dezelfde wet bepaalt dat deze "slechts van toepassing is op de bijzondere regelingen waarbij de uitdrukkelijke motivering van bepaalde bestuurshandelingen is voorgeschreven, in X-12.899-4/9 zoverre deze regelingen minder strenge verplichtingen opleggen"; dat uit een en ander volgt dat op het stuk van de motiveringsverplichting de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen een wet van suppletoire aard is; dat artikel 53, § 3, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, aan de bestendige deputatie en aan de Vlaamse regering, wanneer zij in beroep uitspraak doen over bouw- en verkavelingsaanvragen, een motiveringsverplichting oplegt die niet minder streng is dan deze voorgeschreven door de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat deze beslissingen derhalve niet onder de toepassing vallen van laatstgenoemde wet; dat uit wat voorafgaat volgt dat de ingeroepen schending van de motiveringsverplichting te dezen enkel beoordeeld moet worden op grond van artikel 53, § 3, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, en niet op grond van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991; Overwegende dat, toegespitst op de beoordeling van de verenigbaarheid van een aanvraag met de goede plaatselijke ordening, uit de genoemde decreetsbepaling volgt dat de stedenbouwkundige vergunning duidelijk de met de plaatselijke aanleg of de ruimtelijke ordening verband houdende redenen moet opgeven waarop de vergunningverlenende overheid haar beslissing steunt; 5.
  9. Overwegende, in zoverre het middel de schending van de formele motiveringsplicht inroept, dat het bestreden besluit, na de omgeving van de bouwplaats en de aanvraag te hebben beschreven, en na te hebben beslist dat de aanvraag principieel strookt met de planologische voorschriften van het gewestplan Gentse en Kanaalzone, vastgesteld bij koninklijk besluit van 14 september 1977, in verband met de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening in het bijzonder de volgende motieven bevat: "Overwegende dat het inrichten van meergezinswoningen in bepaalde gevallen wel aanvaardbaar is, maar dat dit onder meer dient getoetst aan de woondichtheid, het karakter en de aard van de bebouwing in de omgeving; dat het voorgestelde perceel gelegen is in een gebied met een duidelijk residentiële functie en dat behoort tot de bebouwde omgeving van de dorpskom van Heusden; dat er inderdaad overwegend dezelfde woningtypologie aangetroffen wordt, doch dat in het streven naar verdichting van de woongebieden uiteraard ook andere typologieën aanvaardbaar zijn; dat het doorbreken van de monotonie in de bouwwijze nog niet als strijdig met een goede stedenbouwkundige aanleg te beschouwen is; X-12.899-5/9 dat de woon- en bouwdichtheid niet per perceel, maar per zone moet berekend worden, zodat gelet op de bestaande toestand de geplande meergezinswoning de draagkracht van het gebied niet kan overschrijden"; Overwegende dat uit die motieven blijkt dat de bestendige deputatie van oordeel is dat de ontworpen constructie de draagkracht van het betrokken gebied, begrepen in de zin van een ruimere zone rond het betrokken perceel, niet in het gedrang brengt; dat de bestendige deputatie voorts van oordeel is dat, zo de ontworpen constructie weliswaar niet in overeenstemming is met het heersende woningtype in de onmiddellijke omgeving, het streven naar een verdichting van de woongebieden, in dit geval een gebied met een duidelijk residentiële functie, met zich brengt dat ook andere woningtypes, zoals dat van de meergezinswoning bedoeld in de aanvraag, er aanvaardbaar zijn; Overwegende dat het bestreden besluit aldus de redenen vermeldt op grond waarvan de bestendige deputatie oordeelt dat de ontworpen meergezinswoning verenigbaar is met de goede plaatselijke aanleg; dat die redenen in concreto verband lijken te houden met de onmiddellijke omgeving van het perceel waarop de aanvraag betrekking heeft; dat in de huidige stand van de procedure niet blijkt dat de bestendige deputatie is uitgegaan van gegevens die in rechte of in feite onjuist zouden zijn; Overwegende dat de verzoeker in de toelichting bij het tweede onderdeel aan het bestreden besluit verwijt dat het niet aangeeft om welke redenen het afwijkt van de beslissing van het college van burgemeester en schepenen en van het advies van de dienst ruimtelijke ordening en stedenbouw van de provincie; dat evenwel geen decreetsbepaling de in hoger beroep bevoegde overheid verplicht om uitdrukkelijk in te gaan op de redenen die de in eerste aanleg bevoegde overheid ertoe hebben aangezet om een bepaalde beslissing te nemen, en nog minder om in te gaan op een advies dat vervat is in een voorbereidend technisch verslag uitgaande van een dienst van de in hoger beroep bevoegde overheid; dat het vanuit het oogpunt van de motiveringsplicht voldoende is dat, zoals hiervóór gesteld, uit de redenen van het bestreden besluit blijkt om welke redenen de bestendige deputatie tot een conclusie is gekomen die anders is dan die van het college van burgemeester en schepenen en van de dienst ruimtelijke ordening en stedenbouw; X-12.899-6/9 Overwegende dat de verzoeker in dezelfde toelichting aan het bestreden besluit ook verwijt dat het niet aangeeft op grond van welke redenen het afwijkt van de studie "Wonen onder dak", uitgevoerd in opdracht van de gemeente Destelbergen; dat deze studie, die wordt aangehaald in het genoemde verslag van de dienst ruimtelijke ordening en stedenbouw van de provincie, geen enkele bindende waarde heeft; dat de bestendige deputatie dan ook niet verplicht was om daarmee rekening te houden en om uiteen te zetten waarom zij tot een andere conclusie is gekomen dan die van de bedoelde studie; Overwegende dat het middel, in zoverre het een schending van de formele motiveringsplicht inroept, derhalve niet lijkt te kunnen worden aangenomen; 5.
  10. Overwegende, in zoverre het middel voorts aanvoert dat het bestreden besluit niet wettig heeft kunnen aannemen dat de ontworpen constructie verenigbaar is met de goede plaatselijke ordening, dat de Raad van State in de uitoefening van het hem opgedragen wettigheidstoezicht niet vermag zijn beoordeling van de goede ruimtelijke ordening in de plaats te stellen van die van de bevoegde administratieve overheid; dat hij wel bevoegd is om na te gaan of de administratieve overheid de haar ter zake toegekende appreciatiebevoegdheid naar behoren heeft uitgeoefend, met name of zij is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij deze correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is gekomen; Overwegende dat uit de toelichting bij het eerste onderdeel blijkt dat de verzoeker aan het bestreden besluit verwijt dat het aanneemt dat het ontworpen gebouw verenigbaar is met de goede plaatselijke aanleg, terwijl dat gebouw, een meergezinswoning, in tal van opzichten afwijkt van de eengezinswoningen die in de omgeving bestaan; dat de verzoeker meer in het bijzonder aanvoert dat de ontworpen meergezinswoning "afbreuk (doet) aan de ruimtelijke draagkracht van het gebied", voor "een grotere verkeersdrukte en parkeerproblemen" zal zorgen, door de inpalming van de voortuin ten behoeve van opritten "afbreuk (doet) aan het groene karakter van de buurt", en manifest ingaat "tegen de bouwdichtheid van het gebied"; dat, zoals hiervóór reeds is opgemerkt, het besluit echter uitgaat van het streven naar verdichting van de woongebieden, en daaruit concludeert dat een ander woningtype dan het in de omgeving bestaande type aanvaard kan worden; dat het ook overweegt dat, gelet op de bestaande toestand in de betrokken zone, de draagkracht van het gebied niet wordt overschreden; dat de X-12.899-7/9 kritiek van de verzoeker weliswaar blijk geeft van een andere feitelijke beoordeling van de gegevens van de zaak dan de bestendige deputatie, maar dat de verzoeker voorshands niet aannemelijk maakt dat die overheid in verband met de beoordeling van de goede ruimtelijke ordening tot een conclusie is gekomen die de grenzen van de redelijkheid te buiten zou gaan; dat het middel in dit opzicht niet lijkt te kunnen worden aangenomen; 5.
  11. Overwegende, in zoverre het middel een schending van het zorgvuldigheids- en het vertrouwensbeginsel aanvoert, dat de verzoeker in de toelichting bij het eerste onderdeel preciseert dat de bedoelde schending het gevolg is van het feit dat het bestreden besluit ingaat tegen de conclusie van de genoemde studie "Wonen onder dak", zonder die afwijking te motiveren; dat, afgezien van wat hiervóór is opgemerkt in verband met het ontbreken van enige verplichting om de afwijking van de conclusie van de bedoelde studie te motiveren, ook vastgesteld moet worden dat de verzoeker niet aanvoert dat de bestendige deputatie zelf enige verwachting gecreëerd zou hebben in verband met de gelding van die conclusie; dat aan de bestendige deputatie dan ook moeilijk verweten lijkt te kunnen worden dat zij in dit opzicht de genoemde beginselen zou hebben geschonden; dat het middel in dit opzicht derhalve evenmin lijkt te kunnen worden aangenomen; 5.
  12. Overwegende dat het middel in geen van zijn onderdelen ernstig is;
  13. Overwegende dat niet is voldaan aan een van de bij artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen; BESLUIT: Artikel
  14. Het verzoek tot tussenkomst van Frieda TIMMERMANS in het administratief kort geding wordt ingewilligd. X-12.899-8/9 Artikel
  15. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  16. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig november 2006, door : de H. P. LEMMENS, kamervoorzitter, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. P. LEMMENS. X-12.899-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.266 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.470 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.