id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.310 Rolnummer: A. 102029/XII-3005 Zaak: Arrest 165310 - - 30/11/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-12-13 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-01 10:38 Fiche Arrest nr 165.310 van 30 november 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 165.310 van 30 november 2006 in de zaak A. 102.029/XII-3005. In zake : de GEMEENTE HEMIKSEM, die woonplaats kiest bij advocaat S. Butenaerts, kantoor houdende te Brussel, Leopold II laan 180 tegen : het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij advocaten B. Steegen, E. Schellingen en A. Gerkens, kantoor houdende te Bilzen, Demerlaan 21 bus 1. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de gemeente Hemiksem op 20 maart 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 19 januari 2001 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Sport waarbij haar aanvraag om een financiële tussenkomst van het Vlaams Noodfonds wordt verworpen; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur P. De Somere; Gelet op de beschikking van 7 november 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 5 mei 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 30 mei 2006; XII-3005-1/11 Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat S. Butenaerts, die verschijnt voor verzoekster, en van advocaat E. Elvers, die loco advocaat B. Steegen verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. De Somere; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De gegevens van de zaak. Overwegende dat ten gevolge van een vonnis van 2 februari 1999 van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, zetelend zoals in kort geding, de Intercommunale voor Slib- en Vuilverwijdering van Antwerpse Gemeenten de verbranding van afvalstoffen gedurende meer dan acht maanden dient stop te zetten; dat hierdoor verzoekster, lid van de intercommunale, meeruitgaven heeft en inkomsten derft; dat zij daarom op 11 mei 1999 beslist de bevoegde minister om een schadeloosstelling uit het Vlaams Noodfonds te verzoeken; dat de adviescommissie inzake het Noodfonds op 7 oktober 1994 van oordeel is dat het vonnis van 2 februari 1999 in aanmerking komt als omstandigheid die voldoet aan de voorwaarden opgesomd in artikel 2 van het besluit van 29 september 1994 van de Vlaamse regering betreffende het Noodfonds en op 18 november 1999 dat de ingediende dossiers beantwoorden aan de bepalingen van artikel 2bis van het decreet van 7 november 1990 tot vaststelling van de regelen inzake de verdeling van het Vlaams Gemeentefonds; dat verzoekster op 7 februari 2000 een dossier indient ten bedrage van 6.665.355 frank; dat de minister op 19 januari 2001 de bestreden beslissing neemt, die luidt : “Eind 1999 dienden alle zes bij de intercommunale ISVAG aangesloten gemeenten, waaronder ook uw gemeente, een aanvraag in voor een financiële tussenkomst vanwege het Vlaams Noodfonds. De aanvragen werden alle gemotiveerd op basis van het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van Antwerpen van 2 februari 1999 dat, omwille van het preventie- of voorzorgsbeginsel, aan de intercommunale vereniging ISVAG het verbod oplegde om nog activiteiten te ontplooien inzake het verbranden van afvalstoffen, en hebben betrekking op de extra uitgaven ingevolge die gedwongen sluiting vanaf 2 februari 1999. Met brief van 25 september 2000 informeerde het college van Boom naar de stand van zaken in het besluitvormingsproces rond het ISVAG-dossier. XII-3005-2/11 Ik deel u hierbij mee dat ik terzake een finale beslissing heb genomen en dat ik, ondanks het positief advies van de door het decreet opgerichte commissie, aan uw vraag om een aanvullende subsidiëring geen gunstig gevolg kan ver1enen. Ik heb die beslissing genomen op basis van de hierna volgende overwegingen. De ISVAG-dossiers werden uitvoerig behandeld en besproken door de adviescommissie die werd opgericht in het raam van het Vlaams Noodfonds, in haar vergaderingen van 7 oktober en 18 november 1999. De commissie was van oordeel dat alle zes gemeenten, op basis van de huidige wetgeving, in aanmerking komen voor een aanvullende subsidiëring door het Vlaams Noodfonds - deel Gemeentefonds. De argumenten waarop de commissie haar positief advies steunde, worden nauwkeurig weergegeven in de notulen van de bovenvermelde vergaderingen. Die notulen vindt u als bijlage. Toch moet dit advies in zijn juiste juridische context worden geplaatst. Artikel 2 bis van het decreet van 7 november 1990 inzake de verdeling van het Gemeentefonds bepaalt dat elk jaar maximaal 0,25% van het Gemeentefonds (afgerond tot het hogere honderdduizendtal) kan worden gebruikt voor de toekenning van uitzonderlijke aanvullende aandelen. Op grond van artikel 2 ter kan de minister zo’n uitzonderlijk aanvullend aandeel toekennen na het advies van de commissie. Het advies van de commissie is bijgevolg niet bindend. Daarbij stel ik vast dat de commissie zich uitsluitend heeft ingelaten met de technische aspecten van het dossier. Zij heeft met name enkel onderzocht of de ingediende dossiers beantwoorden aan de in het decreet vermelde voorwaarden om in aanmerking te komen voor een aanvullende subsidiëring. De adviescommissie heeft zich echter niet uitgesproken over de opportuniteit van de gevraagde subsidiëring, noch de subsidieaanvragen geplaatst in een ruimere context. Op die vlakken situeren zich precies mijn bedenkingen en bezwaren. Het ISVAG-dossier is inderdaad wel erg bijzonder. De ‘bijzondere omstandigheden’ waaruit de belangrijke bijkomende uitgaven voortvloeien, zijn ontstaan ten gevolge van een gerechtelijk vonnis ten nadele van een derde rechtspersoon, in casu een intercommunale vereniging waarvan de betrokken gemeenten weliswaar ook lid zijn. Toch maken rechtsgedingen, hoe onrechtvaardig of onverwacht zij ook mogen voorkomen, deel uit van de normale werking van de rechtsstaat. Eenieder heeft het recht te pogen om via juridische procedures zijn vermeende rechten af te dwingen. De gevolgen van een uitspraak van een rechtbank erkennen als een bijzondere omstandigheid die aanleiding kan geven tot een uitzonderlijke toelage, schept echter een gevaarlijk en wellicht onhoudbaar precedent en strookt niet met de eigenlijke doelstellingen van het Vlaams Noodfonds. De vraag rijst dan welke houding moet worden aangenomen ingeval dossiers voorgelegd worden waarin financiële gevolgen worden aangekaart wegens bijvoorbeeld het stilleggen van werken ten gevolge van gerechtelijke uitspraken. Het behoort integendeel tot de normale gang van zaken dat de partijen zich, eventueel na beroep, neerleggen bij de uitgesproken vonnissen of op hun beurt via gerechtelijke weg schadevergoeding trachten te eisen. Ik kan daarom geen gunstig gevolg verlenen aan de aanvragen van de bij de intercommunale ISVAG aangesloten gemeenten om een financiële tussenkomst. Mijn beslissing doet in geen geval afbreuk aan mijn waardering voor de zorg en de ernst waarmee de commissie het dossier heeft onderzocht en voorbereid en in consensus tot haar advies is gekomen”; XII-3005-3/11 2. De grond van de zaak. 2.1.1. Overwegende dat verzoekster in een eerste middel een schending aanvoert van artikel 2bis van het decreet van 6 juli 1994 houdende diverse bepalingen inzake de financiering van de gemeenten (lees: artikel 2bis van het decreet van 7 november 1990 tot vaststelling van de regeling inzake de verdeling van het Vlaams Gemeentefonds) en in een tweede middel een schending van dezelfde bepaling en van artikel 2 van het besluit van 29 september 1994 van de Vlaamse regering tot uitvoering van het decreet van 6 juli 1994 houdende diverse bepalingen inzake de financiering van de gemeenten; Overwegende dat zij in het eerste middel betoogt dat de Vlaamse minister bij elke aanvraag de afweging moet maken of de uitgave zijn oorsprong vindt in “bijzondere omstandigheden buiten hun wil, waardoor hun gewone begroting op een uitzonderlijke en niet te voorziene wijze wordt bezwaard”, dat, door deze afweging niet te maken en te overwegen dat de gevolgen van een gerechtelijke uitspraak nooit kunnen worden erkend als bijzondere omstandigheid, de bestreden beslissing de letterlijke bewoordingen van voormeld artikel 2bis, dat een tussenkomst om reden van een gerechtelijke uitspraak niet uitsluit, schendt, dat ook de parlementaire voorbereiding en de ontstaansgeschiedenis van het decreet bevestigen dat de decreetgever geen enkele oorzaak van belangrijke bijkomende uitgaven heeft willen uitsluiten uit het toepassingsgebied, doch, na advies van de Raad van State, is willen komen tot een algemene ondersteuningsmaatregel, op grond van een aantal criteria; Overwegende dat zij in het tweede middel in wezen dezelfde grieven doet gelden; dat zij uiteenzet dat aan alle voorwaarden die in voormeld decreet en het uitvoeringsbesluit worden gesteld, is voldaan, dat de meeste gerechtelijke uitspraken niet als een bijzondere omstandigheid kunnen worden aangemerkt, maar uitzonderlijke uitspraken, die plots vaste rechtspraak wijzigen of die een precedent uitmaken, wel, dat de uitspraak van 2 februari 1999 een dergelijke bijzondere uitspraak was aangezien voor het eerst een vordering werd toegewezen op grond van het “voorzorgsbeginsel”, dat wanneer aan de criteria is voldaan, een positieve beslissing moet volgen en het de Vlaamse minister niet toekomt op andere gronden dan de geldende criteria een beslissing te nemen; XII-3005-4/11 Overwegende dat verzoekster in de memorie van wederantwoord aangaande de middelen nog toevoegt dat, wanneer aan de decretale voorwaarden is voldaan, er geen discretionaire bevoegdheid meer is en de steunmaatregel moet worden toegekend, dat de tussenkomst van een adviescommissie van elke zin is ontdaan indien de Vlaamse regering de steun toch kan weigeren, ook indien voldaan wordt aan de decretale voorwaarden, dat de bestreden beslissing niet het voorliggend bijzonder geschil heeft getoetst aan de decretale voorwaarden, maar gerechtelijke beslissingen in het algemeen; Overwegende dat verzoekster in de laatste memorie uiteenzet dat de toetsing van verwerende partij niet uitging van de concrete omstandigheid die zich te dezen voordeed, dat niet werd nagegaan in welke mate een juridisch precedent al dan niet een bijzondere omstandigheid uitmaakt, en dat hoewel het toepassingsgebied van het decreet van 7 november 1990 ruim is, de criteria zeer duidelijk en concreet zijn; 2.1.2. Overwegende dat de in de middelen aangevoerde bepalingen als volgt luiden, - artikel 2bis van het decreet van 7 november 1990 : “Van de dotatie van het Vlaams Gemeentefonds kan elk jaar maximaal 0,25 %, afgerond op het hogere honderdduizendtal, worden gebruikt voor de toekenning van uitzonderlijke aanvullende aandelen als algemene subsidiëring van de begroting van gemeenten die ten gevolge van bijzondere omstandigheden buiten hun wil het hoofd moeten bieden aan belangrijke bijkomende en niet voorziene uitgaven”; - artikel 2 van het besluit van 29 september 1994 : “De Vlaamse minister beslist bij gemotiveerd besluit over een uitzonderlijke aanvullende subsidiëring van de begroting van de gemeenten die daartoe een gemotiveerde aanvraag hebben ingediend. Die subsidiëring kan betrekking hebben op: 1/ de toekenning van een uitzonderlijk aanvullend aandeel uit het Vlaams Gemeentefonds, als algemene subsidiëring van de gewone dienst van de begroting van de gemeente; 2/ de toekenning van een uitzonderlijk aanvullend trekkingsrecht uit het Investeringsfonds, als bijkomende subsidiëring van de investeringen betreffende de buitengewone dienst van de begroting van de gemeente. Om in aanmerking te komen voor de in het vorige lid bedoelde uitzonderlijke aanvullende subsidiëring, moeten elk van de volgende voorwaarden tegelijkertijd vervuld zijn:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.