← België

Arrest 165312 - - 30/11/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.312 Rolnummer: A. 82741/XII-1880 Zaak: Arrest 165312 - - 30/11/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-12-19 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-01 10:39 Fiche Arrest nr 165.312 van 30 november 2006 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 165.312 van 30 november 2006 in de zaak A. 82.741/XII-

  1. In zake : Gerda PUBLIE, wonende te Mechelen, Brusselsesteenweg 564 tegen : de STAD MECHELEN, die woonplaats kiest bij advocaat A. Houtekier, kantoor houdende te Mechelen, Battelsesteenweg
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Gerda Publie op 3 maart 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 15 december 1998 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Mechelen waarbij haar ongunstige evaluatie wordt behouden; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur B. Thys; Gelet op de beschikking van 23 juli 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 23 mei 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 juni 2006; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; XII-1880-1/5 Gehoord de opmerkingen van advocaat I. Martens, die verschijnt voor verzoekster, en van advocaat A. Huysmans, die loco advocaat A. Houtekier verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur B. Thys; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat verzoekster sinds 27 september 1965 in dienst is van de stad Mechelen; dat zij sinds 21 januari 1970 in de stedelijke bibliotheek is tewerkgesteld, waar zij ten tijde van de bestreden beslissing de functie van dienstleider vervult; dat verzoekster op 23 september 1998 een evaluatieformulier ontvangt waarin haar functioneren wordt beoordeeld op grond van negen criteria, waarvoor een waardering van I (negatief) tot IX (positief) kan worden toegekend; dat verzoekster viermaal een III krijgt, driemaal een IV, éénmaal een V en éénmaal een VI; dat de eindevaluatie “ongunstig” is; dat verzoekster bij brief van 25 september 1998 aan haar beoordelaars haar opmerkingen inzake voormelde evaluatie meedeelt; dat de beoordelaars op 1 oktober 1998 besluiten één beoordeling te verhogen van III naar IV; dat de beoordelaars bij brief van 12 oktober 1998 aan verzoekster meedelen dat zij na onderhoud met de arbitragecommissie hebben vastgesteld dat “er geen nieuwe elementen zijn aangebracht die een wijziging van de beoordeling kunnen verantwoorden” en dat zij hebben besloten verzoeksters ongunstige evaluatie “zoals gepreciseerd op het evaluatieformulier op 01 oktober 1998” te handhaven; dat verzoekster bij brief van 17 oktober 1998 tegen voornoemde evaluatie beroep indient bij het college van burgemeester en schepenen; dat verzoekster en beide beoordelaars op 15 december 1998 door het college van burgemeester en schepenen worden gehoord, waarna het college van burgemeester en schepenen de bestreden beslissing neemt die als volgt wordt gemotiveerd: “Overwegende dat in het voorgelegde verweerschrift en de mondelinge toelichting, zoals gegeven door [verzoekster] en haar verdedigers, geen concrete feiten uit de evaluatieperiode 01.01.1998 - 30.06.1998 worden aangevoerd die een wijziging van de evaluatie kunnen verantwoorden; Gelet op de toelichting gegeven door de beoordelaars; Gelet op artikel 126 van het administratief statuut, dat de eerste evaluatieperiode beperkt tot zes maanden, waardoor het niet mogelijk was een volledig tweejaarlijks evaluatiedossier samen te stellen; Overwegende dat met de aanwijzing van de beoordelaars is voldaan aan artikel 67 van het administratief statuut; XII-1880-2/5 Beslist de ongunstige evaluatie op naam van [verzoekster] te behouden daar tijdens het verhoor geen nieuwe elementen zijn aangebracht die een wijziging van de beoordeling kunnen verantwoorden”; Overwegende dat verzoekster in een derde middel aanvoert dat de bestreden beslissing in strijd is met de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat zij betoogt dat de bestreden beslissing haar “op algemene wijze” ter kennis werd gebracht, dat “identiek dezelfde brieven met dezelfde verwijzingen en hetzelfde voorbehoud [...] naar meerdere personeelsleden [werden] gezonden” zodat er “geen individuele behandeling van haar dossier was”; Overwegende dat verwerende partij antwoordt dat de bestreden beslissing zowel in feite als in rechte afdoende is gemotiveerd en bijgevolg voldoet aan de vereisten gesteld in artikel 3 van de motiveringswet, dat immers de bestreden beslissing verwijst naar de belangrijkste stukken van het dossier en ook de reden aangeeft waarom verzoeksters ongunstige evaluatie wordt behouden, namelijk dat er geen concrete feiten uit de evaluatieperiode werden aangevoerd die een wijziging van de evaluatie kunnen verantwoorden en er geen nieuwe elementen zijn aangebracht die een wijziging van de beoordeling kunnen rechtvaardigen, dat de bestreden beslissing verzoekster inlicht omtrent de door het college van burgemeester en schepenen ingenomen positie en de redenen die daartoe hebben geleid, dat het administratief dossier en de gevoerde procedure aantonen dat verzoeksters beroep tegen haar ongunstige evaluatie wel degelijk een individuele behandeling heeft gekregen, dat het feit dat eventueel een gelijkaardige brief naar andere personeelsleden werd gestuurd hieraan geen afbreuk doet; Overwegende dat verzoekster in de memorie van wederantwoord argumenteert dat de overwegingen die aan de bestreden beslissing ten grondslag lagen haar niet werden meegedeeld, dat uit niets blijkt dat met haar overwegingen en verweer rekening werd gehouden; Overwegende dat verwerende partij in de laatste memorie benadrukt dat de motivering van de bestreden beslissing “weliswaar kort en bondig, maar [...] krachtig en duidelijk” is, dat de bestreden beslissing “in [haar] geheel [dient] genomen te worden, en [alzo] voldoet [...] aan het vereiste der motivering”, dat, ook in beroep, niet vereist is dat de motieven van de motieven worden vermeld, XII-1880-3/5 dat het feit dat een gelijkaardige motivering ook in andere beslissingen te vinden is niets afdoet aan de geldigheid van de motivering; Overwegende dat de bestreden beslissing in graad van -administratief- beroep werd genomen; dat de behandeling van een zaak in tweede aanleg inhoudt dat degene die het beroep heeft ingediend er aanspraak op kan maken dat aan zijn zaak een nieuw onderzoek wordt gewijd dat moet resulteren in een nieuwe, al dan niet bevestigende, eindbeslissing die moet steunen op afdoende motieven; Overwegende dat te dezen blijkt dat de bestreden beslissing, naast een overzicht van de doorlopen procedure, enkel vermeldt dat “in het voorgelegde verweerschrift en de mondelinge toelichting, zoals gegeven door [verzoekster] en haar verdedigers, geen concrete feiten uit de evaluatieperiode 01.01.1998 - 30.06.1998 worden aangevoerd die een wijziging van de evaluatie kunnen verantwoorden” en dat “tijdens het verhoor geen nieuwe elementen zijn aangebracht die een wijziging van de beoordeling kunnen verantwoorden”; dat, gelet op de omstandige bezwaren die verzoekster in haar verweerschrift en tijdens haar verhoor door het college van burgemeester en schepenen heeft doen gelden, een dergelijke motivering al te oppervlakkig en nietszeggend voorkomt; dat immers, zelfs indien moet worden aangenomen dat in het kader van de formele motiveringsverplichting de overheid niet verplicht is te antwoorden op elk voor haar aangevoerd argument, uit de beslissing dan toch moet blijken dat de argumentatie daadwerkelijk in de besluitvorming werd betrokken en waarom de argumenten niet werden aanvaard; dat de motivering van de bestreden beslissing niet meer is dan een stijlformule, hetgeen overigens wordt bevestigd door het feit dat deze motivering ook in uitspraken over andere beroepen blijkt te zijn aangewend; dat uit deze motivering niet blijkt dat aan verzoeksters eigenlijke verweer een ernstig onderzoek werd gewijd; dat het middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
  3. Vernietigd wordt het besluit van 15 december 1998 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Mechelen waarbij de ongunstige evaluatie van Gerda Publie wordt behouden. XII-1880-4/5 Artikel
  4. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig november 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-1880-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.312 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.