← België

Arrest 165311 - - 30/11/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.311 Rolnummer: A. 102031/XII-3006 Zaak: Arrest 165311 - - 30/11/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-12-13 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-01 10:38 Fiche Arrest nr 165.311 van 30 november 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 165.311 van 30 november 2006 in de zaak A. 102.031/XII-3006. In zake : de STAD MORTSEL, die woonplaats kiest bij advocaat S. Butenaerts, kantoor houdende te Brussel, Leopold II laan 180 tegen : het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij advocaten B. Steegen, E. Schellingen en A. Gerkens, kantoor houdende te Bilzen, Demerlaan 21 bus 1. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de gemeente Mortsel op 20 maart 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 19 januari 2001 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Sport waarbij haar aanvraag om een financiële tussenkomst van het Vlaams Noodfonds wordt verworpen; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur P. De Somere; Gelet op de beschikking van 7 november 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 5 mei 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 30 mei 2006; XII-3006-1/11 Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat S. Butenaerts, die verschijnt voor verzoekster, en van advocaat E. Elvers, die loco advocaat B. Steegen verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. De Somere; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De gegevens van de zaak. Overwegende dat ten gevolge van een vonnis van 2 februari 1999 van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, zetelend zoals in kort geding, de Intercommunale voor Slib- en Vuilverwijdering van Antwerpse Gemeenten de verbranding van afvalstoffen gedurende meer dan acht maanden dient stop te zetten; dat hierdoor verzoekster, lid van de intercommunale, meeruitgaven heeft en inkomsten derft; dat zij daarom op 11 mei 1999 beslist de bevoegde minister om een schadeloosstelling uit het Vlaams Noodfonds te verzoeken; dat de adviescommissie inzake het Noodfonds op 7 oktober 1994 van oordeel is dat het vonnis van 2 februari 1999 in aanmerking komt als omstandigheid die voldoet aan de voorwaarden opgesomd in artikel 2 van het besluit van 29 september 1994 van de Vlaamse regering betreffende het Noodfonds en op 18 november 1999 dat de ingediende dossiers beantwoorden aan de bepalingen van artikel 2bis van het decreet van 7 november 1990 tot vaststelling van de regelen inzake de verdeling van het Vlaams Gemeentefonds; dat verzoekster op 7 februari 2000 een dossier indient ten bedrage van 4.134.513 frank; dat de minister op 19 januari 2001 de bestreden beslissing neemt, die luidt : “Eind 1999 dienden alle zes bij de intercommunale ISVAG aangesloten gemeenten, waaronder ook uw gemeente, een aanvraag in voor een financiële tussenkomst vanwege het Vlaams Noodfonds. De aanvragen werden alle gemotiveerd op basis van het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van Antwerpen van 2 februari 1999 dat, omwille van het preventie- of voorzorgsbeginsel, aan de intercommunale vereniging ISVAG het verbod oplegde om nog activiteiten te ontplooien inzake het verbranden van afvalstoffen, en hebben betrekking op de extra uitgaven ingevolge die gedwongen sluiting vanaf 2 februari 1999. Met brief van 25 september 2000 informeerde het college van Boom naar de stand van zaken in het besluitvormingsproces rond het ISVAG-dossier. XII-3006-2/11 Ik deel u hierbij mee dat ik terzake een finale beslissing heb genomen en dat ik, ondanks het positief advies van de door het decreet opgerichte commissie, aan uw vraag om een aanvullende subsidiëring geen gunstig gevolg kan ver1enen. Ik heb die beslissing genomen op basis van de hierna volgende overwegingen. De ISVAG-dossiers werden uitvoerig behandeld en besproken door de adviescommissie die werd opgericht in het raam van het Vlaams Noodfonds, in haar vergaderingen van 7 oktober en 18 november 1999. De commissie was van oordeel dat alle zes gemeenten, op basis van de huidige wetgeving, in aanmerking komen voor een aanvullende subsidiëring door het Vlaams Noodfonds - deel Gemeentefonds. De argumenten waarop de commissie haar positief advies steunde, worden nauwkeurig weergegeven in de notulen van de bovenvermelde vergaderingen. Die notulen vindt u als bijlage. Toch moet dit advies in zijn juiste juridische context worden geplaatst. Artikel 2 bis van het decreet van 7 november 1990 inzake de verdeling van het Gemeentefonds bepaalt dat elk jaar maximaal 0,25% van het Gemeentefonds (afgerond tot het hogere honderdduizendtal) kan worden gebruikt voor de toekenning van uitzonderlijke aanvullende aandelen. Op grond van artikel 2 ter kan de minister zo’n uitzonderlijk aanvullend aandeel toekennen na het advies van de commissie. Het advies van de commissie is bijgevolg niet bindend. Daarbij stel ik vast dat de commissie zich uitsluitend heeft ingelaten met de technische aspecten van het dossier. Zij heeft met name enkel onderzocht of de ingediende dossiers beantwoorden aan de in het decreet vermelde voorwaarden om in aanmerking te komen voor een aanvullende subsidiëring. De adviescommissie heeft zich echter niet uitgesproken over de opportuniteit van de gevraagde subsidiëring, noch de subsidieaanvragen geplaatst in een ruimere context. Op die vlakken situeren zich precies mijn bedenkingen en bezwaren. Het ISVAG-dossier is inderdaad wel erg bijzonder. De ‘bijzondere omstandigheden’ waaruit de belangrijke bijkomende uitgaven voortvloeien, zijn ontstaan ten gevolge van een gerechtelijk vonnis ten nadele van een derde rechtspersoon, in casu een intercommunale vereniging waarvan de betrokken gemeenten weliswaar ook lid zijn. Toch maken rechtsgedingen, hoe onrechtvaardig of onverwacht zij ook mogen voorkomen, deel uit van de normale werking van de rechtsstaat. Eenieder heeft het recht te pogen om via juridische procedures zijn vermeende rechten af te dwingen. De gevolgen van een uitspraak van een rechtbank erkennen als een bijzondere omstandigheid die aanleiding kan geven tot een uitzonderlijke toelage, schept echter een gevaarlijk en wellicht onhoudbaar precedent en strookt niet met de eigenlijke doelstellingen van het Vlaams Noodfonds. De vraag rijst dan welke houding moet worden aangenomen ingeval dossiers voorgelegd worden waarin financiële gevolgen worden aangekaart wegens bijvoorbeeld het stilleggen van werken ten gevolge van gerechtelijke uitspraken. Het behoort integendeel tot de normale gang van zaken dat de partijen zich, eventueel na beroep, neerleggen bij de uitgesproken vonnissen of op hun beurt via gerechtelijke weg schadevergoeding trachten te eisen. Ik kan daarom geen gunstig gevolg verlenen aan de aanvragen van de bij de intercommunale ISVAG aangesloten gemeenten om een financiële tussenkomst. Mijn beslissing doet in geen geval afbreuk aan mijn waardering voor de zorg en de ernst waarmee de commissie het dossier heeft onderzocht en voorbereid en in consensus tot haar advies is gekomen”; XII-3006-3/11 2. De grond van de zaak. 2.1.1. Overwegende dat verzoekster in een eerste middel een schending aanvoert van artikel 2bis van het decreet van 6 juli 1994 houdende diverse bepalingen inzake de financiering van de gemeenten (lees: artikel 2bis van het decreet van 7 november 1990 tot vaststelling van de regeling inzake de verdeling van het Vlaams Gemeentefonds) en in een tweede middel een schending van dezelfde bepaling en van artikel 2 van het besluit van 29 september 1994 van de Vlaamse regering tot uitvoering van het decreet van 6 juli 1994 houdende diverse bepalingen inzake de financiering van de gemeenten; Overwegende dat zij in het eerste middel betoogt dat de Vlaamse minister bij elke aanvraag de afweging moet maken of de uitgave zijn oorsprong vindt in “bijzondere omstandigheden buiten hun wil, waardoor hun gewone begroting op een uitzonderlijke en niet te voorziene wijze wordt bezwaard”, dat, door deze afweging niet te maken en te overwegen dat de gevolgen van een gerechtelijke uitspraak nooit kunnen worden erkend als bijzondere omstandigheid, de bestreden beslissing de letterlijke bewoordingen van voormeld artikel 2bis, dat een tussenkomst om reden van een gerechtelijke uitspraak niet uitsluit, schendt, dat ook de parlementaire voorbereiding en de ontstaansgeschiedenis van het decreet bevestigen dat de decreetgever geen enkele oorzaak van belangrijke bijkomende uitgaven heeft willen uitsluiten uit het toepassingsgebied, doch, na advies van de Raad van State, is willen komen tot een algemene ondersteuningsmaatregel, op grond van een aantal criteria; Overwegende dat verzoekster in het tweede middel in wezen dezelfde grieven doet gelden; dat zij uiteenzet dat aan alle voorwaarden die in voormeld decreet en het uitvoeringsbesluit worden gesteld, is voldaan, dat de meeste gerechtelijke uitspraken niet als een bijzondere omstandigheid kunnen worden aangemerkt, maar uitzonderlijke uitspraken, die plots vaste rechtspraak wijzigen of die een precedent uitmaken, wel, dat de uitspraak van 2 februari 1999 een dergelijke bijzondere uitspraak was aangezien voor het eerst een vordering werd toegewezen op grond van het “voorzorgsbeginsel”, dat wanneer aan de criteria is voldaan, een positieve beslissing moet volgen en het de Vlaamse minister niet toekomt op andere gronden dan de geldende criteria een beslissing te nemen; XII-3006-4/11 Overwegende dat verzoekster in de memorie van wederantwoord aangaande de middelen nog toevoegt dat, wanneer aan de decretale voorwaarden is voldaan, er geen discretionaire bevoegdheid meer is en de steunmaatregel moet worden toegekend, dat de tussenkomst van een adviescommissie van elke zin is ontdaan indien de Vlaamse regering de steun toch kan weigeren, ook indien voldaan wordt aan de decretale voorwaarden, dat de bestreden beslissing niet het voorliggend bijzonder geschil heeft getoetst aan de decretale voorwaarden, maar aan gerechtelijke beslissingen in het algemeen; Overwegende dat verzoekster in de laatste memorie uiteenzet dat de toetsing van verwerende partij niet uitging van de concrete omstandigheid die zich te dezen voordeed, dat niet werd nagegaan in welke mate een juridisch precedent al dan niet een bijzondere omstandigheid uitmaakt, en dat hoewel het toepassingsgebied van het decreet van 7 november 1990 ruim is, de criteria zeer duidelijk en concreet zijn; 2.1.2. Overwegende dat de in de middelen aangevoerde bepalingen als volgt luiden, - artikel 2bis van het decreet van 7 november 1990 : “Van de dotatie van het Vlaams Gemeentefonds kan elk jaar maximaal 0,25 %, afgerond op het hogere honderdduizendtal, worden gebruikt voor de toekenning van uitzonderlijke aanvullende aandelen als algemene subsidiëring van de begroting van gemeenten die ten gevolge van bijzondere omstandigheden buiten hun wil het hoofd moeten bieden aan belangrijke bijkomende en niet voorziene uitgaven”; - artikel 2 van het besluit van 29 september 1994 : “De Vlaamse minister beslist bij gemotiveerd besluit over een uitzonderlijke aanvullende subsidiëring van de begroting van de gemeenten die daartoe een gemotiveerde aanvraag hebben ingediend. Die subsidiëring kan betrekking hebben op: 1/ de toekenning van een uitzonderlijk aanvullend aandeel uit het Vlaams Gemeentefonds, als algemene subsidiëring van de gewone dienst van de begroting van de gemeente; 2/ de toekenning van een uitzonderlijk aanvullend trekkingsrecht uit het Investeringsfonds, als bijkomende subsidiëring van de investeringen betreffende de buitengewone dienst van de begroting van de gemeente. Om in aanmerking te komen voor de in het vorige lid bedoelde uitzonderlijke aanvullende subsidiëring, moeten elk van de volgende voorwaarden tegelijkertijd vervuld zijn:

  1. a)de gemeente wordt geconfronteerd met belangrijke bijkomende uitgaven waarin binnen het normale begrotingsbeleid niet kon worden voorzien en die niet het gevolg zijn van de eigen beslissingsbevoegdheid van de gemeente; XII-3006-5/11
  2. b)die bijkomende uitgaven zijn het gevolg van onverwachte bijzondere omstandigheden buiten de wil van het gemeentebestuur, waardoor ten aanzien van de gemeente een bijzondere situatie is ontstaan in vergelijking met de overige gemeenten van het Vlaamse Gewest”; 2.1.3. Overwegende dat, in zoverre verzoekster in beide middelen aanvoert dat geen toetsing zou zijn gebeurd aan de voorwaarden gesteld in het decreet van 7 november 1990 en het besluit van 29 september 1994, het middel in feite faalt; dat immers in de bestreden beslissing wel degelijk afgewogen wordt of het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 2 februari 1999 al dan niet kan worden beschouwd als een bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 2bis van het decreet van 7 november 1990 en artikel 2 van het besluit van 29 september 1994; dat verwerende partij hiervoor terecht verwijst naar volgende passage uit de bestreden beslissing : “De ‘bijzondere omstandigheden’ waaruit de belangrijke bijkomende uitgaven voortvloeien, zijn ontstaan ten gevolge van een gerechtelijk vonnis van een derde rechtspersoon, in casu een intercommunale vereniging waarvan de betrokken gemeenten weliswaar ook lid zijn. Toch maken rechtsgedingen, hoe onrechtvaardig of onverwacht zij ook mogen voorkomen, deel uit van de normale werking van de rechtsstaat. Eenieder heeft het recht te pogen om via juridische procedures zijn vermeende rechten af te dwingen. [...] Het behoort integendeel tot de normale gang van zaken dat de partijen zich, eventueel na beroep, neerleggen bij de uitgesproken vonnissen of op hun beurt via gerechtelijke weg schadevergoeding trachten te eisen”; dat eerst wordt verwezen naar het gerechtelijk vonnis, om vervolgens te stellen dat rechtsgedingen, hoe onrechtvaardig of onverwacht zij ook mogen voorkomen, deel uitmaken van de normale werking van de rechtsstaat, waartoe ook behoort dat partijen zich bij de uitgesproken vonnissen neerleggen of schadevergoeding pogen te verkrijgen; Overwegende vervolgens dat, waar verzoekster aanvoert dat het vonnis van 2 februari 1999, dat een precedent in de rechtspraak vormt, als een bijzondere omstandigheid moet worden erkend, zij in wezen de deugdelijkheid van de in de bestreden beslissing opgenomen motieven betwist; dat de decretaal bepaalde criteria eerder vaag zijn en veel ruimte laten voor appreciatie; dat het feit dat uit de parlementaire voorbereiding en de ontstaansgeschiedenis van artikel 2bis van het decreet van 7 november 1990 zou blijken dat de decreetgever geen enkele oorzaak van de belangrijke bijkomende uitgaven uit het toepassingsgebied heeft willen uitsluiten en hij is willen komen tot een algemene ondersteuningsmaatregel, op zich niets verandert aan de ruime discretionaire bevoegdheid van de Vlaamse minister om XII-3006-6/11 te beoordelen of een bepaalde omstandigheid al dan niet een bijzondere omstandigheid uitmaakt in de zin van artikel 2bis van het decreet van 7 november 1990; dat de overweging dat een gerechtelijke uitspraak, ook wanneer zij een precedent schept, deel uitmaakt van de normale werking van de rechtstaat en er derhalve geen reden is om dergelijke uitspraak te erkennen als een bijzondere omstandigheid, niet de grenzen van de redelijkheid te buiten gaat; dat niet wordt aangetoond dat de Vlaamse minister hierdoor op een onwettige wijze van zijn beoordelingsbevoegdheid gebruik heeft gemaakt; dat het eerste en tweede middel niet gegrond zijn; 2.2.1. Overwegende dat verzoekster in een derde middel de schending aanvoert van artikel 2ter, §1, van het decreet van 6 juli 1994 houdende diverse bepalingen inzake de financiering van de gemeenten (lees : artikel 2ter, §1, van het decreet van 7 november 1990 tot vaststelling van de regeling inzake de verdeling van het Vlaams Gemeentefonds) en machtsoverschrijding; dat zij betoogt dat de Vlaamse minister haar aanvraag op grond van “opportuniteitsredenen” heeft afgewezen, dat de minister meent dat hij de bevoegdheid heeft om los van de decretale criteria te appreciëren, terwijl de decreetgever door het invoeren van duidelijke criteria en door het instellen van een adviescommissie juist is willen komen tot een objectivering van de beoordeling van de aanvragen, dat de adviescommissie unaniem heeft beslist over haar aanvraag, dat de minister enkel van het advies kan afwijken op grond van een bijzondere motivering en op basis van de decretale beoordelingscriteria; Overwegende dat verzoekster in de memorie van wederantwoord en in de laatste memorie herhaalt wat reeds in het inleidend verzoekschrift werd aangevoerd; 2.2.2. Overwegende dat de in het middel aangevoerde bepaling luidt : “Het in artikel 2bis bedoelde uitzonderlijk aanvullend aandeel kan door de Vlaamse regering worden toegekend op basis van een gemotiveerd verzoek van het college van burgemeester en schepenen en na advies van een commissie die paritair is samengesteld uit afgevaardigden van de Vlaamse regering en uit afgevaardigden van de gemeenten. De Vlaamse regering regelt de samenstelling en de werking van deze adviescommissie”; XII-3006-7/11 2.2.3. Overwegende dat verzoekster terecht van mening is dat de minister van het advies van de adviescommissie “maar kan afwijken mits een bijzonder[e] motivering en enkel en alleen op grond van de decretale beoordelingscriteria”; dat daar te dezen echter ook aan voldaan is; Overwegende dat de minister van het advies is afgeweken omdat zijns inziens de vraag naar het voorhanden zijn van de bijzondere omstandigheden beantwoord moet worden vanuit een ruimer perspectief dan dat van de commissie; dat hij, de vraag meer bepaald bekijkend in de “ruimere context” van zoveel andere rechtsgedingen en uitspraken die onverwacht mogen voorkomen en van de verregaande financiële gevolgen waartoe de erkenning van het vonnis van 2 februari 1999 als een bijzondere omstandigheid dreigt te leiden, ervoor kiest het vonnis niét als een bijzondere omstandigheid te beschouwen; Overwegende dat zodoende de minister allesbehalve een verboden opportuniteitsoordeel heeft uitgesproken; dat de beoordeling of er al dan niet een bijzondere omstandigheid voorhanden is, uiteraard ruimte voor appreciatie laat en dus noodzakelijk een opportuniteitsoordeel insluit; dat bijgevolg de ministeriële beslissing niet onwettig is om de enkele reden dat zij een opportuniteitsuitspraak inhoudt; dat ook het advies van de adviescommissie een dergelijke uitspraak bevat, weze het in een andere zin; 2.2.4. Overwegende dat, zoals gezien bij de bespreking van het eerste en tweede middel, de minister met zijn oordeel niet buiten de grenzen is getreden van de beoordelingsvrijheid waarover hij beschikt; dat in dat verband overigens kan worden vastgesteld dat de adviescommissie er zich zelf goed rekenschap van gaf dat ook een ander oordeel dan het hare denkbaar was; dat zij, na op 7 oktober 1999 te hebben besloten dat het vonnis van 2 februari 1999 in aanmerking komt als een omstandigheid bedoeld in artikel 2 van het besluit van 29 september 1994 van de Vlaamse regering, niettemin wenst : “unaniem te wijzen op de volgende twee argumenten: - Het feit dat de commissie zich beroept op een rechterlijk vonnis om bijzondere omstandigheden in te roepen is voor betwisting vatbaar. In hoeverre zijn uitgaven ingevolge een vonnis door de gemeente voorzien of niet? Zo niet, in welke mate zijn de uitgaven een rechtstreeks gevolg van het vonnis zelf? - De commissieleden achten het tevens meer aangewezen dat de betrokken gemeenten zich (al dan niet via een gerechtelijke procedure) zo mogelijk verhalen op andere overheden en met name op het Vlaams Gewest als XII-3006-8/11 bevoegde overheid, dit in plaats van een beroep te doen op de solidariteit van de andere gemeenten”; 2.2.5. Overwegende dat weliswaar moet worden vastgesteld dat de Vlaamse minister de verwoording van zijn verschillend standpunt heeft ingeleid met een bijzonder ongelukkig geformuleerde passus, waarin het heet dat de adviescommissie zich alleen met de technische aspecten van het dossier heeft ingelaten, zich ertoe beperkt heeft te onderzoeken of de decretale voorwaarden vervuld waren en zich niet over de opportuniteit van de gevraagde subsidiëring heeft uitgesproken; Overwegende dat de passus evenwel bezwaarlijk mis te verstaan is; dat, begrepen in het licht van wat er op volgt, hij kennelijk bedoelt te bekritiseren dat de adviescommissie zich bij de beoordeling van het al dan niet bestaan van de bijzondere omstandigheden, al te zeer gefocust heeft op het feit dat de betrokken gemeenten milieutechnisch niets te verwijten valt, en dat de adviescommissie heeft nagelaten haar conclusies te trekken uit de -overigens door haarzelf gesignaleerde- argumenten die er waren tégen het in aanmerking nemen van de uitgaven; dat de passus dan ook niet vermag de bestreden beslissing te vitiëren; 2.2.6. Overwegende dat het middel ongegrond is; 2.3.1. Overwegende dat verzoekster in een vierde middel doet gelden dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en meer bepaald de verplichting tot motivering van bestuurshandelingen, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, alsook de materiële motiveringsplicht, werden geschonden; dat zij kritiek heeft op de overweging uit de bestreden beslissing dat de adviescommissie enkel een technische beoordeling zou hebben verricht, zich niet zou hebben uitgesproken over de opportuniteit van de subsidiëring en de aanvraag niet in een ruimere context zou hebben geplaatst; dat zij stelt dat de adviescommissie wel degelijk ook de afweging heeft gemaakt of een gerechtelijke uitspraak aanleiding kan geven tot een tussenkomst van het Noodfonds, doch uiteindelijk unaniem positief heeft geadviseerd, dat de bestreden beslissing uitgaat van een onjuiste lezing van de adviezen van de adviescommissie en dienvolgens onwettig, want niet afdoende gemotiveerd, is; XII-3006-9/11 Overwegende dat verzoekster in de memorie van wederantwoord herhaalt dat de adviescommissie wel degelijk een standpunt heeft ingenomen inzake de vraag of een gerechtelijke uitspraak een “bijzondere omstandigheid” kan uitmaken, hetgeen blijkt uit het advies; Overwegende dat, ten slotte, verzoekster in de laatste memorie betoogt dat niet-bindende adviezen belangrijke onderdelen zijn van de procedure en de overheid bijgevolg niet mag doen alsof ze niet bestaan, dat de overheid, wanneer zij zich niet aansluit bij het advies, een niet voor de hand liggende beslissing neemt, waardoor in de formele motivering moet worden vermeld waarom het advies niet wordt gevolgd, dat de motivering niet beperkt mag blijven tot het louter tegenspreken van het advies maar duidelijk moet maken waarom de beslissende overheid meent de argumenten van het advies niet te kunnen volgen; 2.3.2. Overwegende dat het middel teruggaat op een passus waarvan bij de bespreking van het derde middel is vastgesteld dat hij, ofschoon zeer onhandig geformuleerd, wezenlijk alleen maar tot uitdrukking wil brengen, zoals daarna in de bestreden beslissing nader verduidelijkt wordt, dat de adviescommissie te weinig oog heeft gehad voor de ruimere context van de zaak die maakt dat wat zij als een bijzondere omstandigheid aanzag, alles bij mekaar als de normale gang van zaken te beschouwen is; dat ook het vierde middel ongegrond is, BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoekster. XII-3006-10/11 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig november 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-3006-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.311 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.