← België

Arrest 165316 - - 30/11/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.316 Rolnummer: A. 80463/XII-1629 Zaak: Arrest 165316 - - 30/11/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-12-13 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-01 10:40 Fiche Arrest nr 165.316 van 30 november 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 165.316 van 30 november 2006 in de zaak A. 80.463/XII-

  1. In zake : Louis SCHOLLIERS, wonende te Dendermonde, Vlietbergstraat 39 tegen :
  2. de BURGEMEESTER VAN DE STAD DENDERMONDE, die woonplaats kiest bij advocaat A. Coolsaet, kantoor houdende te Antwerpen, Arthur Goemaerelei 69,
  3. het VLAAMSE GEWEST. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Louis Scholliers op 28 september 1998 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 28 juli 1998 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Stedelijk Beleid en Huisvesting houdende goedkeuring van het besluit van 7 mei 1998 van de burgemeester van Dendermonde waarbij hem de tuchtstraf van schorsing met inhouding van wedde gedurende veertien dagen wordt opgelegd; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur H. Colin; Gelet op de beschikking van 18 juni 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen, gezien de laatste memorie van eerste verwerende partij en het verzoek tot voortzetting van het geding van verzoeker; Gelet op de beschikking van 5 september 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 3 oktober 2006; XII-1629-1/7 Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. Du Tré, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat A. Coolsaet, die verschijnt voor de eerste verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. Colin; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Het voorwerp. Overwegende dat verzoeker formeel enkel de nietigverklaring vraagt van het goedkeuringsbesluit van 28 juli 1998 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Stedelijk Beleid en Huisvesting; dat echter uit middelen in het verzoekschrift blijkt dat de gevraagde nietigverklaring eveneens betrekking heeft op het goedgekeurde besluit van de burgemeester; dat verzoekers beroep dan ook moet worden opgevat als zijnde gericht tegen beide besluiten;
  5. De gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : Verzoeker is inspecteur van politie bij de stad Dendermonde. Bij besluit van 7 mei 1998 van de burgemeester wordt verzoeker voor feiten gepleegd tijdens de nacht van 2 op 3 augustus 1997 en op 17 augustus 1997 de tuchtstraf van schorsing met inhouding van wedde gedurende 14 dagen opgelegd. Dit is de eerste bestreden beslissing die verzoeker bij aangetekende brief van 7 mei 1998 tegen ontvangstbewijs wordt betekend. Verzoeker tekent het ontvangstbewijs af op 8 mei
  6. Het tuchtbesluit vermeldt de mogelijkheid om “binnen de 30 dagen na kennisgeving van dit besluit” beroep aan te tekenen bij de Vlaamse regering. XII-1629-2/7 Bij brief, gedateerd 15 mei 1998, bij de geadresseerde ingekomen op 9 juni 1998, tekent verzoekers raadsman namens zijn cliënt beroep aan tegen de beslissing van 7 mei 1998 bij het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, administratie Binnenlandse Aangelegenheden. Bij aangetekende brieven van 12 juni 1998 wordt zowel aan verzoeker als aan het stadsbestuur van Dendermonde meegedeeld dat zij, indien zij wensen te worden gehoord, zich dienen aan te bieden op 29 juni
  7. Op 29 juni 1998 worden zowel verzoeker, bijgestaan door zijn raadsman, als het stadsbestuur gehoord. De Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Stedelijk Beleid en Huisvesting keurt op 28 juli 1998 het besluit van 7 mei 1998 van de burgemeester van Dendermonde goed;
  8. De ontvankelijkheid van het beroep. 3.
  9. Overwegende dat eerste verwerende partij betoogt dat verzoekers beroep tot nietigverklaring onontvankelijk is, dat immers de tuchtbeslissing bij aangetekende brief tegen ontvangstbewijs werd verstuurd op 7 mei 1998 en door verzoeker werd ontvangen op 8 mei 1998, dat het beroep bij de minister moest worden ingesteld binnen een termijn van dertig dagen vanaf de dag na de kennisname zodat de laatste dag waarop het beroep wettig kon worden ingesteld zondag 7 juni 1998 was, dat het decreet van 24 juli 1991 houdende regeling, voor het Vlaamse Gewest, van het administratief toezicht op de handelingen betreffende tucht- en sommige ordemaatregelen genomen ten opzichte van het gemeentepersoneel bedoeld in de nieuwe gemeentewet, (hierna : het decreet van 24 juli 1991) nergens bepaalt dat wanneer de laatste dag van de termijn een zondag is, de termijn wordt verlengd tot de eerstvolgende werkdag, dat het verlengen van een termijn tot de eerstvolgende werkdag evenmin een algemeen rechtsbeginsel is, dat indien inzake een administratief beroep niets is bepaald over het verlengen van termijnen, geen verlenging mogelijk is, dat de minister het beroepschrift pas op dinsdag 9 juni 1998 heeft ontvangen, dat verzoeker niet aantoont dat hij zijn beroep tijdig heeft ingesteld aangezien een brief, behoudens bewijs van het tegendeel, wordt geacht te zijn aangekomen de dag na het verzenden ervan, dat bijgevolg een brief wordt geacht te zijn verzonden de dag voordat hij is aangekomen, dat de minister, in plaats van de zaak ten gronde te behandelen, had moeten vaststellen dat de beroepstermijn was verstreken, dat de XII-1629-3/7 bestreden beslissing door de minister is genomen met overschrijding van zijn bevoegdheden, dat de aan verzoeker opgelegde tuchtstraf definitief is sinds 7 juni 1998, dat verzoeker, aangezien hij het georganiseerd administratief beroep niet ontvankelijk heeft uitgeput, geen ontvankelijk beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State kan instellen; 3.
  10. Overwegende dat verzoeker antwoordt dat eerste verwerende partij op de hoorzitting bij de minister behoorlijk vertegenwoordigd was, dat zowel eerste als tweede verwerende partij op dat ogenblik de mogelijkheid hadden de laattijdigheid van het beroep in te roepen, wat evenwel niet is gebeurd, dat, voor zover het ingestelde beroep laattijdig zou geweest zijn, deze laattijdigheid wordt gedekt door de houding van beide verwerende partijen die immers allebei de ontvankelijkheid van het beroep hebben kunnen onderzoeken en hebben nagelaten hierover enige opmerking te maken; dat verzoeker voorts aanvoert dat hij wel degelijk gerechtigd was op maandag 8 juni 1998 beroep aan te tekenen, dat eerste verwerende partij ter ondersteuning van haar stelling dat het verlengen van een termijn naar de eerstvolgende werkdag geen algemeen rechtsbeginsel is verwijst naar een noot onder het arrest nr. 50.365 van 24 november 1994, dat deze noot evenwel handelt over procedureproblemen inzake milieurecht, dat het beroep dat wordt ingesteld tegen een beslissing inzake milieurecht een gewoon administratief beroep is en geen proceshandeling, dat het verlengen van een termijn tot de eerstvolgende werkdag wel een algemeen rechtsbeginsel is inzake proceshandelingen, dat het beroep tegen een tuchtstraf evident een proceshandeling is zodat in deze omstandigheden de termijn werd verlengd tot de eerstvolgende werkdag en het beroep tijdig werd ingesteld; dat hij ten slotte betoogt dat zelfs wanneer de Raad van State zou oordelen dat het beroep laattijdig werd ingesteld, dit niet leidt tot de onontvankelijkheid van het beroep tot nietigverklaring aangezien er een regelmatig ministerieel besluit voorligt dat hij tijdig en regelmatig heeft aangevochten; 3.
  11. Overwegende dat luidens artikel 5, tweede lid, van het voormelde decreet van 24 juli 1991, betrokkene tegen een besluit van de gemeentelijke overheid houdende het opleggen van de tuchtstraffen van de inhouding van wedde en de schorsing beroep kan instellen bij de regering; dat luidens artikel 4 van voornoemd decreet dat beroep door betrokkene wordt ingesteld binnen een termijn van dertig dagen vanaf de dag na de kennisgeving van het besluit; dat voor het overige in voornoemd decreet nergens wordt bepaald dat wanneer de vervaldag van de termijn XII-1629-4/7 van dertig dagen een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag is, die vervaldag naar de eerstkomende werkdag wordt verplaatst; Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord zelf erkent dat hij het besluit van de burgemeester van 7 mei 1998 op 8 mei 1998 heeft ontvangen en dat de laatste dag van de beroepstermijn van 30 dagen zondag 7 juni 1998 was; dat hij niet betwist dat hij zijn beroep ter post heeft aangetekend op maandag 8 juni 1998; dat hij zulks integendeel impliciet maar zeker toegeeft door zijn verklaring dat hij hiertoe gerechtigd was omdat hij door het instellen van zijn beroep een proceshandeling heeft gesteld waardoor -op grond van een algemeen rechtsbeginsel- de termijn werd verlengd tot de eerstvolgende werkdag en zijn beroep wel degelijk tijdig werd ingediend; Overwegende dat het decreet van 24 juli 1991 een goedkeuringstoezicht na beroep heeft ingesteld waarbij het beroep luidens artikel 4 echter de beslissing niet schorst; dat bijgevolg een beslissing van een gemeentelijke overheid houdende het opleggen van een tuchtstraf in geval van beroep onvolkomen is totdat de toezichthoudende overheid er met de goedkeuring definitief uitvoerbare kracht aan heeft verleend; dat daarnaast niet kan worden betwist dat het bij decreet van 24 juli 1991 geregelde beroep een administratief en geen jurisdictioneel beroep is, nu het niet bij enig rechtscollege wordt ingesteld, maar bij de provinciegouverneur of de Vlaamse regering. Overwegende dat artikel 53 van het Gerechtelijk Wetboek luidt : “De vervaldag is in de termijn begrepen. Is die dag echter een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag, dan wordt de vervaldag verplaatst op de eerstvolgende werkdag”; dat de regeling van, onder meer, artikel 53 op grond van artikel 48 van het Gerechtelijk Wetboek echter enkel geldt voor termijnen voor het verrichten van “proceshandelingen”; dat het instellen van een administratief beroep geen proceshandeling is; dat de bepaling van artikel 53 van het Gerechtelijk Wetboek te dezen niet van toepassing is; dat het verplaatsen van een vervaltermijn evenmin een algemeen rechtsbeginsel is; dat in het kader van een administratief beroep enkel sprake kan zijn van het verplaatsen van een vervaldag indien de administratieve beroepsprocedure zulks uitdrukkelijk bepaalt; dat het decreet van 24 juli 1991 niet uitdrukkelijk voorziet in het verplaatsen van de vervaldag indien die vervaldag valt op een zaterdag, zondag of wettelijke feestdag; dat bijgevolg moet worden XII-1629-5/7 vastgesteld dat verzoeker zijn beroep tegen de door eerste verwerende partij genomen tuchtbeslissing laattijdig heeft ingesteld; Overwegende dat verzoeker, indien tegen een beslissing een georganiseerd beroep openstaat, dat beroep eerst ontvankelijk moet uitputten vooraleer een beroep tot nietigverklaring ontvankelijk kan worden ingediend; dat, ook al heeft de beroepsinstantie te dezen het beroep als ongegrond verworpen, wat in beginsel inhoudt dat zij het beroep als ontvankelijk beschouwde, de onontvankelijkheid van een beroep tot nietigverklaring de openbare orde raakt en daarom in voorkomend geval ambtshalve door de Raad van State moet worden vastgesteld; dat om die reden en -in tegenstelling tot hetgeen verzoeker betoogt- de laattijdigheid van het administratief beroep tegen een in eerste aanleg genomen beslissing niet kan worden “gedekt” door het feit dat noch eerste, noch tweede verwerende partij die laattijdigheid tijdens de administratieve procedure hebben ingeroepen; Overwegende dat verzoeker bijgevolg het recht heeft verbeurd de door eerste verwerende partij, in eerste aanleg, genomen tuchtbeslissing voor de Raad van State aan te vechten; dat de door eerste verwerende partij aangevoerde exceptie dan ook, althans voorzover zij wordt opgeworpen tegen het aanvechten van de door haarzelf genomen beslissing, gegrond is; 3.
  12. Overwegende voorts, dat in het auditoraatsverslag ambtshalve wordt vastgesteld dat verzoeker er geen enkel belang bij heeft de door tweede verwerende partij genomen goedkeuringsbeslissing vernietigd te zien; dat, indien verzoeker zijn belang anders inschat, het hem toevalt de zienswijze van het auditoraat te weerleggen; dat te dezen verzoeker nagelaten heeft dit te doen; dat verzoeker immers geen substantiële laatste memorie indiende maar zich tot de voortzetting beperkte; dat hij ook ter terechtzitting omtrent de voormelde conclusie van het auditoraatsverslag geen opmerkingen maakte; dat hij daardoor geacht mag worden met die conclusie in te stemmen; dat gelet op die instemming verzoeker het vereiste belang moet worden ontzegd in zoverre zijn beroep het bestreden goedkeuringsbesluit betreft;
  13. Overwegende dat uit hetgeen voorafgaat volgt dat het beroep in zijn geheel als onontvankelijk moet worden verworpen, XII-1629-6/7 BESLUIT: Artikel
  14. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  15. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig november 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-1629-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.316 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.