← België

Arrest 165278 - - 29/11/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.278 Rolnummer: A. 144221/VII-31081 Zaak: Arrest 165278 - - 29/11/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-12-12 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-01 10:34 Fiche Arrest nr 165.278 van 29 november 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 165.278 van 29 november 2006 in de zaak A. 144.221/VII-31.081 In zake :

  1. XXX,
  2. XXX, die woonplaats kiezen bij advocaat M. MAJD TEYMOURI, kantoor houdende te 9000 GENT, Martelaarslaan 202 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, van Iraanse nationaliteit, op 20 november 2003 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 29 oktober 2003 tot bevestiging van de beslissingen van de minister van Binnenlandse Zaken van 2 oktober 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 26 november 2003 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; VII-31.081-1/7 Gelet op de beschikking van 1 augustus 2006 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 25 oktober 2006; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. MAJD TEYMOURI, die verschijnt voor de verzoekende partijen en van attaché L. VANDERVOORT, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; In het verslag stelt de auditeur de toepassing voor van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit. Uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel.
  3. De feiten. 1.
  4. De verzoekende partijen kwamen België binnen op 19 september 2000 en verklaarden zich op 22 september 2000 vluchteling. 1.
  5. Op 2 oktober 2000 nam de minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  6. Op 29 oktober 2003 bevestigt de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissingen letterlijk als volgt: Ten aanzien van de eerste verzoekende partij: "A. Vluchtrelaas U, een Iraans staatsburger van Perzische origine, verklaart verscheidene problemen te hebben gehad in Iran. Op 03/10/1378 (Iraanse tijdrekening; stemt overeen met 24/12/1999 Europese tijdrekening) verliet u Iran. Op 22/09/2000 kwam u in België aan waar u dezelfde dag nog asiel hebt aangevraagd samen met uw echtgenote XXX (O.V 5.012.881) en uw dochter Sarah. VII-31.081-2/7 Volgens uw verklaringen voor het Commissariaat-Generaal kreeg u begin 1378

(1999)een nieuwe directeur op uw werkplaats, Dhr. Hamzeh Nosrati. U kende hem echter van vroeger. Toen u 17à18 jaar was, hielp u hem met zijn studies. In die tijd, is er een conflict ontstaan tussen hem, u en uw vader omdat hij een buitenechtelijke relatie had. Dhr. Nosrati herkende u op het werk en aangezien hij op het werk opnieuw een relatie wou beginnen met een getrouwde vrouw, hebt u haar gewaarschuwd. Daardoor schiep Dhr Nosrati verscheidene problemen voor u. Zo kon u door zijn toedoen geen studiebeurs krijgen, geen lening bij de bank en geen stuk grond. Op het werk praatte u regelmatig met uw collega’s over de politiek, de gevangenissen in Iran, de islam en de geestelijke leider. Tevens verdeelde u nieuwsbrieven die u stal uit de bureaus van de directeurs, kopieerde en verdeelde u cassettes met toespraken van Montazeri, kopieerde en verdeelde u een brief van Montazeri en boeken van Dr. Sourosh. U verdeelde dit alles onder drie collega’s en twee vrienden van u. Ongeveer anderhalve maand voor uw vertrek uit Iran heeft één van uw collega’s een gesprek tussen u en uw collega’s over de politieke situatie opgenomen op cassette. Daarvoor had men u al één keer opgepakt voor ondervraging maar na een viertal uur heeft men u terug vrijgelaten. Nadat men het gesprek had opgenomen, werd u nogmaals meegenomen voor ondervraging en na een zevental uur terug vrijgelaten. Twee weken na de opname van het gesprek hoorde u van een collega dat men een dossier over u had geopend. Daarna bent u nog een tweetal dagen naar uw werk gegaan. De laatste drie dagen voor uw vertrek uit Iran bent u, samen met uw vrouw en kinderen naar een vriend, Nourei Mohammad, vertrokken. Daarna hebt u alleen het land verlaten richting Turkije waar u 8,5 maanden hebt verbleven alvorens naar België te komen. Uw vrouw heeft u de laatste dag in Turkije vervoegd waarna jullie zijn doorgereisd naar België. Na uw vertrek uit Iran heeft men uw vader meegenomen voor ondervraging, naar uw werk geweest om meer inlichtingen over u te bekomen. Tevens heeft men uw vrouw lastig gevallen. B. Motivering Er dient te worden opgemerkt dat u na uw vlucht uit Iran nog meer dan acht maanden in Turkije bent gebleven. U verklaarde dat u geen asiel hebt aangevraagd in Turkije omdat u van plan was terug te keren naar Iran en omdat u niet wist dat u in Turkije asiel kon aanvragen. Uit informatie waarover het Commissariaat-Generaal beschikt en waarvan een kopie in het administratief dossier werd gevoegd blijkt echter dat er veel Iraniërs in Turkije asiel aanvragen en een aanzienlijk aantal onder hen ook de status van vluchteling verkrijgen. Bijgevolg beschikte u over de mogelijkheid om in Turkije asiel aan te vragen. U verliet Turkije zonder een vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève (zie gehoorverslag CGVS p.3). Bovendien dient te worden opgemerkt dat er onvoldoende elementen zijn die wijzen op een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Wat betreft de twee opeenvolgende aanhoudingen voor ondervraging, omwille van het feit dat u over politiek sprak en het gesprek dat werd opgenomen, dient te worden vastgesteld dat u klaarblijkelijk telkens dezelfde dag werd vrijgelaten zonder voorwaarden. Tevens werd u tengevolge daarvan nooit veroordeeld. Bovendien legde u onduidelijke verklaringen af over de redenen van uw twee arrestaties. Zo verklaarde u in het begin van het gehoor op het Commissariaat-Generaal dat u de eerste ondervraging was omdat men uw stem had opgenomen tijdens een bijeenkomst met collega’s (zie gehoorverslag CGVS p. 6). Terwijl u verder in het gehoor uw verklaringen wijzigde en verklaarde dat de eerste ondervraging was voordat uw stem was opgenomen (zie gehoorverslag CGVS p. 14). Twee weken na die ondervragingen hoorde u van een bewaker dat de directeur had gesproken met iemand van de Herasat Ettelaat (geheime dienst binnen overheidsinstellingen) over u en één à twee weken daarna hebt u gehoord van een collega dat men een dossier heeft gemaakt over u met een vermelding in het dossier van de opname van de cassette met uw stem (zie gehoorverslag CGVS p 14). Hierbij dient te worden opgemerkt dat, uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt, en waarvan een kopie aan uw administratief dossier werd gevoegd, slechts in uitzonderlijke gevallen vervolging wordt ingesteld op grond van ‘belediging van de Islam’, gezien deze zaken geen prioriteit zijn voor de autoriteiten. Gezien veel over politiek gepraat wordt in Iran en er veel kritiek gegeven wordt op de geestelijke leiders, zou een systematische vervolging onbegonnen werk zijn. Van de vervolgingen die bekend zijn VII-31.081-3/7 blijkt bovendien dat het gaat over personen met een bijzonder profiel, of personen die zich herhaaldelijk in het openbaar uitspraken tegen de islam. Aangezien u geen belangrijk profiel heeft is het
(1)bezwaarlijk aannemelijk dat de Iraanse autoriteiten er een prioriteit van zouden maken u te vervolgen omwille van de uitspraken die u, in privé kring (onder collega’s) deed en
(2)bezwaarlijk aannemelijk dat u bij een eventuele vervolging zou moeten vrezen voor een zwaarwichtige vervolging in de zin van de Geneefse Vluchtelingenconventie.’ Wat betreft uw vrees voor vervolging omdat u nieuwsbrieven, cassettes en een boek van Montazeri verspreidde dient te worden opgemerkt dat u niet aannemelijk kunt maken dat de Iraanse autoriteiten hiervan op de hoogte zouden zijn. U verklaarde dat u hoorde van een collega dat men een dossier heeft gemaakt over u. U baseert zich enkel op de woorden van een collega over uw zaak. Er zijn geen objectieve feiten die erop wijzen dat de autoriteiten op de hoogte zouden zijn van deze activiteiten. Bovendien ging u nadat u gehoord had dat er een dossier over was nog twee dagen naar uw werk en bleef u nog een vijftal dagen thuis zonder dat de autoriteiten zijn langsgekomen. Bijgevolg zijn er onvoldoende elementen die wijzen op een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève Tenslotte is het zeer opmerkelijk dat u op de Dienst Vreemdelingenzaken niet vertelde dat u nieuwsbrieven, cassettes met toespraken en een brief van Montazeri, en boeken van Dr. Sourosh kopieerde en verdeelde. De door u, in het kader van uw asielprocedure neergelegde documenten, wijzigen hetgeen hiervoor werd uiteengezet niet. Uw origineel boekje van burgerlijke stand en de originele boekjes van burgerlijke stand van uw echtgenote en kind bevatten enkel persoonsgegevens waaraan niet wordt getwijfeld. Uw ontslagbrief toont aan dat u ontslagen werd op uw werk. De brief waarin vermeldt staat dat u niet kwam opdagen op uw werk, toont enkel aan dat u afwezig was op het werk maar stelt de feiten niet in een ander daglicht. Gelet op het voorgaande kan in uw hoofde geen vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging, zoals bedoeld in de Conventie van Genève van 28 juli 1951 worden vastgesteld. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag onontvankelijk is omdat u, nadat u uw land hebt verlaten, meer dan drie maanden in een ander land hebt verbleven en dit hebt verlaten zonder vrees voor vervolging in de zin van artikel 1, A van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen. Bovendien ben ik de mening toegedaan: dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is; Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).”. Ten aanzien van de tweede verzoekende partij: “A. Vluchtrelaas U, een Iraans staatsburger van Perzische origine, verklaart Iran te hebben verlaten omwille van de problemen van uw echtgenoot. Op 14/06/1379 (Iraanse tijdrekening; stemt overeen met 05/09/2000 Europese tijdrekening) verliet u Iran. Op 22/09/2000 kwam u in België aan waar u dezelfde dag asiel hebt aangevraagd, samen met uw echtgenoot XXX F. (O.V 5.012.881) en uw dochter Sarah. VII-31.081-4/7 Volgens uw verklaringen voor het Commissariaat-Generaal vertelde uw echtgenoot, een week voor zijn vertrek uit Iran, dat hij het land moest verlaten wegens problemen op zijn werk. Op 30/09/1378 (21/12/1999) zijn jullie samen bij een vriend van hem, Mohammad Nourei gaan logeren. Na drie dagen is uw echtgenoot vertrokken. U bleef echter nog twee weken bij Mohammad. Zowel bij Mohammad, bij uw schoonouders als uw ouders kwamen er telefonische bedreigingen van onbekenden. Op een bepaalde dag ging u naar huis. Twee personen in burger belden aan en ze vroegen naar uw echtgenoot. Ze waren agressief en uit schrik vertrok u daarna naar Karaj bij uw zus. Op 07/12/1378 (26/02/2000) moest u een operatie ondergaan. Dezelfde mensen die uw echtgenoot zochten zijn naar het ziekenhuis gekomen, maar mochten u niet bezoeken. Na de operatie bent u een drietal maanden bij uw moeder gaan wonen. Daar kreeg u ook dagelijks dreigtelefoons. Uw broer zag ook regelmatig mensen die het huis controleerden. Aangezien u erg bezorgd was over uw dochter hebt u besloten Iran te verlaten. U vervoegde uw man in Turkije en samen bent u naar België gekomen. B. Motivering Eerst en vooral dient te worden vastgesteld dat uw asielaanvraag in hoofdorde steunt op motieven aangebracht door uw man ter staving van zijn asielrelaas. Uzelf werd nooit omwille van persoonlijke problemen geviseerd en u ontvluchtte het land omwille van de moeilijkheden die u kende naar aanleiding van zijn problemen. Op geen enkel moment werd u zelf gezocht door de Iraanse autoriteiten en u verklaarde zelf dat het door de problemen van uw man is dat u het land hebt verlaten (zie gehoorverslag CGVS p 7). Wat betreft het dringend beroep dat uw man instelde, werd een bevestigende beslissing tot weigering van verblijf genomen op basis van zijn verblijf van meer dan drie maanden in een derde land en het kennelijk ongegrond zijn van zijn asielrelaas. Daarom moet er voor u ook een bevestigende beslissing tot weigering van verblijf genomen worden. Voor een uitgebreide en gedetailleerde motivering wordt verwezen naar de beslissing van uw echtgenoot. Wat de elementen betreft die u aanbrengt met betrekking tot de problemen die u ondervond na het vertrek van uw man, nl. dat u telefonisch werd bedreigd en lastiggevallen door twee personen in burger dient te worden opgemerkt dat deze niet zwaarwichtig genoeg zijn om als een vervolging in de zin van de Conventie van Genève te worden beschouwd. U kreeg dreigtelefoons en twee personen in burger zijn aan uw deur gekomen en u komen zoeken in het ziekenhuis. Uit uw verklaringen blijkt dat u nooit gearresteerd of veroordeeld werd. U bent enkel en alleen vertokken omdat u bezorgd was om uw dochter. Bijgevolg zijn er onvoldoende elementen die wijzen op een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Het door u in het kader van uw asielprocedure neergelegde document wijzigt hetgeen hiervoor werd uiteengezet niet. Uw origineel boekje van burgerlijke stand bevat enkel persoonsgegevens waaraan niet wordt getwijfeld. Gelet op het voorgaande kan in uw hoofde geen vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging, zoals bedoeld in de Conventie van Genève van 28 juli 1951 worden vastgesteld. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).”. Dit zijn de bestreden beslissingen. VII-31.081-5/7 2. Beoordeling. In een eerste middel roepen de verzoekende partijen de schending in van artikel 1, (A), 2 van het verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Conventie van Genève), goedgekeurd bij wet van 26 juni 1953, van de artikelen 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van de algemene rechtsbeginselen en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer specifiek de zorgvuldigheidsplicht en het recht van verdediging. Zij stellen meer bepaald dat de eerste verzoekende partij in Turkije niet op de hoogte was van de mogelijkheid om daar asiel aan te vragen. Artikel 52, § 1, 4/ van de Vreemdelingenwet, waarnaar art. 52, § 2, 2/ van dezelfde wet verwijst bepaalt dat de asielaanvraag onontvankelijk kan worden verklaard wanneer de vreemdeling, na zijn land verlaten te hebben of na het feit dat hem ertoe gebracht heeft ervan verwijderd te blijven, langer dan drie maanden in een ander land verbleven heeft en dit verlaten heeft, zonder vrees in de zin van artikel 1, (A), 2 van de Conventie van Genève. De door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen gedane vaststelling volstond bijgevolg om de bestreden beslissing te nemen. Het is daarom overbodig de andere door de verzoekende partijen geformuleerde grieven te beoordelen. Uit de beslissingen, die naar behoren formeel zijn gemotiveerd, blijkt dat de informatie waarover de commissaris-generaal beschikt, aantoont dat veel landgenoten van de verzoekende partijen in Turkije asiel aanvragen. De eerste verzoekende partij had ook de mogelijkheid dit te doen. Haar bewering is subjectief en niet voor controle vatbaar. De commissaris-generaal besluit eveneens tot de kennelijke ongegrondheid van de asielaanvraag van de tweede verzoekende partij omdat zij haar asielaanvraag in hoofdorde steunt op de motieven aangebracht door haar man in het kader van zijn asielaanvraag. Zij werd zelf nooit gezocht door de autoriteiten van het land van herkomst en verklaarde dat het door de problemen van haar man is dat zij het land heeft verlaten. Gezien in hoofde van haar echtgenoot een bevestigende beslissing van weigering van verblijf werd genomen, moet volgens de commissaris-generaal ook voor de tweede verzoekende partij besloten worden tot de onontvankelijkheid van haar asielaanvraag. Voor een uitgebreide en gedetailleerde motivering verwijst de commissaris-generaal naar de beslissing genomen ten aanzien van de eerste verzoekende partij, waarvan de onwettigheid niet werd aangetoond. VII-31.081-6/7 3. De verzoekende partijen hebben geen gegrond middel tot nietigverklaring aangevoerd. Er is dus grond om toepassing te maken van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit zodat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, samen met dit beroep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig november tweeduizend en zes, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. E. BREWAEYS. VII-31.081-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.278 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.