← België

Arrest 165306 - - 30/11/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.306 Rolnummer: A. 76327/XII-688 Zaak: Arrest 165306 - - 30/11/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-12-13 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-01 10:36 Fiche Arrest nr 165.306 van 30 november 2006 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 165.306 van 30 november 2006 in de zaak A. 76.327/XII-

  1. In zake : Robert NOUWEN, die woonplaats kiest bij advocten M. Boes en W. Mertens, kantoor houdende te Beringen, Scheigoorstraat 5 tegen : de PROVINCIE LIMBURG. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Robert Nouwen op 7 november 1997 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 11 september 1997 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg waarbij zijn ongunstige evaluatie wordt behouden; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door adjunct-auditeur P. De Somere; Gelet op de beschikking van 11 januari 2000 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 5 mei 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 30 mei 2006; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. Beelen, die loco advocaat M. Boes verschijnt voor verzoeker, en van bestuurssecretaris T. Roosen, die verschijnt voor de verwerende partij; XII-688-1/9 Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. De Somere; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. De gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : Verzoeker is sinds 1 februari 1987 als stagiair in dienst van de provincie Limburg en dit in de graad van adjunct-diensthoofd bij de sector cultuurconservering - provinciaal Gallo-Romeins museum. Hij wordt in deze functie in vast verband benoemd met ingang van 1 februari
  3. Vervolgens wordt hij met ingang van 1 augustus 1989 aangesteld als waarnemend diensthoofd om daarna met ingang van 1 februari 1990 te worden bevorderd tot diensthoofd bij de sector cultuurconservering-provinciaal Gallo-Romeins museum. Met toepassing van het nieuw administratief statuut provinciepersoneel heeft verzoeker de graad van bestuurssecretaris. Overeenkomstig artikel 106 van het administratief statuut provinciepersoneel wordt op 18 december 1996 tussen verzoeker en J.P. Dewael een functioneringsgesprek gehouden, dat resulteert in volgende afspraken : “
  4. Persoonlijk engagement tov GRM wordt bevestigd en geacteerd
  5. Afspraken van werkprocedures met CW, CGDD & JPD
  6. Taakafbakening & prioriteitenbepaling : jaarlijks vaststellen met CW, CGDD & JPD
  7. Veel bespreken met collega
  8. Vorming rond attitude bespreken met P. Weyns”. Vervolgens stellen verzoekers evaluatoren op 30 juni 1997 een evaluatieverslag op, met als eindevaluatie “ongunstig”. Verzoeker krijgt een ongunstige evaluatie voor de criteria zelfstandigheid (essentieel algemeen criterium) met als verklaring “probleem : bijsturing blijft noodzakelijk”, initiatief met als verklaring “weinig”, houding t. a. v. collega’s met als verklaring “Taken opnemen ! Anders moeten ze door collega’s worden ingevuld. Robert is vriendelijk”, verantwoordelijkheid met als verklaring “Verantwoordelijkheden van wetensch. diensthoofd zijn breder en meer dan Robert XII-688-2/9 zijn taakinvulling” en zin voor efficiënt werken en resultaten met als verklaring “probleem : Resultaten zijn niet wat men zou verwachten van een diensthoofd”. Overeenkomstig artikel 119 van het administratief statuut provinciepersoneel tekent verzoeker bij schrijven van 17 juli 1997 bij de bestendige deputatie beroep aan tegen voornoemde ongunstige evaluatie. Na verzoeker en de evaluatoren op 26 augustus 1997 te hebben gehoord, neemt de bestendige deputatie op 11 september 1997 de bestreden beslissing;
  9. De ontvankelijkheid. Overwegende dat verwerende partij in de laatste memorie aanvoert dat verzoeker niet langer van het rechtens vereiste belang doet blijken om de nietigverklaring van het bestreden besluit te vorderen, dat luidens artikel 112 van het administratief statuut provinciepersoneel een gunstige evaluatie noodzakelijk is om over te gaan naar de volgende weddeschaal in de functionele loopbaan alsook om te mogen deelnemen aan bevorderingsexamens, dat verzoeker evenwel bij het invoeren van het nieuw administratief statuut provinciepersoneel in de hoogste weddeschaal van de graad bestuurssecretaris werd ingeschakeld zodat de ongunstige evaluatie hem op het vlak van de functionele loopbaan geen enkel nadeel toebracht, dat bovendien zijn laatste evaluatie gunstig was zodat hij opnieuw de mogelijkheid krijgt deel te nemen aan bevorderingsexamens, dat daarenboven een nieuwe kans om voor dezelfde evaluatieperiode gunstig te worden beoordeeld de eventuele gevolgen die hij inzake in het verleden georganiseerde bevorderingsexamens heeft ondervonden niet ongedaan kan maken en in bedoelde periode overigens geen bevorderingsexamen werden ingericht waarvoor verzoeker in aanmerking kwam zodat hij ook op dit vlak geen nadeel heeft ondervonden, dat bijgevolg de nietigverklaring van het bestreden besluit verzoeker noch op het vlak van de functionele loopbaan, noch op het vlak van bevorderingsmogelijkheden een voordeel kan opleveren, dat ten slotte verzoekers gunstige evaluatie van 24 juni 1999 het eventuele morele nadeel heeft weggenomen; Overwegende dat artikel 114 van het administratief statuut provinciepersoneel onder meer bepaalt dat het evaluatiedossier “De beschrijvende kwalitatieve evaluatieverslagen” en “Het beroep tegen de evaluatie en de beslissing in beroep” omvat; dat voorts uit artikel 122 van voormeld administratief statuut volgt dat enkel een “geannuleerde” ongunstige evaluatie uit het evaluatiedossier wordt verwijderd; dat, gelet op het te dezen geldende administratief statuut, het betoog van XII-688-3/9 verwerende partij niet volstaat om zekerheid te verschaffen dat een toekomstige ongunstige weerslag van de negatieve evaluatie op verzoekers latere loopbaan uit te sluiten valt; dat verzoeker derhalve geen actueel belang bij de zaak kan worden ontzegd; dat de exceptie niet wordt aangenomen;
  10. De grond van de zaak. 3.
  11. Overwegende dat verzoeker in een derde middel een schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen inroept; dat hij vooreerst de motieven inzake de vijf evaluatiecriteria waarvoor hij een ongunstige beoordeling kreeg tegenspreekt; dat hij stelt dat in de bestreden beslissing bij het criterium zelfstandigheid ten onrechte wordt verwezen naar het criterium kwaliteit, criterium waarvoor hij immers gunstig werd beoordeeld, dat het herwerken van zijn voorstellen te wijten is aan het conflict tussen hemzelf en C.G. De Dijn, dat de evaluatoren geenszins aanduiden waarom bijsturing noodzakelijk blijft, dat de motivering “weinig” voor het criterium initiatief in strijd is met de gegevens van het dossier, waaruit blijkt dat hij zeer veel initiatieven heeft genomen, dat het feit dat hij toegeeft dat er geen positief arbeidsklimaat is niet betekent dat hij geen initiatieven zou hebben genomen, dat de evaluatoren inzake het criterium houding ten aanzien van collega’s geen enkel concreet gegeven hebben aangebracht waaruit zou blijken dat hij taken op collega’s zou hebben afgeschoven, dat dit bovendien wordt tegengesproken door het feit dat hij zeer veel initiatieven heeft genomen en hij zijn taken correct uitvoert, dat met betrekking tot het criterium verantwoordelijkheid, de stelling dat de verantwoordelijkheden van een wetenschappelijk diensthoofd breder en ruimer zijn dan door hem als taakinvulling wordt gezien nergens in het dossier wordt gestaafd, dat de initiatieven die hij buiten zijn diensttaak heeft genomen zijn inzet illustreren en geenszins impliceren dat hij zijn verantwoordelijkheden binnen het Gallo-Romeins museum niet zou opnemen, dat verwerende partij niet naar andere criteria kan verwijzen om zijn gebrek aan verantwoordelijkheid te motiveren, dat de motivering dat de “resultaten [niet zijn] wat men zou verwachten van een diensthoofd” voor het criterium zin voor efficiënt werken en resultaten noch in het evaluatieverslag, noch in de bestreden beslissing verder wordt onderbouwd en wordt tegengesproken door zijn initiatieven en zijn op efficiënte wijze streven naar resultaten; dat verzoeker verder betoogt dat de bestreden beslissing tegenstrijdige motiveringen bevat waar verwerende partij enerzijds stelt niet te kunnen ingaan op de argumenten van het bezwaarschrift die zijn gericht tegen ongunstige opmerkingen bij gunstige criteria, XII-688-4/9 terwijl zij anderzijds voor het motiveren van ongunstige criteria uitdrukkelijk verwijst naar negatieve opmerkingen bij gunstig beoordeelde criteria; dat verzoeker ten slotte argumenteert dat noch uit het evaluatieverslag, noch uit het bestreden besluit blijkt waarom hij bij afweging van vijf ongunstige elementen tegenover vijftien gunstige toch een globale negatieve beoordeling moest krijgen; 3.
  12. Overwegende dat verwerende partij antwoordt dat zij door bij het criterium zelfstandigheid te verwijzen naar het criterium kwaliteit heeft willen aantonen dat een lijst van projecten een louter kwantitatief gegeven is, dat zij daarnaast heeft willen bewijzen dat verzoekers gebrek aan zelfstandigheid schuilt in het feit dat hij er zonder bijsturing niet in slaagt eindproducten van een goede kwaliteit af te leveren, terwijl zelfstandigheid inhoudt dat projecten in overeenstemming met een vooropgestelde beleidsvisie worden uitgewerkt, dat verzoeker niet steeds de voor de instelling meest nuttige initiatieven neemt, dat het gebrek aan juiste initiatieven tot gevolg had dat een aantal taken door collega’s moesten worden overgenomen, dat verzoekers vriendelijke houding geenszins in strijd is met het feit dat hij toch tekortschiet in het uitoefenen van zijn functie waardoor zijn collega’s worden belast met taken die zij niet zouden moeten uitvoeren, dat verzoeker verwerende partij niet kon overtuigen van het feit dat zijn inzet, competentie en verdiensten ten volle ter beschikking stonden van het Gallo- Romeins museum, dat ook argumenten bij andere criteria duiden op een alomvattende attitude die een verminderde inzet voor de functie aantoonde, dat kruisverwijzingen zorgen voor de nodige rechtlijnigheid binnen het evaluatieverslag en noch in de ministeriële omzendbrieven, noch in de richtlijnen worden verboden, dat niet steeds efficiënt werd gewerkt en de resultaten beneden de verwachtingen bleven doordat steeds bijsturing nodig was omdat verzoekers visie niet altijd in overeenstemming was met het vooropgestelde beleid, dat verzoeker in zijn verweerschrift zelf toegeeft dat als gevolg van verschillen in genoten opleiding, beroepsverleden en visie en een negatieve vooringenomenheid niet steeds de gewenste resultaten werden bereikt, terwijl de evaluatoren tijdens de hoorzitting geen blijk gaven van vooringenomenheid en in staat waren verzoekers functioneren correct in te schatten; Overwegende dat verwerende partij voorts doet gelden dat zij, om geen ongelijkheid te creëren ten aanzien van personeelsleden die een gunstige evaluatie hebben gekregen en derhalve geen beroep kunnen instellen tegen negatieve opmerkingen, ervoor gekozen heeft niet in te gaan op verzoekers argumenten inzake XII-688-5/9 ongunstige opmerkingen bij gunstige criteria, doch wel kennis heeft genomen van zijn opmerkingen dienaangaande, dat eventuele verwijzingen naar ongunstige opmerkingen bij gunstig beoordeelde criteria slechts in bijkomende orde werden aangevoerd zodat er geen sprake kan zijn van een tegenstrijdige motivering; Overwegende dat verwerende partij ten slotte verwijst naar de beslissingsregel dat een ongunstige beoordeling op meer dan één essentieel criterium, op één essentieel criterium en meer dan drie andere criteria of op meer dan vijf niet- essentiële criteria automatisch een ongunstige beoordeling tot gevolg heeft, regel die verzoeker bekend was daar hij uitgebreid werd opgenomen in een nieuwsbrief die aan alle personeelsleden werd bezorgd; 3.
  13. Overwegende dat verwerende partij in de laatste memorie nog stelt dat wanneer zij uitspraak doet over een tegen een ongunstige beoordeling ingesteld beroep, zij de oorspronkelijke beoordeling, rekening houdend met het beroepschrift en de tijdens de hoorzitting geformuleerde opmerkingen, beoordeelt en zij in haar besluit zelf dient te motiveren waarom de ongunstige evaluatie al dan niet wordt behouden, dat zij definitief uitspraak doet over het bij haar ingediende administratief beroep en haar beslissing in de plaats komt van de oorspronkelijke evaluatie, dat de vermelding dat de ongunstige evaluatie behouden blijft enkel slaat op het eindoordeel van de evaluatie, dat het beoordelen van de afzonderlijke functioneringscriteria een discretionaire bevoegdheid is zodat de Raad van State inzake de feiten en de beoordeling zijn mening niet in de plaats kan stellen, behoudens in geval van een kennelijk onredelijke beoordeling, dat zij, om reden van de bij besluit van 7 mei 1997 bepaalde beslissingsregel, wel een gebonden bevoegdheid heeft met betrekking tot het toekennen van het eindoordeel; dat verwerende partij herhaalt dat zij de criteria zelfstandigheid, verantwoordelijkheid en zin voor efficiënt werken en resultaten op afdoende gemotiveerde wijze heeft beoordeeld, dat zij, wat betreft het criterium initiatief, in tegenstelling tot de evaluatoren, niet heeft gesteld dat verzoeker weinig initiatieven heeft genomen maar wel kritiek had op de kwaliteit van de initiatieven, dat de wettigheid van de motivering van de bestreden beslissing dient te worden beoordeeld en niet die van de motivering van het evaluatieverslag daar de bestreden beslissing de oorspronkelijke beoordeling heeft vervangen, dat eerstgenoemde beslissing minstens voor één essentieel criterium en drie niet-essentiële criteria afdoende motiveert waarom deze criteria ongunstig worden beoordeeld zodat, gezien voormelde beslissingsregel, de aangehaalde motieven volstaan om het bestreden besluit globaal te dragen, dat trouwens ook de ongunstige beoordeling voor het XII-688-6/9 criterium “houding ten aanzien van collega's” verantwoord is aangezien door de taakinvulling en het niet nemen van de juiste initiatieven, taken zijn afgeschoven op collega's; 3.
  14. Overwegende dat het middel de deugdelijkheid van de motieven van de bestreden beslissing betwist; Overwegende dat, krachtens een besluit van 7 mei 1997 van de bestendige deputatie van de provincieraad, de personeelsleden de evaluatie “gunstig voor de functionele loopbaan” verkrijgen indien zij op de algemene en specifieke criteria samen hetzij maximaal één maal ongunstig op een essentieel criterium en maximaal drie maal ongunstig op een niet-essentieel criterium behalen, hetzij nul maal ongunstig op een essentieel criterium en maximaal vijf maal ongunstig op een niet- essentieel criterium; dat de bestreden beslissing steunt op de evaluatie ongunstig voor één essentieel criterium en vier niet-essentiële criteria; dat, anders dan verwerende partij in de laatste memorie meent, het voor een vernietiging dus wél volstaat dat de beoordeling van het niet-essentiële criterium van de “houding ten aanzien van collega’s” ondeugdelijk is; Overwegende dat verwerende partij in de bestreden beslissing met betrekking tot dit criterium motiveert dat de houding van verzoeker ten aanzien van zijn collega’s weliswaar correct en positief is, maar dat het niet belet dat hij toch tekortschiet : “dat [..] het verweer van de heer R. Nouwen inzake de criteria ‘zelfstandigheid en initiatieven’ niets zegt over de kwaliteit van de initiatieven; dat de argumentering van de heer R. Nouwen hier niet bewijst dat de juiste taken en juiste initiatieven genomen worden; dat nu net het gebrek hieraan tot gevolg heeft dat de door de evaluatoren nodig geachte taken en initiatieven door collega’s dienen ingevuld te worden; dat de evaluatie niet tegenstrijdig is, dat iemand aangenaam kan zijn in de omgang doch tekort kan schieten in het uitoefenen van zijn functie en daardoor taken afschuift op collega’s”; Overwegende, met andere woorden, dat de ongunstige beoordeling van verzoeker voor het criterium “houding ten aanzien van collega’s” louter een afgeleide is van zijn onvoldoende taakinvulling en initiatieven; dat verzoeker zodoende een tweede keer wordt getoetst aan de criteria “zelfstandigheid” en “initiatief”, waarvoor hij eerder ongunstig scoorde; dat dit des te minder opgaat waar nergens wordt beweerd dat verzoeker bewust taken zou hebben laten liggen en bewust taken op zijn collega’s zou hebben afgeschoven; XII-688-7/9 Overwegende, overigens, dat ook verzoekers ongunstige beoordeling voor het criterium “initiatief” niet op deugdelijke grond berust; dat tegenover verzoekers opsomming -in zijn beroepschrift- van initiatieven betreffende de bibliotheekwerking en -organisatie, de fototheek, het nieuwe museumdecreet, het tumulibeheer, het functieprofiel voor een nieuwe medewerker, tentoonstellingen, vormingsinitiatieven en initiatieven op het stuk van het arbeidsklimaat, de bestreden beslissing in de eerste plaats doet gelden dat verzoeker zelf zou hebben toegegeven maar weinig initiatieven te hebben kunnen ontwikkelen, bij gebreke aan een positief arbeidsklimaat; dat de opmerking van verzoeker over de afwezigheid van een positief arbeidsklimaat één zaak is; dat de lijst van concrete initiatieven die hij niettemin ontplooid heeft, een andere is; dat het eerste niets van het tweede afdoet; Overwegende voorts dat in zoverre de bestreden beslissing op de kwaliteit van verzoekers initiatieven lijkt te willen afdingen, die kritiek blijkbaar alleen de initiatieven in verband met het arbeidsklimaat en de vorming betreft; dat de niet geringe andere initiatieven buiten beschouwing blijven; Overwegende dat alvast twee ongunstig beoordeelde criteria niet naar behoren verantwoord zijn; dat dit, zoals gezien, de vernietiging van de bestreden beslissing moet meebrengen; dat het derde middel in de besproken mate gegrond is, BESLUIT: Artikel
  15. Vernietigd wordt het besluit van 11 september 1997 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg waarbij de ongunstige evaluatie van Robert Nouwen wordt behouden. XII-688-8/9 Artikel
  16. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig november 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-688-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.306 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.