id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.315 Rolnummer: A. 80280/XII-1617 Zaak: Arrest 165315 - - 30/11/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-12-14 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-01 10:40 Fiche Arrest nr 165.315 van 30 november 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 165.315 van 30 november 2006 in de zaak A. 80.280/XII-
- In zake : Ingrid VANGEEL, die woonplaats kiest bij advocaat I. Bacquaert, kantoor houdende te Antwerpen, Van Breestraat 1 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Ingrid Vangeel op 15 september 1998 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het koninklijk besluit van 7 juli 1998 waarbij haar twee tuchtstraffen van berisping worden opgelegd; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur H. Colin; Gelet op de beschikking van 19 februari 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen, gezien het verzoek tot voortzetting van het geding van verzoekster en de laatste memorie van verwerende partij; Gelet op de beschikking van 31 augustus 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 september 2006; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; XII-1617-1/17 Gehoord de opmerkingen van attaché I. De Paepe, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. Colin; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- Verzoekster is adjunct-commissaris van politie te Kraainem. Bij brief van 22 januari 1997 verzoekt zij het college van burgemeester en schepenen om disponibiliteit om persoonlijke redenen voor een periode van zes maanden met ingang van 1 maart
- De gemeenteraad beslist op 28 januari 1997 dat verzoekster geen zes maanden disponibiliteit kan worden toegekend, gezien het feit dat zij slechts één jaar effectief in het korps werkt en zij, indien zij in disponibiliteit wordt gesteld, niet kan worden vervangen. 1.
- De commissaris van politie brengt de burgemeester bij brief van 10 februari 1997 op de hoogte van een aantal nalatigheden die verzoekster zou hebben begaan, nalatigheden die werden vastgesteld tijdens het ontruimen van haar kantoor op 23 januari
- 1.
- Verzoekster richt op 17 februari 1997, blijkbaar na kennisneming van het gemeenteraadsbesluit van 28 januari 1997, volgende brief aan het college van burgemeester en schepenen : “Met deze meld ik U de goede Ontvangst van Uw schrijven van 29 januari jongstleden. Uit telefonisch contact met de Heer L. Maricq, Burgemeester, op 3 februari jongstleden heb ik vernomen dat de reden waarom ik een indisponibileits-stelling heb ingediend betrekking zou hebben op een toekomstig verblijf van zes maanden met mijn echtgenoot in Frankrijk. Ik weet niet wie dit gerucht verspreid heeft maar het is totaal uit de lucht gegrepen. In die zin begrijp ik dan ook zeer goed Uw negatieve beslissing terzake. XII-1617-2/17 Het zou inderdaad ongehoord zijn om na 1 jaar effectief in Uw politiekorps te hebben gewerkt, om de zojuist vermelde reden indisponibiliteitsstelling aan te vragen. Niettegenstaande ik niet verplicht ben om de persoonlijke redenen die aan de basis liggen van mijn aanvraag tot indisponibiliteitsstelling te expliciteren, wil ik er hier, ingevolge het hierboven vermeld onjuist gerucht, toch wel dieper op ingaan. Het dictatoriaal en tiranniserend optreden van de Heer R. Vereecken, Commissaris van Politie, met impulsief en wispelturig karakter zonder enige duidelijke beleidslijn die het wettelijk niet altijd even nauw neemt en waar bovendien menselijkheid en vertrouwen ontbreekt maakt het onmogelijk om de functie van politieoffïcier op professionele, efficiente en kwaliteitsvolle wijze te vervullen. Ik vraag me ook ten stelligste af op welke grond de Heer Vereecken mijn bureau liet leegmaken en het plaatje ‘Adjunct-Politiecommissaris, Mevr. Vangeel’ liet verwijderen naar verluidt door de persoon ten aanzien van wie ik een tuchtverslag had geschreven. Met deze vraag ik U dan ook dat U mij zou toestaan op de eerstvolgende gemeenteraadszitting van 25 februari 1997 deze en een tiental andere belangrijke feiten aan U voor te leggen.. Ik heb ook de toelating gekregen van de Heren Van Winckel-Costers, De Mey en Jonckheere om hun namen te vernoemen daar ze zich benadeeld voelen door een onwettelijke wijze van optreden van de Heer Vereecken. Het vertrouwen dat U mij geschonken hebt bij mijn benoeming van Adjunct- Commissaris op 1 oktober 1995 denk ik niet te hebben geschonden en wil ik ook niet schenden. Het is daarom dat ik ondanks alles steeds geprobeerd heb professioneel zo goed mogelijk werk af te leveren. Het hierboven geschetst beleid en de onterechte houding van de Heer Vereecken maken het mij onmogelijk om mee in te staan voor de goede werking van het korps. Hierdoor werd ik ook genoodzaakt om de Heer L. De Witte Gouverneur van de Provincie Vlaams Brabant en De Heer De Troch, Voorzitter van het Vast Comité van Toezicht op de Politiediensten in te lichten van deze toestand. Ik ben dan ook zo vrij om U te vragen Uw negatieve beslissing betreffende de indisponibiliteitsstelling in positieve zin te willen herzien. Een onmiddellijk ontslag ont[n]ee[m]t mij elke mogelijkheid om in een ander politiekorps als officier te willen solliciteren, daar lid zijn van een korps een noodzakelijke voorwaarde vormt voor zulke sollicitatie”. De burgemeester antwoordt bij brief van 24 februari 1997 dat er, ingevolge de door verzoekster aangehaalde feiten, reeds een onderzoek wordt gevoerd door het parket van de procureur des Konings te Brussel, dat hij, vooraleer in deze zaak een beslissing te nemen, het definitieve resultaat van het parket afwacht en dat het zijn taak is om, indien nodig, de hogere administratieve instanties op de hoogte te brengen van bepaalde toestanden. Vervolgens brengt verzoekster haar brief van 17 februari 1997 een kwartier voor de aanvang van de gemeenteraadszitting van 26 februari 1997 ter kennis van de gemeenteraadsleden. Om de Franstalige gemeenteraadsleden ter wille te zijn, voegt zij een begeleidend schrijven bij met een korte inhoud in het Frans. XII-1617-3/17 1.
- De commissaris van politie maakt op 27 februari 1997 lastens verzoekster een administratief proces-verbaal op “ingevolge lasterlijke aantijgingen op 17 en 26.02.1997”. Voormeld proces-verbaal bevat onder meer het verhoor van inspecteur van politie Van Gestel, die onder meer verklaart dat verzoekster op 25 februari 1997 haar dienst is begonnen om 12 uur 45 in plaats van om 12 uur, en op 26 februari 1997 om 9 uur 52 in plaats van om 9 uur
- De burgemeester bezorgt op 5 maart 1997 het administratief proces-verbaal met bijlagen aan de gouverneur van Vlaams-Brabant met de vraag een onderzoek in te stellen en de maatregelen te nemen die “zich opdringen”; 1.
- De gouverneur deelt verzoekster op 28 april 1997 mee dat te haren laste een tuchtdossier werd aangelegd, dat hij overweegt haar een tuchtstraf op te leggen en dat zij voorafgaandelijk zal worden gehoord op 28 mei
- De ten laste gelegde feiten worden in het als bijlage gevoegd tuchtverslag als volgt omschreven : “a. het niet respecteren van de dienstregeling : - dinsdag 25/02/1997 diende betrokkene haar dienst aan te vatten om 12.00 u., Zij daagde op om 12.45 u., zonder geldig excuus. - woensdag 26/02/1997 diende betrokkene haar dienst aan te vatten om 9.30 u.. Zij daagde op om 9.52 u., zonder geldig excuus. Deze manier van handelen vormt een tekortkoming aan haar beroepsplichten. b. het niet respecteren van de hiërarchische weg bij het ter kennis brengen van klachten : - op de gemeenteraad van 26 februari 1997 verspreidde betrokkene documenten onder de gemeenteraadsleden waarin zij zich bekloeg over het gebrekkig functioneren van haar korpsoverste commissaris Vereecken, dit terwijl zij zich, indien ze zich hierover wenste te beklagen, diende te richten tot de burgemeester in diens hoedanigheid van hoofd van de bestuurlijke politie. Deze manier van handelen maakt een tekortkoming aan de beroepsplichten uit. c. het verspreiden onder de gemeenteraadsleden van lasterlijke geschriften met betrekking tot de korpschef : - naar aanleiding van de gemeenteraadszitting van 26 februari 1996 verspreidde betrokkene een verweerschrift om haar disponibiliteits- aanvraag te verdedigen. Hierin liet zij zich op een lasterlijke manier uit over de heer Vereecken, korpschef van politie te Kraainem. Deze laatste werd door haar omschreven als iemand ‘... met impulsief en wispelturig karakter zonder enige duidelijke beleidslijn die het wettelijk niet altijd even nauw neemt en waar bovendien menselijkheid en vertrouwen ontbrak ...’. De wijze waarop deze aantijgingen werden geformuleerd en de manier waarop ze werden publiek gemaakt zijn duidelijk in strijd met de waardigheid van het ambt. d. het niet respecteren van de taalwetgeving in bestuurszaken in haar briefwisseling met de gemeenteraad : XII-1617-4/17 - Tijdens de gemeenteraadszitting van 26 februari 1997 verspreidde betrokkene een verweerschrift in briefvorm onder de raadsleden. Deze brief was opgesteld in de Franse taal, daar waar art. 23 van het KB van 18 juli 1966 houdende coördinatie van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken nochtans duidelijk bepaalt dat ‘iedere plaatselijke dienst die gevestigd is in de gemeenten ..., Kraainem, ..., gebruikt uitsluitend de Nederlandse taal in zijn binnendiensten, ...’. Deze manier van handelen maakt een tekortkoming aan de beroepsplichten uit. Besluit: Aangezien de hierboven beschreven feiten gekwalificeerd dienen te worden als tekortkoming en aan de beroepsplichten of handelingen die de waardigheid van het ambt in het gedrang brengen, zal mevrouw Vangeel Ingrid, adjunct - commissaris van politie, door mij worden gehoord met betrekking tot de ware toedracht der feiten”. Verzoekster wordt op 28 mei 1997 door de gouverneur gehoord. Van dat verhoor wordt een proces-verbaal opgemaakt, waarna verzoekster bij brief van 19 juni 1997 haar opmerkingen geeft. De gouverneur deelt verzoekster bij brief van 9 juli 1997 mee welke tuchtsancties hij voornemens is op te leggen en dat zij, teneinde haar verweer met betrekking tot de evenredigheid van de strafmaat met de ten laste gelegde feiten naar voor te brengen, wordt opgeroepen voor een hoorzitting op 18 juli
- Van dat verhoor wordt een proces-verbaal opgesteld waarbij verzoekster geen opmerkingen formuleert. De gouverneur legt verzoekster bij besluit van 18 augustus 1997 de volgende tuchtstraffen op : - voor het niet respecteren van de dienstregeling: een berisping; - voor het niet respecteren van de hiërarchische weg bij het ter kennis brengen van klachten en het verspreiden onder de gemeenteraadsleden van lasterlijke geschriften met betrekking tot de korpschef, feiten die omwille van hun duidelijke samenhang als éénzelfde feit worden behandeld: een berisping; - voor het niet respecteren van de taalwetgeving in bestuurszaken in haar briefwisseling met de gemeenteraad: een waarschuwing. XII-1617-5/17 1.
- Verzoekster stelt, bij toepassing van artikel 290, § 2, van de nieuwe gemeentewet, op 29 augustus 1997 bij de Koning beroep in tegen voornoemd besluit. Zij wordt op 3 maart 1998 gehoord. Zij ondertekent het proces-verbaal op 27 maart 1998 met de vermelding “gelezen en goedgekeurd”. Verzoekster worden bij koninklijk besluit van 7 juli 1998 de volgende tuchtstraffen opgelegd : - voor het niet respecteren van de dienstregeling: een berisping; - voor het niet respecteren van de hiërarchische weg bij het ter kennis brengen van klachten en het verspreiden onder de gemeenteraadsleden van lasterlijke geschriften met betrekking tot de korpschef, feiten die omwille van hun verwevenheid worden samengevoegd: een berisping. Dit is de bestreden beslissing die als volgt wordt gemotiveerd : “Overwegende met betrekking tot feit a : dat mevrouw Vangeel immers uitdrukkelijk verklaard heeft dat zij de feiten niet ontkent; dat de tenlastelegging dus als bewezen dient te worden beschouwd; dat mevrouw Vangeel argumenteert dat het voorliggend tuchtdossier het gevolg is van een ernstig professioneel conflict tussen de politiecommissaris en haarzelf, dat het door de politiecommissaris samengestelde tuchtdossier gemanipuleerd is, en dat men heeft moeten zoeken naar elementen om haar ten laste te leggen, vermits men voor het overige op professioneel vlak geen tenlasteleggingen kon vinden; dat de tenlastelegging niet kan weerhouden worden omdat ze enkel en alleen gebaseerd is op het proces-verbaal van de korpschef, en inzonderheid op de verklaring van een politie-inspecteur aan de korpschef, die aldus elke objectiviteit mist en dan ook van generlei waarde is; dat het best mogelijk is dat men elementen heeft gezocht om haar ten laste te leggen of dat de hiervoor vermelde verklaring inderdaad niet objectief is; dat dit in deze context weinig ter zake doet; dat immers de wijze waarop de tuchtoverheid kennis krijgt van tuchtrechtelijke feiten zonder belang is; dat wel dient gezorgd te worden voor zorgvuldigheid bij de feitenvinding vooraleer tuchtrechtelijk kan opgetreden worden, hetzij natuurlijk de betrokkene de feiten erkent, hetgeen in onderhavig dossier het geval is; dat mevrouw Vangeel in haar beroepsschrift verwijst naar andere ‘aantijgingen’ die door de politie-inspecteur in diezelfde verklaring werden geformuleerd ; dat dit verweer van Mevrouw Vangeel evenwel niet ter zake is, vermits deze elementen door de Gouverneur niet weerhouden werden bij de tenlastelegging; dat laattijdig de dienst vervoegen inderdaad een tekortkoming is aan de beroepsplichten ; dat de tenlastelegging beperkt is tot slechts twee inbreuken, waarbij het de eerste maal is dat dit soort inbreuken officieel werd vastgesteld, daar waar zij zelf stelt dat ‘op tijd komen niet haar sterkste kant was’ ; dat een waarschuwing, zijnde de lichtste straf, aangewezen zou zijn, ware het niet dat betrokkene bekleed is met een graad van officier van de gemeentepolitie, en derhalve door haar leidinggevende positie tevens een voorbeeldfunctie heeft t.a.v. het in de hiërarchie lagere personeel ; dat, gelet op deze verzwarende omstandigheid, de straf van berisping verantwoord is ; XII-1617-6/17 Overwegende met betrekking tot feit b : dat mevrouw Vangeel ter verdediging aanvoert dat zij zich met haar klachten betreffende de korpschef noodgedwongen rechtstreeks tot de gemeenteraad wendde, omdat de burgemeester haar verzoek, bij brief d.d. 17 februari 1997 gericht aan het College van Burgemeester en Schepenen, tot een gesprek hierover met de gemeenteraad genegeerd heeft en dat zij aldus de fout beging de hiërarchie niet te respecteren doordat die hiërarchie zelf in gebreke bleef; dat uit haar verklaringen duidelijk blijkt dat mevrouw Vangeel, door het schrijven van voormelde brief, meent voldoende initiatief te hebben genomen opdat haar klachten en professionele problemen binnen de hiërarchie zouden worden besproken ; dat zij het niet nodig vond om aan de burgemeester schriftelijk haar moeilijkheden te verduidelijken, vermits zij oordeelde dit al gedaan te hebben met de bewuste brief, of om een onderhoud met de burgemeester aan te vragen, vermits volgens haar de burgemeester daartoe het initiatief moest nemen ; dat evenwel de desbetreffende brief van 17 februari 1997 gericht is aan het College van burgemeester en schepenen, die in deze geen hiërarchische overheid met bevoegdheid over de leden van het politiekorps is, dit in tegenstelling tot de burgemeester zelf ; dat hier dus geen sprake meer is van een louter ‘interne’ briefwisseling, volgens de geëigende hiërarchische weg; dat deze brief reeds de beweringen over het gebrekkig functioneren van de korpschef bevat ; dat hierin niet om een onderhoud met de burgemeester, noch met het Schepencollege wordt gevraagd, doch enkel met de gemeenteraad, die op haar beurt wel bevoegd is inzake personeelsaangelegenheden, doch niet inzake gezag, leiding en organisatie van het politiekorps, noch inzake tucht ten overstaan van de korpschef ; dat derhalve het argument dat de hiërarchie zelf in gebreke zou zijn gebleven ontkracht wordt door de vaststelling dat nergens uit blijkt dat Mevr. Vangeel de nodige inspanningen heeft geleverd om de burgemeester te kunnen spreken over haar professionele problemen ; dat er derhalve bij het uiten van de klachten op geen enkele wijze bij de rechtstreekse hiërarchische overheid werd aangedrongen op nadere bespreking van de problemen, en er derhalve door het zelf informeren van de gemeenteraad wel degelijk sprake is van het niet-respecteren van de hiërarchische weg; dat inzake het niet-contacteren van de procureur des Konings mevrouw Vangeel argumenteert dat, indien zij de procureur des konings zou betrekken bij een intern professioneel probleem, dit het probleem zou doen escaleren; dat dit argument niet ernstig is, en zelfs getuigt van een gebrek aan vertrouwen in de betrokken magistraten; dat hoe dan ook het probleem alleszins geëscaleerd is door de wijze van handelen waarvoor mevr. Vangeel geopteerd heeft; Overwegende met betrekking tot feit c : dat mevrouw Vangeel in haar beroepsschrift bezwaar formuleert tegen de opgelegde tuchtsanctie, daar er geen rekening werd gehouden ‘met de onderliggende oorzaak die aanleiding heeft gegeven tot het ‘onrechtmatig’ handelen’ van haarzelf, waarbij verwezen wordt naar het optreden van de korpschef, met name het verspreiden van een verkeerde reden voor de aanvraag tot disponibiliteit, en het vroegtijdig ontruimen van haar kantoor; dat het verhoor duidelijk heeft gemaakt dat mevrouw Vangeel op geen enkele wijze kon aantonen dat het de korpschef was die deze verkeerde informatie zou hebben verspreid; dat het vroegtijdig ontruimen van haar kantoor inderdaad eigenaardig voorkomt, doch op geen enkele wijze enige vorm van rechtvaardiging inhoudt om lastens de korpschef lasterlijke aantijgingen te verspreiden onder de gemeenteraads- leden; XII-1617-7/17 dat mevrouw Vangeel argumenteert dat haar uitspraak niet lasterlijk was, vermits haar uitspraken over het beleid van de commissaris objectief werden vastgesteld door een auditfirma; dat naast haar uitspraak dat de korpschef een persoon is ‘zonder enige beleidslijn’ mevrouw Vangeel vermeldde dat hij iemand is ‘met een impulsief en wispelturig karakter die het wettelijk niet altijd even nauw neemt en waar bovendien menselijkheid en vertrouwen ontbrak’; dat mevrouw Vangeel aanhaalt dat zij genoodzaakt was om de werkelijke reden voor haar disponibiliteitsaanvraag, nl. de onmogelijkheid tot professionele samenwerking met de korpschef, kenbaar te maken aan de gemeenteraad; dat deze reden mogelijk aanvaardbaar kan zijn; dat de verwoording van die reden evenwel niet op een serene manier gebeurde; dat integendeel de wijze waarop deze onmogelijkheid tot samenwerking door mevrouw Vangeel werd verwoord geenszins aanvaardbaar is; dat immers door het in openbaar formuleren van negatieve, subjectieve en niet gestaafde aantijgingen, zonder dat betrokkene daar kennis van heeft en dus niet in de mogelijkheid verkeerde om op dat ogenblik zijn visie van de feiten toe te voegen, het hier ontegensprekelijk gaat om een laakbare handeling, zowel op deontologisch als op menselijk vlak; Overwegende dat de feiten b en c omwille van hun verwevenheid worden samengevoegd; dat deze feiten tuchtrechtelijk moeten weerhouden worden, enerzijds vermits ze vaststaan, en anderzijds vermits betrokkene geen elementen aanhaalt die het gebeurde aanvaardbaar zouden maken; dat het uiten van kritiek op de wijze van functioneren van de korpschef bij een orgaan dat niet bevoegd is, en dit zonder voorafgaandelijk de hiërarchische weg te hebben gevolgd, wel degelijk een ernstige beroepsfout uitmaakt, temeer daar door deze houding de conflictueuze relatie met de korpschef nog meer gehypothekeerd werd; dat, gelet op de openbaarheid door de mededeling aan de gemeenteraad, hierdoor tevens de waardigheid van het ambt in het gedrang werd gebracht; dat voor deze beide feiten, in samenhang genomen, bijgevolg een van de zware straffen zou aangewezen zijn; dat het argument van mevrouw Vangeel dat de burgemeester in zijn brief van 24 februari 1997 dit aspect van het probleem genegeerd heeft, inderdaad correct is en tevens ter zake doet; dat dit aldus een verzachtende omstandigheid is; dat derhalve een berisping een gepaste strafmaat is”;
- De grond van de zaak. 1.
- Overwegende dat verzoekster in een eerste middel aanvoert dat het recht van verdediging werd geschonden, dat de tuchtoverheid immers ten onrechte meende dat de haar voorgelegde gegevens volstonden om de ten laste gelegde feiten voor bewezen te houden, dat uit het feitenrelaas duidelijk is gebleken dat een aantal tegenstrijdige getuigenverklaringen werden afgelegd, dat de tuchtoverheid het blijkbaar niet noodzakelijk achtte deze getuigen te horen, terwijl de zorgvuldigheids- plicht impliceert dat zij in geval van tegenstrijdigheid moet overgaan tot een onderzoeksmaatregel, dat de bewijskracht van het door de commissaris van politie opgestelde tuchtverslag sterk moet worden gerelativeerd aangezien dat proces- verbaal zich beperkt tot wat anderen hebben verklaard, zonder dat de commissaris op enig ogenblik persoonlijke vaststellingen heeft gedaan, dat de tuchtoverheid aan dat tuchtverslag dan ook een te verregaande bewijskracht heeft toegekend en geen XII-1617-8/17 ernstig onderzoek heeft gewijd aan verzoeksters verweer zodat op onregelmatige wijze werd besloten tot het bestaan van de ten laste gelegde feiten; Overwegende dat verzoekster in de memorie van wederantwoord argumenteert dat, wat betreft het niet respecteren van de dienstregeling, deze aantijging er is gekomen door het eenzijdig opgestelde tuchtverslag van de politiecommissaris, dat in het bestreden besluit wordt gesteld “dat het best mogelijk is dat men elementen heeft gezocht om haar ten laste te leggen of dat de hiervoor vermelde verklaring inderdaad niet objectief is” maar de tuchtoverheid het desondanks niet nodig vond nader onderzoek te verrichten en desgevallend de getuigenverklaringen te controleren, dat de overheid blijkbaar de gemakkelijkste weg wenste te bewandelen door verzoekster te vragen of zij ontkende dat zij op die bepaalde dagen te laat was gekomen, waarop zij in alle eerlijkheid heeft toegegeven dat “op tijd komen niet haar sterkste kant is”, dat, indien er geen tuchtverslag was opgesteld, zij hieromtrent geen verantwoording had moeten afleggen en indien zij de tenlastelegging had ontkend, de tuchtoverheid ze onmogelijk als zijnde bewezen kon beschouwen; dat zij voorts stelt dat, wat betreft het verspreiden onder de gemeenteraadsleden van lasterlijke geschriften met betrekking tot de korpschef, haar uitspraken over het beleid van de commissaris geenszins lasterlijk zijn aangezien deze uitspraken objectief werden vastgesteld door een auditfirma, dat hieraan desondanks niet het minste geloof of onderzoek werd gewijd, dat zij genoodzaakt was de werkelijke reden voor haar disponibiliteitsaanvraag kenbaar te maken, dat in het bestreden besluit wordt gesteld dat deze reden mogelijk aanvaardbaar kan zijn, maar dat de wijze waarop één en ander werd verwoord laakbaar is, dat haar handelwijze er evenwel is gekomen nadat zij zelf op bijzonder laakbare wijze door de ontruiming van haar kantoor werd getroffen, dat enkel haar laakbare handelwijze werd aangekaart en niet die van de commissaris, dat in het bestreden besluit wordt vastgesteld dat het vroegtijdig ontruimen van haar kantoor “eigenaardig” voorkomt zonder dat hieraan verder onderzoek werd gewijd, dat zij zich afvraagt waarom het tuchtdossier enkel en alleen haar viseerde en niet de commissaris, dat, indien een degelijk tuchtonderzoek was gevoerd, de procedure een geheel andere wending had genomen; 1.2.
- Overwegende vooreerst dat de rechten van verdediging in tuchtzaken inhouden dat een tuchtstraf pas kan worden opgelegd nadat betrokkene de gelegenheid kreeg zich nuttig te verdedigen ten aanzien van de tegen hem ingebrachte beschuldigingen; XII-1617-9/17 Overwegende dat te dezen uit het administratief dossier en meer bepaald uit de processen-verbaal van verhoor blijkt dat verzoekster zowel in de procedure voor de gouverneur als in de beroepsprocedure haar verweermiddelen heeft doen gelden vooraleer de tuchtbeslissing, respectievelijk de beslissing na beroep, werd genomen; dat verzoekster evenmin kan doen gelden dat haar rechten van verdediging werden geschonden door het weigeren van een getuigenverhoor, nu zij tijdens het verhoor door de gouverneur uitdrukkelijk verklaarde af te zien van haar recht getuigen op te roepen, zij in haar beroepschrift van 29 augustus 1997 niet vroeg dat bepaalde getuigen zouden worden gehoord en zij dergelijke vraag al evenmin stelde tijdens het verhoor in het kader van de beroepsprocedure; 1.2.
- Overwegende voorts, dat verwerende partij bij de feitenvinding de zorgvuldigheidsplicht moet naleven; dat zij derhalve desgevallend ambtshalve moet overgaan tot een aanvullende onderzoeksmaatregel indien zulks noodzakelijk is om een zorgvuldig oordeel te kunnen vellen over het al dan niet bestaan van de ten laste gelegde feiten; dat, wanneer betrokkene het bestaan van de ten laste gelegde feiten heeft bekend, de overheid die haar oordeel moet vellen over het al dan niet bestaan ervan, die feiten voor bewezen mag houden en niet moet overgaan tot het ambtshalve horen van getuigen zonder dat zij daardoor de zorgvuldigheidsplicht schendt; 1.2.2.
- Overwegende dat te dezen, wat betreft de tenlastelegging van het niet respecteren van de dienstregeling op 25 en 26 februari 1997, tijdens het verhoor binnen het raam van de beroepsprocedure aan verzoekster werd gevraagd of het tot de geplogenheden behoort of wordt aanvaard dat men een half uur of drie kwartier te laat komt; dat verzoekster ontkennend antwoordde en toegaf dat op tijd komen niet haar sterkste kant is; dat zij op de expliciete vraag “U ontkent niet dat u op die dagen te laat gekomen bent?”, al even expliciet antwoordde: “Neen, en ik zal dat ook niet ontkennen”; Overwegende dat verzoeksters beweringen dat “[u]it het feitenrelaas [...] duidelijk [is] gebleken dat een aantal tegenstrijdige getuigenverklaringen werden afgelegd” en dat “de tuchtoverheid [...] het blijkbaar niet noodzakelijk [achtte] deze getuigen te horen” in het licht van voormelde bekentenis dan ook niet ter zake doen, temeer nu de “grove leugens en tegenstrijdigheden” waarvan zij gewag maakt in haar feitenrelaas, geen betrekking blijken te hebben op de eerste tenlastelegging die haar aanwezigheid betreft en zij zich, wat betreft de door Van Gestel in dat verband afgelegde verklaring, beperkt tot XII-1617-10/17 de opmerking dat “[d]eze verklaring [...] elke objectiviteit [mist] en [...] dan ook van generlei waarde [is]”, opmerking die geen afbreuk vermag te doen aan de door haar zelf afgelegde verklaring; Overwegende dat ten slotte verzoeksters argument dat de bewijskracht van het door de commissaris opgesteld tuchtverslag sterk moet worden gerelativeerd en verwerende partij aan dat tuchtverslag een te verregaande bewijskracht heeft toegekend, in feite faalt nu verwerende partij blijkens de bestreden beslissing voor het bewezen achten van de eerste tenlastelegging niet steunde op het tuchtverslag van de korpschef, maar wel en enkel op verzoeksters verklaring tijdens de hoorzitting in beroep; 1.2.2.
- Overwegende voorts dat, wat betreft de tenlastelegging van het niet respecteren van de hiërarchische weg bij het ter kennis brengen van klachten, het verzoekster niet kwalijk kan worden genomen dat zij zich via het college van burgemeester en schepenen tot de gemeenteraad heeft gericht met de vraag een eerdere negatieve beslissing te herzien en zij daarbij, na te hebben vernomen dat een toekomstig verblijf van zes maanden met haar echtgenoot in Frankrijk de reden voor haar aanvraag zou zijn, de werkelijke reden voor haar aanvraag, namelijk de onmogelijkheid met de korpschef samen te werken, kenbaar heeft gemaakt; dat zij evenwel, door in haar brief gewag te maken van “[h]et dictatoriaal en tiranniserend optreden van de Heer R. Vereecken, Commissaris van Politie, met impulsief en wispelturig karakter zonder enige duidelijke beleidslijn die het wettelijk niet altijd even nauw neemt en waar bovendien menselijkheid en vertrouwen ontbreekt”, uitdrukkelijk te vragen dat haar zou worden toegestaan op de eerstvolgende gemeenteraadszitting deze “en een tiental andere belangrijke feiten” aan de gemeenteraad voor te leggen en mee te delen dat zij van twee collega’s de toelating heeft gekregen hun namen te noemen “daar ze zich benadeeld voelen door een onwettelijke wijze van optreden van de Heer Vereecken”, onder de vorm van een vraag tot herziening van de beslissing in verband met haar disponibiliteitsaanvraag, in wezen aanstuurde op een onderhoud met de gemeenteraad over ernstige tekortkomingen waarvan haar korpschef bij zijn leidinggeven en zijn taakuitoefening blijk zou geven; XII-1617-11/17 Overwegende dat in het bestreden besluit terecht wordt overwogen dat het college van burgemeester en schepenen geen hiërarchische overheid is met bevoegdheid over de leden van het politiekorps, dit in tegenstelling tot de burgemeester zelf en dat in de brief enkel een onderhoud wordt gevraagd met de gemeenteraad, die wel bevoegd is inzake personeelsaangelegenheden, maar niet inzake leiding en organisatie van het politiekorps, noch inzake tucht ten overstaan van de korpschef; dat verwerende partij evenmin bij de feitenvinding is tekortgeschoten aan de zorgvuldigheidsplicht door louter op grond van de inhoud van de brief van 17 februari 1997 en het feit dat deze eerst werd gericht aan het college van burgemeester en schepenen en later aan alle gemeenteraadsleden werd bezorgd, tot de bevinding te komen dat er te dezen sprake was van het niet respecteren van de hiërarchische weg; 1.2.2.
- Overwegende, wat betreft de tenlastelegging van het verspreiden onder de gemeenteraadsleden van lasterlijke geschriften met betrekking tot de korpschef, dat in het bestreden besluit wordt overwogen “dat [de werkelijke reden voor de disponibiliteitsaanvraag] mogelijk aanvaardbaar kan zijn; dat de verwoording van die reden evenwel niet op een serene manier gebeurde; dat integendeel de wijze waarop deze onmogelijkheid tot samenwerking door mevrouw Vangeel werd verwoord geenszins aanvaardbaar is ; dat immers door het in openbaar formuleren van negatieve, subjectieve en niet gestaafde aantijgingen, zonder dat betrokkene daar kennis van heeft en dus niet in de mogelijkheid verkeerde om op dat ogenblik zijn visie van de feiten toe te voegen, het hier ontegensprekelijk gaat om een laakbare handeling, zowel op deontologisch als op menselijk vlak”; dat verwerende partij volgens verzoekster is tekortgeschoten aan de zorgvuldigheids-plicht bij de feitenvinding aangezien haar uitspraken over het beleid van de commissaris objectief werden vastgesteld door een auditfirma en derhalve geenszins als lasterlijk kunnen worden bestempeld en verwerende partij hieraan niet het minste geloof heeft gehecht en al evenmin enig onderzoek heeft gewijd; Overwegende dat, in tegenstelling tot hetgeen verzoekster lijkt aan te nemen, de verwerende partij in de bestreden beslissing zich niet heeft uitgesproken over de inhoud van de in het geding zijnde geschriften maar enkel over de wijze waarop verzoekster haar klachten onder de aandacht bracht; XII-1617-12/17 Overwegende dat, in zoverre verzoekster de bestreden beslissing nog verwijt dat enkel haar laakbare handelwijze in ogenschouw wordt genomen en niet die van de commissaris zelf en dat aan de handelwijze van de commissaris geen nader onderzoek werd gewijd, zij uit het oog verliest dat verwerende partij enkel dan tot een aanvullende onderzoeksmaatregel moest overgaan indien dat noodzakelijk was om een zorgvuldig oordeel te kunnen vellen over het al dan niet bestaan van de verzoekster ten laste gelegde feiten; dat te dezen niet blijkt dat verwerende partij verplicht was aanvullend te onderzoeken of de commissaris eveneens tekort- komingen had begaan; Overwegende dat uit hetgeen voorafgaat moet worden afgeleid dat verwerende partij noch de rechten van verdediging, noch de zorgvuldigheidsplicht bij de feitenvinding heeft geschonden; dat het eerste middel dan ook niet gegrond is; 2.
- Overwegende dat verzoekster in een tweede middel aanvoert dat het gelijkheidsbeginsel werd geschonden, doordat, wat betreft de tenlastelegging van het niet respecteren van de dienstregeling, in het bestreden besluit wordt gesteld dat een waarschuwing passend zou zijn, ware het niet dat zij officier van gemeentepolitie is en bijgevolg door haar leidinggevende positie een voorbeeldfunctie heeft ten aanzien van het in de hiërarchie lagere personeel zodat de straf van berisping verantwoord is, dat de tuchtoverheid blijkbaar voorbijgaat aan het grondwettelijk beginsel dat er in de Staat geen onderscheid van standen is en dat alle Belgen gelijk zijn voor de wet, dat door het onderscheid in rang te maken het gelijkheidsbeginsel wordt geschonden en dat zij, rekening houdend met haar bekentenis dat op tijd komen niet haar sterkste kant was, het voordeel mocht genieten van een verzachtende omstandigheid; Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederantwoord verklaart haar standpunt te handhaven zoals uiteengezet in haar verzoekschrift; 2.
- Overwegende dat, waar de opsomming van tuchtstraffen in artikel 283 van de nieuwe gemeentewet limitatief is zodat enkel deze straffen kunnen worden opgelegd, daarentegen in die wet nergens wordt bepaald welk feit met welke straf moet worden gesanctioneerd; dat het bestuur bij de straftoemeting dan ook over een ruime appreciatiebevoegdheid beschikt, weze het dat die bevoegdheid binnen de grenzen van het evenredigheidsbeginsel moet worden uitgeoefend; dat het bestuur, naast de aard en de ernst van de fout ook de functie van betrokkene of de weerslag XII-1617-13/17 van fout en bestraffing op het gedrag van andere personeelsleden, bij de beoordeling van de strafmaat mag betrekken; Overwegende dat te dezen verwerende partij dit heeft gedaan door inzake de tenlastelegging van het niet respecteren van de dienstregeling te overwegen “dat laattijdig de dienst vervoegen inderdaad een tekortkoming is aan de beroepsplichten; dat de tenlastelegging beperkt is tot slechts twee inbreuken, waarbij het de eerste maal is dat dit soort inbreuken officieel werd vastgesteld, daar waar zij zelf stelt dat ‘op tijd komen niet haar sterkste kant was’; dat een waarschuwing, zijnde de lichtste straf, aangewezen zou zijn, ware het niet dat betrokkene bekleed is met een graad van officier van de gemeentepolitie, en derhalve door haar leidinggevende positie tevens een voorbeeldfunctie heeft t.a.v. het in de hiërarchie lagere personeel; dat, gelet op deze verzwarende omstandigheid, de straf van berisping verantwoord is”; Overwegende dat verzoekster kan worden bijgevallen waar zij stelt dat verwerende partij aldus bij het bepalen van de strafmaat een onderscheid heeft gemaakt naargelang de rang die een overheidsambtenaar bekleedt in de hiërarchie waarbinnen hij is tewerkgesteld; dat evenwel, in tegenstelling tot hetgeen zij beweert, dat gemaakte onderscheid geen schending inhoudt van het gelijkheidsbeginsel aangezien dat beginsel niet uitsluit dat een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen wordt ingesteld, in zoverre voor het criterium van dat onderscheid een objectieve en redelijke verantwoording bestaat; dat het door verwerende partij te dezen gehanteerde criterium van onderscheid tussen leidinggevende personeelsleden en hiërarchisch lagere personeelsleden wel degelijk objectief en redelijk verantwoord wordt door het feit dat leidinggevende personeelsleden een voorbeeldfunctie hebben ten aanzien van hiërarchisch lagere personeelsleden; dat voor het overige niet valt in te zien op welke wijze verwerende partij het gelijkheidsbeginsel zou hebben geschonden door, bij het bepalen van de strafmaat voor de eerste tenlastelegging, de bekentenis van verzoekster dat “op tijd komen niet haar sterkste kant was” niet als verzachtende omstandigheid in aanmerking te nemen; dat het tweede middel niet gegrond is; 3.
- Overwegende dat verzoekster in een derde middel betoogt dat op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen werden geschonden; dat zij daartoe in de eerste plaats doet gelden dat artikel 303, derde lid, van de nieuwe gemeentewet bepaalt dat indien het proces-verbaal na de hoorzitting wordt opgemaakt, het binnen XII-1617-14/17 acht dagen na de hoorzitting aan betrokkene wordt meegedeeld met het verzoek het te ondertekenen, dat te dezen het verhoor werd gehouden op 3 maart 1998 en het proces-verbaal haar bij faxbericht van 20 maart 1998 werd meegedeeld zodat de termijn van acht dagen ruimschoots werd overschreden, dat de wetgever aan het overschrijden van deze termijn geen gevolgen heeft gehecht, doch dat door het overschrijden ervan de rechtszekerheid in het gedrang komt; dat zij voorts betoogt dat artikel 305, § 1, van de nieuwe gemeentewet stelt dat de tuchtoverheid binnen twee maanden na het afsluiten van het proces-verbaal van de laatste hoorzitting uitspraak doet over de op te leggen tuchtmaatregel en de wetgever uitdrukkelijk de gevolgen heeft bepaald van het overschrijden van deze termijn, namelijk dat de tuchtoverheid geacht wordt af te zien van vervolging voor de feiten die betrokkene ten laste worden gelegd, wat betekent dat deze termijn een vervaltermijn is waarvan het verstrijken leidt tot bevoegdheidsverlies voor de tuchtoverheid, dat te dezen een tuchtbeslissing werd genomen vier maanden na het opstellen van het proces-verbaal; Overwegende dat verwerende partij antwoordt dat de bestreden beslissing werd genomen in het kader van een beroepsprocedure die in de nieuwe gemeentewet werd ingesteld bij artikel 290, § 2, dat de nieuwe gemeentewet geen enkele bepaling bevat die betrekking heeft op de wijze waarop deze beroepsprocedure moet verlopen, dit in tegenstelling tot de tuchtprocedure zelf, dat de beroepsprocedure moet worden afgehandeld volgens de regelen van behoorlijk bestuur, stelling die ook in de rechtsleer wordt gehanteerd, dat te dezen de beroepsprocedure binnen een zeer redelijke termijn werd afgehandeld zodat de rechten van verdediging werden gerespecteerd; Overwegende dat verzoekster in de memorie van wederantwoord uiteenzet dat de stellingname in de rechtsleer waarop verwerende partij steunt enkel handelt over het feit dat de betrokken ambtenaar opnieuw moet worden gehoord door een beroepsinstantie met hervormingsbevoegdheid, dat het doortrekken van deze stellingname naar op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, de rechtszekerheid van de betrokken ambtenaar in het gedrang zou brengen, dat in de nieuwe gemeentewet blijkbaar geen onderscheid wordt gemaakt tussen de initiële tuchtprocedure en de beroepsprocedure, dat zulks geenszins betekent dat de beroepsprocedure niet aan dezelfde regelen zou zijn onderworpen, dat in de rechtsleer waarnaar verwerende partij verwijst immers wordt gesteld dat de betrokken ambtenaar in de beroepsprocedure opnieuw moet worden gehoord vermits de beroepsinstantie de eigenlijke tuchtbevoegdheid uitoefent, waaruit kan worden XII-1617-15/17 afgeleid dat de regels van de initiële tuchtprocedure naar analogie moeten worden toegepast in de beroepsprocedure, dat het rechtszekerheidsbeginsel meebrengt dat de burger moet kunnen vertrouwen op wat door hem niet anders kan worden gezien dan als een vaste gedragslijn van de overheid, dat hij er ook recht op heeft dat de overheid zijn rechtspositie duidelijk vaststelt en niet in het vage laat, dat zij er dan ook op mocht vertrouwen dat een beslissing werd genomen binnen de twee maanden na het afsluiten van het proces-verbaal van de laatste hoorzitting; 3.
- Overwegende dat de auditeur in zijn verslag op beredeneerde wijze heeft beargumenteerd dat de in het middel aangevoerde artikelen alleen het eerste opleggen van de tuchtstraf betreffen en niet ook de beslissingen na beroep; dat verzoekster dat niet heeft betwist in een laatste memorie, die zij niet indiende, noch ter terechtzitting, waarop zij niet aanwezig en evenmin vertegenwoordigd was; dat de Raad de zienswijze van de auditeur bijvalt; dat de artikelen 303, derde lid, en 305, § 1, van de nieuwe gemeentewet te dezen niet van toepassing waren; dat ook het derde middel niet tot de gevraagde nietigverklaring kan leiden, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoekster. XII-1617-16/17 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig november 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-1617-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.315 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.