← België

Arrest 165334 - - 30/11/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 november 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.334 Rolnummer: A. 153919/XIV-20174 Zaak: Arrest 165334 - - 30/11/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-01-15 Raadplegingen: 48 - laatst gezien 2026-07-01 10:42 Fiche Arrest nr 165.334 van 30 november 2006 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 165.334 van 30 november 2006 in de zaak A. 153.919/XIV-20.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat F. LANDUYT, kantoor houdende te 8730 BEERNEM, Bloemendalestraat
  2. tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Angolese nationaliteit, op 19 juli 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 16 juni 2004 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 13 april 2004 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 27 juli 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 4 augustus 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 oktober 2006; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-20.174-1/6 Gehoord de opmerkingen van advocaat K. HINNEKENS, die loco advocaat F. LANDUYT verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché B. DIERICKX, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 24 maart 2004 en zich vluchteling verklaart op 25 maart 2004; dat op 13 april 2004 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 16 juni 2004 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: "A. Vluchtrelaas U, een Angolees staatsburger woonachtig in Cacongo te Cabinda, diende uw land te verlaten omwille van de politieke activiteiten van uw echtgenoot en de verdenking vanwege de autoriteiten dat u bij deze politieke activiteiten betrokken was. U verliet Angola, vergezeld van uw minderjarige dochter E., twintig dagen voor u per vliegtuig vanuit Brazzaville (Republiek Kongo) op 20 maart 2004 richting Moskou vloog. Vanuit Moskou reisde u met de wagen naar België. Op 25 maart 2004 vroeg u asiel in België. Uw man was een militair voor de partij FLEC (Cabindese afscheidingsbeweging). U werkte in het militair hospitaal van Cacongo. U kwam er in contact met militairen van de regeringstroepen en hoorde hen wel eens praten over acties die zouden plaatshebben tegen het FLEC. U gaf eens informatie door aan uw man over een nakende aanval op een basis van het FLEC. In oktober 2003 verdween uw echtgenoot. Enkele mensen kwamen u vertellen dat hij dood was Het raakte eveneens bekend dat hij militair was bij het FLEC. Daarop werd u in november 2003 op het werk gevraagd te stoppen met werken en naar de politie te gaan. U deed wat van u werd gevraagd en stapte naar de politie. Daarop stopte de politie u in de gevangenis. Men verdacht u ervan informatie aan uw man te hebben doorgegeven en men verweet u niet eerder naar de politie te zijn gestapt om uw man aan te geven. U verbleef in gevangenschap tot maart
  4. U werd geslagen. U kreeg last van uw maag en werd naar het ziekenhuis gebracht waar u voordien werkte. U verbleef er ongeveer twintig tot vijfentwintig dagen. Uw buurvrouw, die uw baby gedurende uw afwezigheid opving, kwam regelmatig langs om u van voedsel te voorzien. Twee bewakers hielden uw verblijf aldaar in de gaten. U bedacht een plan om te ontsnappen. U bood de mannen seksuele diensten aan en vroeg de buurvrouw uw kind op een bepaald uur naar de aanmeerplaats van de boot naar Ponta Negra (Republiek Kongo) te brengen. U nam de boot richting Ponta Negra en reisde door met de wagen naar Brazzaville. Aangezien u een ontsnapte gevangene bent, vreest u bij uw terugkeer gedood te worden. B. Motivering U kan u niet overtuigen aangaande uw Cabindese origine. U kan niet overtuigen werkelijk in Cacongo gewoond te hebben, aangezien u nauwelijks iets blijkt te weten over Cacongo. Vooreerst blijkt u het nogal moeilijk te hebben met de situering van uw eigenlijke woonplaats. Wanneer u gevraagd wordt naar de wijk waar u woonde in Cacongo, stelt u dat Cacongo een wijk in Cabinda is (gehoorverslag CGVS, dd. 12 mei 2004, p.2). Ook het militair hospitaal situeert u in Cacongo. Wanneer u gevraagd wordt in welke wijk antwoordt u opnieuw dat Cacongo een wijk is in Cabinda. Wanneer naar andere wijken in Cabinda gevraagd wordt noemt u ook nog Buco Zau en Landava. Om misverstanden te vermijden wordt u vervolgens gevraagd of de door u opgesomde wijken wel degelijk wijken zijn van Tchiowa, dit is van Cabinda-stad, waarop u bevestigend antwoordde (gehoorverslag CGVS, p.11). Volgens de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt en waarvan een kopie in het dossier steekt, is Cacongo echter helemaal geen wijk in Tchiowa. Cacongo is een stad op zichzelf die XIV-20.174-2/6 tientallen kilometers van Tchiowa of Cabinda-stad verwijderd ligt. Hetzelfde geldt voor Buco Zau. Landava bestaat helemaal niet, wel Lândana. Ook dit is echter geen wijk van Tchiowa. Wanneer u trouwens gevraagd wordt of Cacongo nog een andere naam draagt, kent u deze helemaal niet (gehoorverslag CGVS, p.13), terwijl het hier net Lândana betreft. De buurdorpen van Cacongo blijkt u evenmin te kennen. U antwoordt aanvankelijk dat Cacongo in Cabinda ligt. Na wat aandringen heeft u het opnieuw over Buco Zau en Landava. De andere beweert u niet te kennen aangezien u geen Kikongo spreekt. Buco Zau is geen buurdorp van Cacongo, het ligt aan de andere kant van de provincie Cabinda. De omliggende dorpen van Cacongo herkende u helemaal niet, zelfs als ze u werden voorgezegd (gehoorverslag CGVS, p.13). U stelt verder dat er dicht bij Cacongo geen rivier loopt, terwijl de belangrijkste rivier van Cabinda (gehoorverslag CGVS, p.14), de Chiluango, niet ver van de stad verwijderd ligt. De enige rivier die u zich wel meent te herinneren is de Massembi. Deze rivier is echter het Commissariaat-generaal onbekend. Ook de naam van de administrador van Cacongo blijkt u niet te herkennen (gehoorverslag CGVS, p.15). Namen van lokale bladen of kranten die in Cabinda worden uitgegeven, blijkt u niet te kennen. Naar uw mening zijn er enkel bladen die ook in Luanda verschijnen. Dit is echter niet het geval. De informatie waarop het Commissariaat-generaal zich dienaangaande baseerde, werd toegevoegd aan het administratief dossier. Uit bovenstaande vaststellingen blijkt dat u helemaal niet afkomstig kan zijn uit Cacongo. Verder verklaarde u via uw man, die militair was voor het FLEC, informatie te hebben doorgespeeld over de acties van de Angolese regeringstroepen. Indien u werkelijk in de provincie Cabinda woonde en voorstander was van het Cabindese onafhankelijkheidsstreven, mag van u worden verwacht dat u een aantal basisgegevens over deze beweging kan geven. De naam Francisco Luemba blijkt u helemaal niets te zeggen, terwijl het de ex-bevelhebber van de gewapende vleugel van het FLEC is (p. 15). Bovendien liep hij recentelijk over naar de regeringstroepen. Toen u een foto werd voorgelegd van het monument dat ter nagedachtenis van het Verdrag van Simulambuco werd opgericht, bleek u dat evenmin te herkennen of er enige toelichting te kunnen bij geven (p. 12). Uit de informatie waarover het Commissariaat- generaal beschikt, blijkt dat dit monument van een aanzienlijke symbolische waarde is voor het onafhankelijkheidsstreven van de Cabindezen. De informatie waarop het Commissariaat- generaal zich dienaangaande baseerde werd toegevoegd aan het administratief dossier. Gezien bovenstaande opmerkingen kan geen geloof worden gehecht aan de door u aangehaalde asielmotieven. U legde geen enkel document voor ter staving van uw nationaliteit, identiteit, vluchtroute of asielrelaas. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).”; 2.
  5. Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert dat luidt als volgt: “Schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (B.S. 12 september 1991), artt. 1322- 1332 B.W. en schending van de artikelen 48, 49 en 52 van de Vreemdelingenwet van 15 december
  6. Verzoekster wordt geconfronteerd met een beslissing van het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen dd. 18.03.2004 waarbij werd geoordeeld tot bevestiging van de verblijfsweigering van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken dd. 23.05.
  7. In de motivering stelt de Heer Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen dat er dient te worden opgemerkt dat zij niet kan aantonen zijn land verlaten te hebben voor een vervolging op basis van zijn ras, nationaliteit, religie, politieke mening of behoren tot een sociale groep zoals omschreven in de Conventie van Genève. Ten onrechte stelt het Commissariaat-Generaal dat zij niet kan overtuigen aangaande haar Cabindese origine. XIV-20.174-3/6 Het Commissariaat-Generaal gaat vooreerst voorbij aan de vaststelling dat zijn van haar geboorte te 15 jaar in Kakongo woonde, maar daarna tot haar 23 jaar in Biè Kuito woonde. Pas daarna keerde zij terug naar Kakongo. Daardoor is haar kennis beperkt. Vooreerst blijkt zij daardoor het nogal moeilijk te hebben met de situering van haar eigenlijke woonplaats. Wanneer zij gevraagd wordt naar de wijk waar zij woonde in Cacongo, stelt zij dat Cacongo een wijk (deel) in Cabinda is, die een provincie is (gehoorverslag CGVS, p.2). Ook het militair hospitaal situeert zij in Cacongo. Wanneer haar gevraagd wordt in welke wijk antwoordt zij opnieuw dat Cacongo een wijk is in Cabinda. Wanneer naar andere wijken in Cabinda gevraagd wordt noemt zij ook nog Buco Zau en Landava. Om misverstanden te vermijden wordt haar vervolgens gevraagd of de door haar opgesomde wijken wel degelijk wijken zijn van Tchiowa, dit is van Cabindastad, waarop zij bevestigend antwoordde, ni. dat het een onderdeel is (gehoorverslag CGVS, p. 1 l). Het feit dat wanneer haar trouwens gevraagd wordt of Cacongo nog een andere naan draagt, kent zij deze helemaal niet (gehoorverslag CGVS, p. 13), omdat zij nagenoeg geen schoolse kennis heeft. Zij reisde, als vrouw, zeer weinig, waardoor zij de buurdorpen van Cacongo evenmin blijkt te kennen. Zij antwoordt aanvankelijk de Capongo in Cabinda ligt. De andere kent zij niet aangezien zij geen Kikingo spreekt. Buco Zau is geen buurdorp van Cacongo, het ligt aan de andere kant van de provincie Cabinda. De omliggende dorpen van Cacongo herkende zij helemaal niet (gehoorverslag CGVS, p. 13). Zij stelt verder dat er inj Cacongo geen rivier loopt, terwijl dit juist is en de belangrijkste rivier Yan Cabinda (gehoorverslag CGVS, p. 14), de Chiluango, slechts in de buurt van de stad ligt. De enige rivier die zij zich wel meent te herinneren is de Massembi, hetgeen een woord is van de Bakongo-ethnie. Verder verklaarde zij via haar man, die militair was voor het FLEC, informatie te hebben doorgespeeld over de acties van de Angolese regeringstroepen. Indien zij werkelijk in de provincie Cabinda woonde en voorstander was van het Cabindese onafhankelijksheidsstreven, mag van haar niet worden verwacht dat zij een aantal basisgegevens over deze beweging kan geven, gezien zij noch lid, noch sympathisante is. De naam Francisco Luemba blijkt haar daarom helemaal niets te zeggen, terwijl het de ex-bevelhebber van de gewapende vleugel van het FLEC is (gehoorverslag CGVS p. 15). Bovendien liep hij recentelijk over naar de regeringstroepen. Toen haar een foto werd voorgelegd van het monument dat ter nagedachtenis van het Verdrag van Simulambuco werd opgericht, bleek zij dat evenmin te herkennen of er enige toelichting te kunnen bij geven (gehoorverslag CGVS p. 12), hetgeen niet dient te verbazen.”; 2.
  8. Overwegende dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen vereist dat de rechtsonderhorige in de hem aanbelangende beslissing kan lezen op welke gronden die beslissing is gesteund, zodat hij met kennis van zaken kan oordelen of het zinvol is gebruik te maken van de beroepsmogelijkheden waarover hij in rechte beschikt; dat die gronden op eenvoudige wijze in de bestreden beslissing kunnen worden gelezen, namelijk het feit dat de verzoekende partij niet heeft overtuigd dat zij afkomstig is van Cabinda; dat daarmee aan de voornaamste vereiste van de formele motiveringsplicht is voldaan en dat het middel in die mate ongegrond is; Overwegende dat het bij de beoordeling van de materiële motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; XIV-20.174-4/6 Overwegende dat uit de verklaringen van de verzoekende partij blijkt dat zij op drieëntwintigjarige leeftijd is teruggekeerd naar Kakongo en er nog vier jaar lang heeft gewoond voor haar vertrek; dat - onafgezien van de beweerde bescheiden scholingsgraad van de verzoekende partij - de commissaris-generaal redelijkerwijze kon verwachten dat de verzoekende partij in staat zou zijn correcte antwoorden te geven op elementaire vragen aangaande haar woonplaats in Kakongo; dat aangaande de gebrekkige kennis van de verzoekende partij van het FLEC dient te worden opgemerkt dat van de verzoekende partij eveneens kan worden verwacht dat zij een aantal basisgegevens kent over deze beweging, nu zij in de provincie Cabinda heeft gewoond en haar echtgenoot militair was bij het FLEC en nu zij zelf heeft verklaard dat zij via haar echtgenoot informatie heeft doorgespeeld over de acties van de Angolese regeringstroepen tegen het FLEC; dat de verzoekende partij derhalve niet aannemelijk maakt dat de commissaris- generaal de bestreden beslissing op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke wijze of met overschrijding van de ruime appreciatiebevoegdheid, die hem door de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) is gegeven, heeft genomen; dat het middel ook in die mate ongegrond is; Overwegende dat artikel 48 van de Vreemdelingenwet bepaalt dat als vluchteling kan worden erkend “de vreemdeling die voldoet aan de voorwaarden die te dien einde gesteld worden door de internationale overeenkomsten die België binden”; dat uit de bovenstaande bespreking van het middel echter blijkt dat de kritiek van de verzoekende partij tegen de vaststelling dat zij niet aan die voorwaarden voldoet, ongegrond is; dat het middel derhalve ook in die mate ongegrond is; Overwegende dat artikel 49 van de Vreemdelingenwet slechts van toepassing is op als dusdanig erkende vluchtelingen, terwijl de asielaanvraag van de verzoekende partij is verworpen en haar kritiek tegen die verwerping ongegrond is bevonden; dat het middel derhalve in die mate niet-ontvankelijk is; Overwegende dat de verzoekende partij niet uiteenzet hoe de artikelen 1322 en 1332 van het Burgerlijk Wetboek met de bestreden beslissing geschonden zouden zijn, daargelaten de vaststelling dat deze bepalingen betrekking hebben op het bewijs van verbintenissen uit overeenkomst en derhalve een zuiver privaatrechtelijk karakter hebben;
  9. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, XIV-20.174-5/6 de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  10. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  11. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op dertig november tweeduizend en zes, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-20.174-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.165.334 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.