id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.313 Rolnummer: A. 82743/XII-1879 Zaak: Arrest 165313 - - 30/11/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-12-13 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-01 10:39 Fiche Arrest nr 165.313 van 30 november 2006 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 165.313 van 30 november 2006 in de zaak A. 82.743/XII-
- In zake : Christiane VAN ESPEN, wonende te Sint-Katelijne-Waver, Tulpestraat 14 tegen : de STAD MECHELEN, die woonplaats kiest bij advocaat A. Houtekier, kantoor houdende te Mechelen, Battelsesteenweg
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Christiane Van Espen op 3 maart 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 29 december 1998 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Mechelen waarbij haar ongunstige evaluatie wordt behouden; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de beschikking van 18 juni 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 23 mei 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 juni 2006; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; XII-1879-1/5 Gehoord de opmerkingen van advocaat I. Martens, die verschijnt voor verzoekster, en van advocaat A. Huysmans, die loco advocaat A. Houtekier verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat verzoekster sinds 1 september 1980 vast benoemd is als kinderverzorgster bij de stedelijke kinderkribbe; dat haar functioneren in een evaluatieformulier van 6 oktober 1998 wordt beoordeeld op grond van acht criteria, waarvoor een waardering van I (negatief) tot IX (positief) kan worden toegekend; dat verzoekster driemaal een III krijgt, tweemaal een IV en driemaal een V; dat de eindevaluatie “ongunstig” is; dat verzoekster bij brief van 11 oktober 1998 aan haar beoordelaars haar opmerkingen inzake voormelde evaluatie meedeelt; dat de beoordelaars op 12 en 21 oktober 1998 beslissen verzoeksters ongunstige beoordeling te behouden; dat verzoekster bij brief van 3 november 1998 bij het college van burgemeester en schepenen bezwaar aantekent tegen haar ongunstige evaluatie; dat verzoekster en beide beoordelaars op 15 december 1998 door het college van burgemeester en schepenen worden gehoord; dat het college van burgemeester en schepenen op 29 december 1998 de bestreden beslissing neemt die als volgt wordt gemotiveerd : “Overwegende dat [verzoekster] en haar verdediger in de mondelinge toelichting geen concrete feiten uit de evaluatieperiode 01.01.1998 - 30.06.1998 aanvoerden, die de beoordeling kunnen beïnvloeden; Overwegende dat de overhandigde brieven van A.M. Van Winckel, M. Zwaan en P. Mourier, betrekking hebben op prestaties uit het verleden en dus niet relevant zijn voor de beoogde evaluatieperiode; [...] Beslist de ongunstige evaluatie op naam van mevrouw Christiane Van Espen te behouden daar tijdens het verhoor geen nieuwe elementen zijn aangebracht die een wijziging van de beoordeling kunnen verantwoorden”; Overwegende dat verzoekster in een derde middel aanvoert dat de bestreden beslissing in strijd is met de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat zij betoogt dat de bestreden beslissing haar “op algemene wijze” ter kennis werd gebracht, dat “identiek dezelfde brieven met dezelfde verwijzingen en hetzelfde voorbehoud [...] naar XII-1879-2/5 meerdere personeelsleden [werden] gezonden” zodat er “geen individuele behandeling van haar dossier was”; Overwegende dat verwerende partij antwoordt dat de bestreden beslissing zowel in feite als in rechte afdoende is gemotiveerd en bijgevolg voldoet aan de vereisten gesteld in artikel 3 van de motiveringswet, dat immers de bestreden beslissing verwijst naar de belangrijkste stukken van het dossier en ook de reden aangeeft waarom verzoeksters ongunstige evaluatie wordt behouden, namelijk dat er geen concrete feiten uit de evaluatieperiode werden aangevoerd die een wijziging van de evaluatie kunnen verantwoorden, er geen nieuwe elementen zijn aangebracht die een wijziging van de beoordeling kunnen rechtvaardigen en de brieven van Van Winckel, Zwaan en Mariën niet relevant zijn voor de beoogde evaluatieperiode, dat de bestreden beslissing verzoekster inlicht omtrent de door het college van burgemeester en schepenen ingenomen positie en de redenen die daartoe hebben geleid, dat het administratief dossier en de gevoerde procedure aantonen dat verzoeksters beroep tegen haar ongunstige evaluatie wel degelijk een individuele behandeling heeft gekregen, dat het feit dat eventueel een gelijkaardige brief naar andere personeelsleden werd gestuurd hieraan geen afbreuk doet; Overwegende dat verzoekster in de memorie van wederantwoord onder meer stelt dat het feit dat eenzelfde brief naar verschillende personeelsleden werd gestuurd tekenend is voor de algemene behandeling van haar zaak, dat haar opmerkingen geen gehoor vonden en volledig werden miskend; Overwegende dat de bestreden beslissing in graad van -administratief- beroep werd genomen; dat de behandeling van een zaak in tweede aanleg inhoudt dat degene die het beroep heeft ingediend er aanspraak op kan maken dat aan zijn zaak een tweede onderzoek wordt gewijd dat moet resulteren in een nieuwe, al dan niet bevestigende eindbeslissing die moet steunen op afdoende motieven; Overwegende dat te dezen blijkt dat de bestreden beslissing, naast een overzicht van de doorlopen procedure, enkel vermeldt dat “[verzoekster] en haar verdediger in de mondelinge toelichting geen concrete feiten uit de evaluatieperiode 01.01.1998 - 30.06.1998 aanvoerden, die de beoordeling kunnen beïnvloeden”, “de overhandigde brieven van A.M. Van Winckel, M. Zwaan en P. Mourier, betrekking hebben op prestaties uit het verleden en dus niet relevant zijn voor de beoogde XII-1879-3/5 evaluatieperiode” en dat “tijdens het verhoor geen nieuwe elementen zijn aangebracht die een wijziging van de beoordeling kunnen verantwoorden”; dat, gelet op de omstandige bezwaren die verzoekster heeft doen gelden, een dergelijke motivering al te oppervlakkig en nietszeggend voorkomt; dat immers, zelfs indien moet worden aangenomen dat in het kader van de formele motiveringsverplichting de overheid niet verplicht is te antwoorden op elk voor haar aangevoerd argument, uit de beslissing dan toch moet blijken dat de argumentatie daadwerkelijk in de besluitvorming werd betrokken en waarom de argumenten niet werden aanvaard; dat de motivering van de bestreden beslissing niet meer is dan een stijlformule, hetgeen overigens wordt bevestigd door het feit dat deze motivering ook in uitspraken over andere beroepen blijkt te zijn aangewend; dat uit deze motivering niet blijkt dat aan verzoeksters eigenlijke verweer een ernstig onderzoek werd gewijd; dat het middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van 29 december 1998 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Mechelen waarbij de ongunstige evaluatie van Christiane Van Espen wordt behouden. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verwerende partij. XII-1879-4/5 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig november 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-1879-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.313 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.