← België

Arrest 165317 - - 30/11/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.317 Rolnummer: A. 86770/XII-2241 Zaak: Arrest 165317 - - 30/11/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-12-14 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-01 10:41 Fiche Arrest nr 165.317 van 30 november 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 165.317 van 30 november 2006 in de zaak A. 86.770/XII-

  1. In zake : Willy VERHAEGEN, wonende te Heist-op-den-Berg, Van Immerseelstraat 6/1 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de gouverneur van de provincie Antwerpen. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Willy Verhaegen op 20 augustus 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 28 juni 1999 van de gouverneur van Antwerpen waarbij zijn vergunningen tot het voorhanden hebben van verweervuurwapens worden ingetrokken; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur-afdelingshoofd P. De Wolf; Gelet op de beschikking van 24 juli 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van het geding van verzoeker; Gelet op de beschikking van 11 september 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 3 oktober 2006; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; XII-2241-1/5 Gehoord de opmerkingen van advocaat K. Mortelmans, die loco advocaat E. Verbist verschijnt voor verzoeker, en van attaché D. Van Lierde, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur-generaal P. De Wolf; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. De gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  3. Verzoeker was houder van drie vergunningen tot het voorhanden hebben van verweervuurwapens, namelijk twee geweren Anschutz en een revolver Smith & Wesson. 1.
  4. In een brief van 11 juni 1999 aan de gouverneur van Antwerpen adviseert de procureur des Konings te Mechelen alle wapenvergunningen van verzoeker in te trekken. Dat advies wordt als volgt gemotiveerd: “Sedert 20 augustus 1998 wordt tegen deze man een gerechtelijk onderzoek gevoerd op betichting van organisatie van kansspelen (zogenaamd ‘banken’). Op 22 augustus 1998 werd in het kader van een huiszoeking in de woning van de echtgenote van betrokkene, die sedert enige tijd gescheiden leefde van haar echtgenoot, een pistool aangetroffen dat bleek toe te behoren aan Verhaegen, maar voor dewelke hij de vereiste vergunning niet heeft. Daarenboven was van het pistool het immatriculatienummer uitgevijld (!). Dit wapen werd onmiddellijk in beslag genomen en betrokkene zal hiervoor gedagvaard worden wegens inbreuk op de wapenwet. Het zal U niet onbekend zijn dat ‘het banken’ als vorm van illegale kansspelen in de Antwerpse Kempen een reëel probleem is en dat rivaliteit in kringen van organisatoren van dergelijke spelen reeds meermaals geleid heeft tot geweld en bedreigingen. Daarenboven wijst het bezit van een verweervuurwapen zonder vergunning, en waarvan bovendien het immatriculatienummer uitgevijld is, op een gevaarlijke geestesgesteldheid”. 1.
  5. Op 28 juni 1999 beslist de gouverneur van Antwerpen verzoekers wapenvergunningen in te trekken. Dit is het bestreden besluit dat als volgt wordt gemotiveerd : XII-2241-2/5 “Gelet op het schrijven d.d. 11 juni 1999 van de procureur des Konings van Mechelen, die van mening is dat de vergunningen moeten worden ingetrokken, omdat tegen betrokkene een gerechtelijk onderzoek loopt wegens het organiseren van kansspelen; Overwegende dat bij een huiszoeking bovendien is vastgesteld dat de heer Verhaegen een verweerwapen bezit zonder de vereiste vergunning; Overwegende dat het behoud van de openbare orde en de veiligheid de intrekking van de vergunningen vereist”;
  6. De grond van de zaak. 2.
  7. Overwegende dat verzoeker in een enig middel aanvoert dat de summiere motivering van het bestreden besluit terzake niet dienend is, dat bij gebrek aan “juridisch oorzakelijk” verband, een gerechtelijk vooronderzoek inzake het organiseren van kansspelen geen reden is om zijn wapenvergunningen in te trekken, dat het vaststellen bij een huiszoeking dat hij in het bezit was van een verweervuurwapen zonder de vereiste vergunning geen aanleiding kan geven tot het intrekken van zijn wapenvergunningen, dat hij immers het voormelde wapen in een café te goeder trouw kocht van een verkoper die beweerde dat het een alarmpistool was waarvoor geen vergunning vereist is, dat hij dat pistool en zijn andere wapens, die hij reeds twintig jaar bezit, nooit heeft misbruikt en hij de openbare orde en veiligheid er bijgevolg nooit mee heeft verstoord; Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord betoogt dat in het bestreden besluit niet wordt aangegeven hoe hij de openbare orde zou kunnen verstoren, dat tegen hem een gerechtelijk onderzoek loopt, doch dat hem niets ten laste werd gelegd, laat staan dat hij zou zijn veroordeeld, dat hij zich noch in de zaak van de kansspelen, noch in de zaak van de verboden wapenoverdracht heeft kunnen verdedigen, zodat zijn rechten van verdediging zouden zijn geschonden indien die feiten als grondslag dienen voor de bestreden beslissing; 2.
  8. Overwegende dat de gouverneur op grond van artikel 6, § 1, derde lid, van de wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van, de handel in en het dragen van wapens en op de handel in munitie (hierna: de wapenwet), de vergunning tot het voorhanden hebben van een verweervuurwapen kan schorsen of intrekken bij een met redenen omklede beslissing indien blijkt dat het voorhanden hebben van het wapen de openbare orde kan verstoren; dat uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 30 januari 1991 tot wijziging van de wapenwet blijkt dat het begrip “openbare orde” in de ruime zin moet worden opgevat, namelijk met inbegrip van de XII-2241-3/5 openbare veiligheid, de openbare rust en de openbare gezondheid (Parl. St., Kamer, 1989-1990, nr. 978/6, blz. 26 en 27); dat tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet van 30 januari 1991 tot wijziging van de wapenwet ook werd benadrukt dat het de bedoeling was de samenleving te beschermen tegen geweld en het risico op ongelukken te verminderen (Parl. St., Senaat, 1989-1990, nr. 972/2, blz. 2 en 4; Parl. St., Kamer, 1989-1990, nr. 978/6, blz. 2); dat in de gewijzigde wapenwet en in het uitvoeringsbesluit niet wordt bepaald dat een intrekking of schorsing enkel mogelijk is indien betrokkene werd veroordeeld wegens bepaalde misdrijven; dat evenmin vereist is dat betrokkene de openbare orde reeds zou hebben verstoord met een wapen; dat voorts de gouverneur op grond van het voormelde artikel 6, §1, derde lid, van de wapenwet bij de invulling van het begrip openbare orde over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt; dat hij namelijk uit bepaalde gegevens mag afleiden dat het voorhanden hebben van het wapen waarvan hij de vergunning schorst of intrekt de openbare orde “kan” verstoren; dat deze bevoegdheid evenwel zoals elke discretionaire bevoegdheid van een administratieve overheid wordt beperkt door onder meer het motiverings-beginsel; dat krachtens dit beginsel voor elke administratieve beslissing rechtens aanvaardbare motieven met een voldoende feitelijke grondslag moeten bestaan; Overwegende dat te dezen verzoekers wapenvergunningen blijkens de aanhef van de bestreden beslissing werden ingetrokken omdat de gouverneur van oordeel was dat die intrekking vereist was voor het behoud van de openbare orde en veiligheid, gezien het feit dat tegen verzoeker een gerechtelijk onderzoek liep wegens het organiseren van kansspelen en gezien het feit dat bij een huiszoeking werd vastgesteld dat hij een verweervuurwapen bezat zonder de vereiste vergunning; dat de gouverneur zich daarbij heeft gesteund op informatie die hem bij brief van 11 juni 1999 ter kennis werd gebracht door de procureur des Konings, die hem er eveneens op heeft gewezen dat “het banken” een vorm van illegale kansspelen in de Antwerpse Kempen is die reeds meermaals heeft geleid tot geweld en bedreigingen, alsook dat het bezit van een verweervuurwapen zonder vergunning en waarvan het immatriculatienummer is uitgevijld wijst op een gevaarlijke geestesgesteldheid; Overwegende dat aldus de bestreden beslissing, zoals voorgeschreven door artikel 6, §1, derde lid, van de wapenwet, met redenen is omkleed; dat de juridische en feitelijke overwegingen die eraan ten grondslag liggen in de akte worden vermeld; dat verzoeker niet ontkent dat bij een huiszoeking op 22 augustus 1998 een pistool met uitgevijld immatriculatienummer werd aangetroffen XII-2241-4/5 waarvoor hij geen vergunning bezat, noch dat tegen hem een gerechtelijk onderzoek liep op betichting van organisatie van kansspelen; dat de verwerende partij op grond van die feitelijke gegevens en overeenkomstig het advies van de procureur des Konings mocht aannemen dat verzoekers wapenvergunningen in het belang van de openbare orde en veiligheid dienden te worden ingetrokken; dat het enige middel niet gegrond is; 2.
  9. Overwegende ten slotte dat, waar in de memorie van wederantwoord nog wordt gesteld dat verzoekers “rechten van verdediging” werden geschonden, een nieuw middel wordt aangevoerd; dat dit middel niet ontvankelijk is, nu het niet steunt op gegevens die verzoeker pas kon vernemen na het instellen van het beroep tot nietigverklaring en het evenmin van openbare orde is, BESLUIT: Artikel
  10. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  11. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig november 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2241-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.317 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.