id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.318 Rolnummer: A. 86142/XII-2194 Zaak: Arrest 165318 - - 30/11/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-12-12 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-01 10:41 Fiche Arrest nr 165.318 van 30 november 2006 - Beslissing : Afstand Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 165.318 van 30 november 2006 in de zaak A. 86.142/XII-
- In zake : Kristiaan POPELIER, die woonplaats kiest bij advocaat Ph. Vandromme, kantoor houdende te Izegem, Dam 25 tegen :
- de STAD IZEGEM,
- de GOUVERNEUR VAN DE PROVINCIE WEST-VLAANDEREN. tussenkomende partij : Patrick DE MEULEMEESTER, die woonplaats kiest bij advocaat P. Defreyne, kantoor houdende te Izegem, de Papestraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Kristiaan Popelier op 17 augustus 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “van de beslissing van de Gemeenteraad van de Stad Izegem met kantoren te 8870 Izegem, Korenmarkt 10 dd. 19 april 1999 waarbij de heer Patrick De Meulemeester als eerste kandidaat werd voorgedragen voor het begeven van de functie van adjunct-commissaris en van het besluit genomen door de Gouverneur van de Provincie West-Vlaanderen met kantoor te 8000 Brugge, Burg 4 op 16 juni 1999 waarbij de heer Patrick Demeulemeester, geboren te Roeselare op 13 maart 1969 wordt benoemd tot adjunct-commissaris van Politie van de Stad Izegem met ingang van 1 juli 1999”; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 7 oktober 1999; Gelet op de beschikking van 28 oktober 1999 die de tussenkomst van Patrick De Meulemeester toelaat; XII-2194-1/3 Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur H. Colin; Gelet op de beschikking van 22 oktober 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van verzoeker en de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 20 september 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 oktober 2006; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; Gehoord de opmerkingen van attaché S. Maes, die verschijnt voor de tweede verwerende partij, en van advocaat P. Defreyne, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. Colin; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat overeenkomstig artikel 21, zesde lid, van de voormelde wetten ten aanzien van de verzoekende partij een vermoeden van afstand van geding geldt wanneer zij, binnen een termijn van 30 dagen die ingaat met de betekening van het verslag van de auditeur waarin de verwerping van het beroep wordt voorgesteld, geen verzoek tot voortzetting van de procedure indient; dat, voorts, gelet op het artikel 84, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, dit verzoek bij ter post aangetekende zending aan de Raad van State moet worden toegestuurd; dat het vereiste er toe strekt het verzoek een vaste of onbetwistbare datum te geven; dat het dan ook de datum van de aantekening ter post is die in aanmerking moet worden genomen voor het bepalen van de tijdigheid van het verzoek tot voortzetting; XII-2194-2/3 Overwegende dat te dezen geen ter post aangetekend schrijven aan verzoekers vraag tot voortzetting, in zijn “memorie tot voortzetting”, een vaste datum verschaft binnen de termijn van dertig dagen, gesteld in voornoemd artikel 21, zesde lid; dat verzoeker omtrent het ontbreken van een aangetekend schrijven door de kamervoorzitter-verslaggever met een op 20 september 2006 ter post aangetekende brief om zijn standpunt werd gevraagd; dat verzoeker op die vraag niet reageerde en evenmin ter terechtzitting verscheen of zich liet vertegenwoordigen; dat een en ander ertoe leidt, dat krachtens de voormelde wetsbepaling ten aanzien van verzoeker een vermoeden van afstand van het geding moet gelden, BESLUIT: Artikel
- De afstand van het geding wordt vastgesteld. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig november 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2194-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.318 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.